December 27
Want wij wandelen door geloof en niet door aanschouwen.
2 Korinthe 5:7
De aard van het geloof is in het donker te vertrouwen, wanneer alle schijn tegen ons is; te vertrouwen dat er kalmte zal komen, ofschoon de storm boven ons hoofd hangt; te vertrouwen dat God zal verschijnen, ofschoon er niets dan kwaad gevoeld wordt. Het is een teder, kinderlijk, onbepaald vertrouwen, een algehele onderwerping, een uitzien naar de Heere. Hierin is iets kinderlijks, iets hemels en iets geestelijks; niet de stoutmoedige laatdunkendheid van de vermetele, noch de radeloze vrees van de wanhopige. Dit vertrouwen is vermengd met een heilige toegenegenheid, voortvloeiende uit de weldadigheden die men vroeger heeft genoten; en alles verbonden aan een kinderlijk vasthouden aan en een gevoel van afhankelijkheid der ziel van de Heere, omdat Hij is wat Hij is.
Er is een uitzien naar, een verwachten van de Heere, omdat wij gevoelen dat Hij de Heere is, en omdat wij geen andere toevlucht hebben. En waarom hebben wij geen andere toevlucht? Omdat wij door armoede uit alle valse toevluchtsoorden zijn verdreven. Het is een veilige en toch geen gemakkelijke plaats om te zijn waar David was: „Daar was geen ontvlieden voor mij; niemand zorgde voor mijn ziel” (Psalm 142:5).
En zolang wij onze toevlucht zoeken in de mens, in onszelf, in de wereld, in de kerk, is er geen uitzien naar Christus als een Goddelijke toevlucht. Maar wanneer wij zo ver komen en zeggen: „Gij zijt mijn Toevlucht en mijn Deel in ’t land der levenden” (Psalm 142:6); „zo ik omkom, wil ik aan Uwe voeten omkomen; mijn geloof is in U, al wat ik heb en al wat ik verwacht te hebben, komt van Uwe goedheid; ik heb niets dan hetgeen Gij mij uit genade geeft; mij, de snoodste der snoden”, dat is vertrouwen. En waar dit vertrouwen is, daar zal zich een leger van wensen tegelijk uitstorten in de boezem van de Heere; daar zal een gehele drom van verzuchtingen en verlangens een weg vinden in de boezem van „Immanuël, God met ons.”
Ik heb geloofd, dies sprak ik tot Gods eer.
’k Was zeer bedrukt, ik liet in haast mijn lippen
door drift vervoerd deez’ harde taal ontglippen:
„Bij mensen is noch trouw noch waarheid meer!”
Ps. 116:6
Aan de lezer…
Wanneer het donker is om u heen, schijnt alles tegen u te zijn. Hangt de storm nog boven uw hoofd, en voelt u niets dan kwaad? Dan is dit juist de plaats waar het geloof leert vertrouwen, niet met de stoutmoedige laatdunkendheid van de vermetele, en ook niet met de radeloze vrees van de wanhopige, maar als een kind dat zich aan de Heere vasthoudt omdat Hij is wat Hij is.
Misschien hebt u in uw armoede al uw valse toevluchten zien wegvallen, en moet u met David zeggen: „Niemand zorgde voor mijn ziel.” Dat is geen gemakkelijke plaats, maar wel een veilige. Want wie geen andere toevlucht meer heeft, leert zeggen: „Gij zijt mijn Toevlucht en mijn Deel.” Stort dan uw wensen, uw verzuchtingen en uw verlangens uit in de boezem van Immanuël, God met ons. Hij versmaadt de snoodste der snoden niet, die aan Zijn voeten neervalt.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Want wij wandelen door geloof en niet door aanschouwen.
2 Korinthe 5:7
Het is de aard van het geloof om in het donker te vertrouwen, wanneer alle schijn tegen ons is; te vertrouwen dat er kalmte zal komen, hoewel de storm boven ons hoofd hangt; te vertrouwen dat God zal verschijnen, hoewel er niets dan kwaad gevoeld wordt. Het is een teder, kinderlijk, onvoorwaardelijk vertrouwen, een volledige onderwerping, een uitzien naar de Heere. Hierin is iets kinderlijks, iets hemels en iets geestelijks; niet de stoutmoedige laatdunkendheid van de vermetele, en ook niet de radeloze vrees van de wanhopige. Dit vertrouwen is vermengd met een heilige genegenheid, die voortvloeit uit de weldaden die men vroeger heeft genoten. En dat alles is verbonden met een kinderlijk vasthouden aan de Heere en een besef dat de ziel van Hem afhankelijk is, omdat Hij is wat Hij is.
Er is een uitzien naar en een verwachten van de Heere, omdat wij voelen dat Hij de Heere is, en omdat wij geen andere toevlucht hebben. En waarom hebben wij geen andere toevlucht? Omdat wij door armoede uit alle valse toevluchtsoorden zijn verdreven. Het is een veilige en toch geen gemakkelijke plaats om te zijn waar David was: „Daar was geen ontvlieden voor mij; niemand zorgde voor mijn ziel” (Psalm 142:5).
Zolang wij onze toevlucht zoeken bij de mens, in onszelf, in de wereld of in de kerk, is er geen uitzien naar Christus als een Goddelijke toevlucht. Maar wanneer wij zover komen dat wij zeggen: „Gij zijt mijn Toevlucht en mijn Deel in ’t land der levenden” (Psalm 142:6); „zo ik omkom, wil ik aan Uwe voeten omkomen; mijn geloof is in U, al wat ik heb en al wat ik verwacht te hebben, komt van Uwe goedheid; ik heb niets dan hetgeen Gij mij uit genade geeft; mij, de snoodste der snoden”, dat is vertrouwen. En waar dit vertrouwen is, daar zal een leger van wensen zich tegelijk uitstorten in de boezem van de Heere; daar zal een hele stroom van verzuchtingen en verlangens een weg vinden naar de boezem van „Immanuël, God met ons.”
Ik heb geloofd, dies sprak ik tot Gods eer.
’k Was zeer bedrukt, ik liet in haast mijn lippen
door drift vervoerd deez’ harde taal ontglippen:
„Bij mensen is noch trouw noch waarheid meer!”
Ps. 116:6
Aan de lezer…
Wanneer het donker is om u heen, lijkt alles tegen u te zijn. Hangt de storm nog boven uw hoofd, en voelt u niets dan kwaad? Dan is dit juist de plaats waar het geloof leert vertrouwen, niet met de stoutmoedige laatdunkendheid van de vermetele, en ook niet met de radeloze vrees van de wanhopige, maar als een kind dat zich aan de Heere vasthoudt omdat Hij is wat Hij is.
Misschien hebt u in uw armoede al uw valse toevluchten zien wegvallen, en moet u met David zeggen: „Niemand zorgde voor mijn ziel.” Dat is geen gemakkelijke plaats, maar wel een veilige. Want wie geen andere toevlucht meer heeft, leert zeggen: „Gij zijt mijn Toevlucht en mijn Deel.” Stort dan uw wensen, uw verzuchtingen en uw verlangens uit in de boezem van Immanuël, God met ons. Hij versmaadt de snoodste der snoden niet, die aan Zijn voeten neervalt.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
For we walk by faith, not by sight.
2 Corinthians 5:7
The nature of faith is to trust in the dark, when all appearances are against it; to trust that a calm will come, though the storm be overhead; to trust that God will appear, though nothing but evil be felt. It is tender, child-like, and therefore is an implicit confidence, a yielding submission, a looking unto the Lord. There is something filial in this; something heavenly and spiritual; not the bold presumption of the daring, nor the despairing fears of the desponding; but something beyond both the one and the other—equally remote from the rashness of presumption, and from the horror of despair.
There is a mingling of holy affection connected with this trust, springing out of a reception of past favors, insuring favors to come; and all linked with a simple hanging and depending of the soul upon the Lord, because He is what He is. There is a looking to, and relying upon the Lord, because we have felt Him to be the Lord; and because we have no other refuge.
And why have we no other refuge? Because poverty has driven us out of false refuges. It is a safe spot, though not a comfortable one, to be where David was, “Refuge failed me; no man cared for my soul” (Ps. 142:4). And until refuge fails us in man, in self, in the world, in the church, there is no looking to Christ as a divine refuge.
But when we come to this spot, “You are my refuge and my portion in the land of the living” (Ps. 142:5)—“if I perish I will perish at Your feet—my faith centers in You—all I have and all I expect to have, flows from Your bounty, I have nothing but what You freely give to me, the vilest of the vile”—this is trust. And where this trust is, there will be a whole army of desires at times pouring themselves into the bosom of the Lord; there will be a whole array of pantings and longings venting themselves into the bosom of “Immanuel, God with us.”
To the reader…
When it is dark around you, everything seems to be against you. Does the storm still hang over your head, and do you feel nothing but evil? Then this is just the place where faith learns to trust, not with the bold presumption of the daring, nor with the despairing fears of the desponding, but as a child that clings to the Lord because He is what He is.
Perhaps in your poverty you have seen all your false refuges fall away, and you must say with David: “No man cared for my soul.” That is not an easy place, but it is a safe one. For whoever has no other refuge left learns to say: “Thou art my refuge and my portion.” Pour out, then, your wishes, your sighs and your longings into the bosom of Immanuel, God with us. He does not despise the vilest of the vile who falls at His feet.
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
Porque por fe andamos, no por vista.
2 Corintios 5:7
La naturaleza de la fe es confiar en la oscuridad, cuando todas las apariencias están en contra; confiar en que vendrá la calma, aunque la tormenta esté sobre nuestra cabeza; confiar en que Dios aparecerá, aunque no se sienta sino el mal. Es tierna, como de niño, y por eso es una confianza implícita, una sumisión rendida, un mirar al Señor. Hay algo filial en esto; algo celestial y espiritual; no la osada presunción del atrevido, ni los temores desesperados del abatido, sino algo que va más allá de lo uno y de lo otro, igualmente lejos de la temeridad de la presunción y del horror de la desesperación.
Hay una mezcla de santo afecto unida a esta confianza, que brota de haber recibido favores pasados y que asegura favores por venir; y todo ello ligado a un sencillo pender y depender del alma del Señor, porque Él es lo que es. Hay un mirar al Señor y un apoyarse en Él, porque Le hemos sentido como el Señor, y porque no tenemos otro refugio.
¿Y por qué no tenemos otro refugio? Porque la pobreza nos ha echado de los refugios falsos. Es un lugar seguro, aunque no cómodo, estar donde estaba David: “No tuve refugio, no había quien tuviese cuidado de mi vida” (Sal. 142:4). Y hasta que nos falta el refugio en el hombre, en el yo, en el mundo, en la iglesia, no hay un mirar a Cristo como refugio divino.
Pero cuando llegamos a este punto: “Tú eres mi refugio, y mi porción en la tierra de los vivientes” (Sal. 142:5); “si perezco, pereceré a Tus pies; mi fe se centra en Ti; todo lo que tengo y todo lo que espero tener fluye de Tu bondad; no tengo nada sino lo que Tú me das gratuitamente a mí, el más vil de los viles”, esto es confianza. Y donde está esta confianza, habrá a veces todo un ejército de deseos que se derraman en el seno del Señor; habrá toda una hueste de ansias y anhelos que se desahogan en el seno de “Emmanuel, Dios con nosotros”.
Al lector…
Cuando todo está oscuro a su alrededor, todo parece estar en contra de usted. ¿Sigue la tormenta sobre su cabeza, y no siente sino el mal? Entonces este es precisamente el lugar donde la fe aprende a confiar, no con la osada presunción del atrevido, ni con los temores desesperados del abatido, sino como un niño que se aferra al Señor porque Él es lo que es.
Quizá en su pobreza ha visto caer todos sus refugios falsos, y tiene que decir con David: “No había quien tuviese cuidado de mi vida”. No es un lugar fácil, pero es seguro. Porque quien ya no tiene otro refugio aprende a decir: “Tú eres mi refugio y mi porción”. Derrame, pues, sus deseos, sus suspiros y sus anhelos en el seno de Emmanuel, Dios con nosotros. Él no desprecia al más vil de los viles que cae a Sus pies.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl