6 dagen geleden verschenen
Het woord van Gods genade
Een uitleg van Handelingen 20:32: Paulus beveelt de oudsten van Efeze aan God en aan het woord van Zijn genade. Alleen dat woord, door de Geest toegepast, bouwt de ziel…
11 dagen geleden verschenen
Schatten in de duisternis
Uitleg van Jesaja 45:2,3 voor Gods kinderen: de Heere gaat voor hen uit, maakt kromme wegen recht, verbreekt koperen deuren en ijzeren grendels, geeft verborgen schatten en leert hen zo…
2 weken geleden verschenen
Verkrijgen en verliezen
Naar Prediker 3:6: een levende ziel verkrijgt geestelijke dingen, van kennis van God en van zichzelf tot geloof en vergeving, maar verliest ook haar eigen gerechtigheid en kracht. De preek…
Het schudden van wat gemaakt is en de vastheid van wat gegeven is
Over Hebreeën 12:27,28: wat gemaakt is, wordt geschud en weggenomen, wat God geeft blijft. Het Koninkrijk dat niet bewogen kan worden wordt door geloof ontvangen, door genade vastgehouden en draagt…
Het is wenselijk de Authorised Version te behouden
Philpot pleit in 1857 tegen een herziene Bijbelvertaling. Hij vreest verminking door dwalende geleerden, onzekerheid en verwarring bij Gods kinderen, en verlies van een gezaghebbende maatstaf en van een nationaal…
Korenaren Uit De Volle Oogst
Vrede, vrede dengenen, die verre zijn.
Jesaja 57:19
Verre! Wat betekent dat? Het betekent dat de ziel die in die toestand verkeert, in haar gevoel gescheiden en op verre afstand van God is. Nu is dat inwendig gevoel van „verre af” te zijn een van de pijnlijkste die een levend gemaakte ziel kan ondervinden. De goddelozen, die inderdaad ver af zijn, kennen er bij ervaring niets van, wat het zegt van God verwijderd te zijn, want zij zijn geestelijk nooit in Zijn nabijheid gebracht. Zij hebben noch koorden der liefde, noch zelen van een man gevoeld, die hen met liefelijke aantrekkelijkheid trokken naar de troon des Allerhoogsten. Zij hebben evenmin gezucht naar de zoete openbaringen van Gods genade en liefde; maar zij leven vrolijk en wentelen zich naar eigen wil in die dingen welke de ziel van haar Maker scheiden.
Maar zij die „verre” zijn in hun gevoel, zijn dit omdat zij iets hebben gezien van de schoonheid des Heeren en het snode der zonde hebben gevoeld; die geestelijk Jehova’s reinheid en de onreinheid van het schepsel kennen en de ervaring hebben van een inwendige vloek, van de slavernij en de veroordeling ener heilige Wet. Een geestelijke ontdekking van Zijn reinheid en heiligheid, die hun bedorvenheid openbaart, heeft hen van hun standpunt hunner eigengerechtigheid en trotsheid afgeworpen en hen van „verre” geplaatst. Zij durven niet naderen en vermogen niet toe te gaan; zij gevoelen geen geestelijke toegang, maar zuchten en treuren over hun boze harten in de woestijn, in eenzame plaatsen, en kunnen geen enkele schrede voorwaarts doen, omdat de Heere hen niet door Zijn glimlach trekt. Een mens moet hiervan bij bevinding iets kennen, eer hij nabij gebracht wordt. Hoe kunnen wij een gevoel van nabijheid kennen, zo wij geen gevoel van verwijdering hebben gekend? Hoe kunnen wij weten wat het zegt „van het einde des lands” (Psalm 61:3) gebracht te zijn door de openbaring van Gods barmhartigheid en liefde, tenzij wij daarheen zijn gedreven door een openbaring van de toorn Gods tegen de zonde?
Maar de gezegende Heere te zien en niet in staat te zijn tot Hem te gaan; Zijn zoenbloed op een verre afstand van ons, Zijn heerlijke gerechtigheid bijna buiten het gezicht te zien, en Zijn lieflijke Persoon buiten het bereik van ons geestelijk oog, zodat wij geen toegang genieten tot deze heerlijke werkelijkheden; dit bij bevinding en met gevoel te kennen, is „verre” van God te zijn. En ik geloof dat Gods volk veel van deze gevoelens kent. Er is in onze dagen weinig nabijheid onder ’t volk van God; niet veel vertroetelen op de knieën, niet veel lachen des Heeren over de ziel, niet veel liefdesbezoeken en liefdespanden die worden medegedeeld. Er wordt wel veel over gesproken, en er zijn velen die belijden ze te bezitten; maar ik vrees dat het voor het grootste deel bedrog en namaak is. Het ware volk van God, het oprechte huisgezin, is voor het grootste deel „verre aan de zee”, want het is een donkere en bewolkte dag waarin wij leven.
Een stroom van ongerechtigheden
had d’ overhand op mij,
maar ons weerspannig overtreden
verzoent en zuivert Gij.
Psalm 65:2
Aan de lezer…
Bekommerde ziel, voelt u zich verre van God? Ziet u de Heere wel, maar kunt u niet tot Hem gaan, en lijken Zijn zoenbloed en Zijn heerlijke gerechtigheid bijna buiten uw gezicht? Dat is een van de pijnlijkste gevoelens die een levend gemaakte ziel kent. Maar bedenk dit: de goddelozen weten er niets van, want zij zijn nooit in Zijn nabijheid gebracht. Dat u de afstand voelt, is omdat u iets van Zijn schoonheid en van het snode der zonde gezien hebt.
Wanhoop dan niet, want juist tot zulken klinkt het woord: „Vrede, vrede dengenen, die verre zijn.” U bent door de toorn tegen de zonde naar het einde des lands gedreven, opdat u daar Zijn barmhartigheid en liefde zou leren kennen. Een stroom van ongerechtigheden moge de overhand op u hebben gehad, maar Hij verzoent en zuivert. Roep dan van verre tot Hem, want Hij spreekt vrede tot wie verre zijn.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Vrede, vrede dengenen, die verre zijn.
Jesaja 57:19
Verre! Wat betekent dat? Het betekent dat de ziel die in die toestand verkeert, zich gescheiden en ver van God voelt. Dat inwendige gevoel „verre af” te zijn, is een van de pijnlijkste gevoelens die een levend gemaakte ziel kan ervaren. De goddelozen, die werkelijk ver af zijn, weten uit ervaring niets van wat het betekent van God verwijderd te zijn, want zij zijn geestelijk nooit in Zijn nabijheid gebracht. Zij hebben geen koorden der liefde en geen mensenzelen gevoeld die hen met lieflijke aantrekkingskracht trokken naar de troon van de Allerhoogste. Zij hebben evenmin gezucht naar de zoete openbaringen van Gods genade en liefde; nee, zij leven vrolijk en wentelen zich naar eigen wil in de dingen die de ziel van haar Maker scheiden.
Maar wie zich „verre” voelt, is dat omdat hij iets gezien heeft van de schoonheid van de Heere en de snoodheid van de zonde heeft gevoeld. Zulke mensen kennen geestelijk de reinheid van Jehova en de onreinheid van het schepsel, en ervaren de inwendige vloek, de slavernij en de veroordeling van een heilige Wet. Een geestelijke ontdekking van Zijn reinheid en heiligheid, die hun bedorvenheid blootlegt, heeft hen van het voetstuk van hun eigengerechtigheid en trots afgeworpen en hen „verre” geplaatst. Zij durven niet te naderen en kunnen niet tot Hem komen; zij voelen geen geestelijke toegang, maar zuchten en treuren over hun boze hart in de woestijn, op eenzame plaatsen, en kunnen geen enkele stap vooruit zetten, omdat de Heere hen niet met Zijn glimlach trekt. Een mens moet hier bij ervaring iets van kennen voordat hij dichtbij gebracht wordt. Hoe kunnen wij weten wat nabijheid is, als wij niet hebben gevoeld wat verwijdering is? Hoe kunnen wij weten wat het betekent „van het einde des lands” (Psalm 61:3) gebracht te worden door de openbaring van Gods barmhartigheid en liefde, tenzij wij daarheen gedreven zijn door een openbaring van de toorn van God tegen de zonde?
Maar de gezegende Heere zien en niet tot Hem kunnen gaan, Zijn zoenbloed op grote afstand van ons en Zijn heerlijke gerechtigheid bijna buiten ons gezicht en Zijn lieflijke Persoon buiten het bereik van ons geestelijk oog zien, zodat wij geen enkele toegang hebben tot deze heerlijke werkelijkheden, en dat bij ervaring en met het hart kennen: dat is „verre” van God zijn. En ik geloof dat Gods volk veel van deze gevoelens kent. Er wordt in onze tijd niet veel op de knieën vertroeteld, de Heere glimlacht niet vaak over de ziel, en er worden niet veel liefdesbezoeken en liefdespanden geschonken. Er wordt wel veel over gesproken, en er zijn velen die zeggen dat zij ze hebben; maar ik vrees dat dit voor het grootste deel bedrog en namaak is. Het ware volk van God, het oprechte huisgezin, is meestal „verre aan de zee”. In onze dagen is er onder het volk van God weinig nabijheid, want het is een donkere en bewolkte dag waarin wij leven.
Een stroom van ongerechtigheden
had d’ overhand op mij,
maar ons weerspannig overtreden
verzoent en zuivert Gij.
Psalm 65:2
Aan de lezer…
Bekommerde ziel, voelt u zich ver van God? Ziet u de Heere wel, maar kunt u niet tot Hem gaan, en lijken Zijn zoenbloed en Zijn heerlijke gerechtigheid bijna buiten uw gezicht? Dat is een van de pijnlijkste gevoelens die een levend gemaakte ziel kent. Maar bedenk dit: de goddelozen weten er niets van, want zij zijn nooit in Zijn nabijheid gebracht. Dat u de afstand voelt, komt doordat u iets van Zijn schoonheid en van de snoodheid van de zonde gezien hebt.
Wanhoop dan niet, want juist voor zulken klinkt het woord: „Vrede, vrede dengenen, die verre zijn.” U bent door de toorn tegen de zonde naar het einde des lands gedreven, om daar Zijn barmhartigheid en liefde te leren kennen. Al heeft een stroom van ongerechtigheden de overhand op u gehad, Hij verzoent en zuivert. Roep dan van verre tot Hem, want Hij spreekt vrede tot wie verre zijn.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Peace, peace to him that is far off.
Isaiah 57:19
Far off! What does that mean? It means that the soul passing through that experience is separated, in its feelings, and at an infinite distance from God. Now this inward sense of being “far off” is one of the most painful feelings that a quickened soul can experience. The ungodly, who are really afar off, know nothing experimentally of distance from God, for they have never been brought spiritually near. They have felt no “cords of love, no bands of a man” drawing them with sweet attraction to the throne of the Most High; they have never sighed after the sweet manifestations of God’s mercy and love; but they live gladly, and wallow wilfully in those things which separate the soul from its Maker.
But those who are “afar off” in their feelings, are such as have seen something of the beauty of the Lord, and felt the evil of sin, who spiritually know Jehovah’s purity and the creature’s impurity, and have experienced the inward curse, bondage, and condemnation of a holy law. A spiritual discovery of His purity and holiness, making manifest their own vileness, has thrust them down from their self-righteous or presumptuous standing, and made them far off from Him; not daring to draw near, nor able to approach; not feeling any spiritual access, but sighing and mourning over their evil hearts in the wilderness, in desolate places; and unable to move a single step forward, because the Lord does not draw them by His smile.
A man must know something experimentally of this before he is brought near. How can we know a feeling of nearness if we have not known a feeling of distance? How can we know what it is to be brought “from the end of the earth” (Psalm 61:2) by the manifestation of God’s mercy and love, unless we have been driven there, in our feelings, by some manifestation of the wrath of God against sin? But to see the blessed Lord, and not be able to draw near to Him; to view His atoning blood at an infinite distance from us, His glorious righteousness well-near out of sight, and His lovely Person out of the reach of our spiritual view, so as not to enjoy any access to these glorious realities—to know this experimentally and feelingly, is to be “far off” from God.
And I believe that God’s people know very much of this feeling. There is not much nearness in our day; not much dandling upon the knees, not much smiling upon the soul, not many love visits, nor love tokens communicated. There is, indeed, a great deal of talking about them; and there are abundance of people who profess to have them; but I fear they are, for the most part, cheats and counterfeits. The real people of God, the true-hearted family are, for the most part, “afar off upon the sea,” for it is a dark and cloudy day in which we live.
To the reader…
Troubled soul, do you feel far from God? Do you see the Lord, yet cannot go to Him, and do His atoning blood and His glorious righteousness seem almost out of sight? That is one of the most painful feelings a quickened soul knows. But consider this: the ungodly know nothing of it, for they have never been brought near to Him. That you feel the distance is because you have seen something of His beauty and of the vileness of sin.
So do not despair, for it is to just such as these that the word sounds: “Peace, peace to him that is far off.” You have been driven to the end of the earth by the wrath against sin, in order to learn His mercy and love there. Even if a flood of iniquities has prevailed against you, He reconciles and cleanses. Cry to Him, then, from afar, for He speaks peace to those who are far off.
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
Paz, paz al lejano.
Isaías 57:19
¡Lejano! ¿Qué significa esto? Significa que el alma que pasa por esa experiencia está separada, en sus sentimientos, y a una distancia infinita de Dios. Ahora bien, este sentimiento interior de estar “lejos” es uno de los más dolorosos que un alma vivificada puede experimentar. Los impíos, que realmente están lejos, no saben nada por experiencia de la distancia de Dios, porque nunca han sido acercados espiritualmente. No han sentido “cuerdas humanas, cuerdas de amor” que los atraigan con dulce atracción al trono del Altísimo; nunca han suspirado por las dulces manifestaciones de la misericordia y del amor de Dios; sino que viven alegremente y se revuelcan voluntariamente en aquellas cosas que separan al alma de su Hacedor.
Pero los que están “lejos” en sus sentimientos son aquellos que han visto algo de la hermosura del Señor y han sentido la maldad del pecado, que conocen espiritualmente la pureza de Jehová y la impureza de la criatura, y han experimentado la maldición interior, la esclavitud y la condenación de una ley santa. Un descubrimiento espiritual de Su pureza y santidad, que pone de manifiesto su propia vileza, los ha derribado de su posición de justicia propia o de presunción, y los ha puesto lejos de Él; sin atreverse a acercarse, ni poder aproximarse; sin sentir ningún acceso espiritual, sino suspirando y lamentándose por sus malos corazones en el desierto, en lugares desolados; e incapaces de dar un solo paso adelante, porque el Señor no los atrae con Su sonrisa.
Un hombre tiene que saber algo de esto por experiencia antes de ser acercado. ¿Cómo podemos conocer un sentimiento de cercanía si no hemos conocido un sentimiento de distancia? ¿Cómo podemos saber lo que es ser traído “desde el cabo de la tierra” (Salmo 61:2) por la manifestación de la misericordia y del amor de Dios, a menos que hayamos sido arrojados allí, en nuestros sentimientos, por alguna manifestación de la ira de Dios contra el pecado? Pero ver al bendito Señor y no poder acercarse a Él; contemplar Su sangre expiatoria a una distancia infinita de nosotros, Su gloriosa justicia casi fuera de vista, y Su amable Persona fuera del alcance de nuestra vista espiritual, de modo que no gozamos de ningún acceso a estas gloriosas realidades: conocer esto por experiencia y en el sentir es estar “lejos” de Dios.
Y creo que el pueblo de Dios conoce mucho de este sentimiento. No hay mucha cercanía en nuestros días; no mucho ser mecido sobre las rodillas, no mucho sonreír sobre el alma, no muchas visitas de amor, ni muchas prendas de amor comunicadas. Hay, en verdad, mucho hablar de ellas; y abundan las personas que profesan tenerlas; pero temo que, en su mayor parte, son engaños y falsificaciones. El verdadero pueblo de Dios, la familia de corazón sincero, está en su mayor parte “en los más remotos confines de la mar”, porque es un día oscuro y nublado aquel en que vivimos.
Al lector…
Alma atribulada, ¿se siente lejos de Dios? ¿Ve usted al Señor, y sin embargo no puede ir a Él, y le parecen Su sangre expiatoria y Su gloriosa justicia casi fuera de vista? Ese es uno de los sentimientos más dolorosos que conoce un alma vivificada. Pero considere esto: los impíos no saben nada de ello, porque nunca han sido acercados a Él. Si usted siente la distancia, es porque ha visto algo de Su hermosura y de la vileza del pecado.
No desespere, pues, porque es precisamente a los tales a quienes resuena la palabra: “Paz, paz al lejano”. Usted ha sido arrojado hasta el cabo de la tierra por la ira contra el pecado, para aprender allí Su misericordia y Su amor. Aunque una inundación de iniquidades haya prevalecido contra usted, Él reconcilia y limpia. Clame, pues, a Él desde lejos, porque Él habla paz a los que están lejos.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl
365 Dagen Met Philpot
Mijn hoop is op U
En nu, wat verwacht ik, o Heere? Mijn hoop, die is op U.
Psalm 39:8
Als we kunnen zeggen: „Mijn hoop, die is op U”, gesteld in de Heere Jezus, in Zijn meedogende gemoed, in Zijn verzoenende bloed, in Zijn volbrachte werk, in Zijn rechtvaardigende rechtvaardigheid, omdat ik wezenlijk ben verenigd met Hem als het Hoofd van de Kerk, „God boven allen, te prijzen in der eeuwigheid” (Rom. 9:5); als we kunnen zeggen: „Mijn hoop is zo in Hem gesteld, gericht op Zijn hart”, dan volgt: „Wat verwacht ik?” Zolang onze hoop uiterlijk op Hem is, en niet innerlijk in Hem is gesteld, verwachten we veel zaken. We zijn dan nog niet volledig afgescheiden van de wereld; we zijn nog niet gekomen bij de dodelijke haal van het mes die al onze eigen rechtvaardigheid in stukken hakt; het mes heeft de loot nog niet geheel doorgesneden om hem te scheiden van de oude stam.
Maar als we kunnen zeggen: „Mijn hoop, die is op U”, alle hoop van mijn ziel, alle genegenheid van mijn ziel, al het verlangen van mijn ziel is in het kostbare Lam van God gesteld – dan kunnen we zeggen: „Wat verwacht ik? Is mijn alles niet daar? Is mijn hoop niet daarop gericht? Is Hij niet Degene Die mijn genegenheid gewonnen heeft, de Heere van mijn hart, de God van mijn ziel en de Gids voor mijn voeten? Is Hij niet mijn Schepper, Behouder, Verlosser en Middelaar?”
„Wat verwacht ik?” Zal ik naar het schepsel gaan als de Schepper er is? Me tot een mens wenden als God er is? Naar een aardworm gaan, als de Heere, de Rots der eeuwigheid, er is? „Wat verwacht ik?” „Welnu, ik verwacht U, omdat mijn hoop op U is, en omdat ik alles uit U verwacht te ontvangen.”
Lezen: Kolossenzen 1:16-29
Aan de lezer…
Wie zijn hoop op Christus stelt, doet goed zich af te vragen waar die hoop gesteld is: uiterlijk op Christus, of innerlijk in Hem. Het eerste is licht, het tweede kost het mes. Zolang er nog een stukje eigen gerechtigheid aan de oude stam vastzit, verwachten wij nog van alles, van onszelf, van mensen, van de wereld. Doet het u pijn dat de Heere die haal van het mes nu in uw ziel doet? Schrik dan niet; zo scheidt Hij de loot van de oude stam.
Want wat is er dan nog te verwachten buiten Hem? Zult u naar het schepsel gaan, als de Schepper er is? Naar een aardworm, als de Rots der eeuwigheid er is? Het verzoenende bloed, het volbrachte werk, het meedogende hart van de Heere Jezus: daar ligt uw alles. Breng Hem dan uw lege handen en zeg met de psalmist: „En nu, wat verwacht ik, o Heere? Mijn hoop, die is op U.”
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
En nu, wat verwacht ik, o Heere? Mijn hoop, die is op U.
Psalm 39:8
Stel dat we kunnen zeggen: „Mijn hoop, die is op U”, gesteld in de Heere Jezus, in Zijn meedogend gemoed, in Zijn verzoenend bloed, in Zijn volbrachte werk, in Zijn rechtvaardigende gerechtigheid, omdat ik werkelijk met Hem verenigd ben als het Hoofd van de Kerk, „God boven allen, te prijzen in der eeuwigheid” (Rom. 9:5). Als we kunnen zeggen: „Mijn hoop is zo in Hem gesteld, gericht op Zijn hart”, dan volgt: „Wat verwacht ik?” Zolang onze hoop uiterlijk op Hem is, en niet innerlijk in Hem gesteld is, verwachten we nog veel dingen. We zijn dan nog niet volledig van de wereld gescheiden. We hebben nog niet de dodelijke haal van het mes ondergaan die al onze eigen gerechtigheid aan stukken snijdt; het mes heeft de loot nog niet helemaal doorgesneden om hem van de oude stam te scheiden.
Maar wanneer we kunnen zeggen: „Mijn hoop, die is op U” – alle hoop van mijn ziel, alle genegenheid van mijn ziel, al het verlangen van mijn ziel is in het kostbare Lam van God gesteld – dan kunnen we zeggen: „Wat verwacht ik? Is mijn alles niet daar? Is mijn hoop niet daarop gericht? Is Hij niet Degene Die mijn genegenheid gewonnen heeft, de Heere van mijn hart, de God van mijn ziel en de Gids voor mijn voeten? Is Hij niet mijn Schepper, Behouder, Verlosser en Middelaar?”
„Wat verwacht ik?” Zal ik naar het schepsel gaan, als de Schepper er is? Mij tot een mens wenden, als God er is? Naar een aardworm gaan, als de Heere, de Rots der eeuwigheid, er is? „Wat verwacht ik?” „Welnu, ik verwacht U, omdat mijn hoop op U is, en omdat ik alles uit U verwacht te ontvangen.”
Lezen: Kolossenzen 1:16-29
Aan de lezer…
Wie zijn hoop op Christus stelt, doet er goed aan zich af te vragen waar die hoop gesteld is: uiterlijk op Christus, of innerlijk in Hem. Het eerste is gemakkelijk, het tweede kost het mes. Zolang er nog een stukje eigen gerechtigheid aan de oude stam vastzit, verwachten wij nog van alles: van onszelf, van mensen, van de wereld. Doet het u pijn dat de Heere die haal van het mes nu in uw ziel geeft? Schrik dan niet; zo scheidt Hij de loot van de oude stam.
Want wat is er dan nog te verwachten buiten Hem? Zult u naar het schepsel gaan, als de Schepper er is? Naar een aardworm, als de Rots der eeuwigheid er is? Het verzoenend bloed, het volbrachte werk, het meedogend hart van de Heere Jezus: daar ligt uw alles. Breng Hem dan uw lege handen en zeg met de psalmist: „En nu, wat verwacht ik, o Heere? Mijn hoop, die is op U.”
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
And now, Lord, what wait I for? my hope is in Thee.
Psalm 39:7
Suppose we can say, “My hope is in Thee”, fixed in the Lord Jesus, in His compassionate bosom, in His atoning blood, in His finished work, in His justifying righteousness, because I am really united to Him as the Head of the Church, “God blessed for ever” (Rom. 9:5). If we can say, “My hope is so fixed in Him, centred in His heart”, then it follows: “What wait I for?” As long as our hope is outwardly upon Him, and not inwardly fixed in Him, we are still waiting for many things. We are then not yet fully separated from the world. We have not yet undergone the deadly stroke of the knife that cuts all our own righteousness to pieces; the knife has not yet cut right through the graft to sever it from the old stock.
But when we can say, “My hope is in Thee” (all the hope of my soul, all the affection of my soul, all the desire of my soul is fixed in the precious Lamb of God), then we can say, “What wait I for? Is not my all there? Is not my hope fixed upon it? Is He not the One Who has won my affections, the Lord of my heart, the God of my soul and the Guide of my feet? Is He not my Creator, Preserver, Redeemer and Mediator?”
“What wait I for?” Shall I go to the creature, when the Creator is there? Turn to a man, when God is there? Go to a worm of the earth, when the Lord, the Rock of ages, is there? “What wait I for?” “Why, I wait for Thee, because my hope is in Thee, and because I expect to receive all from Thee.”
Reading: Colossians 1:16-29
To the reader…
Whoever sets his hope on Christ does well to ask where that hope is fixed: outwardly upon Christ, or inwardly in Him. The first is easy, the second costs the knife. As long as some piece of our own righteousness still clings to the old stock, we still wait for all kinds of things: from ourselves, from men, from the world. Does it pain you that the Lord is now giving that stroke of the knife in your soul? Do not be alarmed; so He severs the graft from the old stock.
For what is there then still to wait for outside Him? Will you go to the creature, when the Creator is there? To a worm of the earth, when the Rock of ages is there? The atoning blood, the finished work, the compassionate heart of the Lord Jesus: there lies your all. Bring Him your empty hands, then, and say with the psalmist: “And now, Lord, what wait I for? my hope is in Thee.”
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
Y ahora, Señor, ¿qué esperaré? Mi esperanza en Ti está.
Salmo 39:7
Supongamos que podemos decir: “Mi esperanza en Ti está”, fija en el Señor Jesús, en Su seno compasivo, en Su sangre expiatoria, en Su obra consumada, en Su justicia justificadora, porque estoy realmente unido a Él como Cabeza de la Iglesia, “Dios bendito por los siglos” (Rom. 9:5). Si podemos decir: “Mi esperanza está así fija en Él, centrada en Su corazón”, entonces se sigue: “¿Qué esperaré?” Mientras nuestra esperanza esté exteriormente sobre Él, y no interiormente fija en Él, todavía esperamos muchas cosas. Entonces aún no estamos plenamente separados del mundo. Aún no hemos sufrido el golpe mortal del cuchillo que corta en pedazos toda nuestra propia justicia; el cuchillo aún no ha cortado del todo el injerto para separarlo del viejo tronco.
Pero cuando podemos decir: “Mi esperanza en Ti está” (toda la esperanza de mi alma, todo el afecto de mi alma, todo el deseo de mi alma está fijo en el precioso Cordero de Dios), entonces podemos decir: “¿Qué esperaré? ¿No está allí mi todo? ¿No está mi esperanza fija en ello? ¿No es Él quien ha ganado mis afectos, el Señor de mi corazón, el Dios de mi alma y el Guía de mis pies? ¿No es Él mi Creador, Preservador, Redentor y Mediador?”
“¿Qué esperaré?” ¿Iré a la criatura, cuando el Creador está allí? ¿Me volveré a un hombre, cuando Dios está allí? ¿Iré a un gusano de la tierra, cuando el Señor, la Roca de los siglos, está allí? “¿Qué esperaré?” “Pues te espero a Ti, porque mi esperanza en Ti está, y porque espero recibirlo todo de Ti.”
Lectura: Colosenses 1:16-29
Al lector…
Quien pone su esperanza en Cristo hace bien en preguntarse dónde está fija esa esperanza: exteriormente sobre Cristo, o interiormente en Él. Lo primero es fácil; lo segundo cuesta el cuchillo. Mientras algún pedazo de nuestra propia justicia siga adherido al viejo tronco, seguimos esperando toda clase de cosas: de nosotros mismos, de los hombres, del mundo. ¿Le duele que el Señor esté dando ahora ese golpe del cuchillo en su alma? No se alarme; así separa Él el injerto del viejo tronco.
Pues ¿qué queda entonces que esperar fuera de Él? ¿Irá usted a la criatura, cuando el Creador está allí? ¿A un gusano de la tierra, cuando la Roca de los siglos está allí? La sangre expiatoria, la obra consumada, el corazón compasivo del Señor Jesús: allí está su todo. Tráigale, pues, sus manos vacías y diga con el salmista: “Y ahora, Señor, ¿qué esperaré? Mi esperanza en Ti está.”
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl
Door Baca's Vallei
Hetzij Paulus, hetzij Apollos, hetzij Cefas, hetzij de wereld, hetzij leven, hetzij dood, hetzij tegenwoordige, hetzij toekomende dingen, zij zijn alle uwe.
1 Corinthe 3:22
„Het leven – zegt de apostel – is uwe.” Maar hoe kan dit zijn? In twee opzichten. Het tegenwoordige en het toekomende leven, zij zijn beide voor de christen, overeenkomstig de woorden: „De godzaligheid is tot alle dingen nut, hebbende de belofte van dit en van het toekomende leven.” Maar het tegenwoordige leven is een natuurlijk en geestelijk leven. In drie opzichten dus is het leven het deel van het volk van God: een natuurlijk, een geestelijk en een eeuwig leven.
Het natuurlijke leven behoort aan hen, want alleen zij kunnen dit waarlijk genieten. Wat is het natuurlijke leven, wanneer het aan een draad hangt over een akelige eeuwigheid? Hoe spoedig is het aan het eind, en hoe spoedig sluiten de dood en het oordeel het toneel af! Maar des christens natuurlijk leven is zijn tijdperk van geloof en gebed, de zaaitijd van een onsterfelijke oogst. De meeste mensen zijn een slaaf van het leven, maar Gods kind is een meester van het leven. Voor de meesten is het leven niet anders dan een gelegenheid om kwaad te doen, maar voor Gods kind is het een gelegenheid om goed te doen.
Het geestelijke leven is op een bijzondere wijze zijn eigendom, want hij alleen bezit het. De natuurlijke mens deelt met hem in een natuurlijk leven, maar hij alleen geniet het geestelijk leven. Dit leven behoort hem, omdat Christus de zijne is. Christus is zijn leven, en omdat Christus leeft, leeft hij ook. En aldaar is dan ook het eeuwig leven, hetwelk een aanvang genomen heeft in het geestelijk leven, en dit geestelijk leven is een hemelse plant, die bloeien zal tot in de eindeloze eeuwigheid.
En dan nog wonderlijker. De dood, de laatste vijand, de koning der verschrikking, die de sterkste vrees veroorzaakt en het stoutste hart doet beven, deze is ook uwe, indien gij van Christus zijt. De dood is niet uw vijand, als gij van Christus zijt, maar uw vriend. Hij moge in der waarheid in een duister en ver gezicht in de gedaante van een vijand schijnen te komen; gij moogt de gedachte van zijn nadering vrezen, en zelfs van vrees schrikken hoe het u in die ure zal gaan; maar als gij van Christus zijt, dan is de dood zowel de uwe als het leven; want Hij heeft de dood vernietigd en heeft het leven en de onverderfelijkheid aan het licht gebracht.
De dood kan u niet beschadigen, omdat Christus voor u gestorven is. De dood zal slechts uw arm lichaam in het graf brengen, terwijl hij aan de andere zijde voor uw ziel de eeuwige deuren zal ontsluiten; de deuren door welke de Koning der heerlijkheid, de Heere, geweldig in de strijd, als uw Voorloper is ingegaan om een plaats voor u te bereiden.
Aan de lezer…
Vreest u de dood, waarde lezer? Beeft uw hart als u eraan denkt hoe het u in die ure zal gaan? Schaam u daar niet voor; ook Gods kinderen kennen die vrees, en de dood mag van verre als een vijand schijnen te komen. Maar zie niet alleen naar de dood; zie naar Hem Die voor u gestorven is. Als u van Christus bent, dan is de dood niet uw vijand, maar uw vriend, en is hij de uwe zowel als het leven.
Want Christus heeft de dood vernietigd en het leven en de onverderfelijkheid aan het licht gebracht. De dood kan slechts uw arm lichaam in het graf leggen, maar aan de andere zijde ontsluit hij de eeuwige deuren, waardoor de Koning der heerlijkheid als uw Voorloper is ingegaan. Gebruik dan dit korte leven als een zaaitijd van geloof en gebed, en houd u vast aan Hem, want omdat Hij leeft, zult u ook leven.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Hetzij Paulus, hetzij Apollos, hetzij Cefas, hetzij de wereld, hetzij leven, hetzij dood, hetzij tegenwoordige, hetzij toekomende dingen, zij zijn alle uwe.
1 Corinthe 3:22
„Het leven – zegt de apostel – is uwe.” Maar hoe kan dat? In twee opzichten. Het tegenwoordige en het toekomende leven zijn allebei voor de christen, overeenkomstig de woorden: „De godzaligheid is tot alle dingen nut, hebbende de belofte van dit en van het toekomende leven.” Maar het tegenwoordige leven is een natuurlijk en een geestelijk leven. In drie opzichten is het leven dus het deel van het volk van God: als natuurlijk, als geestelijk en als eeuwig leven.
Het natuurlijke leven behoort hun toe, want alleen zij kunnen het werkelijk genieten. Wat is het natuurlijke leven, wanneer het aan een draad hangt boven een angstaanjagende eeuwigheid? Hoe snel is het voorbij, en hoe snel sluiten de dood en het oordeel het toneel af! Maar het natuurlijke leven van de christen is zijn tijd van geloof en gebed, de zaaitijd van een onsterfelijke oogst. De meeste mensen zijn een slaaf van het leven, maar Gods kind is een meester over het leven. Voor de meesten is het leven niets anders dan een gelegenheid om kwaad te doen, maar voor Gods kind is het een gelegenheid om goed te doen.
Het geestelijke leven is op een bijzondere manier zijn eigendom, want alleen hij bezit het. De natuurlijke mens deelt met hem een natuurlijk leven, maar alleen hij geniet het geestelijk leven. Dit leven behoort hem toe, omdat Christus de zijne is. Christus is zijn leven, en omdat Christus leeft, leeft hij ook. En daar is dan ook het eeuwige leven, dat begonnen is in het geestelijk leven; en dit geestelijk leven is een hemelse plant die zal bloeien tot in de eindeloze eeuwigheid.
En dan nog wonderlijker. De dood, de laatste vijand, de koning der verschrikking, die de sterkste vrees veroorzaakt en het dapperste hart doet beven, ook die is van u, als u van Christus bent. De dood is niet uw vijand, als u van Christus bent, maar uw vriend. Hij mag in werkelijkheid, van verre en in het duister gezien, in de gedaante van een vijand lijken te komen. U kunt de gedachte aan zijn nadering vrezen, en zelfs schrikken van angst hoe het u in dat uur zal gaan. Maar als u van Christus bent, dan is de dood net zo goed van u als het leven, want Hij heeft de dood vernietigd en het leven en de onverderfelijkheid aan het licht gebracht.
De dood kan u geen schade doen, omdat Christus voor u gestorven is. De dood zal alleen uw arm lichaam in het graf brengen, terwijl hij aan de andere kant voor uw ziel de eeuwige deuren zal openen: de deuren waardoor de Koning der heerlijkheid, de Heere, geweldig in de strijd, als uw Voorloper is ingegaan om een plaats voor u te bereiden.
Aan de lezer…
Vreest u de dood? Beeft uw hart als u eraan denkt hoe het u in dat uur zal gaan? Schaam u daar niet voor; ook Gods kinderen kennen die vrees, en de dood kan van verre als een vijand lijken te komen. Maar kijk niet alleen naar de dood; zie naar Hem Die voor u gestorven is. Als u van Christus bent, dan is de dood niet uw vijand, maar uw vriend, en is hij net zo goed van u als het leven.
Want Christus heeft de dood vernietigd en het leven en de onverderfelijkheid aan het licht gebracht. De dood kan alleen uw arm lichaam in het graf leggen, maar aan de andere kant opent hij de eeuwige deuren, waardoor de Koning der heerlijkheid als uw Voorloper is ingegaan. Gebruik dan dit korte leven als een zaaitijd van geloof en gebed, en houd u vast aan Hem, want omdat Hij leeft, zult u ook leven.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Whether Paul, or Apollos, or Cephas, or the world, or life, or death, or things present, or things to come; all are yours.
1 Corinthians 3:22
“LIFE,” says the Apostle, is “yours.” But how can this be? In two ways. Life present and life future, both are the Christian’s, according to the words, “Godliness is profitable unto all things, having promise of the life that now is, and of that which is to come.” But life present is natural and spiritual. In three senses, therefore, is life the portion of Christ’s people; life natural, life spiritual, life eternal.
Life natural is theirs, for they alone can truly enjoy it. What is natural life if it hangs by a thread over a dreadful eternity? How soon spent and gone, and how soon death and judgment close the scene. But the Christian’s very natural life is his season for faith and prayer, the seedtime of an immortal harvest. Most men are life’s slave, but he is life’s master; to most, life is but an opportunity of evil, but to him an opportunity of good.
Spiritual life is peculiarly his, for he alone possesses it. Natural men share with him natural life; but he alone enjoys spiritual life. This life is his because Christ is his. Christ is his life, and because Christ lives, he lives also. And then there is life eternal, which commencing now in life spiritual is transplanted above to bloom in immortality.
And then, more wondrous still, “DEATH,” that last enemy, that king of terrors, who makes the strongest tremble, and the stoutest heart quake; that, also, is yours, if you are Christ’s. Death is not your enemy if you are Christ’s, but your friend. He may indeed in the dim and distant prospect seem to come in the guise of an enemy; you may dread the thought of his approach, and may even sink down with fear how it may be with you in that solemn hour.
But if you are Christ’s, death is yours as well as life, for He has abolished death, and has brought life and immortality to light. Death then cannot harm you, because Christ died for you. Death will merely cause your poor body to drop into the ground, while it will open to your soul the everlasting doors through which the King of glory, the Lord mighty in battle, entered as your Forerunner when He went to prepare a place for you.
To the reader…
Do you fear death? Does your heart tremble when you think of how it will be with you in that hour? Do not be ashamed of that; God’s children know that fear too, and from afar death can seem to come as an enemy. But do not look only at death; look to Him Who died for you. If you are Christ’s, death is not your enemy but your friend, and it is just as much yours as life is.
For Christ has abolished death and brought life and immortality to light. Death can only lay your poor body in the grave, but on the other side it opens the everlasting doors, through which the King of glory has entered as your Forerunner. Use this short life, then, as a seedtime of faith and prayer, and hold fast to Him, for because He lives, you shall live also.
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
Sea Pablo, sea Apolos, sea Cefas, sea el mundo, sea la vida, sea la muerte, sea lo presente, sea lo por venir; todo es vuestro.
1 Corintios 3:22
“La VIDA,” dice el Apóstol, es “vuestra.” Pero ¿cómo puede ser esto? De dos maneras. La vida presente y la vida futura, ambas son del cristiano, según las palabras: “La piedad para todo aprovecha, pues tiene promesa de esta vida presente, y de la venidera.” Pero la vida presente es natural y espiritual. En tres sentidos, por tanto, es la vida porción del pueblo de Cristo: vida natural, vida espiritual, vida eterna.
La vida natural es suya, porque solo ellos pueden gozarla verdaderamente. ¿Qué es la vida natural, si cuelga de un hilo sobre una eternidad espantosa? ¡Qué pronto se gasta y se va, y qué pronto la muerte y el juicio cierran la escena! Pero la misma vida natural del cristiano es su tiempo para la fe y la oración, la siembra de una cosecha inmortal. La mayoría de los hombres son esclavos de la vida, pero él es señor de la vida; para la mayoría la vida no es sino una ocasión para el mal, pero para él es una ocasión para el bien.
La vida espiritual es particularmente suya, porque solo él la posee. Los hombres naturales comparten con él la vida natural; pero solo él goza de la vida espiritual. Esta vida es suya porque Cristo es suyo. Cristo es su vida, y porque Cristo vive, él también vive. Y luego está la vida eterna, que, comenzando ahora en la vida espiritual, es trasplantada arriba para florecer en la inmortalidad.
Y luego, más maravilloso aún, “la MUERTE,” ese postrer enemigo, ese rey de los espantos, que hace temblar al más fuerte y estremecerse al corazón más valiente; también ella es suya, si usted es de Cristo. La muerte no es su enemiga si usted es de Cristo, sino su amiga. Es verdad que en la perspectiva oscura y lejana puede parecer que viene con apariencia de enemiga; usted puede temer el pensamiento de su llegada, y aun hundirse de temor pensando cómo le irá en aquella hora solemne.
Pero si usted es de Cristo, la muerte es suya tanto como la vida, porque Él quitó la muerte y sacó a la luz la vida y la inmortalidad. La muerte, pues, no puede dañarle, porque Cristo murió por usted. La muerte solo hará que su pobre cuerpo caiga en la tierra, mientras que abrirá a su alma las puertas eternas por las cuales el Rey de gloria, Jehová el poderoso en batalla, entró como su Precursor cuando fue a preparar lugar para usted.
Al lector…
¿Teme usted la muerte? ¿Tiembla su corazón cuando piensa cómo le irá en aquella hora? No se avergüence de ello; los hijos de Dios conocen también ese temor, y de lejos la muerte puede parecer que viene como enemiga. Pero no mire solo a la muerte; mire a Aquel que murió por usted. Si usted es de Cristo, la muerte no es su enemiga sino su amiga, y es tan suya como lo es la vida.
Porque Cristo quitó la muerte y sacó a la luz la vida y la inmortalidad. La muerte solo puede poner su pobre cuerpo en la tumba, pero al otro lado abre las puertas eternas, por las cuales el Rey de gloria ha entrado como su Precursor. Use, pues, esta corta vida como una siembra de fe y oración, y aférrese a Él, pues Él vive, y por eso usted también vivirá.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl