gisteren verschenen
Het gesprek van een gelovige met zijn ziel
Een uitleg van Psalm 42:12 als gesprek tussen David en zijn ziel: waarom de ziel terneergeslagen en onrustig is, waarom ze op God moet hopen en hoe die hoop uitloopt…
8 dagen geleden verschenen
Het woord van Gods genade
Een uitleg van Handelingen 20:32: Paulus beveelt de oudsten van Efeze aan God en aan het woord van Zijn genade. Alleen dat woord, door de Geest toegepast, bouwt de ziel…
13 dagen geleden verschenen
Schatten in de duisternis
Uitleg van Jesaja 45:2,3 voor Gods kinderen: de Heere gaat voor hen uit, maakt kromme wegen recht, verbreekt koperen deuren en ijzeren grendels, geeft verborgen schatten en leert hen zo…
3 weken geleden verschenen
Verkrijgen en verliezen
Naar Prediker 3:6: een levende ziel verkrijgt geestelijke dingen, van kennis van God en van zichzelf tot geloof en vergeving, maar verliest ook haar eigen gerechtigheid en kracht. De preek…
Het schudden van wat gemaakt is en de vastheid van wat gegeven is
Over Hebreeën 12:27,28: wat gemaakt is, wordt geschud en weggenomen, wat God geeft blijft. Het Koninkrijk dat niet bewogen kan worden wordt door geloof ontvangen, door genade vastgehouden en draagt…
Korenaren Uit De Volle Oogst
Want wij wandelen door geloof en niet door aanschouwen.
2 Korinthe 5:7
De aard van het geloof is in het donker te vertrouwen, wanneer alle schijn tegen ons is; te vertrouwen dat er kalmte zal komen, ofschoon de storm boven ons hoofd hangt; te vertrouwen dat God zal verschijnen, ofschoon er niets dan kwaad gevoeld wordt. Het is een teder, kinderlijk, onbepaald vertrouwen, een algehele onderwerping, een uitzien naar de Heere. Hierin is iets kinderlijks, iets hemels en iets geestelijks; niet de stoutmoedige laatdunkendheid van de vermetele, noch de radeloze vrees van de wanhopige. Dit vertrouwen is vermengd met een heilige toegenegenheid, voortvloeiende uit de weldadigheden die men vroeger heeft genoten; en alles verbonden aan een kinderlijk vasthouden aan en een gevoel van afhankelijkheid der ziel van de Heere, omdat Hij is wat Hij is.
Er is een uitzien naar, een verwachten van de Heere, omdat wij gevoelen dat Hij de Heere is, en omdat wij geen andere toevlucht hebben. En waarom hebben wij geen andere toevlucht? Omdat wij door armoede uit alle valse toevluchtsoorden zijn verdreven. Het is een veilige en toch geen gemakkelijke plaats om te zijn waar David was: „Daar was geen ontvlieden voor mij; niemand zorgde voor mijn ziel” (Psalm 142:5).
En zolang wij onze toevlucht zoeken in de mens, in onszelf, in de wereld, in de kerk, is er geen uitzien naar Christus als een Goddelijke toevlucht. Maar wanneer wij zo ver komen en zeggen: „Gij zijt mijn Toevlucht en mijn Deel in ’t land der levenden” (Psalm 142:6); „zo ik omkom, wil ik aan Uwe voeten omkomen; mijn geloof is in U, al wat ik heb en al wat ik verwacht te hebben, komt van Uwe goedheid; ik heb niets dan hetgeen Gij mij uit genade geeft; mij, de snoodste der snoden”, dat is vertrouwen. En waar dit vertrouwen is, daar zal zich een leger van wensen tegelijk uitstorten in de boezem van de Heere; daar zal een gehele drom van verzuchtingen en verlangens een weg vinden in de boezem van „Immanuël, God met ons.”
Ik heb geloofd, dies sprak ik tot Gods eer.
’k Was zeer bedrukt, ik liet in haast mijn lippen
door drift vervoerd deez’ harde taal ontglippen:
„Bij mensen is noch trouw noch waarheid meer!”
Ps. 116:6
Aan de lezer…
Wanneer het donker is om u heen, schijnt alles tegen u te zijn. Hangt de storm nog boven uw hoofd, en voelt u niets dan kwaad? Dan is dit juist de plaats waar het geloof leert vertrouwen, niet met de stoutmoedige laatdunkendheid van de vermetele, en ook niet met de radeloze vrees van de wanhopige, maar als een kind dat zich aan de Heere vasthoudt omdat Hij is wat Hij is.
Misschien hebt u in uw armoede al uw valse toevluchten zien wegvallen, en moet u met David zeggen: „Niemand zorgde voor mijn ziel.” Dat is geen gemakkelijke plaats, maar wel een veilige. Want wie geen andere toevlucht meer heeft, leert zeggen: „Gij zijt mijn Toevlucht en mijn Deel.” Stort dan uw wensen, uw verzuchtingen en uw verlangens uit in de boezem van Immanuël, God met ons. Hij versmaadt de snoodste der snoden niet, die aan Zijn voeten neervalt.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Want wij wandelen door geloof en niet door aanschouwen.
2 Korinthe 5:7
Het is de aard van het geloof om in het donker te vertrouwen, wanneer alle schijn tegen ons is; te vertrouwen dat er kalmte zal komen, hoewel de storm boven ons hoofd hangt; te vertrouwen dat God zal verschijnen, hoewel er niets dan kwaad gevoeld wordt. Het is een teder, kinderlijk, onvoorwaardelijk vertrouwen, een volledige onderwerping, een uitzien naar de Heere. Hierin is iets kinderlijks, iets hemels en iets geestelijks; niet de stoutmoedige laatdunkendheid van de vermetele, en ook niet de radeloze vrees van de wanhopige. Dit vertrouwen is vermengd met een heilige genegenheid, die voortvloeit uit de weldaden die men vroeger heeft genoten. En dat alles is verbonden met een kinderlijk vasthouden aan de Heere en een besef dat de ziel van Hem afhankelijk is, omdat Hij is wat Hij is.
Er is een uitzien naar en een verwachten van de Heere, omdat wij voelen dat Hij de Heere is, en omdat wij geen andere toevlucht hebben. En waarom hebben wij geen andere toevlucht? Omdat wij door armoede uit alle valse toevluchtsoorden zijn verdreven. Het is een veilige en toch geen gemakkelijke plaats om te zijn waar David was: „Daar was geen ontvlieden voor mij; niemand zorgde voor mijn ziel” (Psalm 142:5).
Zolang wij onze toevlucht zoeken bij de mens, in onszelf, in de wereld of in de kerk, is er geen uitzien naar Christus als een Goddelijke toevlucht. Maar wanneer wij zover komen dat wij zeggen: „Gij zijt mijn Toevlucht en mijn Deel in ’t land der levenden” (Psalm 142:6); „zo ik omkom, wil ik aan Uwe voeten omkomen; mijn geloof is in U, al wat ik heb en al wat ik verwacht te hebben, komt van Uwe goedheid; ik heb niets dan hetgeen Gij mij uit genade geeft; mij, de snoodste der snoden”, dat is vertrouwen. En waar dit vertrouwen is, daar zal een leger van wensen zich tegelijk uitstorten in de boezem van de Heere; daar zal een hele stroom van verzuchtingen en verlangens een weg vinden naar de boezem van „Immanuël, God met ons.”
Ik heb geloofd, dies sprak ik tot Gods eer.
’k Was zeer bedrukt, ik liet in haast mijn lippen
door drift vervoerd deez’ harde taal ontglippen:
„Bij mensen is noch trouw noch waarheid meer!”
Ps. 116:6
Aan de lezer…
Wanneer het donker is om u heen, lijkt alles tegen u te zijn. Hangt de storm nog boven uw hoofd, en voelt u niets dan kwaad? Dan is dit juist de plaats waar het geloof leert vertrouwen, niet met de stoutmoedige laatdunkendheid van de vermetele, en ook niet met de radeloze vrees van de wanhopige, maar als een kind dat zich aan de Heere vasthoudt omdat Hij is wat Hij is.
Misschien hebt u in uw armoede al uw valse toevluchten zien wegvallen, en moet u met David zeggen: „Niemand zorgde voor mijn ziel.” Dat is geen gemakkelijke plaats, maar wel een veilige. Want wie geen andere toevlucht meer heeft, leert zeggen: „Gij zijt mijn Toevlucht en mijn Deel.” Stort dan uw wensen, uw verzuchtingen en uw verlangens uit in de boezem van Immanuël, God met ons. Hij versmaadt de snoodste der snoden niet, die aan Zijn voeten neervalt.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
For we walk by faith, not by sight.
2 Corinthians 5:7
The nature of faith is to trust in the dark, when all appearances are against it; to trust that a calm will come, though the storm be overhead; to trust that God will appear, though nothing but evil be felt. It is tender, child-like, and therefore is an implicit confidence, a yielding submission, a looking unto the Lord. There is something filial in this; something heavenly and spiritual; not the bold presumption of the daring, nor the despairing fears of the desponding; but something beyond both the one and the other—equally remote from the rashness of presumption, and from the horror of despair.
There is a mingling of holy affection connected with this trust, springing out of a reception of past favors, insuring favors to come; and all linked with a simple hanging and depending of the soul upon the Lord, because He is what He is. There is a looking to, and relying upon the Lord, because we have felt Him to be the Lord; and because we have no other refuge.
And why have we no other refuge? Because poverty has driven us out of false refuges. It is a safe spot, though not a comfortable one, to be where David was, “Refuge failed me; no man cared for my soul” (Ps. 142:4). And until refuge fails us in man, in self, in the world, in the church, there is no looking to Christ as a divine refuge.
But when we come to this spot, “You are my refuge and my portion in the land of the living” (Ps. 142:5)—“if I perish I will perish at Your feet—my faith centers in You—all I have and all I expect to have, flows from Your bounty, I have nothing but what You freely give to me, the vilest of the vile”—this is trust. And where this trust is, there will be a whole army of desires at times pouring themselves into the bosom of the Lord; there will be a whole array of pantings and longings venting themselves into the bosom of “Immanuel, God with us.”
To the reader…
When it is dark around you, everything seems to be against you. Does the storm still hang over your head, and do you feel nothing but evil? Then this is just the place where faith learns to trust, not with the bold presumption of the daring, nor with the despairing fears of the desponding, but as a child that clings to the Lord because He is what He is.
Perhaps in your poverty you have seen all your false refuges fall away, and you must say with David: “No man cared for my soul.” That is not an easy place, but it is a safe one. For whoever has no other refuge left learns to say: “Thou art my refuge and my portion.” Pour out, then, your wishes, your sighs and your longings into the bosom of Immanuel, God with us. He does not despise the vilest of the vile who falls at His feet.
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
Porque por fe andamos, no por vista.
2 Corintios 5:7
La naturaleza de la fe es confiar en la oscuridad, cuando todas las apariencias están en contra; confiar en que vendrá la calma, aunque la tormenta esté sobre nuestra cabeza; confiar en que Dios aparecerá, aunque no se sienta sino el mal. Es tierna, como de niño, y por eso es una confianza implícita, una sumisión rendida, un mirar al Señor. Hay algo filial en esto; algo celestial y espiritual; no la osada presunción del atrevido, ni los temores desesperados del abatido, sino algo que va más allá de lo uno y de lo otro, igualmente lejos de la temeridad de la presunción y del horror de la desesperación.
Hay una mezcla de santo afecto unida a esta confianza, que brota de haber recibido favores pasados y que asegura favores por venir; y todo ello ligado a un sencillo pender y depender del alma del Señor, porque Él es lo que es. Hay un mirar al Señor y un apoyarse en Él, porque Le hemos sentido como el Señor, y porque no tenemos otro refugio.
¿Y por qué no tenemos otro refugio? Porque la pobreza nos ha echado de los refugios falsos. Es un lugar seguro, aunque no cómodo, estar donde estaba David: “No tuve refugio, no había quien tuviese cuidado de mi vida” (Sal. 142:4). Y hasta que nos falta el refugio en el hombre, en el yo, en el mundo, en la iglesia, no hay un mirar a Cristo como refugio divino.
Pero cuando llegamos a este punto: “Tú eres mi refugio, y mi porción en la tierra de los vivientes” (Sal. 142:5); “si perezco, pereceré a Tus pies; mi fe se centra en Ti; todo lo que tengo y todo lo que espero tener fluye de Tu bondad; no tengo nada sino lo que Tú me das gratuitamente a mí, el más vil de los viles”, esto es confianza. Y donde está esta confianza, habrá a veces todo un ejército de deseos que se derraman en el seno del Señor; habrá toda una hueste de ansias y anhelos que se desahogan en el seno de “Emmanuel, Dios con nosotros”.
Al lector…
Cuando todo está oscuro a su alrededor, todo parece estar en contra de usted. ¿Sigue la tormenta sobre su cabeza, y no siente sino el mal? Entonces este es precisamente el lugar donde la fe aprende a confiar, no con la osada presunción del atrevido, ni con los temores desesperados del abatido, sino como un niño que se aferra al Señor porque Él es lo que es.
Quizá en su pobreza ha visto caer todos sus refugios falsos, y tiene que decir con David: “No había quien tuviese cuidado de mi vida”. No es un lugar fácil, pero es seguro. Porque quien ya no tiene otro refugio aprende a decir: “Tú eres mi refugio y mi porción”. Derrame, pues, sus deseos, sus suspiros y sus anhelos en el seno de Emmanuel, Dios con nosotros. Él no desprecia al más vil de los viles que cae a Sus pies.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl
365 Dagen Met Philpot
Christus’ wederkomst
En Hij gezonden zal hebben Jezus Christus, Die u tevoren gepredikt is; Welke de hemel moet ontvangen tot de tijden der wederoprichting aller dingen.
Handelingen 3:20-21
Toen de Heere ten hemel voer voor het oog van Zijn leerlingen, „hielden zij hun ogen naar de hemel, terwijl Hij heenvoer”, en hun geloof, hoop en liefde volgden Hem langs de stralende weg omhoog. En terwijl ze zo naar Zijn roemrijke weg keken, schenen zij elke andere overweging uit het oog te verliezen. Maar „ziet, twee mannen”, twee engelachtige wezens in mensengedaante, „stonden bij hen in witte kleding, welke ook zeiden: Gij Galilese mannen, wat staat gij en ziet op naar de hemel? Deze Jezus, Die van u opgenomen is in de hemel, zal alzo komen, gelijkerwijs gij Hem naar de hemel hebt zien heenvaren” (Hand. 1:11).
Het was alsof de engelen tegen hen zeiden: „Jezus, uw Meester, uw Hoofd en uw Koning, is niet voor eeuwig van u weggegaan. Hij zal eens, zoals Hij Zelf heeft beloofd, terugkeren in dezelfde heerlijke Persoon als die waarin Hij is opgevaren, in dezelfde goddelijke en menselijke natuur, en op de wolken van de hemel, die Hem nu hebben ontvangen buiten uw gezichtsveld. Daarom, kijkt, wacht en bidt in de tussentijd.” Vanaf dat ogenblik is de terugkeer van de Heere daarom altijd een belangrijk onderdeel van het geloof van de Kerk van Christus geweest, vooral in de vroege periode van haar bestaan. Derhalve zien we dat Petrus hem onmiddellijk verkondigt: „En Hij gezonden zal hebben Jezus Christus, Die u tevoren gepredikt is; Welke de hemel moet ontvangen tot de tijden der wederoprichting aller dingen, die God gesproken heeft door de mond van al Zijn heilige profeten van alle eeuw” (Hand. 3:20, 21). Dat de terugkeer daarna altijd een opvallend punt in het onderricht en de getuigenissen van de apostelen vormde, blijkt uit de bezielde brieven van het Nieuwe Testament, waarin die voortdurend naar voren wordt gebracht en waarnaar wordt verwezen.
Lezen: Handelingen 3:12-26
Aan de lezer…
U die soms als die Galilese mannen naar de hemel staat te staren, met een hart dat de Heere wel volgt maar zich verlaten voelt nu Hij uit het gezicht is, hoor het woord dat hun gegeven werd: deze Jezus is niet voor eeuwig weggegaan. Hij zal alzo komen, in dezelfde heerlijke Persoon, in dezelfde goddelijke en menselijke natuur, gelijk Hij is heengevaren. Uw Meester, uw Hoofd en uw Koning heeft het Zelf beloofd.
Daarom is het wachten van Zijn volk geen ijdel wachten. U mag de tussentijd lang vinden, en de weg donker, maar de hemel houdt Hem slechts tot de tijden der wederoprichting aller dingen. Kijk dan uit, wacht en bid. Laat uw geloof, uw hoop en uw liefde Hem volgen langs de weg omhoog, en houd u vast aan wat God door de mond van al Zijn heilige profeten gesproken heeft. Die u tevoren gepredikt is, zal wederkomen.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
En Hij gezonden zal hebben Jezus Christus, Die u tevoren gepredikt is; Welke de hemel moet ontvangen tot de tijden der wederoprichting aller dingen.
Handelingen 3:20-21
Toen de Heere ten hemel voer voor de ogen van Zijn discipelen, „hielden zij hun ogen naar de hemel, terwijl Hij heenvoer”, en hun geloof, hoop en liefde volgden Hem langs de stralende weg omhoog. Terwijl ze Hem zo op Zijn heerlijke weg nakeken, leken ze al het andere uit het oog te verliezen. Maar „ziet, twee mannen”, twee engelen in mensengedaante, „stonden bij hen in witte kleding, welke ook zeiden: Gij Galilese mannen, wat staat gij en ziet op naar de hemel? Deze Jezus, Die van u opgenomen is in de hemel, zal alzo komen, gelijkerwijs gij Hem naar de hemel hebt zien heenvaren” (Hand. 1:11).
Het was alsof de engelen tegen hen zeiden: „Jezus, uw Meester, uw Hoofd en uw Koning, is niet voor eeuwig van u weggegaan. Hij zal eens, zoals Hij Zelf heeft beloofd, terugkeren in dezelfde heerlijke Persoon als die waarin Hij is opgevaren, in dezelfde goddelijke en menselijke natuur, en op de wolken van de hemel, die Hem nu hebben ontvangen buiten uw gezichtsveld. Daarom, kijkt, wacht en bidt in de tussentijd.” Vanaf dat ogenblik is de wederkomst van de Heere dan ook altijd een belangrijk onderdeel van het geloof van de Kerk van Christus geweest, vooral in de eerste periode van haar bestaan. Daarom zien we dat Petrus haar meteen verkondigt: „En Hij gezonden zal hebben Jezus Christus, Die u tevoren gepredikt is; Welke de hemel moet ontvangen tot de tijden der wederoprichting aller dingen, die God gesproken heeft door de mond van al Zijn heilige profeten van alle eeuw” (Hand. 3:20, 21). Dat de wederkomst daarna altijd een opvallend punt bleef in het onderwijs en het getuigenis van de apostelen, blijkt uit de door de Geest ingegeven brieven van het Nieuwe Testament, waarin zij voortdurend naar voren wordt gebracht en waarnaar steeds wordt verwezen.
Lezen: Handelingen 3:12-26
Aan de lezer…
U die soms net als die Galilese mannen naar de hemel staat te staren, met een hart dat de Heere wel volgt maar zich verlaten voelt nu Hij uit het gezicht is: hoor het woord dat hun gegeven werd. Deze Jezus is niet voor altijd weggegaan. Hij zal zo terugkomen, in dezelfde heerlijke Persoon, in dezelfde goddelijke en menselijke natuur, zoals Hij is heengevaren. Uw Meester, uw Hoofd en uw Koning heeft het Zelf beloofd.
Daarom is het wachten van Zijn volk geen vergeefs wachten. U kunt de tussentijd lang vinden, en de weg donker, maar de hemel houdt Hem slechts tot de tijden der wederoprichting aller dingen. Kijk dan uit, wacht en bid. Laat uw geloof, uw hoop en uw liefde Hem volgen langs de weg omhoog, en houd u vast aan wat God door de mond van al Zijn heilige profeten gesproken heeft. Hij Die u tevoren gepredikt is, zal wederkomen.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
And He shall send Jesus Christ, which before was preached unto you: Whom the heaven must receive until the times of restitution of all things.
Acts 3:20-21
When the Lord ascended into heaven before the eyes of His disciples, “they looked stedfastly toward heaven as He went up,” and their faith, hope and love followed Him along the shining way upward. As they thus gazed after Him on His glorious way, they seemed to lose sight of everything else. But “behold, two men,” two angels in human form, “stood by them in white apparel; which also said, Ye men of Galilee, why stand ye gazing up into heaven? This same Jesus, which is taken up from you into heaven, shall so come in like manner as ye have seen Him go into heaven” (Acts 1:11).
It was as if the angels said to them, “Jesus, your Master, your Head and your King, has not gone from you for ever. He will one day, as He Himself has promised, return in the same glorious Person as that in which He ascended, in the same Divine and human nature, and upon the clouds of heaven, which have now received Him out of your sight. Therefore watch, wait and pray in the meantime.” From that moment, therefore, the second coming of the Lord has always been an important part of the faith of the Church of Christ, especially in the first period of her existence. Therefore we find Peter proclaiming it at once: “And He shall send Jesus Christ, which before was preached unto you: Whom the heaven must receive until the times of restitution of all things, which God hath spoken by the mouth of all His holy prophets since the world began” (Acts 3:20, 21).
That the second coming afterwards always remained a prominent point in the teaching and testimony of the apostles is evident from the inspired epistles of the New Testament, in which it is continually brought forward and constantly referred to.
Reading: Acts 3:12-26
To the reader…
You who sometimes, like those men of Galilee, stand gazing up into heaven, with a heart that does follow the Lord but feels forsaken now that He is out of sight: hear the word that was given to them. This same Jesus has not gone away for ever. He shall so come again, in the same glorious Person, in the same Divine and human nature, as He went up. Your Master, your Head and your King has promised it Himself.
Therefore the waiting of His people is no vain waiting. You may find the meantime long and the way dark, but heaven only holds Him until the times of restitution of all things. Watch, then, wait and pray. Let your faith, your hope and your love follow Him along the way upward, and hold fast to what God has spoken by the mouth of all His holy prophets. He Who was preached unto you before shall come again.
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
Y enviará a Jesucristo, que os fue antes anunciado: al cual de cierto es menester que el cielo tenga hasta los tiempos de la restauración de todas las cosas.
Hechos 3:20-21
Cuando el Señor subió al cielo ante los ojos de Sus discípulos, “estaban con los ojos puestos en el cielo, entre tanto que Él iba”, y su fe, su esperanza y su amor le siguieron por el camino resplandeciente hacia arriba. Mientras así le miraban en Su glorioso camino, parecían perder de vista todo lo demás. Pero “he aquí dos varones”, dos ángeles en forma humana, “se pusieron junto a ellos en vestidos blancos; los cuales también les dijeron: Varones galileos, ¿qué estáis mirando al cielo? Este mismo Jesús que ha sido tomado desde vosotros arriba en el cielo, así vendrá como le habéis visto ir al cielo” (Hch. 1:11).
Era como si los ángeles les dijeran: “Jesús, vuestro Maestro, vuestra Cabeza y vuestro Rey, no se ha ido de vosotros para siempre. Él volverá un día, como Él mismo lo ha prometido, en la misma gloriosa Persona en que ascendió, en la misma naturaleza divina y humana, y sobre las nubes del cielo, que ahora le han recibido y ocultado de vuestra vista. Por tanto, velad, esperad y orad entretanto”. Desde aquel momento, pues, la segunda venida del Señor ha sido siempre una parte importante de la fe de la Iglesia de Cristo, especialmente en el primer período de su existencia. Por eso hallamos a Pedro proclamándola en seguida: “Y enviará a Jesucristo, que os fue antes anunciado: al cual de cierto es menester que el cielo tenga hasta los tiempos de la restauración de todas las cosas, que habló Dios por boca de Sus santos profetas que han sido desde el siglo” (Hch. 3:20, 21).
Que la segunda venida siguió siendo después siempre un punto destacado en la enseñanza y el testimonio de los apóstoles se ve claramente en las epístolas inspiradas del Nuevo Testamento, en las cuales se presenta continuamente y se alude a ella constantemente.
Lectura: Hechos 3:12-26
Al lector…
Usted que a veces, como aquellos varones galileos, se queda mirando al cielo, con un corazón que sí sigue al Señor pero se siente desamparado ahora que Él está fuera de la vista: oiga la palabra que les fue dada a ellos. Este mismo Jesús no se ha ido para siempre. Así vendrá otra vez, en la misma gloriosa Persona, en la misma naturaleza divina y humana, como subió. Su Maestro, su Cabeza y su Rey lo ha prometido Él mismo.
Por eso la espera de Su pueblo no es una espera vana. Puede que el tiempo intermedio le parezca largo y el camino oscuro, pero el cielo solo le retiene hasta los tiempos de la restauración de todas las cosas. Vele, pues, espere y ore. Que su fe, su esperanza y su amor le sigan por el camino hacia arriba, y aférrese a lo que Dios ha hablado por boca de todos Sus santos profetas. Aquel que antes le fue anunciado vendrá otra vez.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl
Door Baca's Vallei
Zij zullen opvaren met vleugelen gelijk de arenden.
Jesaja 40:31
Er wordt van de arend gezegd dat hij opstijgt naar de zon, en dat van alle vogels hij de enige is die recht tegen de zon in kan zien met een onverschrokken oog. Zo is het ook met het geloof in de ziel. Des Heeren volk alleen kan door het geloof zien op de Zon der gerechtigheid, blikken op de verheven Immanuël aan de rechterhand des Vaders, en zij zien de dierbare Jezus steeds tussentreden voor hen en hen trekken tot Zijn boezem. En wanneer deze gezegende Jezus een zekere mate van Zijn liefde en bloed aan hun consciëntie mededeelt, en het geloof in Zijn Naam opwekt en oproept, dan begint de ziel op te varen met vleugelen gelijk de arenden, stijgende al hoger en hoger, totdat zij komt in de tegenwoordigheid Gods; in haar geestelijke vlucht al hoger cirkelende, totdat zij doordringt tot in het heiligdom van Jehova.
Nu, is uw ziel somtijds ook niet eens opgevaren als met arendsvleugelen? Hebt gij niet deze mededelingen van Goddelijk leven en licht ontmoet, deze opwekkingen des geloofs, deze verankeringen der hoop, deze verschijningen der liefde, waardoor uw ziel in staat gesteld werd om op te varen en gij u verheugen kondt in Jezus, en Zijn Naam, liefde en bloed u dierbaar waren? Zijt gij ook niet opgevaren, niet alleen in de oefening van het levend geloof en der hoop, maar ook in hemelse toegenegenheid?
Soms zijn wij zo vastgeklonken aan deze aarde, dit tranendal, deze woeste, huilende wildernis, zo eraan vastgeketend, dat wij net zijn als een vogel met een gebroken vleugel, die niet kan opvliegen. Wij zijn zo verzwolgen in het wereldse, dat wij God en de godzaligheid vergeten. Maar zijn er geen tijden en stonden dat de ziel ontslagen wordt van deze ketenen en banden, dat de aardse zorgen uit het hart worden weggenomen, dat onze vleugelen als het ware nieuwe vederen en pennen krijgen, dat de wereld en haar verzoekingen, de zonde en haar strikken op de achtergrond geraken, en dat er een zoete opklimming is in de gewaarwording van hemelse genegenheden? Dit wil het zeggen, „op te varen met vleugelen gelijk de arenden”, en de opstijgende ziel zal nooit ophouden dit te doen, totdat zij zal gekomen zijn in de tegenwoordigheid van het drie-enige Goddelijke Wezen, de God Israëls.
Aan de lezer…
Voelt u zich vandaag als een vogel met een gebroken vleugel, waarde lezer, vastgeklonken aan deze aarde en zo verzwolgen in het wereldse dat u God bijna vergeet? Verwijt het uzelf eerlijk, maar wanhoop er niet over. U kunt uw vleugelen niet zelf nieuwe vederen geven; het geloof kan alleen opvaren wanneer de dierbare Jezus een zekere mate van Zijn liefde en bloed aan uw consciëntie mededeelt.
Gedenk dan de tijden toen uw ziel wel eens opvoer, toen Zijn Naam u dierbaar was en de zonde met haar strikken op de achtergrond raakte. Diezelfde Immanuël zit nog aan de rechterhand des Vaders en treedt nog voor Zijn volk tussen. Zie dan door het geloof op die Zon der gerechtigheid, en wacht op Hem. Hij kan de ketenen weer losmaken, en de ziel die Hij eenmaal deed opstijgen, zal niet ophouden totdat zij in Gods tegenwoordigheid gekomen is.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Zij zullen opvaren met vleugelen gelijk de arenden.
Jesaja 40:31
Van de arend wordt gezegd dat hij opstijgt naar de zon, en dat hij van alle vogels de enige is die met een onverschrokken oog recht in de zon kan kijken. Zo is het ook met het geloof in de ziel. Alleen het volk van de Heere kan door het geloof opzien naar de Zon van de gerechtigheid, opzien naar de verheven Immanuël aan de rechterhand van de Vader, en zij zien hoe de dierbare Jezus steeds voor hen tussenbeide treedt en hen naar Zijn boezem trekt. En wanneer deze gezegende Jezus een zekere mate van Zijn liefde en bloed aan hun geweten meedeelt, en het geloof in Zijn Naam opwekt en oproept, dan begint de ziel op te varen met vleugels als de arenden. Zij stijgt hoger en hoger, totdat zij in de tegenwoordigheid van God komt; zij cirkelt in haar geestelijke vlucht steeds hoger, totdat zij doordringt tot in het heiligdom van Jehova.
Is uw ziel ook niet soms opgevaren als met arendsvleugels? Hebt u niet deze mededelingen van goddelijk leven en licht ontvangen, deze opwekkingen van het geloof, deze verankeringen van de hoop, deze verschijningen van de liefde, waardoor uw ziel in staat werd gesteld op te varen en u zich in Jezus kon verheugen, en Zijn Naam, Zijn liefde en Zijn bloed u dierbaar waren? Bent u ook niet opgevaren, niet alleen in de beoefening van het levende geloof en de hoop, maar ook in hemelse genegenheid?
Soms zijn wij zo vastgeklonken aan deze aarde, dit tranendal, deze woeste, huilende wildernis, er zo aan vastgeketend, dat wij precies zijn als een vogel met een gebroken vleugel, die niet kan opvliegen. Wij gaan zo op in het wereldse, dat wij God en de godzaligheid vergeten. Maar zijn er geen tijden en ogenblikken waarop de ziel van deze ketenen en banden bevrijd wordt, waarop de aardse zorgen uit het hart worden weggenomen, waarop onze vleugels als het ware nieuwe veren en pennen krijgen, waarop de wereld en haar verzoekingen, de zonde en haar strikken naar de achtergrond gaan, en er een zoete opgang is in het ervaren van hemelse genegenheden? Dat betekent het „op te varen met vleugelen gelijk de arenden”, en de opstijgende ziel zal daar nooit mee ophouden, totdat zij gekomen is in de tegenwoordigheid van het drie-enige goddelijke Wezen, de God van Israël.
Aan de lezer…
Voelt u zich vandaag als een vogel met een gebroken vleugel, waarde lezer, vastgeklonken aan deze aarde en zo opgaand in het wereldse dat u God bijna vergeet? Verwijt het uzelf eerlijk, maar wanhoop er niet over. U kunt uw vleugels niet zelf nieuwe veren geven; het geloof kan alleen opvaren wanneer de dierbare Jezus een zekere mate van Zijn liefde en bloed aan uw geweten meedeelt.
Denk dan aan de tijden waarin uw ziel weleens opvoer, toen Zijn Naam u dierbaar was en de zonde met haar strikken naar de achtergrond ging. Diezelfde Immanuël zit nog aan de rechterhand van de Vader en treedt nog voor Zijn volk tussenbeide. Zie dan door het geloof op naar die Zon van de gerechtigheid, en wacht op Hem. Hij kan de ketenen weer losmaken, en de ziel die Hij eenmaal deed opstijgen, zal niet ophouden totdat zij in Gods tegenwoordigheid gekomen is.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
“They shall mount up with wings as eagles.”
Isaiah 40:31
It is said of the eagle, that he mounts up towards the sun; and that of all birds, he is the only one which can gaze upon the sun with unshrinking eye. So with faith in the soul. The Lord’s people alone can look by faith upon the “Sun of righteousness,” gaze upon a glorious Immanuel at the right hand of the Father, and see a precious Jesus ever interceding for them, and drawing them near to His bosom. And when this blessed Jesus communicates a measure of His love and blood to their consciences, and raises up and draws forth faith in His Name, then the soul begins to mount up with these wings like eagles, soaring higher and higher, until it comes into the presence of God; mounting up in higher and higher circles of spiritual flight, until it penetrates into the very sanctuary of Jehovah.
Now, has not your soul thus soared sometimes as upon eagle’s wings? Have there not been those communications of divine life and light, those mountings of faith, those anchorings of hope, those goings forth of love, whereby your soul was enabled to mount up and find delight in Jesus, and felt His Name, love, and blood precious? Have you not mounted up too, not only in the exercise of living faith and hope, but also of heavenly affection?
Sometimes we are so fastened down to this earth, this valley of tears, this waste-howling wilderness; so chained down to it, that we are like a bird with a broken wing, and cannot mount. We are swallowed up in the world, forgetting God and godliness. But are there not times and seasons when the soul is delivered from these chains and fetters, when earthly cares drop off from the mind, when our wings are strong, and fresh pinions as it were given, when the world and its temptations, sin and its snares are left behind, and there is a sweet mounting up in the feelings of heavenly affection? This is to “mount up with wings as eagles,” and the soaring soul never ceases to mount until it comes into the very presence of the Three-One God of Israel.
To the reader…
Do you feel today like a bird with a broken wing, dear reader, chained to this earth and so taken up with worldly things that you almost forget God? Reproach yourself honestly for it, but do not despair over it. You cannot give your wings new feathers yourself; faith can only mount up when the precious Jesus imparts a measure of His love and blood to your conscience.
Think, then, of the times when your soul did mount up, when His Name was precious to you and sin with its snares fell into the background. That same Immanuel still sits at the right hand of the Father and still intercedes for His people. Look up by faith, then, to that Sun of righteousness, and wait for Him. He can loosen the chains again, and the soul He has once made to rise will not stop until it has come into God’s presence.
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
“Levantarán las alas como águilas.”
Isaías 40:31
Se dice del águila que se remonta hacia el sol, y que de todas las aves es la única que puede mirar al sol con ojo que no se arredra. Así sucede con la fe en el alma. Solo el pueblo del Señor puede mirar por fe al “Sol de justicia”, contemplar a un glorioso Emmanuel a la diestra del Padre y ver a un precioso Jesús que siempre intercede por ellos y los atrae cerca de Su seno. Y cuando este bendito Jesús comunica a su conciencia una medida de Su amor y de Su sangre, y levanta y hace salir la fe en Su Nombre, entonces el alma comienza a levantar estas alas como águilas, remontándose más y más alto, hasta llegar a la presencia de Dios; elevándose en círculos de vuelo espiritual cada vez más altos, hasta penetrar en el mismo santuario de Jehová.
Ahora bien, ¿no se ha remontado así su alma a veces como sobre alas de águila? ¿No ha habido aquellas comunicaciones de vida y luz divinas, aquellos remontes de la fe, aquellos anclajes de la esperanza, aquellas salidas del amor, por las cuales su alma fue capacitada para elevarse y hallar deleite en Jesús, y sintió preciosos Su Nombre, Su amor y Su sangre? ¿No se ha remontado usted también, no solo en el ejercicio de una fe y una esperanza vivas, sino también del afecto celestial?
A veces estamos tan sujetos a esta tierra, a este valle de lágrimas, a este desierto horrible y yermo; tan encadenados a ella, que somos como un ave con un ala rota, y no podemos remontarnos. Estamos absorbidos por el mundo, olvidando a Dios y la piedad. Pero ¿no hay tiempos y ocasiones en que el alma es librada de estas cadenas y grillos, en que los cuidados terrenales se desprenden de la mente, en que nuestras alas son fuertes y, por así decirlo, se nos dan plumas nuevas, en que el mundo y sus tentaciones, el pecado y sus lazos quedan atrás, y hay un dulce remontarse en los sentimientos del afecto celestial? Esto es “levantar las alas como águilas”, y el alma que se remonta nunca deja de elevarse hasta llegar a la presencia misma del Dios trino de Israel.
Al lector…
¿Se siente usted hoy como un ave con un ala rota, querido lector, encadenado a esta tierra y tan ocupado en las cosas del mundo que casi olvida a Dios? Repréndase honradamente por ello, pero no desespere. No puede dar usted mismo plumas nuevas a sus alas; la fe solo puede remontarse cuando el precioso Jesús imparte a su conciencia una medida de Su amor y de Su sangre.
Piense, pues, en los tiempos en que su alma sí se remontó, cuando Su Nombre le era precioso y el pecado con sus lazos quedaba en segundo plano. Ese mismo Emmanuel sigue sentado a la diestra del Padre y sigue intercediendo por Su pueblo. Mire, pues, por fe a ese Sol de justicia, y espérele. Él puede soltar de nuevo las cadenas, y el alma que Él una vez hizo elevarse no se detendrá hasta llegar a la presencia de Dios.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl