4 dagen geleden verschenen
Het gesprek van een gelovige met zijn ziel
Een uitleg van Psalm 42:12 als gesprek tussen David en zijn ziel: waarom de ziel terneergeslagen en onrustig is, waarom ze op God moet hopen en hoe die hoop uitloopt…
11 dagen geleden verschenen
Het woord van Gods genade
Een uitleg van Handelingen 20:32: Paulus beveelt de oudsten van Efeze aan God en aan het woord van Zijn genade. Alleen dat woord, door de Geest toegepast, bouwt de ziel…
2 weken geleden verschenen
Schatten in de duisternis
Uitleg van Jesaja 45:2,3 voor Gods kinderen: de Heere gaat voor hen uit, maakt kromme wegen recht, verbreekt koperen deuren en ijzeren grendels, geeft verborgen schatten en leert hen zo…
Verkrijgen en verliezen
Naar Prediker 3:6: een levende ziel verkrijgt geestelijke dingen, van kennis van God en van zichzelf tot geloof en vergeving, maar verliest ook haar eigen gerechtigheid en kracht. De preek…
Het schudden van wat gemaakt is en de vastheid van wat gegeven is
Over Hebreeën 12:27,28: wat gemaakt is, wordt geschud en weggenomen, wat God geeft blijft. Het Koninkrijk dat niet bewogen kan worden wordt door geloof ontvangen, door genade vastgehouden en draagt…
Korenaren Uit De Volle Oogst
Zo iemand onder u dunkt dat hij wijs is in deze wereld, die worde dwaas, opdat hij wijs moge worden.
1 Korinthe 3:18
De vrucht en het gevolg van het Goddelijk onderwijs is: al onze vleselijke wijsheid, kracht en gerechtigheid te verscheuren en uit te roeien. God wil nooit een nieuw stuk op een oud kleed zetten; Hij wil nooit dat onze wijsheid, onze kracht, onze gerechtigheid zich verenige met de Zijne. Dat alles moet verscheurd, geheel en al uitgeroeid worden, opdat een nieuwe wijsheid, een nieuwe kracht en een nieuwe gerechtigheid op haar puinhopen verrijzen. Maar niet vóórdat het de Heere behaagd heeft ons te leren, kunnen wij ooit scheiden van onze eigen gerechtigheid, nooit onze wijsheid opgeven, nooit onze eigen kracht laten varen. Die dingen zijn zo in ons geworteld, dat wij niet gaarne van het kleinste gedeelte ervan scheiden, voordat de Heere Zelf ze verscheurt en uitroeit.
Wanneer Hij dan in onze zielen enige geestelijke kennis brengt van onze treurige verdorvenheid en vreselijke goddeloosheid, valt al onze eigen gerechtigheid bij de Goddelijke aanraking weg. Wanneer Hij in duizenden gevallen ons onze onwetendheid en dwaasheid doet zien en gevoelen, en hoe onmachtig wij zijn om iets goed te begrijpen zonder Goddelijk onderricht, verdwijnt onze wijsheid geheel. En als Hij ons toont hoe onbekwaam wij zijn om de verzoeking te weerstaan en de zonde te overwinnen door inspanning van onszelf, verdwijnt onze kracht langzamerhand, en wij zijn Simson gelijk, toen zijn lokken waren afgesneden.
Op de puinhopen dus van onze eigen wijsheid, gerechtigheid en kracht bouwt God de wijsheid van Christus, de gerechtigheid van Christus en de kracht van Christus, zoals Jezus zeide tot Zijn dienaar Paulus: „Mijn kracht wordt in zwakheid volbracht”; en dit bracht hem tot het wonderbaar besluit: „Zo zal ik dan veel liever roemen in mijn zwakheid, opdat de kracht van Christus in mij wone” (2 Kor. 12:9). Daartoe moeten wij een ernstig vonnis van veroordeling over onze eigen wijsheid doorstaan, en vurig zoeken naar de wijsheid des Heeren.
Die stout zijn op hun macht,
heeft Hij versmaad, veracht,
gestoten van de tronen;
maar Hij verhoogt en hoedt
het nederig gemoed,
waarin zijn Geest wil wonen.
Lofzang van Maria: 5
Aan de lezer…
Misschien voelt u dat alles waarop u eens steunde u onder de handen wegvalt. Uw wijsheid blijkt dwaasheid, uw gerechtigheid een bevlekt kleed, uw kracht als die van Simson toen zijn lokken waren afgesneden. Dat is een bitter en vernederend leven, en het vlees zou het liefst een nieuw stuk op het oude kleed zetten. Maar de Heere wil dat niet; Hij verscheurt om op de puinhopen iets nieuws te bouwen.
Wanhoop daarom niet als u leeg en onmachtig voor Hem staat. Op die puinhopen bouwt God de wijsheid, de gerechtigheid en de kracht van Christus. Zijn kracht wordt juist in zwakheid volbracht. Hoe armer u in uzelf wordt, hoe meer ruimte er is voor Hem. Zoek dan vurig naar de wijsheid des Heeren, en roem met de apostel liever in uw zwakheid, opdat de kracht van Christus in u wone.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Zo iemand onder u dunkt dat hij wijs is in deze wereld, die worde dwaas, opdat hij wijs moge worden.
1 Korinthe 3:18
De vrucht en het gevolg van het Goddelijk onderwijs is: al onze vleselijke wijsheid, kracht en gerechtigheid verscheuren en uitroeien. God wil nooit een nieuw stuk op een oud kleed zetten; Hij wil nooit dat onze wijsheid, onze kracht en onze gerechtigheid zich verenigen met de Zijne. Dat alles moet verscheurd en helemaal uitgeroeid worden, zodat er een nieuwe wijsheid, een nieuwe kracht en een nieuwe gerechtigheid op de puinhopen ervan kan verrijzen. Maar zolang het de Heere niet behaagd heeft het ons te leren, kunnen wij nooit afstand doen van onze eigen gerechtigheid, nooit onze wijsheid opgeven en nooit onze eigen kracht laten varen. Die dingen zitten zo diep in ons geworteld, dat wij niet graag ook maar het kleinste deel ervan prijsgeven, totdat de Heere Zelf ze verscheurt en uitroeit.
Wanneer Hij dan in onze ziel enige geestelijke kennis brengt van onze treurige verdorvenheid en vreselijke goddeloosheid, valt al onze eigen gerechtigheid weg bij die Goddelijke aanraking. Wanneer Hij ons in duizenden gevallen onze onwetendheid en dwaasheid laat zien en voelen, en hoe onmachtig wij zijn om zonder Goddelijk onderwijs iets goed te begrijpen, dan verdwijnt onze wijsheid helemaal. En wanneer Hij ons laat zien hoe onbekwaam wij zijn om door eigen inspanning de verzoeking te weerstaan en de zonde te overwinnen, dan verdwijnt onze kracht langzamerhand, en zijn wij als Simson toen zijn lokken waren afgesneden.
Zo bouwt God op de puinhopen van onze eigen wijsheid, gerechtigheid en kracht de wijsheid van Christus, de gerechtigheid van Christus en de kracht van Christus. Zo zei Jezus ook tegen Zijn dienaar Paulus: „Mijn kracht wordt in zwakheid volbracht”; en dat bracht hem tot het wonderbare besluit: „Zo zal ik dan veel liever roemen in mijn zwakheid, opdat de kracht van Christus in mij wone” (2 Kor. 12:9). Daarom moeten wij een ernstig vonnis van veroordeling over onze eigen wijsheid ondergaan, en vurig zoeken naar de wijsheid van de Heere.
Die stout zijn op hun macht,
heeft Hij versmaad, veracht,
gestoten van de tronen;
maar Hij verhoogt en hoedt
het nederig gemoed,
waarin zijn Geest wil wonen.
Lofzang van Maria: 5
Aan de lezer…
Misschien voelt u dat alles waarop u eens steunde, u onder de handen wegvalt. Uw wijsheid blijkt dwaasheid, uw gerechtigheid een bevlekt kleed, uw kracht als die van Simson toen zijn lokken waren afgesneden. Dat is een bittere en vernederende weg, en het vlees zou het liefst een nieuw stuk op het oude kleed zetten. Maar de Heere wil dat niet; Hij verscheurt om op de puinhopen iets nieuws te bouwen.
Wanhoop daarom niet als u leeg en onmachtig voor Hem staat. Op die puinhopen bouwt God de wijsheid, de gerechtigheid en de kracht van Christus. Zijn kracht wordt juist in zwakheid volbracht. Hoe armer u in uzelf wordt, hoe meer ruimte er is voor Hem. Zoek dan vurig naar de wijsheid van de Heere, en roem met de apostel liever in uw zwakheid, opdat de kracht van Christus in u wone.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
If any man among you seemeth to be wise in this world, let him become a fool, that he may be wise.
1 Corinthians 3:18
The fruit and effect of divine teaching is, to cut in pieces, and root up all our fleshly wisdom, strength, and righteousness. God never means to patch a new piece upon an old garment; He never intends to let our wisdom, our strength, our righteousness have any union with His; it must all be torn to pieces, it must all be plucked up by the roots, that a new wisdom, a new strength, and a new righteousness may arise upon its ruins. But until the Lord is pleased to teach us, we never can part with our own righteousness, never give up our own wisdom, never abandon our own strength. These things are a part and parcel of ourselves, so ingrained within us, so innate in us, so growing with our growth, that we cannot willingly part with an atom of them until the Lord Himself breaks them up, and plucks them away.
Then, as He brings into our souls some spiritual knowledge of our own dreadful corruptions and horrible wickedness, our righteousness crumbles away at the divine touch; as He leads us to see and feel our ignorance and folly in a thousand instances, and how unable we are to understand anything aright but by divine teaching, our wisdom fades away; and as He shows us our inability to resist temptation and overcome sin, by any exertion of our own, our strength gradually departs, and we become like Samson, when his locks were cut off.
Upon the ruins, then, of our own wisdom, righteousness, and strength, does God build up Christ’s wisdom, Christ’s righteousness, and Christ’s strength—as Jesus said to His servant Paul, “My strength is made perfect in weakness;” and this brought him to that wonderful conclusion, “Most gladly therefore will I rather glory in my infirmities, that the power of Christ may rest upon me” (2 Cor. 12:9). But only so far as we are favored with this special teaching are we brought to pass a solemn sentence of condemnation upon our own wisdom, strength, and righteousness, and feelingly seek after the Lord’s.
To the reader…
Perhaps you feel that everything you once leaned on is slipping out of your hands. Your wisdom proves to be folly, your righteousness a stained garment, your strength like Samson’s when his locks were cut off. That is a bitter and humbling way, and the flesh would much rather patch a new piece onto the old garment. But the Lord will not have it so; He tears down in order to build something new upon the ruins.
So do not despair when you stand before Him empty and helpless. Upon those ruins God builds the wisdom, the righteousness and the strength of Christ. His strength is made perfect precisely in weakness. The poorer you become in yourself, the more room there is for Him. Seek earnestly, then, after the wisdom of the Lord, and with the apostle rather glory in your infirmities, that the power of Christ may rest upon you.
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
Si alguno entre vosotros parece ser sabio en este siglo, hágase simple, para ser sabio.
1 Corintios 3:18
El fruto y efecto de la enseñanza divina es hacer pedazos y desarraigar toda nuestra sabiduría, fuerza y justicia carnales. Dios nunca se propone echar un remiendo nuevo en un vestido viejo; nunca tiene la intención de dejar que nuestra sabiduría, nuestra fuerza, nuestra justicia tengan unión alguna con la Suya; todo ha de ser hecho pedazos, todo ha de ser arrancado de raíz, para que una nueva sabiduría, una nueva fuerza y una nueva justicia se levanten sobre sus ruinas. Pero hasta que al Señor le place enseñarnos, nunca podemos desprendernos de nuestra propia justicia, nunca renunciar a nuestra propia sabiduría, nunca abandonar nuestra propia fuerza. Estas cosas son parte integrante de nosotros mismos, tan arraigadas en nosotros, tan innatas, tan crecidas con nuestro crecimiento, que no podemos desprendernos voluntariamente de un átomo de ellas hasta que el Señor mismo las quebranta y las arranca.
Entonces, a medida que Él trae a nuestras almas algún conocimiento espiritual de nuestras terribles corrupciones y horrible maldad, nuestra justicia se desmorona al toque divino; a medida que nos lleva a ver y sentir nuestra ignorancia y necedad en mil ocasiones, y cuán incapaces somos de entender nada rectamente sino por enseñanza divina, nuestra sabiduría se desvanece; y a medida que nos muestra nuestra incapacidad de resistir la tentación y vencer el pecado por cualquier esfuerzo propio, nuestra fuerza se va gradualmente, y llegamos a ser como Sansón cuando le cortaron las guedejas.
Sobre las ruinas, pues, de nuestra propia sabiduría, justicia y fuerza, edifica Dios la sabiduría de Cristo, la justicia de Cristo y la fuerza de Cristo, como Jesús dijo a Su siervo Pablo: “Mi potencia en la flaqueza se perfecciona”; y esto lo llevó a aquella maravillosa conclusión: “Por tanto, de buena gana me gloriaré más bien en mis flaquezas, porque habite en mí la potencia de Cristo” (2 Co. 12:9). Pero solo en la medida en que somos favorecidos con esta enseñanza especial somos llevados a pronunciar una solemne sentencia de condenación sobre nuestra propia sabiduría, fuerza y justicia, y a buscar con sentimiento las del Señor.
Al lector…
Quizá siente usted que todo aquello en que antes se apoyaba se le escapa de las manos. Su sabiduría resulta ser necedad, su justicia un vestido manchado, su fuerza como la de Sansón cuando le cortaron las guedejas. Es un camino amargo y humillante, y la carne preferiría con mucho echar un remiendo nuevo en el vestido viejo. Pero el Señor no lo quiere así; derriba para edificar algo nuevo sobre las ruinas.
No desespere, pues, cuando esté delante de Él vacío e impotente. Sobre esas ruinas edifica Dios la sabiduría, la justicia y la fuerza de Cristo. Su potencia se perfecciona precisamente en la flaqueza. Cuanto más pobre se vuelve usted en sí mismo, tanto más lugar hay para Él. Busque, pues, con ahínco la sabiduría del Señor, y con el apóstol gloríese más bien en sus flaquezas, para que habite en usted la potencia de Cristo.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl
365 Dagen Met Philpot
Roepende tot de Heere
Doch roepende tot de HEERE in de benauwdheid die zij hadden, verloste Hij hen uit hun angsten.
Psalm 107:13
U die God vreest, wat zijn uw gebeden als u geen moeilijkheden, geen lasten, geen taken, geen benauwdheden heeft? Zijn uw gebeden dan niet halfslachtig? Worstelt u dan met de Heere? Zucht uw ziel in Zijn gemoed? Ik weet uit ervaring dat we moeilijkheden, beproevingen, verleidingen en slag op slag nodig hebben om onze ziel te doen uitroepen. Wat een zegen is het als er een uitroep komt!
Sommige van onze moeilijkheden en beproevingen overweldigen ons, en dan kunnen we niet uitroepen. Sommige snoeren ons de mond, welhaast in wanhoop en vertwijfeling, en dan kunnen we niet uitroepen. We kunnen niet uitroepen. Sommige zetten ons aan tot opstandigheid en tot denken dat de Heere ons hard behandelt, en dan kunnen we niet uitroepen. Sommige maken ons hardnekkig en onvoorzichtig, en dan kunnen we niet uitroepen. We kunnen zelf geen uitroep tevoorschijn brengen.
We kunnen in de ergste moeilijkheden verkeren en toch in hardnekkige eigenzinnigheid zwijgen. Maar als de Heere een uitroep in de moeilijkheden schenkt, zal Hij zeker, wanneer het Hem goeddunkt, op Zijn eigen manier verlossing bewerkstelligen. Bekijkt u de woorden eens: „Doch roepende tot de HEERE in de benauwdheid” (Ps. 107:6).
Niet vóór, niet na, maar erin. Toen ze zich er middenin bevonden; toen de moeilijkheden om hun hoofd gewikkeld zaten, zoals het wier om het hoofd van Jona gewikkeld zat; toen ze erdoor omringd waren en geen uitweg zagen; toen ze, als iemand in de mist, voor noch achter een manier zagen om te ontsnappen; toen niets dan een donkere wolk van verwarring hun zielen omgaf en ze niet wisten of die wolk ooit uiteengedreven zou worden — toen riepen ze uit. Maar wat doet hen uitroepen? Het is de oprechte overtuiging in hun hart dat ze geen andere toeverlaat hebben dan God.
De Heere brengt al Zijn kinderen tot dit punt: geen andere toevlucht te hebben dan Hemzelf. Vrienden, raadgevers, kennissen — ze kunnen deelneming voelen, maar ze kunnen geen verlichting verschaffen. Er is geen toeverlaat, noch schuilplaats, noch haven, noch thuis waarheen ze kunnen vluchten, behalve de Heere. Derhalve brengen moeilijkheden ons ertoe om met God op een persoonlijke wijze om te gaan. Ze verjagen die halfslachtige vroomheid die zoveel voorkomt, en ze verdrijven die verstandskennis en dorre belijdenis waarmee we ons zo vaak tevredenstellen.
Lezen: Psalm 107:1-16
Aan de lezer…
Hier staat een woord voor wie nu midden in de benauwdheid zit. Niet ervóór, niet erna, maar erin, met de wolk om uw hoofd en geen uitweg voor of achter u? Misschien bent u zelfs zo terneergeslagen dat u niet eens kunt roepen, en verwijt u uzelf uw stomheid en uw hardheid. Weet dan dat de uitroep zelf een gave des Heeren is. U kunt hem niet tevoorschijn brengen, maar Hij kan hem in uw hart leggen, juist daar waar alle andere toevlucht wegvalt.
Vrienden mogen met u meevoelen, maar verlichten kunnen zij u niet. Zo drijft de Heere u uit al uw schuilhoeken, opdat u persoonlijk met Hem zou te doen krijgen, en niet langer met een halfslachtige vroomheid of een dorre belijdenis. Is er een zucht in u: „Heere, help mij”? Veracht die niet. Hij, Die het roepen geeft, verlost ook uit de angsten, wanneer het Hem goeddunkt en op Zijn eigen wijze.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Doch roepende tot de HEERE in de benauwdheid die zij hadden, verloste Hij hen uit hun angsten.
Psalm 107:13
U die God vreest, hoe zijn uw gebeden als u geen moeiten, geen lasten, geen opgaven en geen benauwdheden hebt? Zijn uw gebeden dan niet halfslachtig? Worstelt u dan met de Heere? Zucht uw ziel dan tot Hem? Ik weet uit ervaring dat we moeiten, beproevingen, verleidingen en slag op slag nodig hebben om onze ziel te laten roepen. Wat een zegen is het als er een roepen komt!
Sommige van onze moeiten en beproevingen overweldigen ons, en dan kunnen we niet roepen. Sommige snoeren ons de mond, bijna in wanhoop en vertwijfeling, en dan kunnen we niet roepen. We kunnen niet roepen. Sommige zetten ons aan tot opstandigheid en tot de gedachte dat de Heere ons hard behandelt, en dan kunnen we niet roepen. Sommige maken ons koppig en roekeloos, en dan kunnen we niet roepen. We kunnen zelf geen roepen voortbrengen.
We kunnen in de ergste moeiten verkeren en toch in koppige eigenzinnigheid zwijgen. Maar als de Heere in de moeiten een roepen schenkt, zal Hij zeker, wanneer het Hem goeddunkt, op Zijn eigen manier verlossing geven. Kijkt u eens naar de woorden: „Doch roepende tot de HEERE in de benauwdheid” (Ps. 107:6).
Niet ervóór, niet erna, maar erin. Toen ze er middenin zaten; toen de moeiten om hun hoofd gewonden waren, zoals het wier om het hoofd van Jona gewonden was; toen ze erdoor omringd waren en geen uitweg zagen; toen ze, als iemand in de mist, voor noch achter een mogelijkheid zagen om te ontkomen; toen niets dan een donkere wolk van verwarring hun ziel omgaf en ze niet wisten of die wolk ooit zou wegtrekken — toen riepen ze. Maar wat doet hen roepen? Het is de oprechte overtuiging in hun hart dat ze geen andere toevlucht hebben dan God.
De Heere brengt al Zijn kinderen op dit punt: dat ze geen andere toevlucht hebben dan Hemzelf. Vrienden, raadgevers en kennissen kunnen met hen meeleven, maar ze kunnen geen verlichting geven. Er is geen toevlucht, geen schuilplaats, geen haven en geen thuis waarheen ze kunnen vluchten, behalve de Heere. Daarom brengen moeiten ons ertoe om persoonlijk met God om te gaan. Ze verjagen die halfslachtige vroomheid die zo veel voorkomt, en ze verdrijven die verstandskennis en dorre belijdenis waarmee we ons zo vaak tevredenstellen.
Lezen: Psalm 107:1-16
Aan de lezer…
Hier staat een woord voor wie nu midden in de benauwdheid zit. Niet ervóór, niet erna, maar erin, met de wolk om uw hoofd en geen uitweg voor of achter u? Misschien bent u zelfs zo terneergeslagen dat u niet eens kunt roepen, en verwijt u uzelf uw zwijgen en uw hardheid. Weet dan dat het roepen zelf een gave van de Heere is. U kunt het niet voortbrengen, maar Hij kan het in uw hart leggen, juist daar waar alle andere toevlucht wegvalt.
Vrienden mogen met u meeleven, maar verlichting kunnen zij u niet geven. Zo drijft de Heere u uit al uw schuilhoeken, zodat u persoonlijk met Hem te maken krijgt, en niet langer met een halfslachtige vroomheid of een dorre belijdenis. Is er een zucht in u: „Heere, help mij”? Veracht die niet. Hij Die het roepen geeft, verlost ook uit de angsten, wanneer het Hem goeddunkt en op Zijn eigen wijze.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Then they cried unto the LORD in their trouble, and He saved them out of their distresses.
Psalm 107:13
You who fear God, what are your prayers like when you have no troubles, no burdens, no tasks and no distresses? Are not your prayers then half-hearted? Do you then wrestle with the Lord? Does your soul then sigh to Him? I know by experience that we need troubles, trials, temptations and stroke upon stroke to make our soul cry. What a mercy it is when a cry comes!
Some of our troubles and trials overwhelm us, and then we cannot cry. Some stop our mouth, almost in despair and desperation, and then we cannot cry. We cannot cry. Some stir us up to rebellion and to the thought that the Lord deals hardly with us, and then we cannot cry. Some make us obstinate and reckless, and then we cannot cry. We cannot produce a cry ourselves.
We may be in the worst of troubles and yet keep silent in stubborn self-will. But if the Lord gives a cry in the trouble, He will surely, when it seems good to Him, give deliverance in His own way. Look at the words: “Then they cried unto the LORD in their trouble” (Ps. 107:6).
Not before it, not after it, but in it. When they were in the very midst of it; when the troubles were wrapped about their head, as the weeds were wrapped about the head of Jonah; when they were surrounded by them and saw no way out; when, like one in a fog, they saw no possibility of escape before or behind; when nothing but a dark cloud of perplexity enveloped their soul and they knew not whether that cloud would ever pass away—then they cried. But what makes them cry? It is the sincere conviction in their heart that they have no other refuge but God.
The Lord brings all His children to this point: that they have no other refuge but Himself. Friends, counsellors and acquaintances may sympathise with them, but they cannot give relief. There is no refuge, no hiding place, no haven and no home to which they can flee, except the Lord. Therefore troubles bring us to deal personally with God. They drive away that half-hearted piety which is so common, and they chase away that head knowledge and dry profession with which we so often content ourselves.
Reading: Psalm 107:1-16
To the reader…
Here is a word for those who are now in the very midst of trouble. Not before it, not after it, but in it, with the cloud about your head and no way out before or behind you? Perhaps you are even so cast down that you cannot cry at all, and you reproach yourself for your silence and your hardness. Then know that the cry itself is a gift of the Lord. You cannot produce it, but He can lay it in your heart, just where every other refuge falls away.
Friends may sympathise with you, but they cannot give you relief. So the Lord drives you out of all your hiding places, that you may have to do with Him personally, and no longer with a half-hearted piety or a dry profession. Is there a sigh within you, “Lord, help me”? Do not despise it. He Who gives the cry also delivers out of the distresses, when it seems good to Him and in His own way.
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
Luego que clamaron a Jehová en su angustia, librolos de sus aflicciones.
Salmo 107:13
Ustedes que temen a Dios, ¿cómo son sus oraciones cuando no tienen aflicciones, ni cargas, ni tareas, ni angustias? ¿No son entonces sus oraciones tibias? ¿Luchan entonces con el Señor? ¿Suspira entonces su alma a Él? Sé por experiencia que necesitamos aflicciones, pruebas, tentaciones y golpe tras golpe para hacer clamar a nuestra alma. ¡Qué misericordia es cuando viene un clamor!
Algunas de nuestras aflicciones y pruebas nos abruman, y entonces no podemos clamar. Algunas nos tapan la boca, casi en la desesperación y el desaliento, y entonces no podemos clamar. No podemos clamar. Algunas nos incitan a la rebelión y al pensamiento de que el Señor nos trata con dureza, y entonces no podemos clamar. Algunas nos hacen obstinados y temerarios, y entonces no podemos clamar. No podemos producir un clamor por nosotros mismos.
Podemos estar en la peor de las aflicciones y sin embargo callar en obstinada terquedad. Pero si el Señor da un clamor en la aflicción, ciertamente, cuando bien le parezca, dará liberación a Su manera. Mire las palabras: “Habiendo empero clamado a Jehová en su angustia” (Sal. 107:6).
No antes de ella, no después de ella, sino en ella. Cuando estaban en medio mismo de ella; cuando las aflicciones estaban enredadas alrededor de su cabeza, como las algas se enredaron alrededor de la cabeza de Jonás; cuando estaban rodeados por ellas y no veían salida; cuando, como uno en la niebla, no veían posibilidad de escapar ni por delante ni por detrás; cuando nada sino una oscura nube de perplejidad envolvía su alma y no sabían si esa nube pasaría alguna vez, entonces clamaron. Pero ¿qué los hace clamar? Es la sincera convicción en su corazón de que no tienen otro refugio que Dios.
El Señor lleva a todos Sus hijos a este punto: que no tienen otro refugio que Él mismo. Amigos, consejeros y conocidos pueden compadecerse de ellos, pero no pueden darles alivio. No hay refugio, ni escondedero, ni puerto, ni hogar al que puedan huir, excepto el Señor. Por eso las aflicciones nos llevan a tratar personalmente con Dios. Ahuyentan esa piedad tibia que es tan común, y echan fuera ese conocimiento de cabeza y esa profesión seca con que tan a menudo nos contentamos.
Lectura: Salmo 107:1-16
Al lector…
He aquí una palabra para los que están ahora en medio mismo de la aflicción. ¿No antes de ella, no después de ella, sino en ella, con la nube alrededor de su cabeza y sin salida por delante ni por detrás? Quizá esté usted tan abatido que no puede clamar en absoluto, y se reprocha su silencio y su dureza. Sepa entonces que el clamor mismo es un don del Señor. Usted no puede producirlo, pero Él puede ponerlo en su corazón, justamente allí donde todo otro refugio se viene abajo.
Los amigos pueden compadecerse de usted, pero no pueden darle alivio. Así el Señor le saca de todos sus escondites, para que tenga que tratar con Él personalmente, y ya no con una piedad tibia o una profesión seca. ¿Hay dentro de usted un suspiro: “Señor, ayúdame”? No lo desprecie. Aquel que da el clamor libra también de las aflicciones, cuando bien le parece y a Su manera.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl
Door Baca's Vallei
Die in Mij gelooft, zal leven, al ware hij ook gestorven.
Johannes 11:25
Hoe kan iemand die gestorven is, geloven? Hij kan het; anders zou de Heere het niet gezegd hebben. Ik zal u tonen hoe dit kan. Hij is een levend mens, in het leven gebracht door de kracht van de Geest Gods, en toch is hij dood. Dit is de diepe verborgenheid: hoewel hij dood is naar de wet, dood in zijn consciëntie, dood in zijn onmacht, heeft God de Heilige Geest toch in hem geblazen en een zaad van levend geloof in hem nedergelegd. Door dit geloof roept hij, door dit geloof zucht hij, en door dit geloof hongert en dorst hij naar de gerechtigheid; ja meer, door dit geloof ziet hij op tot de Zoon van God en gelooft in Hem. Hij weet nauwelijks dat hij geloof heeft. Zijn geloof is naar zijn eigen schatting zo zwak en zo klein, dat hij niet durft zeggen dat hij geloof heeft; en toch heeft hij al de vruchten des geloofs, al de kenmerken des geloofs en al de bewijzen des geloofs.
Neem als een gelijk geval Jona in de buik van de vis. Had hij geloof, of had hij geen geloof? Hoe diep zonk hij, toen de baren over zijn hoofd heengingen, toen hij in de buik van de vis door de grondeloze diepte gevoerd werd! Toch kon hij zelfs daar zeggen: „Nochtans zal ik de tempel Uwer heiligheid weder aanschouwen.” Had hij geen geloof? Ja, hij had het; en door dat geloof werd hij behouden, gerechtvaardigd, aangenomen, uitgeleid en verlost, en kon hij zeggen: „Het heil is des Heeren.”
Neem Hizkia op zijn ziekbed. Had hij geen geloof? Hoe kon hij dan zijn aangezicht naar de wand keren en tot de Heere bidden? Hoe konden zijn ogen dan verzwakken van opwaarts te zien, toen hij zeide: „O Heere, het is mij bange, wees Gij mijn Borg”? Neem David op zijn treurige tocht, toen hij ten tijde van Absaloms opstand de hoogte van de Olijfberg opging, en weende terwijl hij opging, barrevoets en met bedekt hoofd. Had hij geen geloof? Hoe kwam hij er dan toe te bidden: „Verdwaas toch, o Heere, de raad van Achitofel”? En waarom verhoorde de Heere dat gebed, indien het niet het gebed des geloofs was? In al deze mannen Gods, hoewel zij bijna tot het laatste en laagste punt gezonken waren, was nog het leven des geloofs; en door dat geloof riepen zij God aan. Zij zagen op Hem en werden verlicht, en hun aangezichten werden niet beschaamd.
Hier is dan het verband tussen de opstanding van de Heere Jezus Christus uit de doden en de bevinding van deze schijnbaar dode ziel. Toen Christus stierf, droeg Hij de zonden van deze arme dode ziel in Zijn lichaam op het hout, en heeft ze alzo verzoend en weggedaan. Toen Christus opstond uit de doden, stond deze arme dode ziel met Hem op, als een lid van Zijn verborgen lichaam. Toen Christus opvoer in de hoogte, voer hij met Hem op. En toen Christus Zich zette aan de rechterhand des Vaders, werd hij in beginsel en op verborgen wijze met Hem gezet in de hemelse zaligheid. Daarom, omdat Jezus de Opstanding is, en omdat hij als zodanig een zaligmakend deel aan Hem heeft, „zal hij, die in Hem gelooft, leven, al ware hij ook gestorven.”
Aan de lezer…
Voelt u zich dood: dood onder de wet, dood in uw geweten, machteloos om ook maar iets goeds te doen, en durft u nauwelijks te zeggen dat u geloof hebt? Wees dan niet ontmoedigd. Roept u, zucht u, hongert en dorst u naar de gerechtigheid, ziet u op naar de Zoon van God? Dat zijn de vruchten en kenmerken van het geloof, ook al lijkt dat geloof in uw eigen ogen nog zo klein.
Denk aan Jona in de diepte, aan Hizkia op zijn ziekbed en aan David op de Olijfberg. Zij waren bijna tot het laagste punt gezonken, en toch was het leven van het geloof er nog; zij riepen God aan en werden niet beschaamd. Christus is voor zulke zielen gestorven en opgestaan, en Hij is de Opstanding. Die in Hem gelooft, zal leven, al ware hij ook gestorven.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Die in Mij gelooft, zal leven, al ware hij ook gestorven.
Johannes 11:25
Hoe kan iemand die gestorven is, geloven? Hij kan het; anders zou de Heere het niet gezegd hebben. Ik zal u laten zien hoe dat kan. Hij is een levend mens, tot leven gewekt door de kracht van de Geest van God, en toch is hij dood. Dat is het diepe geheim: hoewel hij dood is naar de wet, dood in zijn geweten en dood in zijn onmacht, heeft God de Heilige Geest toch in hem geblazen en een zaad van levend geloof in hem gelegd. Door dit geloof roept hij, door dit geloof zucht hij, en door dit geloof hongert en dorst hij naar de gerechtigheid. Ja, meer nog: door dit geloof ziet hij op naar de Zoon van God en gelooft hij in Hem. Hij weet nauwelijks dat hij geloof heeft. Zijn geloof is in zijn eigen ogen zo zwak en zo klein dat hij niet durft te zeggen dat hij geloof heeft. En toch heeft hij alle vruchten, alle kenmerken en alle bewijzen van het geloof.
Neem als vergelijkbaar geval Jona in de buik van de vis. Had hij geloof of niet? Hoe diep zonk hij weg toen de golven zich boven zijn hoofd opstapelden en hij in de buik van de vis door de grenzeloze diepte werd meegevoerd. Toch kon hij zelfs daar zeggen: „Nochtans zal ik de tempel Uwer heiligheid weder aanschouwen.” Had hij dan geen geloof? Jazeker; en door dat geloof werd hij behouden, gerechtvaardigd, aangenomen, uitgeleid en verlost, en kon hij zeggen: „Het heil is des Heeren.”
Neem Hizkia op zijn ziekbed. Had hij geen geloof? Hoe kon hij dan zijn aangezicht naar de wand keren en tot de Heere bidden? Hoe konden zijn ogen dan verzwakken van het opwaarts zien, toen hij zei: „O Heere, het is mij bange, wees Gij mijn Borg”? Neem David op zijn treurige tocht ten tijde van de opstand van Absalom, toen hij de Olijfberg opging en al gaande weende, barrevoets en met bedekt hoofd. Had hij geen geloof? Hoe kwam hij er dan toe te bidden: „Verdwaas toch, o Heere, de raad van Achitofel”? En waarom verhoorde de Heere dat gebed, als het niet het gebed van het geloof was?
In al deze mannen Gods, hoewel zij bijna tot het laatste en laagste punt gezonken waren, was nog steeds het leven van het geloof, en door dat geloof riepen zij God aan. Zij zagen op Hem en werden verlicht, en hun aangezicht werd niet beschaamd.
Hier ligt dan het verband tussen de opstanding van de Heere Jezus Christus uit de doden en de bevinding van deze ogenschijnlijk dode ziel. Toen Christus stierf, droeg Hij de zonden van deze arme, dode ziel in Zijn lichaam op het hout; zo heeft Hij ze verzoend en weggedaan. Toen Christus uit de doden opstond, stond deze arme, dode ziel met Hem op, als een lid van Zijn verborgen lichaam. Toen Christus naar de hoogte opvoer, voer hij met Hem op. En toen Christus Zich zette aan de rechterhand van de Vader, werd hij in beginsel en op verborgen wijze met Hem gezet in de hemelse zaligheid. Daarom, omdat Jezus de Opstanding is en hij als zodanig een zaligmakend deel aan Hem heeft, geldt: „Die in Hem gelooft, zal leven, al ware hij ook gestorven.”
Aan de lezer…
Voelt u zich dood: dood onder de wet, dood in uw geweten, machteloos om ook maar iets goeds te doen, en durft u nauwelijks te zeggen dat u geloof hebt? Wees dan niet ontmoedigd. Roept u, zucht u, hongert en dorst u naar de gerechtigheid, ziet u op naar de Zoon van God? Dat zijn de vruchten en kenmerken van het geloof, ook al lijkt dat geloof in uw eigen ogen nog zo klein.
Denk aan Jona in de diepte, aan Hizkia op zijn ziekbed en aan David op de Olijfberg. Zij waren bijna tot het laagste punt gezonken, en toch was het leven van het geloof er nog; zij riepen God aan en werden niet beschaamd. Christus is voor zulke zielen gestorven en opgestaan, en Hij is de Opstanding. Die in Hem gelooft, zal leven, al ware hij ook gestorven.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
“He that believeth in me, though he were dead, yet shall he live.”
John 11:25
How can any one who is dead believe? He can, or our Lord would not have said so. I will show you how. He is a living man as quickened into life by the power of the Spirit of God, and yet he is dead. This is the deep mystery, that though he is dead in law, dead in conscience, dead in helplessness, yet God the Holy Spirit has breathed into him and deposited in him a seed of living faith. By this faith he cries, by this faith he sighs, and by this faith he hungers and thirsts after righteousness; yes, more, by this faith he looks unto and believes in the Son of God. He scarcely knows that he has faith. His faith is so weak and so small in his own estimation, that he dare not say he has faith; and yet he has all the fruits of faith, all the marks of faith, and all the evidences of faith.
Take as a parallel case Jonah in the whale’s belly. Had he faith or had he not faith? How low he sank when the waves were heaped over his head, when carried through the boundless deep in the belly of the whale. Yet even there he could say, “I will look again toward Your holy temple.” Had he no faith? Yes, he had; and by that faith he was saved, justified, accepted, brought out, and delivered, and able to say, “Salvation is of the Lord.”
Take Hezekiah upon his bed of sickness. Had he no faith? How then could he turn his face to the wall and pray unto the Lord? How could his eyes fail with looking upward, when he said, “O Lord, I am oppressed, undertake for me?” Take David in his mournful journey, when he went up by the ascent of Mount Olivet, and wept as he went up barefoot, with his head covered, at the time of Absalom’s rebellion. Had he no faith? How then came he to pray, “O Lord, I pray You, turn the counsel of Ahithophel into foolishness?” And why did the Lord answer that prayer, if it were not the prayer of faith? In all these men of God, sunk though they were almost to the last and lowest point, there was still the life of faith; and by that faith they called upon God. They looked unto Him and were lightened, and their faces were not ashamed.
Here, then, is the connection between the resurrection of the Lord Jesus Christ from the dead and the experience of this seemingly dead soul. When Christ died, He bore the sins of this poor dead soul in His body on the tree, and thus atoned for them and put them away. When Christ rose from the dead, this poor dead soul rose with Him, as a member of His mystical body. When Christ went up on high, he ascended with Him. And when Christ sat down at the right hand of the Father, he virtually and mystically sat down with Him in heavenly bliss. Therefore, because Jesus is the resurrection, and because as such he has a saving interest in Him, “he that believes in Him, though he were dead, yet shall he live.”
To the reader…
Do you discover daily more of the depth of your fall, of the wickedness of your heart, and of the power of sin, so that you sometimes fear you will yet fall out of the Lord’s hand? Then look to Him Who is the Head of His mystical body. Would He, Who possesses all power and is full of love, grace, and truth, allow one of His members to be cut off? Whoever has been given to Him by the Father can no more perish than Christ Himself.
Let every fresh discovery of your wretchedness, then, not drive you away from Him, but teach you all the more to look to Him and to depend upon Him. Your weakness is no proof that you stand outside of Him; it is the way by which He teaches you to live out of His fullness. He that believes in Him, though he were dead, yet shall he live.
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
El que cree en Mí, aunque esté muerto, vivirá.
Juan 11:25
¿Cómo puede creer alguien que está muerto? Puede, o nuestro Señor no lo habría dicho. Le mostraré cómo. Es un hombre vivo, en cuanto vivificado por el poder del Espíritu de Dios, y sin embargo está muerto. Este es el profundo misterio: que aunque está muerto en cuanto a la ley, muerto en la conciencia, muerto en su impotencia, Dios el Espíritu Santo ha soplado en él y ha depositado en él una semilla de fe viva. Por esta fe clama, por esta fe suspira, y por esta fe tiene hambre y sed de justicia; sí, más aún, por esta fe mira al Hijo de Dios y cree en Él. Apenas sabe que tiene fe. Su fe es tan débil y tan pequeña en su propia estima que no se atreve a decir que tiene fe; y sin embargo tiene todos los frutos de la fe, todas las señales de la fe y todas las evidencias de la fe.
Tome como caso paralelo a Jonás en el vientre del pez. ¿Tenía fe o no la tenía? ¡Cuán hondo se hundió cuando las olas se amontonaban sobre su cabeza, cuando era llevado por el abismo sin límites en el vientre del pez! Sin embargo, aun allí pudo decir: “Aún veré Tu santo templo.” ¿No tenía fe? Sí, la tenía; y por esa fe fue salvado, justificado, aceptado, sacado y librado, y capacitado para decir: “La salvación pertenece a Jehová.”
Tome a Ezequías en su lecho de enfermedad. ¿No tenía fe? ¿Cómo, entonces, pudo volver su rostro a la pared y orar a Jehová? ¿Cómo podían desfallecer sus ojos mirando a lo alto, cuando dijo: “Jehová, violencia padezco; confórtame”? Tome a David en su triste camino, cuando subió por la cuesta del monte de las Olivas, y subía llorando, descalzos los pies y cubierta la cabeza, en el tiempo de la rebelión de Absalón. ¿No tenía fe? ¿Cómo llegó entonces a orar: “Entontece ahora, oh Jehová, el consejo de Ahitofel”? ¿Y por qué respondió el Señor a esa oración, si no era la oración de fe? En todos estos hombres de Dios, aunque hundidos casi hasta el último y más bajo punto, había todavía la vida de la fe; y por esa fe invocaron a Dios. A Él miraron y fueron alumbrados, y sus rostros no se avergonzaron.
He aquí, pues, la relación entre la resurrección del Señor Jesucristo de entre los muertos y la experiencia de esta alma aparentemente muerta. Cuando Cristo murió, llevó los pecados de esta pobre alma muerta en Su cuerpo sobre el madero, y así hizo expiación por ellos y los quitó. Cuando Cristo resucitó de los muertos, esta pobre alma muerta resucitó con Él, como miembro de Su cuerpo místico. Cuando Cristo subió a lo alto, ella ascendió con Él. Y cuando Cristo se sentó a la diestra del Padre, ella se sentó virtual y místicamente con Él en la bienaventuranza celestial. Por tanto, porque Jesús es la resurrección, y porque como tal ella tiene una parte salvadora en Él, “el que cree en Él, aunque esté muerto, vivirá”.
Al lector…
¿Descubre usted cada día más de la profundidad de su caída, de la maldad de su corazón y del poder del pecado, de modo que a veces teme que todavía caerá de la mano del Señor? Entonces mire a Aquel que es la Cabeza de Su cuerpo místico. ¿Permitiría Él, que posee todo poder y está lleno de amor, gracia y verdad, que uno de Sus miembros fuera cortado? Quien le ha sido dado por el Padre no puede perecer más de lo que puede perecer Cristo mismo.
Que cada nuevo descubrimiento de su miseria, pues, no le aparte de Él, sino que le enseñe tanto más a mirar a Él y a depender de Él. Su debilidad no es prueba de que esté usted fuera de Él; es el camino por el cual Él le enseña a vivir de Su plenitud. El que cree en Él, aunque esté muerto, vivirá.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl