gisteren verschenen
Het gesprek van een gelovige met zijn ziel
Een uitleg van Psalm 42:12 als gesprek tussen David en zijn ziel: waarom de ziel terneergeslagen en onrustig is, waarom ze op God moet hopen en hoe die hoop uitloopt…
8 dagen geleden verschenen
Het woord van Gods genade
Een uitleg van Handelingen 20:32: Paulus beveelt de oudsten van Efeze aan God en aan het woord van Zijn genade. Alleen dat woord, door de Geest toegepast, bouwt de ziel…
13 dagen geleden verschenen
Schatten in de duisternis
Uitleg van Jesaja 45:2,3 voor Gods kinderen: de Heere gaat voor hen uit, maakt kromme wegen recht, verbreekt koperen deuren en ijzeren grendels, geeft verborgen schatten en leert hen zo…
3 weken geleden verschenen
Verkrijgen en verliezen
Naar Prediker 3:6: een levende ziel verkrijgt geestelijke dingen, van kennis van God en van zichzelf tot geloof en vergeving, maar verliest ook haar eigen gerechtigheid en kracht. De preek…
Het schudden van wat gemaakt is en de vastheid van wat gegeven is
Over Hebreeën 12:27,28: wat gemaakt is, wordt geschud en weggenomen, wat God geeft blijft. Het Koninkrijk dat niet bewogen kan worden wordt door geloof ontvangen, door genade vastgehouden en draagt…
Korenaren Uit De Volle Oogst
De Heere uw God is in het midden van u, een Held, Die verlossen zal.
Zefanja 3:17
Met welk een sterke God hebben wij te doen! En wat zou voor ons beter zijn dan een sterke God? Hebben wij geen sterke zonden? Hebben wij geen sterke beproeving? Hebben wij geen sterke verzoekingen? Hebben wij geen geduchte vijanden en geduchte bekommernissen?
En wie anders kan ons van dat machtige heirleger verlossen dan de machtige God? Gods kinderen kunnen niet volstaan met een zwakke God (als ik dit woord gebruiken mag). Zij hebben een machtig God nodig, omdat zij in omstandigheden verkeren waaruit alleen een machtig God hen helpen kan. Wel, indien gij niet bij ervaring uw machtige zonden, uw machtige beproevingen, uw machtige verzoekingen en uw machtige bekommernissen kendet, zoudt gij geen machtige God nodig hebben. Dat gevoel van onze zwakheid en Zijn macht, onze ellende en Zijn barmhartigheid, ons verderf en Zijn herstel, de veelheid van onze zonden en die van Zijn rijkdom van genade — een gevoel, zeg ik, van deze tegenstrijdige en toch harmoniërende zaken — maakt dat wij met God persoonlijke omgang hebben, en uit die persoonlijke omgang met God bestaat het leven van alle godsvrucht.
O, welk een armzalige, dode, nutteloze godsvrucht is het, waarin men geen persoonlijke omgang met God heeft; waarin men de Heere niet met een oprecht hart aanroept, Zijn aangezicht niet zoekt of Zijn gunst niet afsmeekt; waarin men niet aan Zijn voeten ligt en Hem smeekt te verschijnen; waarin geen deerniswaardige, beklagenswaardige staat is, waarover Hij Zich ontfermen kan; geen wonden of etterbuilen die Hij genezen moet, geen melaatsheid om te reinigen, geen vijanden om op de vlucht te jagen, geen vreze om te verdrijven, en, zou ik bijna zeggen, geen ziel om te behouden! En toch zijn er duizenden die zulk een godsvrucht hebben. Zij naderen God met hun lippen, maar hun harten zijn verre van Hem, en terwijl zij met hun mond zeggen: „Heere, Heere!”, zeggen zij in hun hart: „Deze zal over ons niet heersen.” Indien gij van hen onderscheiden zijt, en een God van nabij en niet van verre behoeft, een Held, een machtig God in het binnenste uwer ziel, uwer gedachten, uwer wensen, uwer genegenheden, moogt gij Hem wel danken voor de genade u bewezen, dat gij van hen zijt onderscheiden, en dankbaar uw hoofd buigen onder lijden en beproevingen, als middelen in Zijn hand om u met Hem te verenigen.
Een licht, zo groot, zo schoon,
gedaald van ’s hemels troon,
straalt volk bij volk in d’ ogen.
Lofzang van Simeon:2
Aan de lezer…
Soms zijn uw zonden u te sterk, uw beproevingen te zwaar en uw vijanden te geducht. Schrik er dan niet zo van alsof u iets vreemds overkwam. Juist daardoor leert u dat u met een zwakke God niet volstaan kunt. Had u uw machtige zonden en uw machtige bekommernissen niet bij ervaring leren kennen, u zou geen machtige God nodig hebben, en u zou Hem nooit met een oprecht hart aanroepen.
Laat dan de nood u uitdrijven tot persoonlijke omgang met Hem, want daarin bestaat het leven van alle godsvrucht. De Heere is geen God van verre, maar Hij is in het midden van Zijn volk, een Held, Die verlossen zal. Zoek Zijn aangezicht, smeek om Zijn gunst, en buig uw hoofd onder het lijden als onder middelen in Zijn hand. Uw ellende is groot, maar Zijn barmhartigheid is groter; uw verderf is diep, maar Zijn rijkdom van genade reikt nog dieper.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
De Heere uw God is in het midden van u, een Held, Die verlossen zal.
Zefanja 3:17
Met wat een sterke God hebben wij te doen! En wat zou voor ons beter zijn dan een sterke God? Hebben wij geen sterke zonden? Hebben wij geen sterke beproeving? Hebben wij geen sterke verzoekingen? Hebben wij geen geduchte vijanden en geduchte zorgen?
En wie anders kan ons van dat machtige leger verlossen dan de machtige God? Gods kinderen kunnen niet toe met een zwakke God (als ik dit woord mag gebruiken). Zij hebben een machtige God nodig, omdat zij in omstandigheden verkeren waaruit alleen een machtige God hen kan helpen. Want als u uw machtige zonden, uw machtige beproevingen, uw machtige verzoekingen en uw machtige zorgen niet uit ervaring kende, zou u geen machtige God nodig hebben. Dat besef van onze zwakheid en Zijn macht, onze ellende en Zijn barmhartigheid, ons verderf en Zijn herstel, de veelheid van onze zonden en die van Zijn rijkdom van genade — een besef, zeg ik, van deze tegenstrijdige en toch overeenstemmende zaken — maakt dat wij persoonlijke omgang met God hebben. En in die persoonlijke omgang met God bestaat het leven van alle godsvrucht.
O, wat een armzalige, dode, nutteloze godsvrucht is het waarin men geen persoonlijke omgang met God heeft; waarin men de Heere niet met een oprecht hart aanroept, Zijn aangezicht niet zoekt en niet om Zijn gunst smeekt; waarin men niet aan Zijn voeten ligt en Hem smeekt te verschijnen; waarin geen deerniswekkende, beklagenswaardige nood is waarover Hij Zich kan ontfermen; geen wonden of etterbuilen die Hij moet genezen, geen melaatsheid die Hij moet reinigen, geen vijanden die Hij op de vlucht moet jagen, geen angsten die Hij moet verdrijven, en, zou ik bijna zeggen, geen ziel die Hij moet behouden! En toch zijn er duizenden die zo’n godsvrucht hebben. Zij naderen God met hun lippen, maar hun harten zijn ver van Hem. Terwijl zij met hun mond zeggen: „Heere, Heere!”, zeggen zij in hun hart: „Deze zal over ons niet heersen.” Als u van hen onderscheiden bent, en een God van nabij en niet van verre nodig hebt, een Held, een machtige God in het binnenste van uw ziel, uw gedachten, uw wensen en uw genegenheden, dan mag u Hem wel danken voor de genade die u bewezen is, dat u van hen onderscheiden bent. Dan mag u ook dankbaar uw hoofd buigen onder lijden en beproevingen, als middelen in Zijn hand om u met Hem te verenigen.
Een licht, zo groot, zo schoon,
gedaald van ’s hemels troon,
straalt volk bij volk in d’ ogen.
Lofzang van Simeon:2
Aan de lezer…
Soms zijn uw zonden u te sterk, uw beproevingen te zwaar en uw vijanden te geducht. Schrik er dan niet van alsof u iets vreemds overkwam. Juist daardoor leert u dat u met een zwakke God niet toe kunt. Had u uw machtige zonden en uw machtige zorgen niet uit ervaring leren kennen, dan zou u geen machtige God nodig hebben, en zou u Hem nooit met een oprecht hart aanroepen.
Laat de nood u dan drijven tot persoonlijke omgang met Hem, want daarin bestaat het leven van alle godsvrucht. De Heere is geen God van verre, maar Hij is in het midden van Zijn volk, een Held, Die verlossen zal. Zoek Zijn aangezicht, smeek om Zijn gunst, en buig uw hoofd onder het lijden als onder middelen in Zijn hand. Uw ellende is groot, maar Zijn barmhartigheid is groter; uw verderf is diep, maar Zijn rijkdom van genade reikt nog dieper.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
The Lord thy God in the midst of thee is mighty.
Zephaniah 3:17
What a mighty God we have to deal with! And what would suit our case, but a mighty God? Have we not mighty sins? Have we not mighty trials? Have we not mighty temptations? Have we not mighty foes and mighty fears? And who is to deliver us from all this mighty host except the mighty God? It is not a little God (if I may use the expression) that will do for God’s people. They need a mighty God because they are in circumstances where none but a mighty God can intervene in their behalf.
Why, if you did not know feelingly and experimentally your mighty sins, your mighty trials, your mighty temptations, and your mighty fears, you would not need a mighty God. This sense of our weakness and His power, of our misery and His mercy, of our ruin and His recovery, of the aboundings of our sin and the super-aboundings of His grace—a feeling sense, I say, of these opposite yet harmonious things brings us to have personal, experimental dealings with God; and it is in these personal dealings with God that the life of all religion consists.
O what a poor, dead, useless religion is that in which there are no personal dealings with God—no calling upon His holy Name out of a sincere heart; no seeking of His face, or imploring of His favor; no lying at His feet and begging of Him to appear; no pitiable, lamentable case for Him to have compassion upon; no wounds or sores for Him to heal, no leprosy to cleanse, no enemies to put to the rout, no fears to dispel, and, I may almost say, no soul to save!
And yet such is the religion of thousands. They draw near to God with their lips, but their hearts are far from Him, and while they outwardly say, “Lord, Lord,” they inwardly say, “This man shall not have dominion over us.” If you differ from them, and need a God near at hand and not afar off, a mighty God in the very midst of your soul, of your thoughts, desires, and affections, you may well bless Him for the grace which has made you to differ, and thankfully bow your neck to sufferings and trials, as means in His hand to bring you and Him together.
To the reader…
Sometimes your sins are too strong for you, your trials too heavy and your enemies too formidable. Do not be alarmed, as though something strange were happening to you. It is just by this that you learn that a weak God will not do for you. If you had not learned your mighty sins and your mighty cares by experience, you would not need a mighty God, and you would never call upon Him with a sincere heart.
Let your need, then, drive you to personal dealings with Him, for in that the life of all religion consists. The Lord is not a God afar off, but He is in the midst of His people, mighty to save. Seek His face, implore His favour, and bow your neck under suffering as under means in His hand. Your misery is great, but His mercy is greater; your ruin is deep, but the riches of His grace reach deeper still.
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
Jehová en medio de ti, poderoso.
Sofonías 3:17
¡Qué Dios tan poderoso es Aquel con quien tenemos que tratar! ¿Y qué otra cosa convendría a nuestro caso sino un Dios poderoso? ¿No tenemos pecados poderosos? ¿No tenemos pruebas poderosas? ¿No tenemos tentaciones poderosas? ¿No tenemos enemigos poderosos y temores poderosos? ¿Y quién ha de librarnos de toda esta poderosa hueste sino el Dios poderoso? No es un Dios pequeño (si se me permite la expresión) el que sirve para el pueblo de Dios. Necesitan un Dios poderoso, porque están en circunstancias en que nadie sino un Dios poderoso puede intervenir en su favor.
Pues si usted no conociera de manera sentida y experimental sus pecados poderosos, sus pruebas poderosas, sus tentaciones poderosas y sus temores poderosos, no necesitaría un Dios poderoso. Este sentido de nuestra debilidad y de Su poder, de nuestra miseria y de Su misericordia, de nuestra ruina y de Su restauración, de la abundancia de nuestro pecado y de la sobreabundancia de Su gracia; una percepción sentida, digo, de estas cosas opuestas y sin embargo armoniosas, nos lleva a tener tratos personales y experimentales con Dios; y es en estos tratos personales con Dios en lo que consiste la vida de toda religión.
¡Oh, qué religión tan pobre, muerta e inútil es aquella en que no hay tratos personales con Dios; en que no se invoca Su santo Nombre con un corazón sincero; no se busca Su rostro ni se implora Su favor; no se yace a Sus pies rogándole que aparezca; no hay un caso digno de lástima y lamentable del cual Él tenga compasión; no hay heridas ni llagas que Él sane, ni lepra que limpie, ni enemigos que ponga en fuga, ni temores que disipe, y, casi podría decir, ni alma que salve!
Y sin embargo, tal es la religión de miles. Se acercan a Dios con sus labios, pero su corazón está lejos de Él; y mientras exteriormente dicen: “Señor, Señor”, interiormente dicen: “No queremos que este reine sobre nosotros”. Si usted es diferente de ellos, y necesita un Dios cercano y no lejano, un Dios poderoso en medio mismo de su alma, de sus pensamientos, deseos y afectos, bien puede bendecirle por la gracia que le ha hecho diferente, e inclinar con gratitud su cuello a los padecimientos y pruebas, como medios en Su mano para unirle a usted con Él.
Al lector…
A veces sus pecados son demasiado fuertes para usted, sus pruebas demasiado pesadas y sus enemigos demasiado temibles. No se alarme, como si le sucediera alguna cosa extraña. Es precisamente así como aprende que un Dios débil no le basta. Si no hubiera aprendido por experiencia sus pecados poderosos y sus poderosos cuidados, no necesitaría un Dios poderoso, y nunca Le invocaría con un corazón sincero.
Deje, pues, que su necesidad le lleve a tener tratos personales con Él, porque en eso consiste la vida de toda religión. El Señor no es un Dios lejano, sino que está en medio de Su pueblo, poderoso para salvar. Busque Su rostro, implore Su favor e incline su cuello bajo el padecimiento como bajo medios en Su mano. Su miseria es grande, pero Su misericordia es mayor; su ruina es profunda, pero las riquezas de Su gracia llegan más hondo todavía.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl
365 Dagen Met Philpot
De menselijke natuur van Christus
En buiten alle twijfel, de verborgenheid der godzaligheid is groot; God is geopenbaard in het vlees.
1 Timotheüs 3:16
Indien we het juiste onderricht en de juiste geestelijke leiding hebben verkregen, zullen we de vleeswording geen zinloos, droog of vergeefs onderwerp vinden. Zij is de „grote verborgenheid der godzaligheid” en daarom omvat en veroorzaakt zij alle godvruchtigheid. Er is nooit enige ware godvruchtige gedachte, enig waar godvruchtig gevoel of verlangen, nee, geen enkel godvruchtig woord of werk, een godvruchtig hart of godvruchtig leven geweest, noch zal dat er ooit zijn, dat niet voortkomt uit en niet in stand gehouden wordt door de grote verborgenheid van een vleesgeworden God. Er kan, zoals vaak het geval is, een stoffelijk medelijden, een vertiening van munt, dille en komijn (Matth. 23:27), en een grote hoeveelheid goede werken als werkheiligheid voorkomen, zo genoemd los van de genade die in de Heere, het Lam, woont.
Maar godvruchtigheid, zoals gevormd door een nieuwe en hemelse geboorte, met al haar bijkomende vruchten en genaden, kan alleen voortvloeien uit de volheid van een Verbondshoofd, Dat het leven overbrengt aan de leden van Zijn verborgen lichaam. En we weten dat dit Verbondshoofd de Zoon van God is, ooit geopenbaard in het vlees en nu verheven tot de rechterhand van de Vader. Wat zijn Zijn eigen genadige en ware woorden duidelijk aangaande dit punt, dat alle leven in Hem is en uit Hem komt: „Want Ik leef, en gij zult leven” (Joh. 14:19); „Ik ben de Weg, en de Waarheid, en het Leven. Niemand komt tot de Vader, dan door Mij” (Joh. 14:6); „Tenzij dat gij het vlees des Zoons des mensen eet, en Zijn bloed drinkt, zo hebt gij geen leven in uzelven” (Joh. 6:53); „Ik ben de Wijnstok, en gij de ranken; die in Mij blijft, en Ik in hem, die draagt veel vrucht; want zonder Mij kunt gij niets doen” (Joh. 15:5).
Lezen: Efeze 4:1-16
Aan de lezer…
Het kan zijn dat u in uzelf zo weinig ware godsvrucht vindt dat u soms vreest dat er niets van het leven Gods in u is. Zie dan niet langer naar binnen om daar de bron te zoeken. Er is nooit één waar godvruchtig verlangen, één oprecht woord of één heilige gedachte geweest dat niet voortkwam uit de grote verborgenheid van een vleesgeworden God. Al het andere, hoe vroom het ook schijnt, is maar werkheiligheid, los van de genade die in het Lam woont.
Hoort u dan wat Hij Zelf zegt: „Zonder Mij kunt gij niets doen”? Dat is geen hard woord voor een arme ziel, maar een zoete uitnodiging. Het Verbondshoofd is in het vlees geopenbaard en zit nu aan de rechterhand van de Vader, en uit Zijn volheid stroomt het leven naar de leden van Zijn lichaam. Hij heeft gezegd: „Want Ik leef, en gij zult leven.” Blijf dan in Hem, en Hij zal u in uw dorheid niet zonder vrucht laten.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
En buiten alle twijfel, de verborgenheid der godzaligheid is groot; God is geopenbaard in het vlees.
1 Timotheüs 3:16
Als we het juiste onderwijs en de juiste geestelijke leiding hebben ontvangen, zullen we de vleeswording geen zinloos, droog of nutteloos onderwerp vinden. Zij is de „grote verborgenheid der godzaligheid”, en daarom omvat en bewerkt zij alle godvruchtigheid. Er is nooit één ware godvruchtige gedachte, één waar godvruchtig gevoel of verlangen geweest, ja, geen enkel godvruchtig woord of werk, geen godvruchtig hart of godvruchtig leven, en dat zal er ook nooit zijn, dat niet voortkomt uit en in stand gehouden wordt door de grote verborgenheid van een vleesgeworden God. Er kan, zoals vaak gebeurt, een natuurlijke vroomheid zijn, een vertienden van munt, dille en komijn (Matth. 23:27), en een grote hoeveelheid zogenaamde goede werken als werkheiligheid, los van de genade die in de Heere, het Lam, woont.
Maar godvruchtigheid die gevormd wordt door een nieuwe en hemelse geboorte, met al haar bijbehorende vruchten en genaden, kan alleen voortvloeien uit de volheid van een Verbondshoofd, Dat het leven meedeelt aan de leden van Zijn verborgen lichaam. En we weten dat dit Verbondshoofd de Zoon van God is, eens geopenbaard in het vlees en nu verhoogd aan de rechterhand van de Vader. Wat zijn Zijn eigen genadige en ware woorden duidelijk over dit punt, dat alle leven in Hem is en uit Hem komt: „Want Ik leef, en gij zult leven” (Joh. 14:19); „Ik ben de Weg, en de Waarheid, en het Leven. Niemand komt tot de Vader, dan door Mij” (Joh. 14:6); „Tenzij dat gij het vlees des Zoons des mensen eet, en Zijn bloed drinkt, zo hebt gij geen leven in uzelven” (Joh. 6:53); „Ik ben de Wijnstok, en gij de ranken; die in Mij blijft, en Ik in hem, die draagt veel vrucht; want zonder Mij kunt gij niets doen” (Joh. 15:5).
Lezen: Efeze 4:1-16
Aan de lezer…
Het kan zijn dat u in uzelf zo weinig ware godsvrucht vindt dat u soms vreest dat er niets van het leven van God in u is. Kijk dan niet langer naar binnen om daar de bron te zoeken. Er is nooit één waar godvruchtig verlangen, één oprecht woord of één heilige gedachte geweest dat niet voortkwam uit de grote verborgenheid van een vleesgeworden God. Al het andere, hoe vroom het ook lijkt, is maar werkheiligheid, los van de genade die in het Lam woont.
Hoort u wat Hij Zelf zegt: „Zonder Mij kunt gij niets doen”? Dat is geen hard woord voor een arme ziel, maar een zoete uitnodiging. Het Verbondshoofd is in het vlees geopenbaard en zit nu aan de rechterhand van de Vader, en uit Zijn volheid stroomt het leven naar de leden van Zijn lichaam. Hij heeft gezegd: „Want Ik leef, en gij zult leven.” Blijf dan in Hem, en Hij zal u in uw dorheid niet zonder vrucht laten.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
And without controversy great is the mystery of godliness: God was manifest in the flesh.
1 Timothy 3:16
If we have received the right teaching and the right spiritual leading, we shall not find the incarnation a meaningless, dry or unprofitable subject. It is the “great mystery of godliness,” and therefore it contains and works all godliness. There never has been one truly godly thought, one truly godly feeling or desire, yea, not one godly word or work, no godly heart or godly life, nor ever will be, that does not spring from and is not maintained by the great mystery of an incarnate God. There may be, as there often is, a natural piety, a tithing of mint and anise and cummin (Matt. 23:23), and a great quantity of so-called good works as self-righteousness, apart from the grace that dwells in the Lord, the Lamb.
But godliness formed by a new and heavenly birth, with all its attendant fruits and graces, can flow only from the fulness of a Covenant Head, Who communicates life to the members of His mystical body. And we know that this Covenant Head is the Son of God, once manifest in the flesh and now exalted at the right hand of the Father. How plain are His own gracious and true words on this point, that all life is in Him and comes from Him: “Because I live, ye shall live also” (John 14:19); “I am the Way, the Truth, and the Life: no man cometh unto the Father, but by Me” (John 14:6); “Except ye eat the flesh of the Son of man, and drink His blood, ye have no life in you” (John 6:53); “I am the Vine, ye are the branches: he that abideth in Me, and I in him, the same bringeth forth much fruit: for without Me ye can do nothing” (John 15:5).
Reading: Ephesians 4:1-16
To the reader…
It may be that you find so little true godliness in yourself that you sometimes fear there is nothing of the life of God in you. Then do not look inward any longer to find the fountain there. There has never been one true godly desire, one sincere word or one holy thought that did not spring from the great mystery of an incarnate God. All else, however pious it may seem, is but self-righteousness, apart from the grace that dwells in the Lamb.
Do you hear what He Himself says: “Without Me ye can do nothing”? That is no hard word for a poor soul, but a sweet invitation. The Covenant Head was manifest in the flesh and now sits at the right hand of the Father, and out of His fulness life flows to the members of His body. He has said, “Because I live, ye shall live also.” Abide, then, in Him, and He will not leave you without fruit in your barrenness.
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
Y sin contradicción, grande es el misterio de la piedad: Dios ha sido manifestado en carne.
1 Timoteo 3:16
Si hemos recibido la debida enseñanza y la debida dirección espiritual, no hallaremos la encarnación un tema sin sentido, seco o sin provecho. Es el “grande misterio de la piedad”, y por eso contiene y obra toda piedad. Nunca ha habido un solo pensamiento verdaderamente piadoso, un solo sentimiento o deseo verdaderamente piadoso, sí, ni una sola palabra u obra piadosa, ningún corazón piadoso ni vida piadosa, ni lo habrá jamás, que no brote del gran misterio de un Dios encarnado y no sea sostenido por él. Puede haber, como a menudo lo hay, una piedad natural, un diezmar la menta y el eneldo y el comino (Mt. 23:23), y gran cantidad de llamadas buenas obras como justicia propia, aparte de la gracia que mora en el Señor, el Cordero.
Pero la piedad formada por un nuevo y celestial nacimiento, con todos sus frutos y gracias que la acompañan, solo puede fluir de la plenitud de una Cabeza del pacto, que comunica vida a los miembros de Su cuerpo místico. Y sabemos que esta Cabeza del pacto es el Hijo de Dios, una vez manifestado en carne y ahora exaltado a la diestra del Padre. ¡Cuán claras son Sus propias palabras, llenas de gracia y verdad, sobre este punto: que toda vida está en Él y procede de Él! “Porque Yo vivo, y vosotros también viviréis” (Jn. 14:19); “Yo soy el Camino, y la Verdad, y la Vida: nadie viene al Padre, sino por Mí” (Jn. 14:6); “Si no comiereis la carne del Hijo del hombre, y bebiereis Su sangre, no tendréis vida en vosotros” (Jn. 6:53); “Yo soy la Vid, vosotros los pámpanos: el que está en Mí, y Yo en él, este lleva mucho fruto; porque sin Mí nada podéis hacer” (Jn. 15:5).
Lectura: Efesios 4:1-16
Al lector…
Puede ser que halle tan poca verdadera piedad en sí mismo que a veces teme que no haya nada de la vida de Dios en usted. Entonces no mire más hacia dentro para hallar allí la fuente. Nunca ha habido un solo deseo verdaderamente piadoso, una sola palabra sincera ni un solo pensamiento santo que no brotara del gran misterio de un Dios encarnado. Todo lo demás, por piadoso que parezca, no es sino justicia propia, aparte de la gracia que mora en el Cordero.
¿Oye usted lo que Él mismo dice: “Sin Mí nada podéis hacer”? Esa no es una palabra dura para un alma pobre, sino una dulce invitación. La Cabeza del pacto fue manifestada en carne y ahora está sentada a la diestra del Padre, y de Su plenitud fluye la vida a los miembros de Su cuerpo. Él ha dicho: “Porque Yo vivo, y vosotros también viviréis”. Permanezca, pues, en Él, y no le dejará sin fruto en su esterilidad.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl
Door Baca's Vallei
Het geloof nu is een vaste grond der dingen, die men hoopt, en een bewijs der zaken, die men niet ziet.
Hebreeën 11:1
Wat een uitnemende genade is de genade des geloofs! Ik noem het somtijds de koningin der genaden; want het geloof schijnt de voorhoede te leiden, ofschoon de hoop en de liefde bijna zij aan zij volgen. Maar toch schijnt het geloof als de koningin in de allervoorste linie te gaan en de voornaamste plaats te vorderen. Nu, wat is het geloof? Dat is een vraag uit vele vragen, want daarvan hangt hemel of hel af. God Zelf geeft ons een klaar bescheid daarvan, waar Hij zegt: „Het geloof is een vaste grond der dingen, die men hoopt.”
Met andere woorden: het geloof in de ziel geeft een verwezenlijking aan de dingen waarin wij gebracht worden te hopen; het neemt wat voor de meeste mensen maar luchtige schaduwen, maar woorden en namen zijn, weg en geeft ze een wezenlijk bestaan, een vaste, blijvende plaats in het hart en de consciëntie. De apostel noemt het ook: „een bewijs der zaken, die men niet ziet.” Dit is het geloof door het getuigenis van God te geloven; het is voor ons een inwendig oog, waardoor wij die dingen zien die voor het natuurlijk oog onzichtbaar zijn. Dus, de onderscheiding van de apostel overnemende, mogen wij het geloof het oog der ziel noemen, gelijk wij lezen: „Door het geloof hield hij zich vast, als ziende de Onzienlijke.”
Want het is alleen door het geloof dat wij op God of de dierbare dingen van God zien. Het is alleen door het geloof dat wij hun kracht gevoelen. Het is alleen door het geloof dat wij kennis hebben van de wezenlijkheid dier dingen, of dat wij voor onszelf een wezenlijk aandeel daarin hebben.
Maar dit geloof is een bijzondere gave Gods. Het is niet het resultaat van onze redenering of van bewijsstukken die wij zouden kunnen aanvoeren. Het komt niet voort uit de oefening van enig verstandelijk vermogen; ook kan het niet worden voortgebracht uit enig historiëel betoog. Het is een bijzondere gave Gods, een genade van de Geest, door de kracht Gods in de ziel gewrocht, en het handelt overeenkomstig de waarheid Gods, zoals de gezegende Geest erin leidt. Jezus is de Beginner en de Voleinder, en ik geloof dat wij niet meer en niet minder geloof hebben dan het Hem behaagt door Zijn almachtige kracht ons te geven en in ons hart te onderhouden.
Maar ziende op het geloof en enige van zijn eigenschappen, zullen wij een weinig uitbreiden en beschrijven hoe het geloof werkt. Er is een uitdrukking van de apostel die een zoet licht werpt op het werk des geloofs, waar hij zegt: „Want ook ons is het Evangelie verkondigd, gelijk als hun; maar het Woord der prediking deed hun geen nut, dewijl het met het geloof niet gemengd was in degenen, die het gehoord hebben.” Hij brengt hier een bijzondere werking van het geloof naar voren, namelijk dat het zich mengt met het Woord der waarheid. En dit doet het aldus: God de Heilige Geest past het Woord toe op de consciëntie. Hij schept de genade des geloofs; deze genade des geloofs grijpt het getuigenis van God aan, en zo vermengt zij zich met dit getuigenis en gaat erop in, eigent het zich toe en aanvaardt het als een zelfstandige werkelijkheid, en zo geeft zij het geloof een persoonlijke inwoning.
Zie dit in het geval van Abram. God komt tot hem in een gezicht en zegt tot hem: „En vrees niet, Abram, Ik ben u een schild, uw loon zeer groot.” Maar Abram, in een vlaag van ongeloof, zegt: „Wat zult Gij mij geven, daar ik zonder kinderen henenga, en de bezorger van mijn huis is deze Damaskener Eliëzer?” Toen leidde de Heere hem uit naar buiten en zeide tot hem: „Zie nu op naar de hemel en tel de sterren, indien gij ze tellen kunt. En Hij zeide tot hem: Zo zal uw zaad zijn.” Nu, hier was het getuigenis van God in een zekere belofte aan Abrams consciëntie, en onmiddellijk daarop vloeit het geloof in, want wij lezen: „En Abram geloofde in de Heere, en Hij rekende het hem tot gerechtigheid.”
Toen God tot zijn ziel sprak, geloofde Abram door de werking van de Geest van God in zijn hart. Hij geloofde wat God tot hem zeide; inwendig en geestelijkerwijze hechtte hij daaraan geloof, want hij gevoelde wat God de Heilige Geest met kracht aan zijn hart toepaste. Want dezelfde Geest, Die het Woord aan zijn hart toepaste, verwekte het geloof in zijn ziel, hetgeen zich mengde met het toegepaste Woord, en zo verkreeg het Woord een vaste, blijvende plaats in zijn consciëntie.
Aan de lezer…
Zijn de dingen van God u soms niet meer dan woorden en namen, luchtige schaduwen waaraan u geen wezen kunt geven, hoe u ook uw best doet? Weet dan, waarde lezer, dat het ware geloof niet uit uw redeneringen voortkomt, en ook niet door enig betoog kan worden voortgebracht. Het is een bijzondere gave Gods, een genade van de Geest, en Jezus is er de Beginner en de Voleinder van. U hebt niet meer en niet minder geloof dan het Hem behaagt u te geven.
Dat is geen reden tot moedeloosheid, maar tot verwachting. Zoals de Heere Abram in zijn ongeloof naar buiten leidde en hem de sterren deed tellen, zo kan Hij ook tot uw ziel spreken. Dan mengt het geloof zich met het Woord, grijpt het getuigenis van God aan en geeft het een vaste, blijvende plaats in uw consciëntie. Zie dan op Hem, Die het geloof schept en onderhoudt, en wacht op Zijn woord, opdat u als ziende de Onzienlijke mag volharden.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Het geloof nu is een vaste grond der dingen, die men hoopt, en een bewijs der zaken, die men niet ziet.
Hebreeën 11:1
Wat een uitnemende genade is de genade van het geloof! Ik noem het soms de koningin van de genaden; want het geloof lijkt de voorhoede te leiden, al volgen de hoop en de liefde bijna zij aan zij. Maar toch lijkt het geloof als koningin in de allervoorste linie te gaan en de voornaamste plaats op te eisen. Wat is nu het geloof? Dat is een vraag boven vele vragen, want daarvan hangen hemel of hel af. God Zelf geeft ons er een duidelijk antwoord op, waar Hij zegt: „Het geloof is een vaste grond der dingen, die men hoopt.”
Met andere woorden: het geloof in de ziel geeft werkelijkheid aan de dingen waarop wij leren hopen. Wat voor de meeste mensen maar luchtige schaduwen, maar woorden en namen zijn, neemt het op en geeft het een wezenlijk bestaan, een vaste, blijvende plaats in hart en geweten. De apostel noemt het ook: „een bewijs der zaken, die men niet ziet.” Dat is het geloof door het getuigenis van God te geloven; het is voor ons een inwendig oog, waardoor wij de dingen zien die voor het natuurlijke oog onzichtbaar zijn. Als wij het onderscheid van de apostel overnemen, mogen wij het geloof dus het oog van de ziel noemen, zoals wij lezen: „Door het geloof hield hij zich vast, als ziende de Onzienlijke.”
Want alleen door het geloof zien wij op God of op de dierbare dingen van God. Alleen door het geloof voelen wij hun kracht. Alleen door het geloof kennen wij de werkelijkheid van die dingen, of weten wij dat wij er zelf werkelijk deel aan hebben.
Maar dit geloof is een bijzondere gave van God. Het is niet het resultaat van onze redeneringen of van bewijzen die wij zouden kunnen aanvoeren. Het komt niet voort uit het gebruik van een verstandelijk vermogen; ook kan het niet worden voortgebracht door een historisch betoog. Het is een bijzondere gave van God, een genade van de Geest, door de kracht van God in de ziel gewerkt, en het handelt in overeenstemming met de waarheid van God, zoals de gezegende Geest erin leidt. Jezus is de Beginner en de Voleinder, en ik geloof dat wij niet meer en niet minder geloof hebben dan het Hem behaagt ons door Zijn almachtige kracht te geven en in ons hart te onderhouden.
Maar nu wij letten op het geloof en op enkele van zijn eigenschappen, willen wij wat verder gaan en beschrijven hoe het geloof werkt. Er is een uitdrukking van de apostel die een zoet licht werpt op het werk van het geloof, waar hij zegt: „Want ook ons is het Evangelie verkondigd, gelijk als hun; maar het Woord der prediking deed hun geen nut, dewijl het met het geloof niet gemengd was in degenen, die het gehoord hebben.” Hij brengt hier een bijzondere werking van het geloof naar voren, namelijk dat het zich vermengt met het Woord van de waarheid. Dat gaat zo: God de Heilige Geest past het Woord toe op het geweten. Hij schept de genade van het geloof; deze genade van het geloof grijpt het getuigenis van God aan, en zo vermengt zij zich met dit getuigenis en gaat zij erop in, eigent het zich toe en aanvaardt het als een zelfstandige werkelijkheid, en zo geeft zij het geloof een persoonlijke inwoning.
Zie dit bij Abram. God komt in een gezicht tot hem en zegt: „En vrees niet, Abram, Ik ben u een schild, uw loon zeer groot.” Maar Abram zegt in een vlaag van ongeloof: „Wat zult Gij mij geven, daar ik zonder kinderen henenga, en de bezorger van mijn huis is deze Damaskener Eliëzer?” Toen leidde de Heere hem naar buiten en zei tegen hem: „Zie nu op naar de hemel en tel de sterren, indien gij ze tellen kunt. En Hij zeide tot hem: Zo zal uw zaad zijn.” Hier was dus het getuigenis van God in een bepaalde belofte aan het geweten van Abram, en onmiddellijk daarop vloeit het geloof binnen, want wij lezen: „En Abram geloofde in de Heere, en Hij rekende het hem tot gerechtigheid.”
Toen God tot zijn ziel sprak, geloofde Abram door de werking van de Geest van God in zijn hart. Hij geloofde wat God tegen hem zei; inwendig en geestelijk hechtte hij daar geloof aan, want hij voelde wat God de Heilige Geest met kracht op zijn hart toepaste. Want dezelfde Geest Die het Woord op zijn hart toepaste, wekte het geloof in zijn ziel, dat zich vermengde met het toegepaste Woord, en zo kreeg het Woord een vaste, blijvende plaats in zijn geweten.
Aan de lezer…
Zijn de dingen van God voor u soms niet meer dan woorden en namen, luchtige schaduwen waaraan u geen werkelijkheid kunt geven, hoe u ook uw best doet? Weet dan, waarde lezer, dat het ware geloof niet uit uw redeneringen voortkomt, en ook niet door een betoog kan worden voortgebracht. Het is een bijzondere gave van God, een genade van de Geest, en Jezus is er de Beginner en de Voleinder van. U hebt niet meer en niet minder geloof dan het Hem behaagt u te geven.
Dat is geen reden tot moedeloosheid, maar tot verwachting. Zoals de Heere Abram in zijn ongeloof naar buiten leidde en hem de sterren liet tellen, zo kan Hij ook tot uw ziel spreken. Dan vermengt het geloof zich met het Woord, grijpt het het getuigenis van God aan en geeft het dat een vaste, blijvende plaats in uw geweten. Zie dan op Hem, Die het geloof schept en onderhoudt, en wacht op Zijn woord, zodat u mag volharden als ziende de Onzienlijke.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
“Now faith is the substance of things hoped for, the evidence of things not seen.”
Hebrews 11:1
What an eminent grace is the grace of faith! I call it, sometimes, the Queen of graces; for faith seems to lead the van, though hope and love follow almost side by side. But still, faith, as the Queen, seems to go in the foremost rank, and to claim the most eminent place. Now, what is faith? That is a question of questions, for on it hangs heaven or hell. God Himself has given us a clear definition of it, where He says, “faith is the substance of things hoped for.”
In other words, faith in the soul gives a realization to the things in which we are brought to hope, takes what to most men are airy shadows, mere words and names, and gives them a substantial existence, a firm abiding place in the heart and conscience. The Apostle calls it also “the evidence of things not seen.” That is, faith, by believing the testimony of God, is to us an internal eye, whereby we see those things, which to the natural eye are invisible.
Thus adopting the Apostle’s definition, we may call faith the eye of the soul, as we read, “By faith he endured, seeing Him Who is invisible.” For it is only by faith that we see either God, or the precious things of God. It is only by faith that we feel their power. It is only by faith that we know they have a real subsistence, or that we ourselves have a substantial saving interest in them.
But this faith is the special gift of God. It is not the exercise of any intellectual faculty. It is not the result of reasoning or argument. Nor does it spring from any historical proof. It is a special gift of God, a grace of the Spirit raised up by the power of God in the soul, and acting upon the truth of God as the blessed Spirit draws it forth. Jesus is the Author; Jesus is the Finisher of it; and we have no more, and I believe no less faith, than He Himself, by His almighty power, is pleased to grant and to sustain.
But, looking at faith and some of its properties, we may branch out a little in describing how faith acts. There is an expression of the Apostle’s that casts a sweet light upon the work of faith, where he says, “Unto us was the gospel preached, as well as unto them; but the word preached did not profit them, not being mixed with faith in those who heard it.” Here he brings forward a special operation of faith, in that it mixes with the word of truth. And it does it thus. God the Holy Spirit applies God’s word to the conscience. He thus raises up the grace of faith; this grace of faith embraces God’s testimony, and so intermingles itself with this testimony that it enters into it, appropriates it, and gives it a substantial realization and personal indwelling.
See how this was done in the instance of Abram. God comes to him in the night visions, and says to him, “Fear not, I am your shield and exceeding great reward.” But Abram, in a fit of unbelief, says, “What will You give me, seeing I go childless, and the steward of my house is this Eliezer of Damascus?” The Lord then takes him abroad and shows him the stars of the sky, and tells him, “So shall your seed be.” Now here was the testimony of God in a certain promise to Abram’s conscience; upon this, faith immediately sprang up in his soul; for we read, “Abram believed God, and it was counted unto him for righteousness.”
When God spoke to his soul, Abram believed it by the operation of God’s Spirit on his heart. So it is with every child of God. He believes what God speaks to him, he inwardly, spiritually credits it, because he feels what God the Spirit applies to his soul with power; for the same Spirit that applies God’s word to his heart raises up the faith in his soul that mixes with the word applied, and thus gives the word a substantial realization, a firm abiding place in his conscience.
To the reader…
Are the things of God sometimes no more to you than words and names, airy shadows to which you cannot give any reality, however hard you try? Then know, dear reader, that true faith does not come from your reasonings, nor can it be produced by an argument. It is a special gift of God, a grace of the Spirit, and Jesus is its Author and Finisher. You have no more and no less faith than it pleases Him to give you.
That is no reason for despondency, but for expectation. As the Lord led Abram outside in his unbelief and let him count the stars, so He can also speak to your soul. Then faith mixes with the Word, lays hold of the testimony of God and gives it a firm, abiding place in your conscience. Look, then, to Him Who creates and sustains faith, and wait for His word, so that you may endure as seeing Him Who is invisible.
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
“Es pues la fe la sustancia de las cosas que se esperan, la demostración de las cosas que no se ven.”
Hebreos 11:1
¡Qué gracia tan eminente es la gracia de la fe! A veces la llamo la Reina de las gracias; porque la fe parece ir a la vanguardia, aunque la esperanza y el amor la siguen casi a su lado. Pero aun así la fe, como Reina, parece ir en la primera fila y reclamar el lugar más eminente. Ahora bien, ¿qué es la fe? Esa es la pregunta de las preguntas, porque de ella dependen el cielo o el infierno. Dios mismo nos ha dado una definición clara de ella, donde dice: “La fe es la sustancia de las cosas que se esperan.”
En otras palabras, la fe en el alma da realidad a las cosas en las que somos llevados a esperar; toma lo que para la mayoría de los hombres son sombras vaporosas, meras palabras y nombres, y les da una existencia sustancial, un lugar firme y permanente en el corazón y la conciencia. El Apóstol la llama también “la demostración de las cosas que no se ven”. Es decir, la fe, al creer el testimonio de Dios, es para nosotros un ojo interior, por el cual vemos aquellas cosas que para el ojo natural son invisibles.
Así, adoptando la definición del Apóstol, podemos llamar a la fe el ojo del alma, como leemos: “Se sostuvo como viendo al Invisible.” Porque solo por la fe vemos a Dios o las cosas preciosas de Dios. Solo por la fe sentimos su poder. Solo por la fe sabemos que tienen una existencia real, o que nosotros mismos tenemos en ellas una parte sustancial y salvadora.
Pero esta fe es don especial de Dios. No es el ejercicio de ninguna facultad intelectual. No es el resultado del razonamiento ni de la argumentación. Tampoco brota de prueba histórica alguna. Es un don especial de Dios, una gracia del Espíritu levantada en el alma por el poder de Dios, y que obra sobre la verdad de Dios según el bendito Espíritu la hace salir. Jesús es su Autor; Jesús es su Consumador; y no tenemos más fe, y creo que tampoco menos, que la que Él mismo, por Su poder omnipotente, tiene a bien conceder y sostener.
Pero, al considerar la fe y algunas de sus propiedades, podemos extendernos un poco describiendo cómo obra la fe. Hay una expresión del Apóstol que arroja una dulce luz sobre la obra de la fe, cuando dice: “Porque también a nosotros se nos ha evangelizado como a ellos; mas no les aprovechó el oír la palabra a los que la oyeron sin mezclar fe.” Aquí presenta una operación especial de la fe: que se mezcla con la palabra de verdad. Y lo hace así. Dios el Espíritu Santo aplica la palabra de Dios a la conciencia. Así levanta la gracia de la fe; esta gracia de la fe abraza el testimonio de Dios, y se entremezcla de tal modo con este testimonio que entra en él, se lo apropia y le da una realización sustancial y una morada personal.
Vea cómo se hizo esto en el caso de Abram. Dios viene a él en visión de noche y le dice: “No temas, Abram; Yo soy tu escudo, y tu galardón sobremanera grande.” Pero Abram, en un arranque de incredulidad, dice: “¿Qué me has de dar, siendo así que ando sin hijo, y el mayordomo de mi casa es ese damasceno Eliezer?” Entonces el Señor le saca fuera, le muestra las estrellas del cielo y le dice: “Así será tu simiente.” Aquí estaba el testimonio de Dios en una promesa cierta a la conciencia de Abram; sobre esto, la fe brotó inmediatamente en su alma; porque leemos: “Y creyó a Jehová, y contóselo por justicia.”
Cuando Dios habló a su alma, Abram lo creyó por la operación del Espíritu de Dios en su corazón. Así sucede con todo hijo de Dios. Cree lo que Dios le habla; interior y espiritualmente le da crédito, porque siente lo que Dios el Espíritu aplica a su alma con poder; pues el mismo Espíritu que aplica la palabra de Dios a su corazón levanta en su alma la fe que se mezcla con la palabra aplicada, y así da a la palabra una realización sustancial, un lugar firme y permanente en su conciencia.
Al lector…
¿Son a veces las cosas de Dios para usted nada más que palabras y nombres, sombras vaporosas a las que no puede dar realidad alguna, por mucho que lo intente? Sepa entonces, querido lector, que la fe verdadera no procede de sus razonamientos, ni puede producirse con un argumento. Es un don especial de Dios, una gracia del Espíritu, y Jesús es su Autor y Consumador. No tiene usted más ni menos fe que la que a Él Le place darle.
Eso no es motivo de desaliento, sino de expectación. Así como el Señor sacó fuera a Abram en su incredulidad y le hizo contar las estrellas, así puede hablar también a su alma. Entonces la fe se mezcla con la Palabra, se aferra al testimonio de Dios y le da un lugar firme y permanente en su conciencia. Mire, pues, a Aquel que crea y sostiene la fe, y espere Su palabra, para que se sostenga como viendo al Invisible.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl