Nieuw verschenenHet gesprek van een gelovige met zijn zielPreken · 4 dagen geleden
Joseph Charles Philpot J.C. Philpot Bevindelijke geschriften & prediking
Steun

Korenaren

 

 

Vandaag

Korenaren Uit De Volle Oogst

26 augustus Korenaren uit de volle oogst

Zo iemand onder u dunkt dat hij wijs is in deze wereld, die worde dwaas, opdat hij wijs moge worden.
1 Korinthe 3:18

De vrucht en het gevolg van het Goddelijk onderwijs is: al onze vleselijke wijsheid, kracht en gerechtigheid verscheuren en uitroeien. God wil nooit een nieuw stuk op een oud kleed zetten; Hij wil nooit dat onze wijsheid, onze kracht en onze gerechtigheid zich verenigen met de Zijne. Dat alles moet verscheurd en helemaal uitgeroeid worden, zodat er een nieuwe wijsheid, een nieuwe kracht en een nieuwe gerechtigheid op de puinhopen ervan kan verrijzen. Maar zolang het de Heere niet behaagd heeft het ons te leren, kunnen wij nooit afstand doen van onze eigen gerechtigheid, nooit onze wijsheid opgeven en nooit onze eigen kracht laten varen. Die dingen zitten zo diep in ons geworteld, dat wij niet graag ook maar het kleinste deel ervan prijsgeven, totdat de Heere Zelf ze verscheurt en uitroeit.

Wanneer Hij dan in onze ziel enige geestelijke kennis brengt van onze treurige verdorvenheid en vreselijke goddeloosheid, valt al onze eigen gerechtigheid weg bij die Goddelijke aanraking. Wanneer Hij ons in duizenden gevallen onze onwetendheid en dwaasheid laat zien en voelen, en hoe onmachtig wij zijn om zonder Goddelijk onderwijs iets goed te begrijpen, dan verdwijnt onze wijsheid helemaal. En wanneer Hij ons laat zien hoe onbekwaam wij zijn om door eigen inspanning de verzoeking te weerstaan en de zonde te overwinnen, dan verdwijnt onze kracht langzamerhand, en zijn wij als Simson toen zijn lokken waren afgesneden.

Zo bouwt God op de puinhopen van onze eigen wijsheid, gerechtigheid en kracht de wijsheid van Christus, de gerechtigheid van Christus en de kracht van Christus. Zo zei Jezus ook tegen Zijn dienaar Paulus: „Mijn kracht wordt in zwakheid volbracht”; en dat bracht hem tot het wonderbare besluit: „Zo zal ik dan veel liever roemen in mijn zwakheid, opdat de kracht van Christus in mij wone” (2 Kor. 12:9). Daarom moeten wij een ernstig vonnis van veroordeling over onze eigen wijsheid ondergaan, en vurig zoeken naar de wijsheid van de Heere.

Die stout zijn op hun macht,
heeft Hij versmaad, veracht,
gestoten van de tronen;

maar Hij verhoogt en hoedt
het nederig gemoed,
waarin zijn Geest wil wonen.

Lofzang van Maria: 5

Aan de lezer…

Misschien voelt u dat alles waarop u eens steunde, u onder de handen wegvalt. Uw wijsheid blijkt dwaasheid, uw gerechtigheid een bevlekt kleed, uw kracht als die van Simson toen zijn lokken waren afgesneden. Dat is een bittere en vernederende weg, en het vlees zou het liefst een nieuw stuk op het oude kleed zetten. Maar de Heere wil dat niet; Hij verscheurt om op de puinhopen iets nieuws te bouwen.

Wanhoop daarom niet als u leeg en onmachtig voor Hem staat. Op die puinhopen bouwt God de wijsheid, de gerechtigheid en de kracht van Christus. Zijn kracht wordt juist in zwakheid volbracht. Hoe armer u in uzelf wordt, hoe meer ruimte er is voor Hem. Zoek dan vurig naar de wijsheid van de Heere, en roem met de apostel liever in uw zwakheid, opdat de kracht van Christus in u wone.

Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl

Open als losse pagina

365 Dagen Met Philpot

26 augustus 365 dagen met Philpot

Roepende tot de Heere

Doch roepende tot de HEERE in de benauwdheid die zij hadden, verloste Hij hen uit hun angsten.
Psalm 107:13

U die God vreest, hoe zijn uw gebeden als u geen moeiten, geen lasten, geen opgaven en geen benauwdheden hebt? Zijn uw gebeden dan niet halfslachtig? Worstelt u dan met de Heere? Zucht uw ziel dan tot Hem? Ik weet uit ervaring dat we moeiten, beproevingen, verleidingen en slag op slag nodig hebben om onze ziel te laten roepen. Wat een zegen is het als er een roepen komt!

Sommige van onze moeiten en beproevingen overweldigen ons, en dan kunnen we niet roepen. Sommige snoeren ons de mond, bijna in wanhoop en vertwijfeling, en dan kunnen we niet roepen. We kunnen niet roepen. Sommige zetten ons aan tot opstandigheid en tot de gedachte dat de Heere ons hard behandelt, en dan kunnen we niet roepen. Sommige maken ons koppig en roekeloos, en dan kunnen we niet roepen. We kunnen zelf geen roepen voortbrengen.

We kunnen in de ergste moeiten verkeren en toch in koppige eigenzinnigheid zwijgen. Maar als de Heere in de moeiten een roepen schenkt, zal Hij zeker, wanneer het Hem goeddunkt, op Zijn eigen manier verlossing geven. Kijkt u eens naar de woorden: „Doch roepende tot de HEERE in de benauwdheid” (Ps. 107:6).

Niet ervóór, niet erna, maar erin. Toen ze er middenin zaten; toen de moeiten om hun hoofd gewonden waren, zoals het wier om het hoofd van Jona gewonden was; toen ze erdoor omringd waren en geen uitweg zagen; toen ze, als iemand in de mist, voor noch achter een mogelijkheid zagen om te ontkomen; toen niets dan een donkere wolk van verwarring hun ziel omgaf en ze niet wisten of die wolk ooit zou wegtrekken — toen riepen ze. Maar wat doet hen roepen? Het is de oprechte overtuiging in hun hart dat ze geen andere toevlucht hebben dan God.

De Heere brengt al Zijn kinderen op dit punt: dat ze geen andere toevlucht hebben dan Hemzelf. Vrienden, raadgevers en kennissen kunnen met hen meeleven, maar ze kunnen geen verlichting geven. Er is geen toevlucht, geen schuilplaats, geen haven en geen thuis waarheen ze kunnen vluchten, behalve de Heere. Daarom brengen moeiten ons ertoe om persoonlijk met God om te gaan. Ze verjagen die halfslachtige vroomheid die zo veel voorkomt, en ze verdrijven die verstandskennis en dorre belijdenis waarmee we ons zo vaak tevredenstellen.

Lezen: Psalm 107:1-16

Aan de lezer…

Hier staat een woord voor wie nu midden in de benauwdheid zit. Niet ervóór, niet erna, maar erin, met de wolk om uw hoofd en geen uitweg voor of achter u? Misschien bent u zelfs zo terneergeslagen dat u niet eens kunt roepen, en verwijt u uzelf uw zwijgen en uw hardheid. Weet dan dat het roepen zelf een gave van de Heere is. U kunt het niet voortbrengen, maar Hij kan het in uw hart leggen, juist daar waar alle andere toevlucht wegvalt.

Vrienden mogen met u meeleven, maar verlichting kunnen zij u niet geven. Zo drijft de Heere u uit al uw schuilhoeken, zodat u persoonlijk met Hem te maken krijgt, en niet langer met een halfslachtige vroomheid of een dorre belijdenis. Is er een zucht in u: „Heere, help mij”? Veracht die niet. Hij Die het roepen geeft, verlost ook uit de angsten, wanneer het Hem goeddunkt en op Zijn eigen wijze.

Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl

Open als losse pagina

Door Baca's Vallei

26 augustus Door Baca’s vallei

Die in Mij gelooft, zal leven, al ware hij ook gestorven.
Johannes 11:25

Hoe kan iemand die gestorven is, geloven? Hij kan het; anders zou de Heere het niet gezegd hebben. Ik zal u laten zien hoe dat kan. Hij is een levend mens, tot leven gewekt door de kracht van de Geest van God, en toch is hij dood. Dat is het diepe geheim: hoewel hij dood is naar de wet, dood in zijn geweten en dood in zijn onmacht, heeft God de Heilige Geest toch in hem geblazen en een zaad van levend geloof in hem gelegd. Door dit geloof roept hij, door dit geloof zucht hij, en door dit geloof hongert en dorst hij naar de gerechtigheid. Ja, meer nog: door dit geloof ziet hij op naar de Zoon van God en gelooft hij in Hem. Hij weet nauwelijks dat hij geloof heeft. Zijn geloof is in zijn eigen ogen zo zwak en zo klein dat hij niet durft te zeggen dat hij geloof heeft. En toch heeft hij alle vruchten, alle kenmerken en alle bewijzen van het geloof.

Neem als vergelijkbaar geval Jona in de buik van de vis. Had hij geloof of niet? Hoe diep zonk hij weg toen de golven zich boven zijn hoofd opstapelden en hij in de buik van de vis door de grenzeloze diepte werd meegevoerd. Toch kon hij zelfs daar zeggen: „Nochtans zal ik de tempel Uwer heiligheid weder aanschouwen.” Had hij dan geen geloof? Jazeker; en door dat geloof werd hij behouden, gerechtvaardigd, aangenomen, uitgeleid en verlost, en kon hij zeggen: „Het heil is des Heeren.”

Neem Hizkia op zijn ziekbed. Had hij geen geloof? Hoe kon hij dan zijn aangezicht naar de wand keren en tot de Heere bidden? Hoe konden zijn ogen dan verzwakken van het opwaarts zien, toen hij zei: „O Heere, het is mij bange, wees Gij mijn Borg”? Neem David op zijn treurige tocht ten tijde van de opstand van Absalom, toen hij de Olijfberg opging en al gaande weende, barrevoets en met bedekt hoofd. Had hij geen geloof? Hoe kwam hij er dan toe te bidden: „Verdwaas toch, o Heere, de raad van Achitofel”? En waarom verhoorde de Heere dat gebed, als het niet het gebed van het geloof was?

In al deze mannen Gods, hoewel zij bijna tot het laatste en laagste punt gezonken waren, was nog steeds het leven van het geloof, en door dat geloof riepen zij God aan. Zij zagen op Hem en werden verlicht, en hun aangezicht werd niet beschaamd.

Hier ligt dan het verband tussen de opstanding van de Heere Jezus Christus uit de doden en de bevinding van deze ogenschijnlijk dode ziel. Toen Christus stierf, droeg Hij de zonden van deze arme, dode ziel in Zijn lichaam op het hout; zo heeft Hij ze verzoend en weggedaan. Toen Christus uit de doden opstond, stond deze arme, dode ziel met Hem op, als een lid van Zijn verborgen lichaam. Toen Christus naar de hoogte opvoer, voer hij met Hem op. En toen Christus Zich zette aan de rechterhand van de Vader, werd hij in beginsel en op verborgen wijze met Hem gezet in de hemelse zaligheid. Daarom, omdat Jezus de Opstanding is en hij als zodanig een zaligmakend deel aan Hem heeft, geldt: „Die in Hem gelooft, zal leven, al ware hij ook gestorven.”

Aan de lezer…

Voelt u zich dood: dood onder de wet, dood in uw geweten, machteloos om ook maar iets goeds te doen, en durft u nauwelijks te zeggen dat u geloof hebt? Wees dan niet ontmoedigd. Roept u, zucht u, hongert en dorst u naar de gerechtigheid, ziet u op naar de Zoon van God? Dat zijn de vruchten en kenmerken van het geloof, ook al lijkt dat geloof in uw eigen ogen nog zo klein.

Denk aan Jona in de diepte, aan Hizkia op zijn ziekbed en aan David op de Olijfberg. Zij waren bijna tot het laagste punt gezonken, en toch was het leven van het geloof er nog; zij riepen God aan en werden niet beschaamd. Christus is voor zulke zielen gestorven en opgestaan, en Hij is de Opstanding. Die in Hem gelooft, zal leven, al ware hij ook gestorven.

Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl

Open als losse pagina