Nieuw verschenenHet gesprek van een gelovige met zijn zielPreken · gisteren
Joseph Charles Philpot J.C. Philpot Bevindelijke geschriften & prediking
Steun

Korenaren

 

 

Vandaag

Korenaren Uit De Volle Oogst

26 december Korenaren uit de volle oogst

De Heere uw God is in het midden van u, een Held, Die verlossen zal.
Zefanja 3:17

Met wat een sterke God hebben wij te doen! En wat zou voor ons beter zijn dan een sterke God? Hebben wij geen sterke zonden? Hebben wij geen sterke beproeving? Hebben wij geen sterke verzoekingen? Hebben wij geen geduchte vijanden en geduchte zorgen?

En wie anders kan ons van dat machtige leger verlossen dan de machtige God? Gods kinderen kunnen niet toe met een zwakke God (als ik dit woord mag gebruiken). Zij hebben een machtige God nodig, omdat zij in omstandigheden verkeren waaruit alleen een machtige God hen kan helpen. Want als u uw machtige zonden, uw machtige beproevingen, uw machtige verzoekingen en uw machtige zorgen niet uit ervaring kende, zou u geen machtige God nodig hebben. Dat besef van onze zwakheid en Zijn macht, onze ellende en Zijn barmhartigheid, ons verderf en Zijn herstel, de veelheid van onze zonden en die van Zijn rijkdom van genade — een besef, zeg ik, van deze tegenstrijdige en toch overeenstemmende zaken — maakt dat wij persoonlijke omgang met God hebben. En in die persoonlijke omgang met God bestaat het leven van alle godsvrucht.

O, wat een armzalige, dode, nutteloze godsvrucht is het waarin men geen persoonlijke omgang met God heeft; waarin men de Heere niet met een oprecht hart aanroept, Zijn aangezicht niet zoekt en niet om Zijn gunst smeekt; waarin men niet aan Zijn voeten ligt en Hem smeekt te verschijnen; waarin geen deerniswekkende, beklagenswaardige nood is waarover Hij Zich kan ontfermen; geen wonden of etterbuilen die Hij moet genezen, geen melaatsheid die Hij moet reinigen, geen vijanden die Hij op de vlucht moet jagen, geen angsten die Hij moet verdrijven, en, zou ik bijna zeggen, geen ziel die Hij moet behouden! En toch zijn er duizenden die zo’n godsvrucht hebben. Zij naderen God met hun lippen, maar hun harten zijn ver van Hem. Terwijl zij met hun mond zeggen: „Heere, Heere!”, zeggen zij in hun hart: „Deze zal over ons niet heersen.” Als u van hen onderscheiden bent, en een God van nabij en niet van verre nodig hebt, een Held, een machtige God in het binnenste van uw ziel, uw gedachten, uw wensen en uw genegenheden, dan mag u Hem wel danken voor de genade die u bewezen is, dat u van hen onderscheiden bent. Dan mag u ook dankbaar uw hoofd buigen onder lijden en beproevingen, als middelen in Zijn hand om u met Hem te verenigen.

Een licht, zo groot, zo schoon,
gedaald van ’s hemels troon,
straalt volk bij volk in d’ ogen.

Lofzang van Simeon:2

Aan de lezer…

Soms zijn uw zonden u te sterk, uw beproevingen te zwaar en uw vijanden te geducht. Schrik er dan niet van alsof u iets vreemds overkwam. Juist daardoor leert u dat u met een zwakke God niet toe kunt. Had u uw machtige zonden en uw machtige zorgen niet uit ervaring leren kennen, dan zou u geen machtige God nodig hebben, en zou u Hem nooit met een oprecht hart aanroepen.

Laat de nood u dan drijven tot persoonlijke omgang met Hem, want daarin bestaat het leven van alle godsvrucht. De Heere is geen God van verre, maar Hij is in het midden van Zijn volk, een Held, Die verlossen zal. Zoek Zijn aangezicht, smeek om Zijn gunst, en buig uw hoofd onder het lijden als onder middelen in Zijn hand. Uw ellende is groot, maar Zijn barmhartigheid is groter; uw verderf is diep, maar Zijn rijkdom van genade reikt nog dieper.

Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl

Open als losse pagina

365 Dagen Met Philpot

26 december 365 dagen met Philpot

De menselijke natuur van Christus

En buiten alle twijfel, de verborgenheid der godzaligheid is groot; God is geopenbaard in het vlees.
1 Timotheüs 3:16

Als we het juiste onderwijs en de juiste geestelijke leiding hebben ontvangen, zullen we de vleeswording geen zinloos, droog of nutteloos onderwerp vinden. Zij is de „grote verborgenheid der godzaligheid”, en daarom omvat en bewerkt zij alle godvruchtigheid. Er is nooit één ware godvruchtige gedachte, één waar godvruchtig gevoel of verlangen geweest, ja, geen enkel godvruchtig woord of werk, geen godvruchtig hart of godvruchtig leven, en dat zal er ook nooit zijn, dat niet voortkomt uit en in stand gehouden wordt door de grote verborgenheid van een vleesgeworden God. Er kan, zoals vaak gebeurt, een natuurlijke vroomheid zijn, een vertienden van munt, dille en komijn (Matth. 23:27), en een grote hoeveelheid zogenaamde goede werken als werkheiligheid, los van de genade die in de Heere, het Lam, woont.

Maar godvruchtigheid die gevormd wordt door een nieuwe en hemelse geboorte, met al haar bijbehorende vruchten en genaden, kan alleen voortvloeien uit de volheid van een Verbondshoofd, Dat het leven meedeelt aan de leden van Zijn verborgen lichaam. En we weten dat dit Verbondshoofd de Zoon van God is, eens geopenbaard in het vlees en nu verhoogd aan de rechterhand van de Vader. Wat zijn Zijn eigen genadige en ware woorden duidelijk over dit punt, dat alle leven in Hem is en uit Hem komt: „Want Ik leef, en gij zult leven” (Joh. 14:19); „Ik ben de Weg, en de Waarheid, en het Leven. Niemand komt tot de Vader, dan door Mij” (Joh. 14:6); „Tenzij dat gij het vlees des Zoons des mensen eet, en Zijn bloed drinkt, zo hebt gij geen leven in uzelven” (Joh. 6:53); „Ik ben de Wijnstok, en gij de ranken; die in Mij blijft, en Ik in hem, die draagt veel vrucht; want zonder Mij kunt gij niets doen” (Joh. 15:5).

Lezen: Efeze 4:1-16

Aan de lezer…

Het kan zijn dat u in uzelf zo weinig ware godsvrucht vindt dat u soms vreest dat er niets van het leven van God in u is. Kijk dan niet langer naar binnen om daar de bron te zoeken. Er is nooit één waar godvruchtig verlangen, één oprecht woord of één heilige gedachte geweest dat niet voortkwam uit de grote verborgenheid van een vleesgeworden God. Al het andere, hoe vroom het ook lijkt, is maar werkheiligheid, los van de genade die in het Lam woont.

Hoort u wat Hij Zelf zegt: „Zonder Mij kunt gij niets doen”? Dat is geen hard woord voor een arme ziel, maar een zoete uitnodiging. Het Verbondshoofd is in het vlees geopenbaard en zit nu aan de rechterhand van de Vader, en uit Zijn volheid stroomt het leven naar de leden van Zijn lichaam. Hij heeft gezegd: „Want Ik leef, en gij zult leven.” Blijf dan in Hem, en Hij zal u in uw dorheid niet zonder vrucht laten.

Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl

Open als losse pagina

Door Baca's Vallei

26 december Door Baca’s vallei

Het geloof nu is een vaste grond der dingen, die men hoopt, en een bewijs der zaken, die men niet ziet.
Hebreeën 11:1

Wat een uitnemende genade is de genade van het geloof! Ik noem het soms de koningin van de genaden; want het geloof lijkt de voorhoede te leiden, al volgen de hoop en de liefde bijna zij aan zij. Maar toch lijkt het geloof als koningin in de allervoorste linie te gaan en de voornaamste plaats op te eisen. Wat is nu het geloof? Dat is een vraag boven vele vragen, want daarvan hangen hemel of hel af. God Zelf geeft ons er een duidelijk antwoord op, waar Hij zegt: „Het geloof is een vaste grond der dingen, die men hoopt.”

Met andere woorden: het geloof in de ziel geeft werkelijkheid aan de dingen waarop wij leren hopen. Wat voor de meeste mensen maar luchtige schaduwen, maar woorden en namen zijn, neemt het op en geeft het een wezenlijk bestaan, een vaste, blijvende plaats in hart en geweten. De apostel noemt het ook: „een bewijs der zaken, die men niet ziet.” Dat is het geloof door het getuigenis van God te geloven; het is voor ons een inwendig oog, waardoor wij de dingen zien die voor het natuurlijke oog onzichtbaar zijn. Als wij het onderscheid van de apostel overnemen, mogen wij het geloof dus het oog van de ziel noemen, zoals wij lezen: „Door het geloof hield hij zich vast, als ziende de Onzienlijke.”

Want alleen door het geloof zien wij op God of op de dierbare dingen van God. Alleen door het geloof voelen wij hun kracht. Alleen door het geloof kennen wij de werkelijkheid van die dingen, of weten wij dat wij er zelf werkelijk deel aan hebben.

Maar dit geloof is een bijzondere gave van God. Het is niet het resultaat van onze redeneringen of van bewijzen die wij zouden kunnen aanvoeren. Het komt niet voort uit het gebruik van een verstandelijk vermogen; ook kan het niet worden voortgebracht door een historisch betoog. Het is een bijzondere gave van God, een genade van de Geest, door de kracht van God in de ziel gewerkt, en het handelt in overeenstemming met de waarheid van God, zoals de gezegende Geest erin leidt. Jezus is de Beginner en de Voleinder, en ik geloof dat wij niet meer en niet minder geloof hebben dan het Hem behaagt ons door Zijn almachtige kracht te geven en in ons hart te onderhouden.

Maar nu wij letten op het geloof en op enkele van zijn eigenschappen, willen wij wat verder gaan en beschrijven hoe het geloof werkt. Er is een uitdrukking van de apostel die een zoet licht werpt op het werk van het geloof, waar hij zegt: „Want ook ons is het Evangelie verkondigd, gelijk als hun; maar het Woord der prediking deed hun geen nut, dewijl het met het geloof niet gemengd was in degenen, die het gehoord hebben.” Hij brengt hier een bijzondere werking van het geloof naar voren, namelijk dat het zich vermengt met het Woord van de waarheid. Dat gaat zo: God de Heilige Geest past het Woord toe op het geweten. Hij schept de genade van het geloof; deze genade van het geloof grijpt het getuigenis van God aan, en zo vermengt zij zich met dit getuigenis en gaat zij erop in, eigent het zich toe en aanvaardt het als een zelfstandige werkelijkheid, en zo geeft zij het geloof een persoonlijke inwoning.

Zie dit bij Abram. God komt in een gezicht tot hem en zegt: „En vrees niet, Abram, Ik ben u een schild, uw loon zeer groot.” Maar Abram zegt in een vlaag van ongeloof: „Wat zult Gij mij geven, daar ik zonder kinderen henenga, en de bezorger van mijn huis is deze Damaskener Eliëzer?” Toen leidde de Heere hem naar buiten en zei tegen hem: „Zie nu op naar de hemel en tel de sterren, indien gij ze tellen kunt. En Hij zeide tot hem: Zo zal uw zaad zijn.” Hier was dus het getuigenis van God in een bepaalde belofte aan het geweten van Abram, en onmiddellijk daarop vloeit het geloof binnen, want wij lezen: „En Abram geloofde in de Heere, en Hij rekende het hem tot gerechtigheid.”

Toen God tot zijn ziel sprak, geloofde Abram door de werking van de Geest van God in zijn hart. Hij geloofde wat God tegen hem zei; inwendig en geestelijk hechtte hij daar geloof aan, want hij voelde wat God de Heilige Geest met kracht op zijn hart toepaste. Want dezelfde Geest Die het Woord op zijn hart toepaste, wekte het geloof in zijn ziel, dat zich vermengde met het toegepaste Woord, en zo kreeg het Woord een vaste, blijvende plaats in zijn geweten.

Aan de lezer…

Zijn de dingen van God voor u soms niet meer dan woorden en namen, luchtige schaduwen waaraan u geen werkelijkheid kunt geven, hoe u ook uw best doet? Weet dan, waarde lezer, dat het ware geloof niet uit uw redeneringen voortkomt, en ook niet door een betoog kan worden voortgebracht. Het is een bijzondere gave van God, een genade van de Geest, en Jezus is er de Beginner en de Voleinder van. U hebt niet meer en niet minder geloof dan het Hem behaagt u te geven.

Dat is geen reden tot moedeloosheid, maar tot verwachting. Zoals de Heere Abram in zijn ongeloof naar buiten leidde en hem de sterren liet tellen, zo kan Hij ook tot uw ziel spreken. Dan vermengt het geloof zich met het Woord, grijpt het het getuigenis van God aan en geeft het dat een vaste, blijvende plaats in uw geweten. Zie dan op Hem, Die het geloof schept en onderhoudt, en wacht op Zijn woord, zodat u mag volharden als ziende de Onzienlijke.

Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl

Open als losse pagina