5 dagen geleden verschenen
Het gesprek van een gelovige met zijn ziel
Een uitleg van Psalm 42:12 als gesprek tussen David en zijn ziel: waarom de ziel terneergeslagen en onrustig is, waarom ze op God moet hopen en hoe die hoop uitloopt…
12 dagen geleden verschenen
Het woord van Gods genade
Een uitleg van Handelingen 20:32: Paulus beveelt de oudsten van Efeze aan God en aan het woord van Zijn genade. Alleen dat woord, door de Geest toegepast, bouwt de ziel…
2 weken geleden verschenen
Schatten in de duisternis
Uitleg van Jesaja 45:2,3 voor Gods kinderen: de Heere gaat voor hen uit, maakt kromme wegen recht, verbreekt koperen deuren en ijzeren grendels, geeft verborgen schatten en leert hen zo…
Verkrijgen en verliezen
Naar Prediker 3:6: een levende ziel verkrijgt geestelijke dingen, van kennis van God en van zichzelf tot geloof en vergeving, maar verliest ook haar eigen gerechtigheid en kracht. De preek…
Het schudden van wat gemaakt is en de vastheid van wat gegeven is
Over Hebreeën 12:27,28: wat gemaakt is, wordt geschud en weggenomen, wat God geeft blijft. Het Koninkrijk dat niet bewogen kan worden wordt door geloof ontvangen, door genade vastgehouden en draagt…
Korenaren Uit De Volle Oogst
Die in de kracht Gods bewaard wordt door het geloof, tot de zaligheid.
1 Petrus 1:5
Zij die in de kracht Gods door het geloof bewaard worden, zijn dikwijls ontroerd en angstig in zichzelf, vrezende of deze zaligheid ooit het deel hunner ziel zal zijn, — of zij niet blijken zullen verworpenen te zijn, — of het werk aan hun ziel het echte werk is, — of zij van God geleerd zijn. Maar de Heere zegt: „Zij worden in Zijn kracht bewaard tot de zaligheid”; bewaard als in een stad met veel krijgsvolk, totdat de zaligheid zal komen in al haar heerlijkheid, liefelijkheid, blijdschap en gelukzaligheid in hun harten; behoed en omringd door al de eigenschappen Gods, opdat hun geloof niet bezwijke en zij „het einde huns geloofs, de zaligheid hunner zielen ontvangen”.
Arme, twijfelmoedige, bedroefde, vrezende, schuldige zondaar! Deze belofte is voor u. Uw ziel is geborgen in de Heere uw God; uw plaats en uw naam blijven hier bewaard. En het is een belofte voor u; ja, het is een belofte voor ons allen. Zij is voor ons, als wij bij elkaar zijn of van elkander zijn gescheiden, een belofte voor de stad en voor het land; een belofte voor een kind Gods te midden van beproeving en verzoeking, en een belofte wanneer hij zich in een kortstondige verlossing ervan verheugt; een belofte voor hem in oorlog en in vrede; een belofte voor hem als de kanonnen bulderen en de aarde beeft, een belofte voor hem als er geen vijand nabij is, want dan kan de vijand door krijgslist naderen.
Ja, zo gij een enkel ogenblik kunt noemen dat deze belofte u niet noodzakelijk is, dat zou juist het ogenblik zijn dat gij haar het meest behoeft. Zo gij ooit zover kondt komen dat gij zeggen zoudt: „Nu heb ik de belofte niet meer nodig,” dan zou datzelfde gevoel u tonen dat gij u bevondt aan de rand van een afgrond, en daarom was die belofte u nooit meer nodig dan op dat ogenblik.
Herdenk de trouw, aan ons voorheen betoond,
denk aan Uw volk, door U van ouds verkregen,
denk aan Uw erf, het voorwerp van Uw zegen,
aan Sions berg, waar G’eertijds hebt gewoond.
Ps. 74:2
Aan de lezer…
Arme, twijfelmoedige ziel, vraagt u zich soms af of het werk in u wel echt is, of u niet toch verworpen zult blijken te zijn? Ik zeg u eerlijk dat juist zij die door God bewaard worden, dikwijls zo ontroerd en angstig in zichzelf zijn. Uw vrees is dus geen bewijs dat u buiten staat. De belofte zegt niet dat u uzelf bewaart, maar dat u bewaard wordt „in de kracht Gods door het geloof, tot de zaligheid”.
U bent als in een stad met veel krijgsvolk, omringd door al de eigenschappen Gods. Die belofte is voor u in de beproeving en in de verlossing, in de strijd en in de rust. En denkt u ooit dat u haar niet meer nodig hebt, dan staat u juist aan de rand van de afgrond. Klem u daarom aan haar vast, vandaag en elke dag. Niet uw kracht, maar Zijn kracht zal u bewaren tot het einde.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Die in de kracht Gods bewaard wordt door het geloof, tot de zaligheid.
1 Petrus 1:5
Zij die in de kracht van God door het geloof bewaard worden, zijn vaak onrustig en angstig in zichzelf. Zij vrezen of deze zaligheid ooit het deel van hun ziel zal zijn, of zij niet verworpenen zullen blijken te zijn, of het werk in hun ziel het echte werk is, en of zij door God onderwezen zijn. Maar de Heere zegt: „Zij worden in Zijn kracht bewaard tot de zaligheid”. Zij worden bewaard als in een stad vol krijgsvolk, totdat de zaligheid in al haar heerlijkheid, lieflijkheid, blijdschap en gelukzaligheid in hun hart komt. Zij worden beschermd en omringd door alle eigenschappen van God, zodat hun geloof niet bezwijkt en zij „het einde huns geloofs, de zaligheid hunner zielen ontvangen”.
Arme, twijfelmoedige, bedroefde, vrezende, schuldige zondaar! Deze belofte is voor u. Uw ziel is geborgen in de Heere uw God; uw plaats en uw naam blijven hier bewaard. Het is een belofte voor u, ja, een belofte voor ons allemaal. Zij is voor ons, of wij nu bij elkaar zijn of van elkaar gescheiden; een belofte voor de stad en voor het land. Zij is een belofte voor een kind van God te midden van beproeving en verzoeking, en een belofte wanneer hij zich verheugt in een korte verlossing daarvan. Zij is een belofte voor hem in oorlog en in vrede; een belofte als de kanonnen bulderen en de aarde beeft, en een belofte als er geen vijand in de buurt is, want juist dan kan de vijand met een krijgslist naderen.
Ja, als u één ogenblik zou kunnen noemen waarop u deze belofte niet nodig hebt, dan zou dat juist het ogenblik zijn waarop u haar het meest nodig hebt. Als u ooit zover kwam dat u zei: „Nu heb ik de belofte niet meer nodig,” dan zou juist dat gevoel u laten zien dat u aan de rand van een afgrond stond. Op dat ogenblik zou u die belofte dus meer nodig hebben dan ooit.
Herdenk de trouw, aan ons voorheen betoond,
denk aan Uw volk, door U van ouds verkregen,
denk aan Uw erf, het voorwerp van Uw zegen,
aan Sions berg, waar G’eertijds hebt gewoond.
Ps. 74:2
Aan de lezer…
Arme, twijfelmoedige ziel, vraagt u zich soms af of het werk in u wel echt is, of u niet toch verworpen zult blijken te zijn? Ik zeg u eerlijk dat juist zij die door God bewaard worden, vaak zo onrustig en angstig in zichzelf zijn. Uw vrees is dus geen bewijs dat u erbuiten staat. De belofte zegt niet dat u uzelf bewaart, maar dat u bewaard wordt „in de kracht Gods door het geloof, tot de zaligheid”.
U bent als in een stad vol krijgsvolk, omringd door alle eigenschappen van God. Die belofte is voor u in de beproeving en in de verlossing, in de strijd en in de rust. En denkt u ooit dat u haar niet meer nodig hebt, dan staat u juist aan de rand van de afgrond. Klem u daarom aan haar vast, vandaag en elke dag. Niet uw kracht, maar Zijn kracht zal u bewaren tot het einde.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Who are kept by the power of God through faith unto salvation.
1 Peter 1:5
Those who are kept by the power of God through faith, are often in their minds troubled and anxious, fearing whether this salvation will ever reach their souls—whether they may not prove castaways—whether the work upon their heart is genuine—whether they are under divine teachings. But the Lord says they are “kept by His power through faith unto salvation”—kept as in this garrisoned city, until salvation shall come in all its glory, sweetness, bliss and blessedness into their heart; preserved and encompassed by all the attributes of God from making shipwreck of faith, until they “receive the end of their faith, even the salvation of their souls.”
Then poor, doubting, distressed, fearing, guilty sinner—this promise is for you. Your soul is bound up in the bundle of life with the Lord your God; your character and your name are contained here. And it is a promise suitable to you—yes, it is a promise suitable to us all. Suitable to us when we meet together, suitable when absent from each other, suitable for town, suitable for country; suitable for a child of God in a state of trial and temptation, and suitable when he enjoys a temporary respite from them; suitable for him in war, suitable for him in peace; suitable for him when the cannons roar and the earth trembles, suitable for him when he seems to have no enemy near, for the enemy then may be approaching by stratagem.
Yes, could you point out a single moment when this promise is not suitable to you, that would be the very moment in which the promise would be needed by you most. Could you ever arrive at such a spot as to say, “Now I need the promise no more,” that very feeling would show that you were on the brink of a fall, and therefore never needed the promise so much as then.
To the reader…
Poor doubting soul, do you sometimes wonder whether the work in you is genuine, or whether you may yet prove to be a castaway? I tell you honestly that it is precisely those whom God keeps who are often so restless and anxious within themselves. Your fear, then, is no proof that you are outside. The promise does not say that you keep yourself, but that you are kept “by the power of God through faith unto salvation.”
You are as in a city full of soldiers, surrounded by all the attributes of God. That promise is for you in trial and in deliverance, in conflict and in rest. And if you ever think you no longer need it, that is when you stand at the very edge of the precipice. So cling to it, today and every day. Not your strength, but His strength will keep you to the end.
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
Que sois guardados en la virtud de Dios por fe, para alcanzar la salud.
1 Pedro 1:5
Los que son guardados en la virtud de Dios por fe están a menudo turbados y ansiosos en su mente, temiendo si esta salvación llegará alguna vez a sus almas, si no resultarán réprobos, si la obra en su corazón es genuina, si están bajo la enseñanza divina. Pero el Señor dice que son “guardados en Su virtud por fe, para alcanzar la salud”: guardados como en una ciudad fortificada con guarnición, hasta que la salvación venga a su corazón en toda su gloria, dulzura, dicha y bienaventuranza; preservados y rodeados por todos los atributos de Dios para que no hagan naufragio en la fe, hasta que obtengan “el fin de su fe, que es la salud de sus almas”.
Entonces, pobre pecador que duda, que está angustiado, que teme y se siente culpable: esta promesa es para usted. Su alma está ligada en el haz de los que viven con Jehová su Dios; su carácter y su nombre están contenidos aquí. Y es una promesa adecuada para usted; sí, es una promesa adecuada para todos nosotros. Adecuada cuando nos reunimos, adecuada cuando estamos separados; adecuada en la ciudad, adecuada en el campo; adecuada para un hijo de Dios en estado de prueba y tentación, y adecuada cuando goza de un respiro pasajero de ellas; adecuada para él en la guerra, adecuada para él en la paz; adecuada para él cuando rugen los cañones y tiembla la tierra, adecuada para él cuando parece no tener ningún enemigo cerca, porque el enemigo puede entonces estar acercándose con astucia.
Sí, si usted pudiera señalar un solo momento en que esta promesa no le fuera adecuada, ese sería precisamente el momento en que más la necesitaría. Si pudiera llegar alguna vez a un punto en que dijera: “Ahora ya no necesito la promesa”, ese mismo sentimiento mostraría que estaba al borde de una caída, y por tanto nunca necesitó tanto la promesa como entonces.
Al lector…
Pobre alma que duda, ¿se pregunta usted a veces si la obra en usted es genuina, o si al final resultará réproba? Le digo con sinceridad que precisamente aquellos a quienes Dios guarda están a menudo tan inquietos y ansiosos dentro de sí. Su temor, pues, no es prueba de que esté fuera. La promesa no dice que usted se guarda a sí mismo, sino que es guardado “en la virtud de Dios por fe, para alcanzar la salud”.
Está como en una ciudad llena de soldados, rodeado por todos los atributos de Dios. Esa promesa es para usted en la prueba y en la liberación, en el combate y en el reposo. Y si alguna vez piensa que ya no la necesita, es entonces cuando está al mismo borde del precipicio. Aférrese, pues, a ella, hoy y cada día. No su fuerza, sino Su fuerza le guardará hasta el fin.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl
365 Dagen Met Philpot
De gelovige moordenaar
Voorwaar, zeg Ik u: Heden zult gij met Mij in het Paradijs zijn.
Lukas 23:43
„Heden zult gij met Mij in het Paradijs zijn.” „Heden – voor de zon ondergaat, voor de nacht invalt, op dezelfde dag nog dat de woorden tot u zijn gesproken – zult gij met Mij zijn.” Wat kon de stervende moordenaar, wat zou hij meer willen dan met Jezus te zijn, de Heere des levens en der heerlijkheid, heerlijk te genieten van Zijn liefde, tegenover Hem te staan, en voor eeuwig gezegend te zijn met de openbaring van Zijn aanwezigheid? Ondanks de zonde, ondanks de dood, ondanks de duivel, zei de Heere: „Heden zult gij met Mij zijn – veilig in Mijn armen, veilig aan Mijn borst, veilig onder de vleugels van eeuwige liefde.” Wat kon hij zich nog meer wensen? Dit vult alles.
Het is waar dat de Heere Jezus Christus toen niet was opgevaren naar waar Hij voordien was, zichtbaar in Zijn lichaam, maar de ziel van de moordenaar was bij de ziel van Jezus in het Paradijs. Wat betekent het woord Paradijs? Het Paradijs was de hof waarin Adam en Eva werden geplaatst toen ze werden geschapen. En dus betekende het in de Joodse taal de eeuwige verblijfplaats van de gelukzaligen, waar de boom des levens groeit, waar het aangezicht van God te zien is, en waar alle vreugde en blijdschap ten volle aanwezig zijn. Diezelfde dag nog was hij met Jezus in het Paradijs, en hij is nu in het Paradijs, genietend van het aangezicht van God, zijn bevrijde ziel badend in de hemelwateren; en daar zal hij zijn tot de tijd ophoudt te bestaan.
Lezen: 1 Thessalonicenzen 4
Aan de lezer…
Wat zou u, lezer, meer kunnen wensen dan met Jezus te zijn? De stervende moordenaar hoorde het uit de mond van de Heere Zelf: „Heden zult gij met Mij in het Paradijs zijn.” Nog voor de zon onderging, ondanks de zonde, ondanks de dood, ondanks de duivel. Veilig in Zijn armen, veilig aan Zijn borst, veilig onder de vleugels van eeuwige liefde. Dit vult alles.
Misschien ziet u met vrees naar uw eigen sterven, en vraagt u zich af wat er dan met uw ziel zal gebeuren. Laat dit woord u dan troosten. Het Paradijs is de plaats waar het aangezicht van God te zien is en alle vreugde ten volle aanwezig is, en het is de Heere Jezus Die het belooft aan wie tot Hem roept. Zoek uw zekerheid niet in uzelf, maar in Zijn „Voorwaar”. Wat Hij de moordenaar beloofde, hield Hij, en Hij is nog dezelfde voor elke arme zondaar die op Hem ziet.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Voorwaar, zeg Ik u: Heden zult gij met Mij in het Paradijs zijn.
Lukas 23:43
„Heden zult gij met Mij in het Paradijs zijn.” „Heden – voor de zon ondergaat, voor de nacht invalt, op dezelfde dag nog dat de woorden tot u zijn gesproken – zult gij met Mij zijn.” Wat kon de stervende moordenaar, wat zou hij meer willen dan bij Jezus te zijn, de Heere van het leven en van de heerlijkheid? Wat meer dan heerlijk te genieten van Zijn liefde, voor Zijn aangezicht te staan en voor eeuwig gezegend te zijn met de openbaring van Zijn tegenwoordigheid? Ondanks de zonde, ondanks de dood, ondanks de duivel zei de Heere: „Heden zult gij met Mij zijn – veilig in Mijn armen, veilig aan Mijn borst, veilig onder de vleugels van eeuwige liefde.” Wat kon hij zich nog meer wensen? Dit vervult alles.
Het is waar dat de Heere Jezus Christus toen nog niet, zichtbaar in Zijn lichaam, was opgevaren naar de plaats waar Hij voordien was. Maar de ziel van de moordenaar was bij de ziel van Jezus in het Paradijs. Wat betekent het woord Paradijs? Het Paradijs was de hof waarin Adam en Eva werden geplaatst toen ze geschapen waren. Daarom betekende het in de Joodse taal de eeuwige verblijfplaats van de gelukzaligen, waar de boom des levens groeit, waar het aangezicht van God te zien is en waar alle vreugde en blijdschap ten volle aanwezig zijn. Diezelfde dag nog was hij met Jezus in het Paradijs. En hij is nu in het Paradijs, waar hij geniet van het aangezicht van God, terwijl zijn bevrijde ziel baadt in de wateren van de hemel; en daar zal hij zijn tot de tijd ophoudt te bestaan.
Lezen: 1 Thessalonicenzen 4
Aan de lezer…
Wat zou u, lezer, meer kunnen wensen dan bij Jezus te zijn? De stervende moordenaar hoorde het uit de mond van de Heere Zelf: „Heden zult gij met Mij in het Paradijs zijn.” Nog voordat de zon onderging, ondanks de zonde, ondanks de dood, ondanks de duivel. Veilig in Zijn armen, veilig aan Zijn borst, veilig onder de vleugels van eeuwige liefde. Dit vervult alles.
Misschien ziet u met vrees op naar uw eigen sterven en vraagt u zich af wat er dan met uw ziel zal gebeuren. Laat dit woord u dan troosten. Het Paradijs is de plaats waar het aangezicht van God te zien is en alle vreugde ten volle aanwezig is, en het is de Heere Jezus Die het belooft aan wie tot Hem roept. Zoek uw zekerheid niet in uzelf, maar in Zijn „Voorwaar”. Wat Hij de moordenaar beloofde, heeft Hij gehouden, en Hij is nog Dezelfde voor elke arme zondaar die op Hem ziet.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Verily I say unto thee, To day shalt thou be with Me in paradise.
Luke 23:43
“To day shalt thou be with Me in paradise.” “To day — before the sun goes down, before the night falls, on the very same day that the words are spoken to thee — shalt thou be with Me.” What could the dying thief, what would he want more than to be with Jesus, the Lord of life and of glory? What more than gloriously to enjoy His love, to stand before His face and to be blessed for ever with the manifestation of His presence? In spite of sin, in spite of death, in spite of the devil, the Lord said: “To day shalt thou be with Me — safe in My arms, safe on My bosom, safe under the wings of everlasting love.” What more could he wish for? This fills up everything.
It is true that the Lord Jesus Christ had not yet visibly ascended in His body to where He was before. But the soul of the thief was with the soul of Jesus in paradise. What does the word paradise mean? Paradise was the garden in which Adam and Eve were placed when they were created. Therefore in the Jewish language it signified the eternal abode of the blessed, where the tree of life grows, where the face of God is seen, and where all joy and gladness are present in fulness.
That very same day he was with Jesus in paradise. And he is now in paradise, where he enjoys the face of God, while his ransomed soul bathes in the waters of heaven; and there he will be until time shall be no more.
Reading: 1 Thessalonians 4
To the reader…
What could you, reader, wish for more than to be with Jesus? The dying thief heard it from the mouth of the Lord Himself: “To day shalt thou be with Me in paradise.” Before the sun went down, in spite of sin, in spite of death, in spite of the devil. Safe in His arms, safe on His bosom, safe under the wings of everlasting love. This fills up everything.
Perhaps you look forward with fear to your own dying and wonder what will then become of your soul. Then let this word comfort you. Paradise is the place where the face of God is seen and all joy is present in fulness, and it is the Lord Jesus Who promises it to those who cry to Him. Do not seek your certainty in yourself, but in His “Verily.” What He promised the thief He kept, and He is still the same for every poor sinner who looks to Him.
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
De cierto te digo, que hoy estarás Conmigo en el paraíso.
Lucas 23:43
“Hoy estarás Conmigo en el paraíso.” “Hoy —antes de que se ponga el sol, antes de que caiga la noche, el mismo día en que se te dicen estas palabras— estarás Conmigo.” ¿Qué podía querer el ladrón moribundo, qué habría de desear más que estar con Jesús, el Señor de la vida y de la gloria? ¿Qué más que gozar gloriosamente de Su amor, estar delante de Su rostro y ser bienaventurado para siempre con la manifestación de Su presencia? A pesar del pecado, a pesar de la muerte, a pesar del diablo, el Señor dijo: “Hoy estarás Conmigo: seguro en Mis brazos, seguro en Mi seno, seguro bajo las alas del amor eterno”. ¿Qué más podía desear? Esto lo llena todo.
Es cierto que el Señor Jesucristo aún no había ascendido visiblemente en Su cuerpo adonde estaba antes. Pero el alma del ladrón estaba con el alma de Jesús en el paraíso. ¿Qué significa la palabra paraíso? El paraíso era el huerto en el que fueron puestos Adán y Eva cuando fueron creados. Por eso en el lenguaje judío significaba la morada eterna de los bienaventurados, donde crece el árbol de la vida, donde se ve el rostro de Dios y donde todo gozo y alegría están presentes en plenitud.
Ese mismo día estuvo con Jesús en el paraíso. Y ahora está en el paraíso, donde goza del rostro de Dios, mientras su alma rescatada se baña en las aguas del cielo; y allí estará hasta que el tiempo no sea más.
Lectura: 1 Tesalonicenses 4
Al lector…
¿Qué podría desear usted, lector, más que estar con Jesús? El ladrón moribundo lo oyó de la boca del Señor mismo: “Hoy estarás Conmigo en el paraíso”. Antes de que se pusiera el sol, a pesar del pecado, a pesar de la muerte, a pesar del diablo. Seguro en Sus brazos, seguro en Su seno, seguro bajo las alas del amor eterno. Esto lo llena todo.
Quizá mira usted con temor hacia su propia muerte y se pregunta qué será entonces de su alma. Deje entonces que esta palabra le consuele. El paraíso es el lugar donde se ve el rostro de Dios y todo gozo está presente en plenitud, y es el Señor Jesús quien lo promete a los que claman a Él. No busque su certeza en sí mismo, sino en Su “De cierto”. Lo que prometió al ladrón, lo cumplió, y Él sigue siendo el mismo para todo pobre pecador que mira a Él.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl
Door Baca's Vallei
Want Gij zult Mijn ziel in de hel niet verlaten; Gij zult niet toelaten, dat Uw Heilige de verderving zie.
Psalm 16:10
Toen de aanbiddelijke Zoon Gods door een vrijwillige daad Zijn leven had afgelegd, waren de laatste woorden die Hij sprak: „Vader, in Uw handen beveel Ik Mijn geest.” Onder Zijn geest moeten wij verstaan Zijn menselijke ziel, die in de dadelijkheid ging in het Paradijs, in de onmiddellijke tegenwoordigheid Gods. Zo drukte Hij Zich vertrouwelijk uit: „Maar nu kom Ik tot U,” Joh. 17:10. Nu ging Hij daarheen niet alleen. Een zegeteken volgde Hem zeer spoedig. Want de ziel van die berouwhebbende, gelovige misdadiger, een medegenoot met Hem in Zijn lijden, werd door Zijn soevereine genade een deelgenoot met Hem in de heerlijkheid.
Er was dan een werkelijke scheiding van des Verlossers lichaam en ziel, doch die vernietigde niet de vereniging van Zijn Godheid en mensheid. Die vereniging bleef intact toen Zijn heilige ziel in het Paradijs ging, en zo was Hij nog de Godmens, zijnde in het Paradijs, Die Hij was bij het graf van Lazarus, evenals aan het Avondmaal. Maar Zijn heilig lichaam bleef, ofschoon door de dood het leven was uitgegaan, evenals tevoren „het Heilige”. De dood kon dit heilig lichaam in het graf evenmin aantasten als de zonde dit kon doen in de baarmoeder van Maria. De belofte derhalve was: „Gij zult Mijn ziel in de hel niet verlaten; noch toelaten, dat Uw Heilige de verderving zie.”
Dit heilig lichaam was wezenlijk onverderfelijk, zijnde door de Heilige Geest, door een bijzondere, bovennatuurlijke generatie, toebereid uit het vlees van Maria; doch gelijk in alle andere handelingen van de gezegende Drie-eenheid, Vader, Zoon en Heilige Geest, waren allen overeengekomen dat geen verderving in het graf het lichaam zou aantasten. De Vader beloofde dit, en als een God Die niet liegen kan, volvoerde Hij dit door Zijn almachtige, allesbeheersende kracht; de Zoon, door dezelfde eigen, werkzame, Goddelijke, innerlijke kracht, onderhield en bewaarde Zijn lichaam in het graf even onbevlekt als Hij dit deed in de baarmoeder van de maagd; en de Heilige Geest, Die het formeerde in zijn eerste ontvangenis, ademde over dit lichaam Zijn heilige invloed om het te onderhouden, in weerwil van dood en graf, zo zuiver en onverderfelijk als toen Hij het eerst formeerde.
Deze dingen zijn inderdaad moeilijk om te bevatten, maar het zijn hemelse verborgenheden, die het geloof omhelst en vaststelt, ondanks gevoel, rede en ongeloof. Want zie eens de vreselijke gevolgtrekkingen die wij hier konden maken, indien inderdaad dit gezegend lichaam had kunnen aangetast worden door verderving. Zou een verderfelijk lichaam kunnen opgewekt worden? Het verderf zou het hebben aangetast, zoals het onze lichamen zal doen; en hoe zou een verderfelijk lichaam de woning hebben kunnen zijn van de Zoon van God? Wij worden dikwijls middellijk voor dwaling bewaard, niet slechts door het kennen en smaken van de zoetheid en kracht der waarheid, maar door als met één oogopslag te zien de schrikkelijke gevolgen die een verloochening van de levende, fundamentele waarheden inhoudt.
Aan de lezer…
Deze woorden spreken tot u, wanneer u soms met vrees naar het graf ziet, naar de scheiding van ziel en lichaam die ook u wacht. Zie dan eerst op Hem, Die vrijwillig Zijn leven aflegde en Zijn geest in de handen Zijns Vaders beval. Zijn ziel ging in het Paradijs, en Zijn heilig lichaam zag de verderving niet. Vader, Zoon en Heilige Geest waakten samen over dat lichaam in het graf, opdat Hij als de Overwinnaar zou opstaan.
Deze dingen zijn moeilijk te bevatten, maar het zijn hemelse verborgenheden die het geloof omhelst, ondanks gevoel, rede en ongeloof. En zie, Hij ging niet alleen het Paradijs binnen: de ziel van een berouwhebbende, gelovige misdadiger volgde Hem door soevereine genade. Bent u ook een arm, schuldig zondaar die tot Hem zijn toevlucht neemt, wanhoop dan niet. Dezelfde genade die toen een stervende boosdoener aannam, is nog niet uitgeput.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Want Gij zult Mijn ziel in de hel niet verlaten; Gij zult niet toelaten, dat Uw Heilige de verderving zie.
Psalm 16:10
Toen de aanbiddelijke Zoon van God door een vrijwillige daad Zijn leven had afgelegd, waren de laatste woorden die Hij sprak: „Vader, in Uw handen beveel Ik Mijn geest.” Onder Zijn geest moeten wij Zijn menselijke ziel verstaan, die onmiddellijk het Paradijs binnenging, in de onmiddellijke tegenwoordigheid van God. Zo sprak Hij vertrouwelijk: „Maar nu kom Ik tot U,” Joh. 17:10. Hij ging daar niet alleen heen. Een zegeteken volgde Hem zeer spoedig. Want de ziel van die berouwvolle, gelovige misdadiger, die met Hem deelde in Zijn lijden, werd door Zijn soevereine genade met Hem deelgenoot van de heerlijkheid.
Er was toen een werkelijke scheiding van lichaam en ziel van de Verlosser, maar die verbrak de vereniging van Zijn Godheid en mensheid niet. Die vereniging bleef ongeschonden toen Zijn heilige ziel het Paradijs binnenging, en zo was Hij in het Paradijs nog dezelfde Godmens als Hij was bij het graf van Lazarus en aan het Avondmaal. Maar Zijn heilig lichaam bleef, hoewel het leven er door de dood uit was weggegaan, net als tevoren „het Heilige”. De dood kon dit heilig lichaam in het graf evenmin aantasten als de zonde dat kon in de schoot van Maria. De belofte was daarom: „Gij zult Mijn ziel in de hel niet verlaten; noch toelaten, dat Uw Heilige de verderving zie.”
Dit heilig lichaam was wezenlijk onverderfelijk, omdat het door de Heilige Geest, door een bijzondere, bovennatuurlijke verwekking, uit het vlees van Maria was toebereid. Maar zoals in alle andere daden van de gezegende Drie-eenheid, Vader, Zoon en Heilige Geest, waren Zij overeengekomen dat geen verderving in het graf het lichaam zou aantasten. De Vader beloofde dit, en als een God Die niet liegen kan, voerde Hij dit uit door Zijn almachtige, alles beheersende kracht. De Zoon onderhield en bewaarde door dezelfde eigen, werkzame, goddelijke, innerlijke kracht Zijn lichaam in het graf even onbevlekt als in de schoot van de maagd. En de Heilige Geest, Die het in de eerste ontvangenis gevormd had, ademde Zijn heilige invloed over dit lichaam om het, ondanks dood en graf, even zuiver en onverderfelijk te bewaren als toen Hij het voor het eerst vormde.
Deze dingen zijn inderdaad moeilijk te bevatten, maar het zijn hemelse verborgenheden die het geloof omhelst en vasthoudt, ondanks gevoel, rede en ongeloof. Want zie eens welke vreselijke gevolgtrekkingen wij hier zouden kunnen maken, als dit gezegende lichaam werkelijk door verderving aangetast had kunnen worden. Zou een verderfelijk lichaam opgewekt kunnen worden? Het verderf zou het hebben aangetast, zoals het met onze lichamen zal doen; en hoe zou een verderfelijk lichaam de woning van de Zoon van God hebben kunnen zijn? Wij worden vaak langs deze weg voor dwaling bewaard: niet alleen doordat wij de zoetheid en kracht van de waarheid kennen en smaken, maar ook doordat wij als in één oogopslag de vreselijke gevolgen zien die het loochenen van de levende, fundamentele waarheden met zich meebrengt.
Aan de lezer…
Deze woorden spreken tot u wanneer u soms met vrees naar het graf kijkt, naar de scheiding van ziel en lichaam die ook u wacht. Zie dan eerst op Hem, Die vrijwillig Zijn leven aflegde en Zijn geest in de handen van Zijn Vader beval. Zijn ziel ging het Paradijs binnen, en Zijn heilig lichaam zag de verderving niet. Vader, Zoon en Heilige Geest waakten samen over dat lichaam in het graf, opdat Hij als de Overwinnaar zou opstaan.
Deze dingen zijn moeilijk te bevatten, maar het zijn hemelse verborgenheden die het geloof omhelst, ondanks gevoel, rede en ongeloof. En zie, Hij ging niet alleen het Paradijs binnen: de ziel van een berouwvolle, gelovige misdadiger volgde Hem door soevereine genade. Bent u ook een arme, schuldige zondaar die bij Hem zijn toevlucht zoekt, wanhoop dan niet. Dezelfde genade die toen een stervende misdadiger aannam, is nog niet uitgeput.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
“For Thou wilt not leave my soul in hell; neither wilt Thou suffer Thine Holy One to see corruption.”
Psalm 16:10
When the adorable Lord by a voluntary act laid down His life, the last words that He spoke were, “Father, into Your hands I commend My spirit.” By His “spirit” we are to understand His human soul which at once went into paradise, into the immediate presence of God, as He intimated in the words, “And now come I to You” (John 17:13). Nor did He go there that day alone. A trophy was soon to follow Him; the soul of that repenting, believing malefactor, who, a partner with Him in suffering, had become by His sovereign grace a partner with Him in glory.
There was, then, an actual separation of the Redeemer’s body and soul; but this did not destroy or affect the union of His Deity with His humanity. That union remained entire, as His holy soul went into paradise in union with His Deity, and thus He was still God-Man as much in paradise as He was at the tomb of Lazarus, or at the Last Supper. But His sacred body, though by the act of death life was gone out of it, still remained as before, “that holy thing.” Death did not taint that sacred body any more than sin did taint it in the womb of the Virgin. The promise was, therefore, “Thou wilt not leave my soul in hell [rather, in Hades, or that paradise in which it was after death]; neither wilt Thou suffer Thine Holy One to see corruption.”
This holy body was essentially incorruptible, as being begotten of the Holy Spirit, by special and supernatural generation, of the flesh of the Virgin; but as in all other acts of the sacred Trinity, Father, Son, and Holy Spirit were all engaged that no taint of corruption should in death assail it. The Father promised, and as a God that cannot lie, performed by His almighty, superintending power; the Son, by the same innate, active, divine energy by which He assumed that body in the womb of the Virgin, preserved it untainted, uncorrupted in the grave; and the Holy Spirit Who formed that body in its first conception, breathed over it His holy influence to maintain it, in spite of death and the tomb, as pure and as incorruptible as when He first created it.
These things are indeed difficult to understand or indeed conceive; but they are heavenly mysteries, which faith receives and holds fast in spite of sense, reason, and unbelief. For see the tremendous consequences of allowing any taint of corruption to assail that blessed body. Could a tainted body be resumed at the resurrection? Corruption would have marred it as it will mar ours; and how could a corrupt body have been again the habitation of the Son of God? We are often instrumentally preserved from error not only by knowing and feeling the sweetness and power of truth, but by seeing, as at a glance, the tremendous consequences which a denial of vital, fundamental truths involves.
To the reader…
These words speak to you when you sometimes look with fear toward the grave, toward the separation of soul and body that awaits you too. Look first, then, to Him Who voluntarily laid down His life and commended His spirit into the hands of His Father. His soul entered paradise, and His holy body did not see corruption. Father, Son and Holy Spirit together watched over that body in the grave, so that He would rise as the Conqueror.
These things are hard to grasp, but they are heavenly mysteries that faith embraces in spite of sense, reason and unbelief. And see, He did not enter paradise alone: the soul of a repenting, believing malefactor followed Him by sovereign grace. Are you too a poor, guilty sinner seeking refuge with Him? Then do not despair. The same grace that once received a dying malefactor is not yet exhausted.
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
“Porque no dejarás mi alma en el sepulcro; ni permitirás que Tu Santo vea corrupción.”
Salmo 16:10
Cuando el adorable Señor, por un acto voluntario, entregó Su vida, las últimas palabras que pronunció fueron: “Padre, en Tus manos encomiendo Mi espíritu.” Por Su “espíritu” hemos de entender Su alma humana, que fue en seguida al paraíso, a la presencia inmediata de Dios, como Él lo dio a entender con las palabras: “Mas ahora vengo a Ti” (Juan 17:13). Ni fue allí solo aquel día. Un trofeo iba a seguirle pronto: el alma de aquel malhechor arrepentido y creyente que, compañero Suyo en el padecimiento, había llegado a ser por Su gracia soberana compañero Suyo en la gloria.
Hubo, pues, una separación real del cuerpo y el alma del Redentor; pero esto no destruyó ni afectó la unión de Su Deidad con Su humanidad. Esa unión permaneció entera, pues Su santa alma fue al paraíso en unión con Su Deidad, y así seguía siendo Dios-Hombre tanto en el paraíso como lo había sido ante el sepulcro de Lázaro o en la última cena. Pero Su sagrado cuerpo, aunque por el acto de la muerte la vida había salido de él, seguía siendo como antes “lo Santo”. La muerte no contaminó ese sagrado cuerpo más de lo que lo contaminó el pecado en el seno de la Virgen. La promesa era, por tanto: “No dejarás mi alma en el sepulcro [más bien, en el Hades, o en aquel paraíso en que estuvo después de la muerte]; ni permitirás que Tu Santo vea corrupción.”
Este santo cuerpo era esencialmente incorruptible, por haber sido engendrado por el Espíritu Santo, por una generación especial y sobrenatural, de la carne de la Virgen; pero, como en todos los demás actos de la sagrada Trinidad, el Padre, el Hijo y el Espíritu Santo intervinieron todos para que ninguna mancha de corrupción lo asaltara en la muerte. El Padre lo prometió y, como Dios que no puede mentir, lo cumplió por Su poder omnipotente y vigilante; el Hijo, por la misma energía divina, innata y activa con que asumió aquel cuerpo en el seno de la Virgen, lo preservó sin mancha e incorrupto en el sepulcro; y el Espíritu Santo, que formó aquel cuerpo en su primera concepción, alentó sobre él Su santa influencia para mantenerlo, a pesar de la muerte y de la tumba, tan puro e incorruptible como cuando lo creó por primera vez.
Estas cosas son en verdad difíciles de entender, y aun de concebir; pero son misterios celestiales que la fe recibe y retiene a pesar de los sentidos, la razón y la incredulidad. Porque vea las tremendas consecuencias de admitir que alguna mancha de corrupción asaltara aquel bendito cuerpo. ¿Podría haberse reasumido en la resurrección un cuerpo contaminado? La corrupción lo habría desfigurado como desfigurará el nuestro; ¿y cómo podría un cuerpo corrompido haber sido otra vez la morada del Hijo de Dios? A menudo somos preservados del error, como por un instrumento, no solo por conocer y sentir la dulzura y el poder de la verdad, sino por ver, como de un vistazo, las tremendas consecuencias que implica negar las verdades vitales y fundamentales.
Al lector…
Estas palabras le hablan a usted cuando a veces mira con temor hacia la tumba, hacia la separación del alma y el cuerpo que también le espera a usted. Mire primero, entonces, a Aquel que voluntariamente entregó Su vida y encomendó Su espíritu en las manos de Su Padre. Su alma entró en el paraíso, y Su santo cuerpo no vio corrupción. El Padre, el Hijo y el Espíritu Santo velaron juntos sobre aquel cuerpo en el sepulcro, para que Él resucitara como el Vencedor.
Estas cosas son difíciles de comprender, pero son misterios celestiales que la fe abraza a pesar de los sentidos, la razón y la incredulidad. Y vea: Él no entró solo en el paraíso; el alma de un malhechor arrepentido y creyente Le siguió por gracia soberana. ¿Es usted también un pobre pecador culpable que busca refugio en Él? Entonces no desespere. La misma gracia que una vez recibió a un malhechor moribundo no se ha agotado todavía.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl