6 dagen geleden verschenen
Het gesprek van een gelovige met zijn ziel
Een uitleg van Psalm 42:12 als gesprek tussen David en zijn ziel: waarom de ziel terneergeslagen en onrustig is, waarom ze op God moet hopen en hoe die hoop uitloopt…
13 dagen geleden verschenen
Het woord van Gods genade
Een uitleg van Handelingen 20:32: Paulus beveelt de oudsten van Efeze aan God en aan het woord van Zijn genade. Alleen dat woord, door de Geest toegepast, bouwt de ziel…
2 weken geleden verschenen
Schatten in de duisternis
Uitleg van Jesaja 45:2,3 voor Gods kinderen: de Heere gaat voor hen uit, maakt kromme wegen recht, verbreekt koperen deuren en ijzeren grendels, geeft verborgen schatten en leert hen zo…
Verkrijgen en verliezen
Naar Prediker 3:6: een levende ziel verkrijgt geestelijke dingen, van kennis van God en van zichzelf tot geloof en vergeving, maar verliest ook haar eigen gerechtigheid en kracht. De preek…
Het schudden van wat gemaakt is en de vastheid van wat gegeven is
Over Hebreeën 12:27,28: wat gemaakt is, wordt geschud en weggenomen, wat God geeft blijft. Het Koninkrijk dat niet bewogen kan worden wordt door geloof ontvangen, door genade vastgehouden en draagt…
Korenaren Uit De Volle Oogst
En Ik zal dat derde deel in het vuur brengen, en Ik zal het louteren, gelijk men zilver loutert, en Ik zal het beproeven, gelijk men goud beproeft: het zal Mijn Naam aanroepen, en Ik zal het verhoren; Ik zal zeggen: Het is Mijn volk, en het zal zeggen: De Heere is mijn God.
Zacharia 13:9
Het is een genade in het vuur te zijn, en het is een genade erdoor gebracht te zijn. De belofte des Heeren aan het derde deel is, dat Hij het door het vuur zal brengen. Zij moeten dus, volgens Zijn eigen Woord, erin gebracht worden en toch er niet in blijven. Het is „door het vuur”, recht erdoor, van het begin tot aan ’t einde, of het een lang en zacht of een kort en hevig vuur zij. De Heere weet juist wat wij kunnen dragen, en het is niet altijd het heetste vuur dat het meest verzachtende uitwerksel heeft.
Sommige metalen zijn zo hard en het vuil zit er zo diep in, dat zij een heter vuur schijnen te behoeven dan andere. Maar nadat de Wet haar werk gedaan heeft en het schuim eraf genomen is, gebruikt de Heere doorgaans zulk een grote hitte niet. Het is meer een vuur van beproeving, verzoeking, ziekte, familierampen, gebrek, vervolging, diepe en dagelijkse ontdekkingen van het lichaam der zonde en des doods, het verborgen zijn van Gods aangezicht en de ontzegging Zijner tegenwoordigheid, welke die beproeving uitmaken die het geloof van een ieder beproeft, van welke aard het ook zij.
Bij deze beproeving en oefeningen is er een trapsgewijze spenen van de wereld, een nederigheid, een zachtheid, een gebroken geest voor de Heere, een grotere eenvoudigheid en oprechtheid, een vrijwillige gehoorzaamheid aan de voorschriften van het Evangelie en een groter verlangen om de wil van God te kennen en die te doen. O, mochten deze vruchten des Geestes overvloedig zijn in ons en in al de heiligen en dienaren Gods!
Perst eens de bitt’re tegenspoed
des avonds het benauwd gemoed
tot naar gejammer en geklag,
nauw rijst des morgens vroeg de dag,
of God verleent in plaats van lijden
weer stof tot juichen en verblijden.
Ps. 30:4
Aan de lezer…
Hoe goed is het te weten wat de Heere doet wanneer u in het vuur ligt! Misschien is het ziekte, gebrek, een ramp in uw gezin, of het verborgen zijn van Gods aangezicht dat u zo benauwt. Weet dan dat het een genade is in het vuur te zijn, en dat Hij beloofd heeft Zijn volk erdoor te brengen. Zij moeten erin, maar zij zullen er niet in blijven. De Heere weet juist wat u dragen kunt; Hij laat de hitte niet groter worden dan nodig is om het schuim weg te nemen.
En let op wat Hij in het vuur werkt: een spenen van de wereld, een gebroken geest, een groter verlangen om Zijn wil te kennen en die te doen. Roept u Zijn Naam aan uit de oven, Hij zal u verhoren. Hij zal zeggen: „Het is Mijn volk”, en u zult zeggen: „De Heere is mijn God.” Duurt het benauwen een avond lang, des morgens kan Hij weer stof tot juichen geven.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
En Ik zal dat derde deel in het vuur brengen, en Ik zal het louteren, gelijk men zilver loutert, en Ik zal het beproeven, gelijk men goud beproeft: het zal Mijn Naam aanroepen, en Ik zal het verhoren; Ik zal zeggen: Het is Mijn volk, en het zal zeggen: De Heere is mijn God.
Zacharia 13:9
Het is genade om in het vuur te zijn, en het is genade om erdoorheen gebracht te zijn. De belofte van de Heere aan het derde deel is dat Hij het door het vuur zal brengen. Zij moeten er dus, volgens Zijn eigen Woord, in gebracht worden, en toch zullen zij er niet in blijven. Het is „door het vuur”, er dwars doorheen, van het begin tot het einde, of het nu een lang en zacht of een kort en hevig vuur is. De Heere weet precies wat we kunnen dragen, en het is niet altijd het heetste vuur dat de meest verzachtende uitwerking heeft.
Sommige metalen zijn zo hard en het vuil zit er zo diep in, dat ze een heter vuur lijken nodig te hebben dan andere. Maar nadat de Wet haar werk gedaan heeft en het schuim eraf gehaald is, gebruikt de Heere gewoonlijk niet zo’n grote hitte. Het is dan meer een vuur van beproeving, verzoeking, ziekte, rampen in het gezin, gebrek, vervolging, diepe en dagelijkse ontdekkingen van het lichaam van de zonde en de dood, het verborgen zijn van Gods aangezicht en het onthouden van Zijn tegenwoordigheid. Dat vormt de beproeving die het geloof van ieder beproeft, van welke aard die ook is.
Onder deze beproeving en oefeningen vindt er een geleidelijk spenen van de wereld plaats. Er komt een nederigheid, een zachtheid, een gebroken geest voor de Heere, een grotere eenvoud en oprechtheid, een gewillige gehoorzaamheid aan de voorschriften van het Evangelie en een groter verlangen om de wil van God te kennen en te doen. O, mochten deze vruchten van de Geest overvloedig zijn in ons en in alle heiligen en dienaren van God!
Perst eens de bitt’re tegenspoed
des avonds het benauwd gemoed
tot naar gejammer en geklag,
nauw rijst des morgens vroeg de dag,
of God verleent in plaats van lijden
weer stof tot juichen en verblijden.
Ps. 30:4
Aan de lezer…
Hoe goed is het te weten wat de Heere doet wanneer u in het vuur ligt! Misschien is het ziekte, gebrek, een ramp in uw gezin of het verborgen zijn van Gods aangezicht dat u zo benauwt. Weet dan dat het genade is om in het vuur te zijn, en dat Hij beloofd heeft Zijn volk erdoorheen te brengen. Zij moeten erin, maar zij zullen er niet in blijven. De Heere weet precies wat u kunt dragen; Hij laat de hitte niet groter worden dan nodig is om het schuim weg te nemen.
En let op wat Hij in het vuur werkt: een spenen van de wereld, een gebroken geest, een groter verlangen om Zijn wil te kennen en te doen. Roept u Zijn Naam aan vanuit de oven, dan zal Hij u verhoren. Hij zal zeggen: „Het is Mijn volk”, en u zult zeggen: „De Heere is mijn God.” Duurt de benauwdheid een avond lang, in de morgen kan Hij u weer stof tot juichen geven.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
And I will bring the third part through the fire, and will refine them as silver is refined, and will try them as gold is tried: they shall call on My name, and I will hear them: I will say, It is My people: and they shall say, The LORD is my God.
Zechariah 13:9
It is a mercy to be in the furnace, and it is a mercy to be brought through it. The Lord’s promise to the third part is, that He will bring them through the fire. They must therefore, according to His own word, be put into it, and yet not left in it. It is “through the fire”—right through it from beginning to end, whether it be a long and slow one or short and fierce one. The Lord knows exactly what we can bear, and it is not always the hottest fire which produces the most softening effects.
Some metals indeed are so stubborn, and the dross is so deeply ingrained into them, that they seem to require a hotter fire than others. But after the law has done its work, and the dross and tin have been purged away, the Lord does not usually bring again so hot a furnace. It is rather one of trial, temptation, sickness, family affliction, straits in providence, persecution, deep and daily discoveries of the body of sin and death, the hidings of the Lord’s face, and denials of His presence which seem to make up that trial which tries every man’s faith of what sort it is.
By these trials and exercises there is a gradual weaning from the world, a humility, meekness, and brokenness of spirit before the Lord, a greater simplicity and godly sincerity, more willing obedience to the precepts of the gospel, and a greater desire to know the will of God and do it. O that these fruits of the Spirit might abound in us and all the saints and servants of God!
To the reader…
How good it is to know what the Lord is doing when you are in the fire! Perhaps it is sickness, want, a calamity in your family or the hiding of God’s face that distresses you so. Know, then, that it is a mercy to be in the fire, and that He has promised to bring His people through it. They must go into it, but they will not remain in it. The Lord knows exactly what you can bear; He does not let the heat grow greater than is needed to take away the dross.
And notice what He works in the fire: a weaning from the world, a broken spirit, a greater desire to know His will and to do it. If you call upon His Name from the furnace, He will hear you. He will say, “It is My people,” and you will say, “The LORD is my God.” If distress lasts for an evening, in the morning He can give you cause to rejoice once more.
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
Y meteré en el fuego la tercera parte, y los fundiré como se funde la plata, y los probaré como se prueba el oro. Él invocará Mi nombre, y Yo le oiré, y diré: Pueblo Mío: y él dirá: Jehová es mi Dios.
Zacarías 13:9
Es una misericordia estar en el horno, y es una misericordia ser sacado a través de él. La promesa del Señor a la tercera parte es que la hará pasar por el fuego. Por tanto, según Su propia Palabra, han de ser metidos en él, y sin embargo no dejados en él. Es “a través del fuego”: de parte a parte, de principio a fin, sea un fuego largo y lento, o breve y feroz. El Señor sabe exactamente lo que podemos soportar, y no siempre es el fuego más ardiente el que produce los efectos más ablandadores.
Algunos metales, en verdad, son tan tercos, y la escoria está tan profundamente incrustada en ellos, que parecen requerir un fuego más ardiente que otros. Pero una vez que la ley ha hecho su obra, y la escoria y el estaño han sido quitados, el Señor no suele volver a traer un horno tan ardiente. Es más bien un horno de prueba, tentación, enfermedad, aflicción familiar, estrecheces en la providencia, persecución, descubrimientos profundos y diarios del cuerpo de pecado y de muerte, ocultamientos del rostro del Señor y privaciones de Su presencia, lo que parece componer esa prueba que prueba la fe de cada uno, cuál sea.
Por estas pruebas y ejercicios hay un destete gradual del mundo, una humildad, mansedumbre y quebrantamiento de espíritu delante del Señor, una mayor sencillez y sinceridad piadosa, una obediencia más voluntaria a los preceptos del evangelio y un mayor deseo de conocer la voluntad de Dios y hacerla. ¡Oh, que estos frutos del Espíritu abunden en nosotros y en todos los santos y siervos de Dios!
Al lector…
¡Qué bueno es saber lo que el Señor está haciendo cuando usted está en el fuego! Quizá sea una enfermedad, la necesidad, una calamidad en su familia o el ocultamiento del rostro de Dios lo que tanto le aflige. Sepa, pues, que es una misericordia estar en el fuego, y que Él ha prometido hacer pasar a Su pueblo a través de él. Han de entrar en él, pero no permanecerán en él. El Señor sabe exactamente lo que usted puede soportar; no deja que el calor sea mayor de lo necesario para quitar la escoria.
Y observe lo que Él obra en el fuego: un destete del mundo, un espíritu quebrantado, un mayor deseo de conocer Su voluntad y hacerla. Si invoca Su Nombre desde el horno, Él le oirá. Él dirá: “Pueblo Mío”, y usted dirá: “Jehová es mi Dios”. Si por la tarde dura el lloro, a la mañana Él puede darle de nuevo motivo para alegrarse.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl
365 Dagen Met Philpot
Een ellendig en arm volk
Maar ik zal in het midden van u doen overblijven een ellendig en arm volk; die zullen op de Naam des Heeren betrouwen.
Zefanja 3:12
De Heere heeft verklaard dat Hij in het midden van Jeruzalem een geestelijk arm volk zal doen overblijven. Zijn zij dit van nature? O nee, ze zijn dat niet van nature. Ze zijn alleen door de Almachtige Zelf tot de diepste zielsarmoede gebracht. Van nature zijn zij rijk in eigen oog, zoals ook de gemeente van Laodicea zichzelf beschouwde. Het is het genadewerk in hun hart dat hen arm maakt; het is de ontdekkende hand van de Geest Gods in hun geweten die hen tot armoede en de ondergang brengt voor de genadetroon.
En we worden geestelijk rijk, niet door onze natuurlijke voorraad uit te breiden, maar door hem te verliezen. We worden vrij door naar de gevangenis te gaan. Onze schulden worden afbetaald door failliet te gaan. We worden de rijkdommen van Christus’ genade en medelijden deelachtig door neer te zinken in de diepten van de zielsbedelarij.
Gods volk is op twee manieren geestelijk arm. Ze zijn feitelijk arm en ze zijn arm van geest. Ze zijn feitelijk arm wat betreft goddelijke weldaden. Ze zijn arm aan geloof, zodat ze bij tijden niet in staat zijn ook maar het allerminste geloof te tonen. Ze zijn arm aan hoop, want vaak wordt hun tere scheepje door de golven van wanhoop geschud.
Ze zijn arm aan liefde, want ze voelen vaak geen sprankje genegenheid voor de Heere of Zijn volk. Ze zijn arm wat betreft hun geestelijke instelling, want ze kunnen hun gevoelens niet van de aarde omhoog naar de hemel brengen. Ze zijn arm aan vroomheid, want ze kunnen geen enkele zucht of uitroep naar God omhoog doen gaan. Ze zijn arm aan kracht, want ze kunnen geen weerstand bieden aan verleiding, en zijn niet in staat in hun ziel één enkele dierbare begeerte op te brengen, één enkel geestelijk gevoel.
Dus maakt feitelijke armoede hen geestelijk arm. En deze overtuiging van hun eigen armoede maakt hen arm van geest voor God. Ze kunnen niet tot Hem komen „rijk, en verrijkt geworden” (Openb. 3:17); hun uitroep is eerder: „Ik word mager, ik word mager, wee mij!” (Jes. 24:16).
Lezen: Zefanja 3:1-12
Aan de lezer…
Dat woord „arm” spreekt tot u, als u zich arm voelt aan geloof, arm aan hoop, arm aan liefde, zodat u geen enkele zucht naar boven kunt zenden en uw tere scheepje door de golven van wanhoop geschud wordt. Denk dan niet te haastig dat de Heere u verlaten heeft. Van nature waren wij allen rijk in eigen oog; het is de ontdekkende hand van Gods Geest in het geweten die een ziel zo arm maakt en haar neerlegt voor de genadetroon.
Juist zulk een ellendig en arm volk wil Hij in het midden doen overblijven, en van hen zegt Hij: „die zullen op de Naam des Heeren betrouwen.” U wordt niet rijk door uw eigen voorraad te vergroten, maar door die te verliezen. Kunt u niet anders roepen dan: „Ik word mager, wee mij!”, wees dan niet bevreesd. Zulke bedelaars zijn het die de rijkdommen van Christus’ genade en medelijden deelachtig worden.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Maar ik zal in het midden van u doen overblijven een ellendig en arm volk; die zullen op de Naam des Heeren betrouwen.
Zefanja 3:12
De Heere heeft gezegd dat Hij in het midden van Jeruzalem een geestelijk arm volk zal doen overblijven. Zijn zij dat van nature? O nee, van nature zijn ze dat niet. Alleen de Almachtige Zelf heeft hen tot de diepste zielsarmoede gebracht. Van nature zijn zij rijk in eigen oog, zoals ook de gemeente van Laodicea zichzelf zag. Het is het genadewerk in hun hart dat hen arm maakt; het is de ontdekkende hand van de Geest van God in hun geweten die hen in armoede en ondergang voor de genadetroon brengt.
En we worden geestelijk rijk, niet doordat onze natuurlijke voorraad groeit, maar doordat we hem verliezen. We worden vrij door naar de gevangenis te gaan. Onze schulden worden betaald doordat we failliet gaan. We krijgen deel aan de rijkdom van Christus’ genade en medelijden door weg te zinken in de diepten van de geestelijke bedelarij.
Gods volk is op twee manieren geestelijk arm. Ze zijn werkelijk arm, en ze zijn arm van geest. Ze zijn werkelijk arm aan goddelijke gaven. Ze zijn arm aan geloof, zodat ze soms niet in staat zijn ook maar het allerminste geloof te oefenen. Ze zijn arm aan hoop, want vaak wordt hun tere scheepje door de golven van wanhoop heen en weer geslingerd.
Ze zijn arm aan liefde, want vaak voelen ze geen sprankje genegenheid voor de Heere of Zijn volk. Ze zijn arm aan geestelijke gezindheid, want ze kunnen hun gevoelens niet van de aarde omhoog naar de hemel brengen. Ze zijn arm aan vroomheid, want ze kunnen geen enkele zucht of roep tot God laten opgaan. Ze zijn arm aan kracht, want ze kunnen de verleiding niet weerstaan, en ze zijn niet in staat in hun ziel één enkele dierbare begeerte op te wekken, één enkel geestelijk gevoel.
Zo maakt werkelijke armoede hen geestelijk arm. En de overtuiging van hun eigen armoede maakt hen arm van geest voor God. Ze kunnen niet tot Hem komen als „rijk, en verrijkt geworden” (Openb. 3:17); hun roep is eerder: „Ik word mager, ik word mager, wee mij!” (Jes. 24:16).
Lezen: Zefanja 3:1-12
Aan de lezer…
Dat woord „arm” spreekt tot u, als u zich arm voelt aan geloof, arm aan hoop, arm aan liefde, zodat u geen enkele zucht naar boven kunt zenden en uw tere scheepje door de golven van wanhoop heen en weer geslingerd wordt. Denk dan niet te snel dat de Heere u verlaten heeft. Van nature waren wij allen rijk in eigen oog; het is de ontdekkende hand van Gods Geest in het geweten die een ziel zo arm maakt en haar neerlegt voor de genadetroon.
Juist zo’n ellendig en arm volk wil Hij in het midden doen overblijven, en van hen zegt Hij: „die zullen op de Naam des Heeren betrouwen.” U wordt niet rijk door uw eigen voorraad te vergroten, maar door die te verliezen. Kunt u niet anders roepen dan: „Ik word mager, wee mij!”, wees dan niet bang. Juist zulke bedelaars krijgen deel aan de rijkdom van Christus’ genade en medelijden.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
I will also leave in the midst of thee an afflicted and poor people, and they shall trust in the Name of the LORD.
Zephaniah 3:12
The Lord has said that He will leave in the midst of Jerusalem a spiritually poor people. Are they so by nature? O no, by nature they are not. The Almighty Himself alone has brought them into the deepest soul-poverty. By nature they are rich in their own eyes, as the church of Laodicea also saw itself. It is the work of grace in their heart that makes them poor; it is the discovering hand of the Spirit of God in their conscience that brings them in poverty and ruin before the throne of grace.
And we become spiritually rich, not by our natural stock increasing, but by our losing it. We become free by going to prison. Our debts are paid by our becoming bankrupt. We come into the riches of Christ’s grace and compassion by sinking into the depths of spiritual beggary.
God’s people are spiritually poor in two ways. They are really poor, and they are poor in spirit. They are really poor in divine gifts. They are poor in faith, so that at times they are unable to exercise even the smallest measure of faith. They are poor in hope, for often their frail bark is tossed to and fro by the waves of despair.
They are poor in love, for often they feel not a spark of affection for the Lord or His people. They are poor in spiritual-mindedness, for they cannot raise their affections from earth to heaven. They are poor in religion, for they cannot send up a single sigh or cry to God. They are poor in strength, for they cannot resist temptation, and they are unable to raise up in their souls one single precious desire, one single spiritual feeling.
So real poverty makes them spiritually poor. And the conviction of their own poverty makes them poor in spirit before God. They cannot come to Him as “rich, and increased with goods” (Revelation 3:17); their cry is rather, “My leanness, my leanness, woe unto me!” (Isaiah 24:16).
Reading: Zephaniah 3:1-12
To the reader…
That word “poor” speaks to you if you feel poor in faith, poor in hope, poor in love, so that you cannot send up a single sigh, and your frail bark is tossed to and fro by the waves of despair. Do not think too quickly, then, that the Lord has forsaken you. By nature we were all rich in our own eyes; it is the discovering hand of God’s Spirit in the conscience that makes a soul so poor and lays it down before the throne of grace.
It is just such an afflicted and poor people that He will leave in the midst, and of them He says, “they shall trust in the Name of the LORD.” You do not become rich by enlarging your own stock, but by losing it. If you can cry nothing but, “My leanness, woe unto me!”, do not be afraid. It is just such beggars who come into the riches of Christ’s grace and compassion.
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
Y dejaré en medio de ti un pueblo humilde y pobre, los cuales esperarán en el Nombre de Jehová.
Sofonías 3:12
El Señor ha dicho que dejará en medio de Jerusalén un pueblo espiritualmente pobre. ¿Lo son por naturaleza? ¡Oh no, por naturaleza no lo son! Solo el Todopoderoso mismo los ha llevado a la más profunda pobreza del alma. Por naturaleza son ricos a sus propios ojos, como también se veía a sí misma la iglesia de Laodicea. Es la obra de la gracia en su corazón la que los hace pobres; es la mano descubridora del Espíritu de Dios en su conciencia la que los trae en pobreza y ruina ante el trono de la gracia.
Y llegamos a ser espiritualmente ricos, no porque aumente nuestro caudal natural, sino porque lo perdemos. Llegamos a ser libres yendo a la cárcel. Nuestras deudas son pagadas al caer nosotros en bancarrota. Entramos en las riquezas de la gracia y compasión de Cristo hundiéndonos en las profundidades de la mendicidad espiritual.
El pueblo de Dios es espiritualmente pobre de dos maneras. Son realmente pobres, y son pobres en espíritu. Son realmente pobres en dones divinos. Son pobres en fe, de modo que a veces no pueden ejercer ni la más pequeña medida de fe. Son pobres en esperanza, porque a menudo su frágil barca es sacudida de un lado a otro por las olas de la desesperación.
Son pobres en amor, porque a menudo no sienten ni una chispa de afecto por el Señor ni por Su pueblo. Son pobres en espiritualidad de mente, porque no pueden elevar sus afectos de la tierra al cielo. Son pobres en religión, porque no pueden enviar a Dios ni un solo suspiro o clamor. Son pobres en fuerza, porque no pueden resistir la tentación, y son incapaces de suscitar en su alma un solo deseo precioso, un solo sentimiento espiritual.
Así la pobreza real los hace espiritualmente pobres. Y la convicción de su propia pobreza los hace pobres en espíritu ante Dios. No pueden venir a Él como “rico, y enriquecido” (Apocalipsis 3:17); su clamor es más bien: “¡Mi flaqueza, mi flaqueza, ay de mí!” (Isaías 24:16).
Lectura: Sofonías 3:1-12
Al lector…
Esa palabra “pobre” le habla a usted si se siente pobre en fe, pobre en esperanza, pobre en amor, de modo que no puede enviar ni un solo suspiro, y su frágil barca es sacudida de un lado a otro por las olas de la desesperación. No piense demasiado pronto, pues, que el Señor lo ha abandonado. Por naturaleza todos éramos ricos a nuestros propios ojos; es la mano descubridora del Espíritu de Dios en la conciencia la que hace tan pobre a un alma y la pone ante el trono de la gracia.
Es precisamente un pueblo así, humilde y pobre, el que Él dejará en medio, y de ellos dice: “esperarán en el Nombre de Jehová”. Usted no llega a ser rico aumentando su propio caudal, sino perdiéndolo. Si no puede clamar sino: “¡Mi flaqueza, ay de mí!”, no tema. Son precisamente tales mendigos los que entran en las riquezas de la gracia y compasión de Cristo.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl
Door Baca's Vallei
Alleenlijk wandelt waardiglijk het Evangelie van Christus. (Engelse vertaling: Alleenlijk laat uw samenspreking zijn zoals het het Evangelie van Christus betaamt)
Filippenzen 1:27
Wat is samenspreking? Het woord betekent „uw gehele wandel” voor God en mensen. Het is in de grondtekst een veelomvattend woord en beduidt letterlijk: „Gedraagt u als burgers.” Het sluit derhalve in onze gehele gemeenschap en dagelijkse omgang met God en de mensen. Het beschouwt ons dus als burgers van geen onaanzienlijke stad, als burgers, laat ik het eens zeggen, van een hemelse stad, het nieuwe Jeruzalem. En het vraagt ons te wandelen en te spreken, te leven en te handelen gelijk burgers van een hemels land betaamt.
Dit dan is de betekenis van het woord samenspreking in onze tekst, en daarin worden wij geroepen om met God te wandelen, waardiglijk het Evangelie. Hij heeft ons met Zichzelf verzoend door het bloed van Zijn beminde Zoon, en wanneer wij de vergiffenis of verzoening — wat het woord eigenlijk betekent — ontvangen, kunnen wij met God wandelen in vrede, gerechtigheid en vriendschap, want de zonde, die de breuk slaat, is weggenomen. Zo wandelde Levi van ouds, als bedienende het altaar, nabij God. „Mijn verbond met hem was het leven en de vrede; en Ik gaf hem die tot een vreze; en hij vreesde Mij en hij werd om Mijns Naams wil verschrikt. De wet der waarheid was in zijn mond en daar werd geen onrecht in zijn lippen gevonden; hij wandelde met Mij in vrede en in rechtmatigheid, en hij bekeerde er velen van ongerechtigheid” (Maleachi 2:5, 6). Dit is een wandelen in het licht, gelijk Hij in het licht is, en in zover wij dit betrachten kunnen, is onze gemeenschap met de Vader (1 Joh. 1:3-7).
En onze samenspreking met God en onze wandel met God moeten zijn overeenkomstig het Evangelie van Christus. Indien wij in vrijheid, in een zoete vrijheid met God wandelen met een heilige toegang, wij ons hart voor Hem mogen uitstorten, Zijn tegenwoordigheid mogen genieten en enige ontdekking hebben van Zijn goedheid en barmhartigheid, dan is onze wandel met God waardiglijk het Evangelie. Het Evangelie is een boodschap van barmhartigheid. Wanneer wij dan deze barmhartigheid omhelzen en de kracht ervan gewaarworden, wanneer deze genade ons hart bereikt, smelt het innerlijke onzer ziel, de twijfelingen en vrezen worden opgelost, de wettische dienstbaarheid wordt weggenomen en wij wandelen waardiglijk het Evangelie; wandelen voor God in het licht Zijns aangezichts door de kracht van het Evangelie.
God zendt ons het Evangelie niet om ons te verdoemen, want er is geen verdoemenis voor degenen die in Christus Jezus zijn, die niet naar het vlees wandelen, maar naar de Geest. En zij wandelen naar de Geest wanneer zij met die Geest toegang vinden mogen door Christus tot de Vader.
Aan de lezer…
Bent u, waarde lezer, bevreesd dat uw wandel het Evangelie niet waardig is? Ziet u op uw struikelen en uw koude omgang met God, en meent u dat zulk een als u geen burger van het hemelse Jeruzalem kan zijn? Bedenk dan dat het Evangelie een boodschap van barmhartigheid is. God zendt het u niet om u te verdoemen, want er is geen verdoemenis voor hen die in Christus Jezus zijn.
Hij heeft Zijn volk met Zichzelf verzoend door het bloed van Zijn beminde Zoon, en waar de zonde, die de breuk slaat, is weggenomen, daar mag een arme ziel weer in vrede met Hem wandelen. Waar die genade het hart bereikt, smelten de twijfelingen en vrezen weg en wijkt de wettische dienstbaarheid. Zoek dan geen waardige wandel in uzelf, maar stort uw hart voor Hem uit en vraag om toegang door Christus tot de Vader. Dat is wandelen in het licht van Zijn aangezicht.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Alleenlijk wandelt waardiglijk het Evangelie van Christus. (Engelse vertaling: Alleenlijk laat uw samenspreking zijn zoals het het Evangelie van Christus betaamt)
Filippenzen 1:27
Wat is samenspreking? Het woord betekent „uw hele wandel” voor God en mensen. In de grondtekst is het een veelomvattend woord, dat letterlijk betekent: „Gedraagt u als burgers.” Het omvat daarom onze hele gemeenschap en dagelijkse omgang met God en de mensen. Het beschouwt ons dus als burgers van geen onaanzienlijke stad; als burgers, laat ik het zo zeggen, van een hemelse stad, het nieuwe Jeruzalem. En het vraagt ons te wandelen en te spreken, te leven en te handelen zoals het burgers van een hemels land betaamt.
Dat is dus de betekenis van het woord samenspreking in onze tekst, en daarin worden wij geroepen om met God te wandelen, het Evangelie waardig. Hij heeft ons met Zichzelf verzoend door het bloed van Zijn geliefde Zoon. Wanneer wij de vergeving of verzoening ontvangen — want dat betekent het woord eigenlijk — kunnen wij met God wandelen in vrede, gerechtigheid en vriendschap, want de zonde, die de breuk veroorzaakt, is weggenomen. Zo wandelde Levi vroeger dicht bij God, als dienaar bij het altaar. „Mijn verbond met hem was het leven en de vrede; en Ik gaf hem die tot een vreze; en hij vreesde Mij en hij werd om Mijns Naams wil verschrikt. De wet der waarheid was in zijn mond en daar werd geen onrecht in zijn lippen gevonden; hij wandelde met Mij in vrede en in rechtmatigheid, en hij bekeerde er velen van ongerechtigheid” (Maleachi 2:5, 6). Dat is een wandelen in het licht, zoals Hij in het licht is, en voor zover wij dat kunnen beoefenen, is onze gemeenschap met de Vader (1 Joh. 1:3-7).
En onze samenspreking met God en onze wandel met God moeten in overeenstemming zijn met het Evangelie van Christus. Als wij in vrijheid, in een zoete vrijheid, met God wandelen met een heilige toegang, als wij ons hart voor Hem mogen uitstorten, Zijn tegenwoordigheid mogen genieten en iets mogen zien van Zijn goedheid en barmhartigheid, dan is onze wandel met God het Evangelie waardig. Het Evangelie is een boodschap van barmhartigheid. Wanneer wij die barmhartigheid dan omhelzen en de kracht ervan ervaren, wanneer deze genade ons hart bereikt, dan smelt het binnenste van onze ziel. De twijfels en vrezen lossen op, de wettische dienstbaarheid wordt weggenomen, en wij wandelen het Evangelie waardig: wij wandelen voor God in het licht van Zijn aangezicht door de kracht van het Evangelie.
God zendt ons het Evangelie niet om ons te verdoemen, want er is geen verdoemenis voor degenen die in Christus Jezus zijn, die niet naar het vlees wandelen, maar naar de Geest. En zij wandelen naar de Geest wanneer zij door die Geest door Christus toegang mogen vinden tot de Vader.
Aan de lezer…
Bent u, lezer, bang dat uw wandel het Evangelie niet waardig is? Ziet u op uw struikelen en uw koude omgang met God, en denkt u dat iemand zoals u geen burger van het hemelse Jeruzalem kan zijn? Bedenk dan dat het Evangelie een boodschap van barmhartigheid is. God zendt het u niet om u te verdoemen, want er is geen verdoemenis voor hen die in Christus Jezus zijn.
Hij heeft Zijn volk met Zichzelf verzoend door het bloed van Zijn geliefde Zoon, en waar de zonde, die de breuk veroorzaakt, is weggenomen, daar mag een arme ziel weer in vrede met Hem wandelen. Waar die genade het hart bereikt, smelten de twijfels en vrezen weg en wijkt de wettische dienstbaarheid. Zoek dan geen waardige wandel in uzelf, maar stort uw hart voor Hem uit en vraag om toegang door Christus tot de Vader. Dat is wandelen in het licht van Zijn aangezicht.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
“Only let your conversation be as it becometh the gospel of Christ.”
Philippians 1:27
What is this conversation? The word means the whole of your life before God and before man. It is a very comprehensive term in the original, meaning, literally, “Conduct yourselves as citizens.” It therefore includes the whole of our spiritual fellowship and daily communion with God and man. It thus views us as citizens of no base city; as citizens, I may indeed say, of a heavenly city, the new Jerusalem; and it bids us walk and speak, live and act, as becomes citizens of a heavenly country.
This, then, is the meaning of the word “conversation” in our text, and by it we are called to walk with God as becomes the gospel. He has reconciled us to Himself by the blood of His dear Son; and when we receive the atonement, or reconciliation, as the word means, then we can walk with God in peace, equity, and amity, for sin, which made the breach, is removed out of the way. So Levi, as ministering at the altar, and those near to God, walked of old. “My covenant was with him of life and peace; and I gave them to him for the fear with which he feared Me, and was afraid before My Name. The law of truth was in his mouth, and iniquity was not found in his lips—he walked with Me in peace and equity, and turned many away from iniquity” (Malachi 2:5, 6). This is walking in the light as He is in the light, and so far as we can do this, our fellowship is with the Father (1 John 1:3-7).
And our conversation with God, our walk with God, must be as becomes the gospel of Christ. If we walk at freedom with God, in sweet liberty, with holy access, pouring out our heart before Him, enjoying His presence, and having some discoveries of His goodness and mercy, then our conversation with God becomes the gospel. The gospel is a message of mercy. When, then, we embrace that mercy, and feel the power of it; when that mercy reaches our heart, melts our inmost soul, dissolves our doubts and fears, and removes legality and bondage, then we walk worthy of the gospel, as walking before God in the light of His countenance through the power of the gospel.
God does not send the gospel to condemn us, for “there is no condemnation to those who are in Christ Jesus, who walk not after the flesh, but after the Spirit;” and they walk after the Spirit when they have access by Him through Christ unto the Father.
To the reader…
Are you afraid, reader, that your walk is not worthy of the gospel? Do you look at your stumbling and your cold communion with God, and think that someone like you cannot be a citizen of the heavenly Jerusalem? Remember, then, that the gospel is a message of mercy. God does not send it to you to condemn you, for there is no condemnation to those who are in Christ Jesus.
He has reconciled His people to Himself by the blood of His dear Son, and where sin, which made the breach, has been removed, there a poor soul may walk with Him in peace again. Where that grace reaches the heart, doubts and fears melt away and legal bondage gives way. Do not look, then, for a worthy walk in yourself, but pour out your heart before Him and ask for access through Christ to the Father. That is walking in the light of His countenance.
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
“Solamente que converséis como es digno del evangelio de Cristo.”
Filipenses 1:27
¿Qué es esta conversación? La palabra significa toda su vida delante de Dios y delante de los hombres. Es un término muy amplio en el original, que literalmente significa: “Conducíos como ciudadanos.” Incluye, por tanto, toda nuestra comunión espiritual y nuestro trato diario con Dios y con los hombres. Así nos considera como ciudadanos de una ciudad no vil; como ciudadanos, puedo decir en verdad, de una ciudad celestial, la nueva Jerusalén; y nos manda andar y hablar, vivir y obrar, como conviene a ciudadanos de una patria celestial.
Este es, pues, el sentido de la palabra “conversar” en nuestro texto, y por ella somos llamados a andar con Dios como es digno del evangelio. Él nos ha reconciliado Consigo por la sangre de Su amado Hijo; y cuando recibimos la expiación, o reconciliación, como significa la palabra, entonces podemos andar con Dios en paz, en justicia y en amistad, porque el pecado, que causó la ruptura, ha sido quitado de en medio. Así anduvieron antiguamente Leví, como ministro del altar, y los que estaban cerca de Dios. “Mi pacto fué con él de vida y de paz, las cuales cosas yo le dí por el temor; porque me temió, y delante de mi nombre estuvo humillado. La ley de verdad estuvo en su boca, é iniquidad no fué hallada en sus labios: en paz y en justicia anduvo conmigo, y á muchos hizo apartar de la iniquidad” (Malaquías 2:5, 6). Esto es andar en luz, como Él está en luz, y en la medida en que podemos hacerlo, nuestra comunión es con el Padre (1 Juan 1:3-7).
Y nuestra conversación con Dios, nuestro andar con Dios, ha de ser como es digno del evangelio de Cristo. Si andamos en libertad con Dios, en dulce libertad, con santo acceso, derramando nuestro corazón delante de Él, gozando de Su presencia y teniendo algunos descubrimientos de Su bondad y misericordia, entonces nuestra conversación con Dios es digna del evangelio. El evangelio es un mensaje de misericordia. Cuando, pues, abrazamos esa misericordia y sentimos su poder; cuando esa misericordia alcanza nuestro corazón, derrite lo más íntimo de nuestra alma, disuelve nuestras dudas y temores, y quita el legalismo y la servidumbre, entonces andamos como es digno del evangelio, andando delante de Dios en la luz de Su rostro por el poder del evangelio.
Dios no envía el evangelio para condenarnos, porque “ninguna condenación hay para los que están en Cristo Jesús, los que no andan conforme á la carne, mas conforme al espíritu”; y andan conforme al Espíritu cuando tienen entrada por Él, por medio de Cristo, al Padre.
Al lector…
¿Teme usted, lector, que su andar no sea digno del evangelio? ¿Mira sus tropiezos y su fría comunión con Dios, y piensa que alguien como usted no puede ser ciudadano de la Jerusalén celestial? Recuerde, entonces, que el evangelio es un mensaje de misericordia. Dios no se lo envía para condenarle, porque ninguna condenación hay para los que están en Cristo Jesús.
Él ha reconciliado a Su pueblo Consigo por la sangre de Su amado Hijo, y donde el pecado, que causó la ruptura, ha sido quitado, allí una pobre alma puede volver a andar con Él en paz. Donde esa gracia alcanza el corazón, las dudas y los temores se derriten y la servidumbre legal cede. No busque, pues, un andar digno en usted mismo, sino derrame su corazón delante de Él y pida entrada por medio de Cristo al Padre. Eso es andar en la luz de Su rostro.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl