vandaag verschenen
Een medelijdende Hogepriester en een troon der genade
Over Hebreeën 4:15,16: Christus, onze grote Hogepriester, kan medelijden hebben met onze zwakheden en is in alles verzocht, maar zonder zonde. Juist wie zijn zwakheden en verzoekingen voelt, wordt aangespoord…
7 dagen geleden verschenen
Het gesprek van een gelovige met zijn ziel
Een uitleg van Psalm 42:12 als gesprek tussen David en zijn ziel: waarom de ziel terneergeslagen en onrustig is, waarom ze op God moet hopen en hoe die hoop uitloopt…
2 weken geleden verschenen
Het woord van Gods genade
Een uitleg van Handelingen 20:32: Paulus beveelt de oudsten van Efeze aan God en aan het woord van Zijn genade. Alleen dat woord, door de Geest toegepast, bouwt de ziel…
3 weken geleden verschenen
Schatten in de duisternis
Uitleg van Jesaja 45:2,3 voor Gods kinderen: de Heere gaat voor hen uit, maakt kromme wegen recht, verbreekt koperen deuren en ijzeren grendels, geeft verborgen schatten en leert hen zo…
Verkrijgen en verliezen
Naar Prediker 3:6: een levende ziel verkrijgt geestelijke dingen, van kennis van God en van zichzelf tot geloof en vergeving, maar verliest ook haar eigen gerechtigheid en kracht. De preek…
Korenaren Uit De Volle Oogst
De Geest onderzoekt alle dingen, ook de diepten Gods.
1 Korinthe 2:10
De Geest van God, Die in een mens woont en diens lichaam tot een tempel maakt, onderzoekt de diepten Gods; want in die diepten is een hemelse schat, naar welke gezocht moet worden tot hij gevonden is. Welke diepten zien wij somtijds in een enkele tekst der Schrift, als Hij het verstand opent of tot het hart spreekt; welk een diepte in het bloed van Christus; hoe het „van alle zonden reinigt”, en zo het van alle zonden reinigt, moet het miljoenen maal miljoenen van de vuilste zonden der vuilste zondaars reinigen. Welk een diepte in Zijn bloedende, stervende liefde, die zich zo diep kan overbuigen om ons zo hoog op te heffen! Welk een liefde in Zijn erbarming en Zijn medelijden, om Zich te geven aan zulke schuldige, lage overtreders als wij zijn! Welk een diepte in de eeuwige raad en de onuitsprekelijke wijsheid Gods, om zulk een plan te beramen als volbracht en aan het licht gebracht werd in de vleeswording en het sterven van Zijn lieve Zoon, opdat aldus genade en recht elkander zouden tegemoetkomen zonder botsing of twist; opdat elke eigenschap Gods ten volle zou worden geëerd, en zij die de hel verdienden toch zouden worden overgebracht in de vreugde des hemels.
Welke diepten zijn er ook in ons eigen hart, niet alleen van zonde, maar ook van genade, want ware godsdienst heeft zijn diepte, welke de Geest opspoort en aan het licht brengt. Zo wij dus enig geloof hebben, ligt het zeer diep, want het is verborgen in het hart, en somtijds zó verborgen dat het bijna, zo niet geheel, buiten het gezicht is. De Geest dan zoekt het op en brengt het tevoorschijn. Zo wij dus enige liefde hebben, schiet zij haar wortels in de binnenste schuilhoeken onzer genegenheden en moet daarin gezocht worden; of hebben wij enige hoop, ook zij ligt, gelijk het anker, op de bodem der zee. Daarom moet zij gezocht worden, opdat zij moge bewezen worden vast en zeker en binnen de voorhang bevestigd te zijn.
Waar zou ik uwen Geest ontvliên,
waar zou m’, o Heer, uw oog niet zien?
Al voer ik op naar ’s hemels trans,
daar zijt Gij, daar vertoont G’ uw glans;
al daald’ ik zelfs ter helle neder,
daar vond ik ook uw aanschijn weder.
Ps. 139:4
Aan de lezer…
Dat woord over „de diepten” mag u bedenken als uw geloof zo diep verborgen in uw hart ligt dat u het bijna niet meer ziet. Zoekt u uw liefde en vindt u haar niet, en ligt uw hoop als een anker zo ver op de bodem der zee dat u twijfelt of zij nog vastzit? Dat het verborgen ligt, bewijst niet dat het er niet is. De Geest Gods onderzoekt alle dingen, en Hij weet wat Hij Zelf in u gewerkt heeft.
Smeek dan of Hij het wil opzoeken en tevoorschijn brengen. Laat Hij u ook de diepten van Christus’ bloed tonen, dat van alle zonden reinigt, en van Zijn bloedende, stervende liefde, die zich zo diep overboog om zulke schuldige overtreders zo hoog op te heffen. Al voelt u zich laag en arm: in die diepte is een hemelse schat, en die wordt gevonden door wie hem door de Geest zoekt.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
De Geest onderzoekt alle dingen, ook de diepten Gods.
1 Korinthe 2:10
De Geest van God, Die in een mens woont en zijn lichaam tot een tempel maakt, onderzoekt de diepten van God. Want in die diepten ligt een hemelse schat, waarnaar gezocht moet worden totdat hij gevonden is. Wat een diepten zien wij soms in één enkele tekst uit de Schrift, wanneer Hij het verstand opent of tot het hart spreekt! Wat een diepte in het bloed van Christus: dat het „van alle zonden reinigt”! En als het van alle zonden reinigt, dan moet het miljoenen maal miljoenen van de vuilste zonden van de vuilste zondaars reinigen. Wat een diepte in Zijn bloedende, stervende liefde, die zich zo diep kan neerbuigen om ons zo hoog te verheffen! Wat een liefde in Zijn ontferming en Zijn medelijden, dat Hij Zich geeft aan zulke schuldige, lage overtreders als wij zijn! Wat een diepte in de eeuwige raad en de onuitsprekelijke wijsheid van God, om zo’n plan te beramen als volbracht en aan het licht gebracht werd in de vleeswording en het sterven van Zijn lieve Zoon. Zo konden genade en recht elkaar ontmoeten zonder botsing of strijd, zo kon elke eigenschap van God volledig geëerd worden, en zo konden zij die de hel verdienden toch worden overgebracht in de vreugde van de hemel.
Wat een diepten zijn er ook in ons eigen hart, niet alleen van zonde, maar ook van genade. Want ware godsdienst heeft zijn diepte, die de Geest opspoort en aan het licht brengt. Als wij dus enig geloof hebben, ligt dat heel diep, want het is verborgen in het hart, en soms zo verborgen dat het bijna of zelfs helemaal uit het zicht is. De Geest zoekt het dan op en brengt het tevoorschijn. Als wij enige liefde hebben, slaat die haar wortels in de binnenste schuilhoeken van onze genegenheden en moet daar gezocht worden. En als wij enige hoop hebben, ligt ook die, zoals het anker, op de bodem van de zee. Daarom moet ook zij gezocht worden, opdat bewezen wordt dat zij vast en zeker is en binnen het voorhangsel verankerd ligt.
Waar zou ik uwen Geest ontvliên,
waar zou m’, o Heer, uw oog niet zien?
Al voer ik op naar ’s hemels trans,
daar zijt Gij, daar vertoont G’ uw glans;
al daald’ ik zelfs ter helle neder,
daar vond ik ook uw aanschijn weder.
Ps. 139:4
Aan de lezer…
Dat woord over „de diepten” mag u bedenken wanneer uw geloof zo diep verborgen in uw hart ligt dat u het bijna niet meer ziet. Zoekt u uw liefde en vindt u haar niet, en ligt uw hoop als een anker zo ver op de bodem van de zee dat u twijfelt of zij nog vastzit? Dat het verborgen ligt, bewijst niet dat het er niet is. De Geest van God onderzoekt alle dingen, en Hij weet wat Hij Zelf in u gewerkt heeft.
Smeek dan of Hij het wil opzoeken en tevoorschijn brengen. Laat Hij u ook de diepten tonen van Christus’ bloed, dat van alle zonden reinigt, en van Zijn bloedende, stervende liefde, die zich zo diep neerboog om zulke schuldige overtreders zo hoog te verheffen. Al voelt u zich laag en arm: in die diepte ligt een hemelse schat, en die wordt gevonden door wie hem door de Geest zoekt.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
The Spirit searcheth all things, yea, the deep things of God.
1 Corinthians 2:10
The Spirit of God Who dwells in a man, making his body His temple, searches the deep things of God; for there is in these deep things a most heavenly treasure, which is to be searched into, that it may be found. What depths do we sometimes see in a single text of Scripture as opened to the understanding, or applied to the heart; what a depth in the blood of Christ–how it “cleanses from all sin,” and if from all sin, it must cleanse away millions of millions of the foulest sins of the foulest sinners. What a depth in His bleeding, dying love that could stoop so low to lift us so high! What a depth in His pity and compassion to extend itself to such guilty, vile transgressors as we are! What depth in the eternal counsels and unspeakable wisdom of God to contrive such a plan as was accomplished and brought to light in the incarnation and death of His dear Son, that thus mercy and justice might meet together without jar or discord, every attribute of God be fully honored, and yet that those who deserved hell should be lifted up into the enjoyment of heaven.
What depths, also, there are in our own heart, not merely of sin but of grace, for true religion has its depths which the Spirit searches and brings to view. Thus if we have any faith, it lies very deep, for it is hidden in the heart, and sometimes so hidden as to be almost, if not altogether, out of sight. The Spirit then searches for it, and brings it out and up. So if we have any love, it strikes its root into the inmost recesses of our affections, and therefore needs to be searched into; or any hope, it lies like the anchor at the bottom of the sea. It therefore has to be searched into that it may be made manifest that it is sure and steadfast and enters within the veil.
To the reader…
You may think of this word about “the deep things” when your faith lies so deeply hidden in your heart that you can hardly see it any more. Do you look for your love and not find it, and does your hope lie like an anchor so far down at the bottom of the sea that you doubt whether it still holds? That it lies hidden does not prove that it is not there. The Spirit of God searches all things, and He knows what He Himself has worked in you.
Plead with Him, then, that He would search it out and bring it to light. Let Him also show you the depths of Christ’s blood, which cleanses from all sin, and of His bleeding, dying love, which stooped so low to lift such guilty transgressors so high. Though you feel low and poor: in that depth lies a heavenly treasure, and it is found by those who search for it by the Spirit.
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
Porque el Espíritu todo lo escudriña, aun lo profundo de Dios.
1 Corintios 2:10
El Espíritu de Dios, que mora en el hombre haciendo de su cuerpo Su templo, escudriña lo profundo de Dios; porque en estas cosas profundas hay un tesoro celestial en sumo grado, que ha de ser escudriñado para que sea hallado. ¡Qué profundidades vemos a veces en un solo texto de la Escritura cuando es abierto al entendimiento o aplicado al corazón! ¡Qué profundidad en la sangre de Cristo: cómo “limpia de todo pecado”; y si de todo pecado, ha de limpiar millones de millones de los pecados más inmundos de los pecadores más inmundos! ¡Qué profundidad en Su amor sangrante y moribundo, que pudo inclinarse tan bajo para levantarnos tan alto! ¡Qué profundidad en Su piedad y compasión, que se extienden a transgresores tan culpables y viles como nosotros! ¡Qué profundidad en los consejos eternos y en la inefable sabiduría de Dios, al trazar un plan como el que fue cumplido y sacado a la luz en la encarnación y muerte de Su amado Hijo, para que así la misericordia y la justicia se encontrasen sin choque ni discordia, cada atributo de Dios fuese plenamente honrado, y sin embargo los que merecían el infierno fuesen levantados al gozo del cielo!
¡Qué profundidades hay también en nuestro propio corazón, no solo de pecado sino de gracia! Porque la verdadera religión tiene sus profundidades, que el Espíritu escudriña y saca a la vista. Así, si tenemos alguna fe, esta yace muy hondo, porque está escondida en el corazón, y a veces tan escondida que está casi, si no del todo, fuera de la vista. El Espíritu la busca entonces, y la saca afuera y arriba. Así también, si tenemos algún amor, este echa su raíz en los más íntimos rincones de nuestros afectos, y por eso necesita ser escudriñado; o alguna esperanza, esta yace como el ancla en el fondo del mar. Por tanto, tiene que ser escudriñada para que se haga manifiesto que es segura y firme, y que entra hasta dentro del velo.
Al lector…
Puede usted pensar en esta palabra sobre “lo profundo” cuando su fe yace tan hondamente escondida en su corazón que apenas puede verla ya. ¿Busca su amor y no lo encuentra, y yace su esperanza como un ancla tan abajo en el fondo del mar que duda si todavía sostiene? Que esté escondida no prueba que no esté allí. El Espíritu de Dios todo lo escudriña, y Él conoce lo que Él mismo ha obrado en usted.
Ruéguele, pues, que lo escudriñe y lo saque a la luz. Déjele mostrarle también las profundidades de la sangre de Cristo, que limpia de todo pecado, y de Su amor sangrante y moribundo, que se inclinó tan bajo para levantar tan alto a transgresores tan culpables. Aunque usted se sienta bajo y pobre: en esa profundidad yace un tesoro celestial, y lo hallan los que lo buscan por el Espíritu.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl
365 Dagen Met Philpot
Door Christus tot God gaan
Waarom Hij ook volkomenlijk kan zalig maken degenen, die door Hem tot God gaan, alzo Hij altijd leeft om voor hen te bidden.
Hebreeën 7:25
Hoe kunnen we betwijfelen dat Christus ‘volkomenlijk zalig maken kan die door Hem tot God gaan’, want is er iets wat Hij niet heeft gedaan voor hun zaligmaking in Zijn volbrachte werk? En is er iets wat Hij niet kan doen bij het toepassen van dat volbrachte werk aan het hart? Want we hebben Zijn hulp alsmede Zijn gehoorzaamheid nu nodig. Als de ziel diep wegzinkt in verwarring of verdriet; als menigten van zonden verschijnen als even zovele grimmige spoken uit het verleden; als ontelbare terugvallen, uitglijders en vallen, die schuld en angst in hun gevolg meebrengen, het geweten bezetten, dan zal de droevige geest soms kijken naar en nadenken over de verschillende gevallen van allerlei soorten zondaren, wier zaligmaking, zonder geld en zonder prijs, in het Woord der waarheid is beschreven.
Hij kijkt bijvoorbeeld naar een zondige David, een met bloed bevlekte Manasse, een stervende dief, een terugkerende verloren zoon, een huilende Maria Magdalena, een loochenende Petrus, een vervolgende Saulus, een bevende gevangenbewaarder, de zondaren van Jeruzalem die de Vorst des levens hebben gedood. En als hij ziet dat deze door zichzelf veroordeelde en verachte zondaren onbeperkt worden begenadigd en voor eeuwig worden verlost, dan kijkt hij op naar de Heere des levens en der heerlijkheid, opdat hij soortgelijke zegeningen uit Zijn volheid mag ontvangen.
Het is op deze en soortgelijke wijzen dat men omgang houdt met de opgestane en ten hemel gevaren Heere op Zijn genadetroon. En als Hij in antwoord op een gebed soms een bemoedigend woord tot de ziel richt, wekt elke nieuwe onthulling van Zijn Persoon en werk, van Zijn schoonheid en gezegendheid, hernieuwde geloofshandelingen op, versterkt zij levendige hoop en doet zij uit het hart tedere gedachten naar Hem toestromen, die zich op Hem richten. En als hij licht in Zijn licht ziet, en hoe rijk en onbeperkt Zijn zegeningen zijn, roept hij uit met Jabez van vroeger: ‘Indien Gij mij rijkelijk zegenen zult’ (1 Kron. 4:10). Een rijke zegening is waarnaar de ziel op zoek is die altijd de ellende en bitterheid van de zonde heeft gevoeld en de zoetheid van Gods zaligmaking heeft geproefd. En men ziet in dat deze rijke zegeningen geestelijk en eeuwig zijn.
Lezen: 2 Kronieken 33:1-16
Aan de lezer…
Wanneer ook u de zonden van vroeger soms voor ogen staan als grimmige spoken, en terugvallen en uitglijders uw geweten met schuld en angst bezetten, dan weet u wat het is diep weg te zinken in verwarring. Maar zie dan eens, zoals de droevige geest doet, naar hen die vóór u gingen: een zondige David, een met bloed bevlekte Manasse, een stervende dief, een loochenende Petrus. Zij allen werden zonder geld en zonder prijs begenadigd.
Is er dan iets wat Christus niet gedaan heeft in Zijn volbrachte werk, of iets wat Hij niet kan doen om dat werk aan uw hart toe te passen? Hij leeft altijd om voor de Zijnen te bidden. Ga dan met al uw ellende door Hem tot God, en roep met Jabez: „Indien Gij mij rijkelijk zegenen zult.” Die zo rijk en onbeperkt zegent, zal een arme ziel die op Hem ziet, niet ledig wegzenden.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Waarom Hij ook volkomenlijk kan zalig maken degenen, die door Hem tot God gaan, alzo Hij altijd leeft om voor hen te bidden.
Hebreeën 7:25
Hoe kunnen we eraan twijfelen dat Christus „volkomenlijk zalig maken kan die door Hem tot God gaan”? Is er iets wat Hij in Zijn volbrachte werk niet voor hun zaligheid gedaan heeft? En is er iets wat Hij niet kan doen bij het toepassen van dat volbrachte werk aan het hart? Want we hebben nu Zijn hulp net zo goed nodig als Zijn gehoorzaamheid. Soms zinkt de ziel diep weg in verwarring of droefheid. Dan rijzen menigten van zonden op als evenveel grimmige spoken uit het verleden, en bezetten talloze afkeringen, uitglijders en vallen het geweten, met schuld en angst in hun kielzog. Dan kijkt de bedroefde geest soms naar de verschillende voorbeelden van allerlei zondaren, en denkt daarover na, van wie de zaligheid, zonder geld en zonder prijs, in het Woord der waarheid beschreven staat.
Hij kijkt bijvoorbeeld naar een zondige David, een met bloed bevlekte Manasse, een stervende moordenaar, een terugkerende verloren zoon, een wenende Maria Magdalena, een verloochenende Petrus, een vervolgende Saulus, een bevende stokbewaarder, de zondaren van Jeruzalem die de Vorst des levens gedood hebben. En als hij ziet dat deze door zichzelf veroordeelde en verachte zondaren onvoorwaardelijk begenadigd en voor eeuwig verlost worden, dan ziet hij op naar de Heere des levens en der heerlijkheid, om uit Zijn volheid dezelfde zegeningen te mogen ontvangen.
Op deze en dergelijke wijzen heeft men omgang met de opgestane en ten hemel gevaren Heere op Zijn troon der genade. En als Hij soms als antwoord op het gebed een bemoedigend woord tot de ziel spreekt, dan wekt elke nieuwe ontdekking van Zijn Persoon en werk, van Zijn schoonheid en gezegendheid, nieuwe daden van het geloof op. Zij versterkt een levende hoop en doet tedere genegenheden uit het hart naar Hem uitgaan, die zich om Hem heen slingeren. En wanneer hij licht ziet in Zijn licht, en ziet hoe rijk en onbegrensd Zijn zegeningen zijn, roept hij met Jabez van ouds uit: „Indien U mij rijkelijk zegenen zult” (1 Kron. 4:10). Een rijke zegen is waar de ziel naar zoekt die ooit de ellende en bitterheid van de zonde heeft gevoeld en de zoetheid van Gods zaligheid heeft geproefd. En men gaat inzien dat deze rijke zegeningen geestelijk en eeuwig zijn.
Lezen: 2 Kronieken 33:1-16
Aan de lezer…
Wanneer ook u de zonden van vroeger soms voor ogen staan als grimmige spoken, en afkeringen en uitglijders uw geweten met schuld en angst bezetten, dan weet u wat het is diep weg te zinken in verwarring. Maar kijk dan eens, zoals de bedroefde geest doet, naar hen die vóór u gingen: een zondige David, een met bloed bevlekte Manasse, een stervende moordenaar, een verloochenende Petrus. Zij allen werden zonder geld en zonder prijs begenadigd.
Is er dan iets wat Christus niet gedaan heeft in Zijn volbrachte werk, of iets wat Hij niet kan doen om dat werk aan uw hart toe te passen? Hij leeft altijd om voor de Zijnen te bidden. Ga dan met al uw ellende door Hem tot God, en roep met Jabez: „Indien Gij mij rijkelijk zegenen zult.” Hij Die zo rijk en onbegrensd zegent, zal een arme ziel die op Hem ziet, niet ledig wegzenden.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Wherefore He is able also to save them to the uttermost that come unto God by Him, seeing He ever liveth to make intercession for them.
Hebrews 7:25
How can we doubt that Christ “is able to save them to the uttermost that come unto God by Him”? Is there anything that He has not done for their salvation in His finished work? And is there anything that He cannot do in applying that finished work to the heart? For we need His help now just as much as His obedience. Sometimes the soul sinks deep into confusion or sorrow. Then multitudes of sins rise up like so many grim ghosts out of the past, and countless backslidings, slips and falls beset the conscience, with guilt and fear in their train. Then the sorrowful spirit sometimes looks at the various examples of all kinds of sinners, and meditates upon them, whose salvation, without money and without price, is described in the Word of truth.
He looks, for instance, at a sinning David, a blood-stained Manasseh, a dying thief, a returning prodigal, a weeping Mary Magdalene, a denying Peter, a persecuting Saul, a trembling jailer, the sinners of Jerusalem who killed the Prince of life. And when he sees that these self-condemned and self-abhorred sinners are freely pardoned and eternally saved, he looks up to the Lord of life and glory, that he may receive the same blessings out of His fulness.
In these and similar ways there is communion with the risen and ascended Lord upon His throne of grace. And when He sometimes, in answer to prayer, speaks an encouraging word to the soul, every fresh discovery of His Person and work, of His beauty and blessedness, calls forth fresh acts of faith. It strengthens a living hope and draws out tender affections from the heart towards Him, which twine themselves about Him. And when he sees light in His light, and sees how rich and boundless His blessings are, he cries out with Jabez of old: “Oh that Thou wouldest bless me indeed” (1 Chron. 4:10). A rich blessing is what the soul seeks that has ever felt the misery and bitterness of sin and tasted the sweetness of God’s salvation. And it comes to see that these rich blessings are spiritual and eternal.
Reading: 2 Chronicles 33:1-16
To the reader…
When the sins of the past sometimes stand before your eyes like grim ghosts, and backslidings and slips beset your conscience with guilt and fear, then you too know what it is to sink deep into confusion. But then look, as the sorrowful spirit does, at those who went before you: a sinning David, a blood-stained Manasseh, a dying thief, a denying Peter. All of them were pardoned without money and without price.
Is there anything, then, that Christ has not done in His finished work, or anything that He cannot do to apply that work to your heart? He ever lives to make intercession for His own. Come unto God by Him, then, with all your misery, and cry with Jabez: “Oh that Thou wouldest bless me indeed.” He Who blesses so richly and so boundlessly will not send away empty a poor soul that looks to Him.
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
Por lo cual puede también salvar eternamente a los que por Él se allegan a Dios, viviendo siempre para interceder por ellos.
Hebreos 7:25
¿Cómo podemos dudar de que Cristo “puede salvar eternamente a los que por Él se allegan a Dios”? ¿Hay algo que no haya hecho para su salvación en Su obra consumada? ¿Y hay algo que no pueda hacer al aplicar esa obra consumada al corazón? Porque necesitamos Su ayuda ahora tanto como Su obediencia. A veces el alma se hunde hondo en la confusión o el dolor. Entonces multitud de pecados se levantan del pasado como otros tantos fantasmas sombríos, e innumerables rebeliones, tropiezos y caídas asedian la conciencia, con culpa y temor en su séquito. Entonces el espíritu afligido a veces mira los diversos ejemplos de toda clase de pecadores, y medita en ellos, cuya salvación, sin dinero y sin precio, se describe en la Palabra de verdad.
Mira, por ejemplo, a un David que pecó, a un Manasés manchado de sangre, a un ladrón moribundo, a un pródigo que vuelve, a una María Magdalena que llora, a un Pedro que niega, a un Saulo que persigue, a un carcelero que tiembla, a los pecadores de Jerusalén que mataron al Autor de la vida. Y cuando ve que estos pecadores, que se condenaban y aborrecían a sí mismos, son perdonados gratuitamente y salvos eternamente, levanta los ojos al Señor de la vida y de la gloria, para recibir de Su plenitud las mismas bendiciones.
De estas y semejantes maneras hay comunión con el Señor resucitado y ascendido sobre Su trono de la gracia. Y cuando Él a veces, en respuesta a la oración, habla al alma una palabra de aliento, cada nuevo descubrimiento de Su Persona y obra, de Su hermosura y bienaventuranza, suscita nuevos actos de fe. Fortalece una esperanza viva y saca del corazón tiernos afectos hacia Él, que se entrelazan en torno a Él. Y cuando ve luz en Su luz, y ve cuán ricas e ilimitadas son Sus bendiciones, clama con Jabes de antaño: “¡Oh si me dieras bendición!” (1 Crón. 4:10). Una rica bendición es lo que busca el alma que alguna vez ha sentido la miseria y la amargura del pecado y ha gustado la dulzura de la salvación de Dios. Y llega a ver que estas ricas bendiciones son espirituales y eternas.
Lectura: 2 Crónicas 33:1-16
Al lector…
Cuando los pecados del pasado se presentan a veces ante sus ojos como fantasmas sombríos, y las rebeliones y tropiezos asedian su conciencia con culpa y temor, entonces también usted sabe lo que es hundirse hondo en la confusión. Pero mire entonces, como lo hace el espíritu afligido, a los que le precedieron: un David que pecó, un Manasés manchado de sangre, un ladrón moribundo, un Pedro que negó. Todos ellos fueron perdonados sin dinero y sin precio.
¿Hay algo, pues, que Cristo no haya hecho en Su obra consumada, o algo que no pueda hacer para aplicar esa obra a su corazón? Él vive siempre para interceder por los Suyos. Allégese, pues, a Dios por Él con toda su miseria, y clame con Jabes: “¡Oh si me dieras bendición!” Aquel que bendice tan rica e ilimitadamente no despedirá vacía a una pobre alma que mira a Él.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl
Door Baca's Vallei
Zalig zijn de armen van geest.
Mattheüs 5:3
Geestelijke armoede is een ellendig gevoel van gemis der ziel voor God, een inwendige, gedrukte gewaarwording dat er in ons hart niets goeds woont; niets dat ons verlossen kan van de rechtvaardig verdiende straf voor God, of dat ons redden kan van de diepte der hel. En innerlijk vermengd met de scherpe gevoelens van schuld en veroordeling is er een geestelijke overreding dat de uitverkorenen zich verheugen in het bezit van de Geest der aanneming, dat zij Goddelijke openbaringen op hun weg ontmoeten, dat het bloed van Jezus Christus door de Heilige Geest is gesprengd op de consciënties van de verlosten, tot reiniging van alle schuld en onreinheid.
En wanneer zij dan hun eigen behoeften gaan vergelijken met hun zegeningen, waarbij een inwendige verlichting komt, waardoor de waarheid van Gods Woord gezien wordt, en een ontdekking, waardoor zij als doordrongen worden van de diepten van hun geestelijke armoede, dan brengt dit hen tot de overtuiging dat het de openbaring van het licht van Gods vriendelijk aangezicht is die alleen verlossing brengen kan. Dat zij dus een woord nodig hebben, van God tot hun hart gesproken, zal er redding mogelijk zijn; en dat de bevinding van dit alles hun een bewijs zou zijn dat zij hier een vat der genade zijn, en dat hen geschikt maakt voor en brengen kan in de eeuwige heerlijkheid en zaligheid hiernamaals. Arm van geest te zijn is dan een jammerlijke ledigheid van geest, een naakte en ontblote staat der ziel voor God.
Misschien wordt dit ook nergens dieper gevoeld dan in eenzame, nachtelijke uren, wanneer geen oog ons ziet en geen oor ons hoort, behalve het oog en oor van Jehova. In deze ernstige ogenblikken van diepgaande herinneringen, wanneer de stilte en de duisternis rondom ons het tegenovergestelde van stilte en duisternis der ziel weergeven, gevoelt de geestelijk arme dikwijls hoe ledig hij is van het hemelse en Goddelijke, en acht hij zich een wegzinkende ellendige, zonder een greintje vreze Gods. Zonder aarzeling mogen wij wel zeggen dat hij die nooit gekend heeft wat het is om voor God, met verbreking des harten, als een nooddruftige, naakte zondaar zijn klachten uit te storten, geen bevinding heeft van de gestalte van een geestelijk arme van geest.
Aan de lezer…
Kent u, lezer, die eenzame, nachtelijke uren, wanneer geen oog u ziet en geen oor u hoort dan het oog en oor van Jehova? Voelt u zich dan zo ledig van al wat hemels en Goddelijk is, dat u meent geen greintje vreze Gods te bezitten? Schrik dan niet te zeer van uw eigen naaktheid. Juist zulke armoede is geen teken dat de Heere u voorbijgaat.
Want de Heere Jezus spreekt hier niet de rijken en verzadigden zalig, maar de armen van geest. Uw gemis drijft u uit naar het licht van Gods vriendelijk aangezicht, dat alleen verlossing brengen kan, en naar een woord van Hem tot uw hart gesproken. Stort dan uw klachten voor Hem uit als een nooddruftige zondaar, en wacht op het bloed van Jezus Christus, dat de consciëntie reinigt van alle schuld en onreinheid.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Zalig zijn de armen van geest.
Mattheüs 5:3
Geestelijke armoede is een ellendig gevoel van gemis van de ziel voor God, een inwendig, drukkend besef dat er in ons hart niets goeds woont; niets wat ons kan verlossen van de rechtvaardig verdiende straf voor God, of wat ons kan redden uit de diepte van de hel. En innerlijk vermengd met de scherpe gevoelens van schuld en veroordeling is er een geestelijke overtuiging dat de uitverkorenen zich verheugen in het bezit van de Geest der aanneming, dat zij op hun weg Goddelijke openbaringen ontmoeten, en dat het bloed van Jezus Christus door de Heilige Geest op het geweten van de verlosten is gesprengd, tot reiniging van alle schuld en onreinheid.
En dan gaan zij hun eigen gebrek vergelijken met de zegeningen van die anderen. Daarbij komt een inwendige verlichting, waardoor zij de waarheid van Gods Woord zien, en een ontdekking, waardoor zij als het ware doordrongen worden van de diepte van hun geestelijke armoede. Dat brengt hen tot de overtuiging dat alleen de openbaring van het licht van Gods vriendelijk aangezicht verlossing kan brengen. Zij hebben dus een woord nodig dat God tot hun hart spreekt, als er redding mogelijk zal zijn; en de bevinding van dit alles zou voor hen een bewijs zijn dat zij hier een vat van genade zijn, en dat zou hen geschikt maken voor de eeuwige heerlijkheid en zaligheid hierna en hen daarin kunnen brengen. Arm van geest zijn is dus een jammerlijke leegte van geest, een naakte en ontblote staat van de ziel voor God.
Misschien wordt dit nergens dieper gevoeld dan in eenzame uren van de nacht, wanneer geen oog ons ziet en geen oor ons hoort, behalve het oog en oor van Jehova. In zulke ernstige ogenblikken van diepe herinneringen, wanneer de stilte en duisternis om ons heen het tegenovergestelde weerspiegelen van de stilte en duisternis van de ziel, voelt de geestelijk arme vaak hoe leeg hij is van het hemelse en Goddelijke. Dan beschouwt hij zichzelf als een wegzinkende ellendeling, zonder een greintje vreze Gods. Zonder aarzelen mogen wij wel zeggen dat wie nooit gekend heeft wat het is om met een gebroken hart als een nooddruftige, naakte zondaar zijn klachten voor God uit te storten, geen bevinding heeft van de gestalte van een geestelijk arme van geest.
Aan de lezer…
Kent u die eenzame uren van de nacht, wanneer geen oog u ziet en geen oor u hoort dan het oog en oor van Jehova? Voelt u zich dan zo leeg van alles wat hemels en Goddelijk is, dat u meent geen greintje vreze Gods te bezitten? Schrik dan niet te zeer van uw eigen naaktheid. Juist zulke armoede is geen teken dat de Heere u voorbijgaat.
Want de Heere Jezus spreekt hier niet de rijken en verzadigden zalig, maar de armen van geest. Uw gemis drijft u uit naar het licht van Gods vriendelijk aangezicht, dat alleen verlossing kan brengen, en naar een woord dat Hij tot uw hart spreekt. Stort dan uw klachten voor Hem uit als een nooddruftige zondaar, en wacht op het bloed van Jezus Christus, dat het geweten reinigt van alle schuld en onreinheid.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Blessed are the poor in spirit.
Matthew 5:3
Spiritual poverty is a miserable feeling of soul-emptiness before God, an inward sinking sensation that there is nothing in our hearts spiritually good, nothing which can deliver us from the justly merited wrath of God, or save us from the lowest hell.
And intimately blended with the poignant feelings of guilt and condemnation, there is a spiritual consciousness that there is such a thing enjoyed by the elect as the Spirit of adoption, that there are such sweet realities as divine manifestations, that the blood of Jesus Christ is sprinkled by the Holy Spirit upon the consciences of the redeemed to cleanse them from all guilt and filth.
And thus by comparing its own needs with their blessings, and having an inward light wherein the truth of God’s Word is seen, and an inward life whereby it is felt, a soul wading in the depths of spiritual poverty, is brought to feel that it must be the manifestation of the light of God’s countenance which can alone deliver; that it must be the testimony of God spoken by His own lips to the heart that alone can save; and that the lack of this is the lack of everything that can manifest it to be a vessel of mercy here, and fit it for, as well as carry it into, eternal glory and bliss hereafter.
To be poor, then, is to have this wretched emptiness of spirit, this nakedness and destitution of soul before God. Nor is it, perhaps, ever more deeply felt than in the lonely watches of the night, when no eye can see, nor ear hear, but the eye and ear of Jehovah; in these solemn moments of deep recollection, when the stillness and darkness around us are but the counterpart of the stillness and darkness of the soul, he that is spiritually poor often feels how empty he is of everything heavenly and divine, a sinking wretch without a grain of godliness; and without drawing too rigid a line of exclusion, we may unhesitatingly say that he who has never thus known what it is to groan before the Lord with breakings-forth of heart as a needy, naked wretch, he that has never felt his miserable destitution and emptiness before the eyes of a heart-searching God, has not yet experienced what it is to be spiritually poor.
To the reader…
Do you know those lonely hours of the night, when no eye sees you and no ear hears you but the eye and ear of Jehovah? Do you then feel so empty of everything heavenly and divine that you think you do not possess a grain of the fear of God? Then do not be too alarmed at your own nakedness. Such poverty is no sign that the Lord is passing you by.
For the Lord Jesus does not pronounce the rich and full blessed here, but the poor in spirit. Your lack drives you out towards the light of God’s countenance, which alone can bring deliverance, and towards a word that He speaks to your heart. Pour out your complaints before Him, then, as a needy sinner, and wait for the blood of Jesus Christ, which cleanses the conscience from all guilt and filth.
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
Bienaventurados los pobres en espíritu.
Mateo 5:3
La pobreza espiritual es un sentimiento miserable de vacío del alma delante de Dios, una sensación interior de hundimiento al ver que no hay nada espiritualmente bueno en nuestros corazones, nada que pueda librarnos de la ira de Dios justamente merecida, ni salvarnos del infierno más profundo.
Y estrechamente mezclada con los punzantes sentimientos de culpa y condenación, hay una conciencia espiritual de que existe algo de lo que gozan los escogidos que es el Espíritu de adopción, de que hay realidades tan dulces como las manifestaciones divinas, de que la sangre de Jesucristo es rociada por el Espíritu Santo sobre las conciencias de los redimidos para limpiarlas de toda culpa e inmundicia.
Y así, al comparar sus propias necesidades con las bendiciones de ellos, y teniendo una luz interior en la cual se ve la verdad de la Palabra de Dios, y una vida interior por la cual se siente, un alma que vadea las profundidades de la pobreza espiritual es llevada a sentir que solo la manifestación de la luz del rostro de Dios puede librarla; que solo el testimonio de Dios, hablado por Sus propios labios al corazón, puede salvarla; y que la falta de esto es la falta de todo lo que puede mostrarla como vaso de misericordia aquí, y hacerla apta para la gloria y la dicha eternas en el más allá, así como llevarla a ellas.
Ser pobre, pues, es tener este miserable vacío de espíritu, esta desnudez e indigencia del alma delante de Dios. Y quizás nunca se siente más hondamente que en las solitarias vigilias de la noche, cuando ningún ojo puede ver ni oído oír, sino el ojo y el oído de Jehová; en esos momentos solemnes de profundo recogimiento, cuando la quietud y la oscuridad que nos rodean no son sino el reflejo de la quietud y la oscuridad del alma, el que es pobre espiritualmente siente a menudo cuán vacío está de todo lo celestial y divino, un desdichado que se hunde sin un grano de piedad; y sin trazar una línea de exclusión demasiado rígida, podemos decir sin vacilar que el que nunca ha conocido así lo que es gemir delante del Señor con quebrantos del corazón como un desdichado necesitado y desnudo, el que nunca ha sentido su miserable indigencia y vacío ante los ojos de un Dios que escudriña el corazón, aún no ha experimentado lo que es ser pobre en espíritu.
Al lector…
¿Conoce usted esas horas solitarias de la noche, cuando ningún ojo le ve y ningún oído le oye sino el ojo y el oído de Jehová? ¿Se siente entonces tan vacío de todo lo celestial y divino que cree no poseer ni un grano del temor de Dios? Entonces no se alarme demasiado por su propia desnudez. Tal pobreza no es señal de que el Señor le pase por alto.
Porque el Señor Jesús no declara bienaventurados aquí a los ricos y saciados, sino a los pobres en espíritu. Su carencia le empuja hacia la luz del rostro de Dios, que es lo único que puede traer liberación, y hacia una palabra que Él hable a su corazón. Derrame, pues, sus quejas delante de Él como un pecador necesitado, y espere la sangre de Jesucristo, que limpia la conciencia de toda culpa e inmundicia.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl