vandaag verschenen
Het gesprek van een gelovige met zijn ziel
Een uitleg van Psalm 42:12 als gesprek tussen David en zijn ziel: waarom de ziel terneergeslagen en onrustig is, waarom ze op God moet hopen en hoe die hoop uitloopt…
7 dagen geleden verschenen
Het woord van Gods genade
Een uitleg van Handelingen 20:32: Paulus beveelt de oudsten van Efeze aan God en aan het woord van Zijn genade. Alleen dat woord, door de Geest toegepast, bouwt de ziel…
12 dagen geleden verschenen
Schatten in de duisternis
Uitleg van Jesaja 45:2,3 voor Gods kinderen: de Heere gaat voor hen uit, maakt kromme wegen recht, verbreekt koperen deuren en ijzeren grendels, geeft verborgen schatten en leert hen zo…
2 weken geleden verschenen
Verkrijgen en verliezen
Naar Prediker 3:6: een levende ziel verkrijgt geestelijke dingen, van kennis van God en van zichzelf tot geloof en vergeving, maar verliest ook haar eigen gerechtigheid en kracht. De preek…
Het schudden van wat gemaakt is en de vastheid van wat gegeven is
Over Hebreeën 12:27,28: wat gemaakt is, wordt geschud en weggenomen, wat God geeft blijft. Het Koninkrijk dat niet bewogen kan worden wordt door geloof ontvangen, door genade vastgehouden en draagt…
Korenaren Uit De Volle Oogst
En zij zullen uitspruiten tussen in het gras.
Jesaja 44:4
Hier wordt van ’s Heeren volk gesproken als opeens „uitspruitende” door de invloed der uitgegoten wateren en stromen. De geestelijke betekenis van dit beeld is even duidelijk als zeker. In die brandende hemelstreken, waar het water niet in alle jaargetijden van de hemel valt, zoals in ons vochtig klimaat, is de uitwerking der zware regenbuien op de uitgedroogde planten allerwonderlijkst. In weinige dagen is de aanblik der aarde geheel veranderd, en van alle kanten ontspringt de plantengroei, als opgeschrikt, met reusachtige groeikracht uit de schoot van de hete grond. Hierop zinspeelt het beeld in de tekst: „zij zullen uitspruiten”, d.i. de kinderen Zions, „als tussen het gras”, met al die jeugdige en werkzame kracht die zo duidelijk de macht en de zegen van God openbaart.
Maar wat moeten wij verstaan door de uitdrukking „gras”? Mogen wij dit niet zinnebeeldig voor het vlees verklaren, volgens de woorden van de profeet: „Alle vlees is als gras” (Jesaja 40:6)? Al de trotsheid, de pracht, de schoonheid van het vlees zijn slechts het gras gelijk; want „alle heerlijkheid des mensen is als een bloem des velds” (1 Petrus 1:24), die, wanneer zij door de zeis des maaiers is afgesneden, spoedig verwelkt, tot hopen vergaderd en van het veld weggedaan wordt. Aldus beschouwd, kunnen wij de kinderen Gods beschouwen als de spruiten tussen het gras, die het prachtig versieren — het enige schoon tussen de groene halmpjes. O, hoe zalig is het, de kinderen Gods hier en daar tussen het gras, dat overal de weide zo dicht bedekt, te zien uitspruiten!
Er is een tijd geweest dat gij onder het gras verborgen waart — toen uw wortel, ofschoon reeds een bloem in Gods oog, nog in het stof lag en gij van onder dat dichte groen niet te onderscheiden waart. Maar een bloem zijnde, een van de eigen leliën des Verlossers, onder wie gij weidt (Hooglied 6:3), sproot gij, toen de regen des hemels op u afdroop, uit te midden van het dichte gras dat u voor het oog verborg.
De stedelingen zullen bloeien,
gelijk het malse kruid.
Ps. 72:9
Aan de lezer…
Het kan zijn dat u nog als onder het dichte gras verborgen ligt, zodat u uzelf nauwelijks van de wereld om u heen kunt onderscheiden. Is uw ziel als een uitgedroogde grond in een brandende hemelstreek, waar het lang niet geregend heeft? Wanhoop dan niet. Wat in Gods oog reeds een bloem is, kan nog in het stof liggen, en het is Zijn hand die de regen des hemels doet afdruipen wanneer Zijn tijd gekomen is.
Alle vlees is als gras, en al de pracht en schoonheid van het vlees verwelkt onder de zeis des maaiers. Maar wanneer de wateren Zijner genade uitgegoten worden, spruit de lelie des Verlossers op, met een kracht die niet uit de grond, maar uit Hem is. Zie dan niet naar uw dorheid, maar naar Hem Die de regen geeft. Hij weidt onder Zijn leliën, en Hij weet waar de Zijnen tussen het gras verborgen liggen.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
En zij zullen uitspruiten tussen in het gras.
Jesaja 44:4
Hier wordt over het volk van de Heere gesproken als een volk dat plotseling „uitspruit” door de invloed van de uitgegoten wateren en stromen. De geestelijke betekenis van dit beeld is even duidelijk als zeker. In die verzengende hemelstreken, waar het water niet in alle jaargetijden uit de hemel valt zoals in ons vochtige klimaat, is de uitwerking van de zware regenbuien op de uitgedroogde planten uiterst wonderlijk. In een paar dagen is het aanzien van de aarde helemaal veranderd, en van alle kanten schiet het groen, als opgeschrikt, met reusachtige groeikracht op uit de schoot van de hete grond. Daarop zinspeelt het beeld in de tekst: „zij zullen uitspruiten”, dat wil zeggen de kinderen van Sion, „als tussen het gras”, met al die jeugdige en werkzame kracht die zo duidelijk de macht en de zegen van God openbaart.
Maar wat moeten wij verstaan onder de uitdrukking „gras”? Mogen wij dit niet zinnebeeldig uitleggen als het vlees, volgens de woorden van de profeet: „Alle vlees is als gras” (Jesaja 40:6)? Alle trots, alle pracht, alle schoonheid van het vlees is slechts als gras; want „alle heerlijkheid des mensen is als een bloem des velds” (1 Petrus 1:24), die, wanneer zij door de zeis van de maaier is afgesneden, spoedig verwelkt, op hopen wordt verzameld en van het veld wordt weggehaald. Zo bezien kunnen wij de kinderen van God beschouwen als de spruiten tussen het gras, die het prachtig versieren — het enige schoons tussen de groene halmpjes. O, hoe heerlijk is het de kinderen van God hier en daar te zien uitspruiten tussen het gras dat overal de weide zo dicht bedekt!
Er is een tijd geweest dat u onder het gras verborgen was — toen uw wortel, hoewel al een bloem in Gods oog, nog in het stof lag en u onder dat dichte groen niet te onderscheiden was. Maar omdat u een bloem was, een van de eigen leliën van de Verlosser, onder wie Hij weidt (Hooglied 6:3), sproot u, toen de regen van de hemel op u neerdroop, op te midden van het dichte gras dat u voor het oog verborg.
De stedelingen zullen bloeien,
gelijk het malse kruid.
Ps. 72:9
Aan de lezer…
Het kan zijn dat u nog als onder het dichte gras verborgen ligt, zodat u uzelf nauwelijks kunt onderscheiden van de wereld om u heen. Is uw ziel als uitgedroogde grond in een verzengende hemelstreek, waar het lang niet geregend heeft? Wanhoop dan niet. Wat in Gods oog al een bloem is, kan nog in het stof liggen, en het is Zijn hand die de regen van de hemel laat neerdruppelen wanneer Zijn tijd gekomen is.
Alle vlees is als gras, en alle pracht en schoonheid van het vlees verwelkt onder de zeis van de maaier. Maar wanneer de wateren van Zijn genade uitgegoten worden, spruit de lelie van de Verlosser op, met een kracht die niet uit de grond, maar uit Hem is. Zie dan niet naar uw dorheid, maar naar Hem Die de regen geeft. Hij weidt onder Zijn leliën, en Hij weet waar de Zijnen tussen het gras verborgen liggen.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
And they shall spring up as among the grass.
Isaiah 44:4
The Lord’s people are spoken of here as at once “springing up” under the influence of the water poured, and of the floods given. We cannot mistake the spiritual meaning of the figure, as it is so clear and certain. In those burning regions where rain does not fall at all seasons from the skies, as in our dripping climate, the effect of copious showers falling upon the parched vegetation is almost miraculous. A few days completely reverse the scene, and on every side vegetation springs up as if it started with gigantic growth out of the bosom of the heated soil. To this the figure in the text alludes, “They shall spring up,” that is, Zion’s children, “as among the grass,” with all that young and active growth which so clearly manifests the power and the blessing of God.
But what may we understand by the expression “grass?” May we not interpret it as emblematic of the flesh, according to the words of the prophet, “All flesh is grass!” (Isa. 40:6.) All the pride, pomp, and beauty of the flesh are but as grass, for “all the glory of man is as the flower of grass” (1 Peter 1:24), which, when cut down by the scythe, soon withers, is gathered into heaps, and swept away out of the field. In this point of view we may consider the children of God to spring up among the sons of men as flowers among the grass, bedecking it with beauty—the only beautiful objects among the green blades.
O how blessed it is to see children of God springing up here and there among the grass which everywhere so thickly covers the meadow! Time may have been when you were hidden beneath the grass—when, though a flower in God’s sight, your root was in the dust, and you lay undistinguished amid the thick herbage. But being a flower, one of the Redeemer’s own lilies, among whom He feeds (Song Sol. 6:3), when the rain of heaven dropped upon you, you sprang up amid the crowded blades which before hid you from view.
To the reader…
It may be that you still lie hidden as beneath the thick grass, so that you can hardly distinguish yourself from the world around you. Is your soul like parched ground in a burning region, where it has not rained for a long time? Do not despair. What is already a flower in God’s sight may still lie in the dust, and it is His hand that lets the rain of heaven drop down when His time has come.
All flesh is grass, and all the pomp and beauty of the flesh withers under the reaper’s scythe. But when the waters of His grace are poured out, the Redeemer’s lily springs up, with a strength that comes not from the soil, but from Him. Do not look, then, at your barrenness, but at Him Who gives the rain. He feeds among His lilies, and He knows where His own lie hidden among the grass.
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
Y brotarán entre hierba.
Isaías 44:4
Del pueblo del Señor se habla aquí como “brotando” enseguida bajo la influencia del agua derramada y de los ríos dados. No podemos equivocarnos en cuanto al sentido espiritual de la figura, pues es tan claro y cierto. En aquellas regiones ardientes donde la lluvia no cae del cielo en todas las estaciones, como en nuestro clima lluvioso, el efecto de abundantes lluvias que caen sobre la vegetación reseca es casi milagroso. Unos pocos días cambian por completo la escena, y por todos lados la vegetación brota como si surgiera con un crecimiento gigantesco del seno del suelo caldeado. A esto alude la figura del texto: “Brotarán”, es decir, los hijos de Sion, “entre hierba”, con todo aquel crecimiento joven y vigoroso que tan claramente manifiesta el poder y la bendición de Dios.
Pero ¿qué podemos entender por la expresión “hierba”? ¿No podemos interpretarla como emblema de la carne, según las palabras del profeta: “Toda carne es hierba”? (Isaías 40:6). Todo el orgullo, la pompa y la hermosura de la carne no son sino como hierba, porque “toda la gloria del hombre es como la flor de la hierba” (1 Pedro 1:24), que, cortada por la guadaña, pronto se seca, se amontona y es barrida del campo. Desde este punto de vista podemos considerar que los hijos de Dios brotan entre los hijos de los hombres como flores entre la hierba, adornándola de hermosura: los únicos objetos hermosos entre las hojas verdes.
¡Oh, qué bendito es ver a los hijos de Dios brotar aquí y allá entre la hierba que por todas partes cubre tan densamente el prado! Quizá hubo un tiempo en que usted estaba escondido bajo la hierba; en que, aunque era una flor a los ojos de Dios, su raíz estaba en el polvo y yacía sin distinguirse entre la espesa hierba. Pero siendo una flor, uno de los propios lirios del Redentor, entre los cuales Él apacienta (Cantares 6:3), cuando la lluvia del cielo cayó sobre usted, brotó entre las apretadas hojas que antes le ocultaban de la vista.
Al lector…
Puede ser que usted todavía yazca escondido como bajo la espesa hierba, de modo que apenas puede distinguirse del mundo que le rodea. ¿Es su alma como tierra reseca en una región ardiente, donde hace mucho tiempo que no llueve? No desespere. Lo que ya es una flor a los ojos de Dios puede yacer todavía en el polvo, y es Su mano la que hace caer la lluvia del cielo cuando ha llegado Su tiempo.
Toda carne es hierba, y toda la pompa y la hermosura de la carne se seca bajo la guadaña del segador. Pero cuando se derraman las aguas de Su gracia, el lirio del Redentor brota, con una fuerza que no viene del suelo, sino de Él. No mire, pues, su esterilidad, sino a Aquel que da la lluvia. Él apacienta entre Sus lirios, y sabe dónde yacen escondidos los Suyos entre la hierba.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl
365 Dagen Met Philpot
Hebt de wereld niet lief
Hebt de wereld niet lief, noch hetgeen in de wereld is; zo iemand de wereld liefheeft, de liefde des Vaders is niet in hem. Want al wat in de wereld is, namelijk de begeerlijkheid des vleses, en de begeerlijkheid der ogen en de grootsheid des levens, is niet uit de Vader, maar is uit de wereld. En de wereld gaat voorbij, en haar begeerlijkheid, maar die de wil van God doet, blijft in der eeuwigheid.
1 Johannes 2:15-17
Terwijl hij staat alsof hij zich op hoge en heilige grond bevindt en hemelse lucht, deze sfeer van zuiverheid en liefde, inademt, laat de discipel die Jezus liefhad een waarschuwende stem aan de kinderen Gods horen in de woorden van onze tekst, en maant hen plechtig tot voorzichtigheid voor de liefde tot de wereld. Hij kende hun geneigdheid en wist wat er in het hart van de mens leefde. Hij wist dat, ofschoon Gods heiligen waren verlost door het bloed van Christus, onderwezen door Zijn Geest en bewerkt door Zijn genade, er toch in hen een vleselijk, aards beginsel leefde, dat gehecht was aan de wereld en deze liefhad. Hij verheft daarom een waarschuwende stem: „Hebt de wereld niet lief, noch hetgeen in de wereld is.” En om aan te tonen dat dit geen zaak van geringe betekenis was, maar van leven of dood, gaat hij verder met te verklaren dat, als iemand echt de wereld liefhad, de liefde van de Vader niet in zijn hart kon leven, welke belijdenis hij ook deed.
Vervolgens werpt hij een snelle blik op alles wat in de wereld voorkwam en vat het samen onder drie begrippen: de begeerlijkheid van het vlees, de begeerlijkheid van de ogen en de grootsheid van het leven; en hij spreekt er het veroordelende vonnis over uit dat het niet uit de Vader is, maar uit de wereld. Maar dan verheft hij zijn waarschuwende stem nog sterker en zegt dat de wereld aan het voorbijgaan is, en haar begeerlijkheid, en dat er spoedig een einde zal komen aan dit uiterlijke vertoon. Maar hij voegt eraan toe, om degenen te bemoedigen die ondanks alle tegenstand de wil van God doen, dat zij, als alles hier beneden zal eindigen en vergaan, in der eeuwigheid zullen blijven.
Lezen: 1 Johannes 2:3-17
Aan de lezer…
Kind van God, gevoelt u ook dat vleselijke, aardse beginsel in uw hart, dat zich aan de wereld vastklemt, al bent u verlost door het bloed van Christus? Schrik er niet van alsof u de enige was; de discipel die Jezus liefhad, kende die geneigdheid in Gods heiligen maar al te goed. Daarom verheft hij zijn stem zo plechtig, niet om u te verschrikken, maar om u te waarschuwen, want het is een zaak van leven of dood.
Zie dan wat de wereld u biedt: de begeerlijkheid des vleses, de begeerlijkheid der ogen en de grootsheid des levens. Het is niet uit de Vader, en het gaat voorbij. Al het uiterlijke vertoon waar uw hart naar trekt, zal spoedig eindigen en vergaan. Maar wie de wil van God doet, blijft in der eeuwigheid. Moge de liefde des Vaders in uw hart wonen en de liefde tot de wereld daar verdringen, opdat u, ondanks alle tegenstand, met Hem mag blijven wanneer alles hier beneden vergaat.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Hebt de wereld niet lief, noch hetgeen in de wereld is; zo iemand de wereld liefheeft, de liefde des Vaders is niet in hem. Want al wat in de wereld is, namelijk de begeerlijkheid des vleses, en de begeerlijkheid der ogen en de grootsheid des levens, is niet uit de Vader, maar is uit de wereld. En de wereld gaat voorbij, en haar begeerlijkheid, maar die de wil van God doet, blijft in der eeuwigheid.
1 Johannes 2:15-17
De discipel die Jezus liefhad, staat hier als het ware op hoge en heilige grond en ademt hemelse lucht in, de sfeer van reinheid en liefde. Toch laat hij in de woorden van onze tekst een waarschuwende stem horen tot de kinderen van God, en maant hen plechtig tot waakzaamheid tegen de liefde tot de wereld. Hij kende hun neigingen en wist wat er in het hart van de mens leefde. Hij wist dat er in Gods heiligen, hoewel zij verlost waren door het bloed van Christus, onderwezen door Zijn Geest en bewerkt door Zijn genade, toch een vleselijk, aards beginsel leefde dat aan de wereld gehecht was en haar liefhad. Daarom verheft hij een waarschuwende stem: „Hebt de wereld niet lief, noch hetgeen in de wereld is.” En om te laten zien dat dit geen zaak van weinig betekenis was, maar van leven of dood, verklaart hij verder dat, als iemand werkelijk de wereld liefhad, de liefde van de Vader niet in zijn hart kon wonen, welke belijdenis hij ook deed.
Vervolgens werpt hij een snelle blik op alles wat er in de wereld is en vat het samen onder drie noemers: de begeerlijkheid van het vlees, de begeerlijkheid van de ogen en de grootsheid van het leven. Daarover spreekt hij het veroordelende vonnis uit dat het niet uit de Vader is, maar uit de wereld. Daarna verheft hij zijn waarschuwende stem nog sterker en zegt dat de wereld voorbijgaat, en haar begeerlijkheid, en dat er spoedig een einde zal komen aan dit uiterlijke vertoon. Maar om hen te bemoedigen die ondanks alle tegenstand de wil van God doen, voegt hij eraan toe dat zij in der eeuwigheid zullen blijven wanneer alles hier beneden eindigt en vergaat.
Lezen: 1 Johannes 2:3-17
Aan de lezer…
Kind van God, voelt u ook dat vleselijke, aardse beginsel in uw hart, dat zich aan de wereld vastklemt, al bent u verlost door het bloed van Christus? Schrik er niet van alsof u de enige was; de discipel die Jezus liefhad, kende die neiging in Gods heiligen maar al te goed. Daarom verheft hij zijn stem zo plechtig, niet om u te verschrikken, maar om u te waarschuwen, want het is een zaak van leven of dood.
Zie dan wat de wereld u biedt: de begeerlijkheid des vleses, de begeerlijkheid der ogen en de grootsheid des levens. Het is niet uit de Vader, en het gaat voorbij. Al het uiterlijke vertoon waar uw hart naar trekt, zal spoedig eindigen en vergaan. Maar wie de wil van God doet, blijft in der eeuwigheid. Moge de liefde van de Vader in uw hart wonen en de liefde tot de wereld daar verdringen, zodat u, ondanks alle tegenstand, met Hem mag blijven wanneer alles hier beneden vergaat.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Love not the world, neither the things that are in the world. If any man love the world, the love of the Father is not in him. For all that is in the world, the lust of the flesh, and the lust of the eyes, and the pride of life, is not of the Father, but is of the world. And the world passeth away, and the lust thereof: but he that doeth the will of God abideth for ever.
1 John 2:15-17
The disciple whom Jesus loved stands here, as it were, on high and holy ground and breathes a heavenly air, the atmosphere of purity and love. Yet in the words of our text he lifts up a warning voice to the children of God, and solemnly admonishes them to be on their guard against the love of the world. He knew their tendencies and what was in the heart of man. He knew that in God’s saints, though they were redeemed by the blood of Christ, taught by His Spirit and wrought upon by His grace, there still lived a carnal, earthly principle which clung to the world and loved it.
Therefore he lifts up a warning voice: “Love not the world, neither the things that are in the world.” And to show that this was no matter of small moment, but of life or death, he further declares that if any man really loved the world, the love of the Father could not dwell in his heart, whatever profession he made.
He then casts a rapid glance over all that is in the world and sums it up under three heads: the lust of the flesh, the lust of the eyes, and the pride of life. Upon this he pronounces the condemning sentence that it is not of the Father, but of the world. Then he lifts up his warning voice still more strongly and says that the world passes away, and the lust thereof, and that there will soon be an end to all this outward show. But to encourage those who, in spite of all opposition, do the will of God, he adds that they will abide for ever when all things here below end and perish.
Reading: 1 John 2:3-17
To the reader…
Child of God, do you too feel that carnal, earthly principle in your heart which clings to the world, though you are redeemed by the blood of Christ? Do not be alarmed as though you were the only one; the disciple whom Jesus loved knew that tendency in God’s saints all too well. That is why he lifts up his voice so solemnly, not to terrify you, but to warn you, for it is a matter of life or death.
See, then, what the world offers you: the lust of the flesh, the lust of the eyes and the pride of life. It is not of the Father, and it passes away. All the outward show your heart is drawn to will soon end and perish. But he that doeth the will of God abideth for ever. May the love of the Father dwell in your heart and drive out the love of the world, so that, in spite of all opposition, you may abide with Him when all things here below perish.
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
No améis al mundo, ni las cosas que están en el mundo. Si alguno ama al mundo, el amor del Padre no está en él. Porque todo lo que hay en el mundo, la concupiscencia de la carne, y la concupiscencia de los ojos, y la soberbia de la vida, no es del Padre, mas es del mundo. Y el mundo se pasa, y su concupiscencia; mas el que hace la voluntad de Dios, permanece para siempre.
1 Juan 2:15-17
El discípulo a quien Jesús amaba está aquí, por así decirlo, sobre un terreno alto y santo, y respira un aire celestial, la atmósfera de la pureza y del amor. Sin embargo, en las palabras de nuestro texto levanta una voz de advertencia a los hijos de Dios, y los amonesta solemnemente a guardarse del amor al mundo. Él conocía sus inclinaciones y lo que había en el corazón del hombre. Sabía que en los santos de Dios, aunque fueron redimidos por la sangre de Cristo, enseñados por Su Espíritu y trabajados por Su gracia, vivía todavía un principio carnal y terrenal que se aferraba al mundo y lo amaba.
Por eso levanta una voz de advertencia: “No améis al mundo, ni las cosas que están en el mundo”. Y para mostrar que esto no era asunto de poca importancia, sino de vida o muerte, declara además que, si alguno amaba realmente al mundo, el amor del Padre no podía morar en su corazón, cualquiera que fuese la profesión que hiciera.
Luego echa una rápida mirada sobre todo lo que hay en el mundo y lo resume en tres apartados: la concupiscencia de la carne, la concupiscencia de los ojos y la soberbia de la vida. Sobre esto pronuncia la sentencia condenatoria de que no es del Padre, sino del mundo. Después levanta su voz de advertencia aún con más fuerza y dice que el mundo se pasa, y su concupiscencia, y que pronto habrá un fin para toda esta apariencia exterior. Pero para animar a aquellos que, a pesar de toda oposición, hacen la voluntad de Dios, añade que ellos permanecerán para siempre cuando todas las cosas de aquí abajo terminen y perezcan.
Lectura: 1 Juan 2:3-17
Al lector…
Hijo de Dios, ¿siente usted también en su corazón ese principio carnal y terrenal que se aferra al mundo, aunque ha sido redimido por la sangre de Cristo? No se alarme como si fuera el único; el discípulo a quien Jesús amaba conocía demasiado bien esa inclinación en los santos de Dios. Por eso levanta su voz tan solemnemente, no para aterrarle, sino para advertirle, porque es asunto de vida o muerte.
Vea, pues, lo que el mundo le ofrece: la concupiscencia de la carne, la concupiscencia de los ojos y la soberbia de la vida. No es del Padre, y se pasa. Toda la apariencia exterior hacia la que su corazón se siente atraído pronto terminará y perecerá. Mas el que hace la voluntad de Dios permanece para siempre. Que el amor del Padre more en su corazón y eche fuera el amor al mundo, para que, a pesar de toda oposición, permanezca con Él cuando todas las cosas de aquí abajo perezcan.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl
Door Baca's Vallei
En niemand kan een ander fundament leggen dan hetgeen gelegd is, hetwelk is Christus Jezus.
1 Corinthe 3:11
Wij zijn zeer vurig om onze handen aan het werk te slaan. Gelijk Uzza moeten wij nodig de ark ondersteunen, als wij zien dat de runderen struikelen. Wanneer het geloof wankelt, moeten wij het de helpende hand bieden; maar dit is schadelijk voor het werk Gods in de ziel. Indien het geheel een geestelijk gebouw moet zijn, indien wij levende stenen zijn, gebouwd op een levend Hoofd, dan moet iedere steen van die geestelijke tempel gelegd worden door de Heilige Geest. Nu, indien dit zo is, dan moet alles van de natuur, van het schepsel, van onszelf, daadwerkelijk omlaaggebracht worden, opdat Christus alles moge zijn; opdat Christus, en Christus alleen, als de hoop der heerlijkheid in ons hart moge gefundeerd worden.
Hoe vele beproevingen hebben sommigen van u reeds doorgemaakt! Hoe menige scherpe en snijdende oefening! Hoe menige kwellende verzoeking! Hoe menige bezwijming des harten! Hoe menige vurige pijl der hel! Hoeveel twijfelingen en vrezen! Hoeveel dienstbaarheid en smartende ketenen! Hoe menigmaal is de pijl in het hart gestoten! En waarom? Opdat gij zoudt belet worden een steentje door eigen handen toe te voegen aan het geestelijke gebouw.
De apostel zegt ons dat niemand een ander fundament leggen kan dan hetgeen gelegd is, namelijk Christus Jezus. Dan spreekt hij zowel van degenen die hout, hooi en stoppelen, als van degenen die goud, zilver en kostelijke stenen gebruiken; en dat het hout, hooi en de stoppelen met vuur zullen verbrand worden. Het is nadat de Heere een fundament in de consciëntie van de zondaar gelegd heeft, en hem tot Zichzelf gebracht, Jezus dierbaar voor zijn ziel en de hoop en liefde in zijn hart geschonken heeft, dat hij zo geneigd is middelen ter hand te nemen die God niet erkent, als hout, hooi, stro en stoppelen, en dat hij daardoor een losse bovenbouw gaat oprichten. Doch in het uur der beproeving verdwijnt het, want het kan de rukwinden der verzoeking niet doorstaan.
Een sprankje van de toekomende toorn, een ontdekking van de vreselijke majesteit Gods, zal dit hout, hooi en deze stoppelen als stro in het vuur verbranden. Des Heeren volk moet derhalve door veel wederwaardigheden, beproevingen, oefeningen en verzoekingen, twijfelingen en vrees en alle moeilijke wegen, waarin zij doorgaans wandelen, opdat zij zouden verhinderd worden een bovenbouw der natuur te bouwen op het fundament der genade — dat is hout, hooi en stoppelen op de heerlijke verborgenheid van een vleesgeworden God.
Aan de lezer…
Waarom, zo vraagt u misschien, moet ik door zoveel beproevingen, zoveel twijfelingen en vrezen, zoveel scherpe oefeningen? Waarde lezer, zou het niet kunnen zijn dat de Heere u daardoor belet uw eigen steentjes aan het geestelijke gebouw toe te voegen? Wij zijn zo vurig om, gelijk Uzza, de ark te ondersteunen, en wij menen het werk Gods een helpende hand te moeten bieden. Maar al wat uit de natuur voortkomt, is hout, hooi en stoppelen, en het kan de rukwinden der verzoeking niet doorstaan.
Wees dan niet bevreesd wanneer uw eigen bouwsels in het vuur verteren. Het fundament dat gelegd is, verbrandt niet: dat is Christus Jezus, de heerlijke verborgenheid van een vleesgeworden God. Al wat van het schepsel en van uzelf is, moet omlaag, opdat Christus alles zij. En wanneer u met lege handen staat, dan staat u op de enige grond die in het uur der beproeving houdt.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
En niemand kan een ander fundament leggen dan hetgeen gelegd is, hetwelk is Christus Jezus.
1 Corinthe 3:11
Wij zijn er heel vurig op gebrand de handen aan het werk te slaan. Net als Uzza moeten wij zo nodig de ark ondersteunen wanneer wij zien dat de runderen struikelen. Wanneer het geloof wankelt, moeten wij het een helpende hand bieden; maar dat is schadelijk voor het werk van God in de ziel. Als het geheel een geestelijk gebouw moet zijn, als wij levende stenen zijn, gebouwd op een levend Hoofd, dan moet iedere steen van die geestelijke tempel door de Heilige Geest gelegd worden. Als dat zo is, dan moet alles wat van de natuur, van het schepsel en van onszelf is, werkelijk omlaaggehaald worden, zodat Christus alles is; zodat Christus, en Christus alleen, als de hoop der heerlijkheid in ons hart gegrondvest wordt.
Hoeveel beproevingen hebben sommigen van u al doorgemaakt! Hoeveel scherpe en snijdende oefeningen! Hoeveel kwellende verzoekingen! Hoe vaak bezweek het hart! Hoeveel vurige pijlen uit de hel! Hoeveel twijfels en vrezen! Hoeveel dienstbaarheid en pijnlijke ketenen! Hoe vaak is de pijl in het hart gedrongen! En waarom? Om te voorkomen dat u met eigen handen ook maar één steentje aan het geestelijk gebouw zou toevoegen.
De apostel zegt ons dat niemand een ander fundament kan leggen dan wat gelegd is, namelijk Christus Jezus. Daarna spreekt hij zowel over hen die hout, hooi en stoppels gebruiken als over hen die goud, zilver en kostbare stenen gebruiken, en zegt hij dat het hout, het hooi en de stoppels met vuur verbrand zullen worden. Juist nadat de Heere een fundament in het geweten van de zondaar gelegd heeft, hem tot Zich heeft gebracht, Jezus dierbaar heeft gemaakt voor zijn ziel en hoop en liefde in zijn hart heeft geschonken, is hij zo geneigd middelen te gebruiken die God niet erkent, zoals hout, hooi, stro en stoppels, en zo een losse bovenbouw op te trekken. Maar in het uur van de beproeving verdwijnt die, want hij kan de rukwinden van de verzoeking niet doorstaan.
Een vonkje van de toekomende toorn, een ontdekking van de vreselijke majesteit van God, zal dit hout, hooi en deze stoppels verbranden als stro in het vuur. Daarom moet het volk van de Heere door veel tegenspoed, beproevingen, oefeningen en verzoekingen, door twijfels en vrees en door alle moeilijke wegen waarop zij gewoonlijk gaan, zodat zij verhinderd worden een bovenbouw van de natuur te bouwen op het fundament van de genade — dat wil zeggen hout, hooi en stoppels op de heerlijke verborgenheid van een vleesgeworden God.
Aan de lezer…
Waarom, zo vraagt u misschien, moet ik door zoveel beproevingen, zoveel twijfels en vrezen, zoveel scherpe oefeningen? Waarde lezer, zou het niet kunnen zijn dat de Heere u daardoor verhindert uw eigen steentjes aan het geestelijk gebouw toe te voegen? Wij zijn er zo vurig op gebrand om, net als Uzza, de ark te ondersteunen, en wij menen het werk van God een helpende hand te moeten bieden. Maar alles wat uit de natuur voortkomt, is hout, hooi en stoppels, en het kan de rukwinden van de verzoeking niet doorstaan.
Wees dan niet bang wanneer uw eigen bouwsels in het vuur verteren. Het fundament dat gelegd is, verbrandt niet: dat is Christus Jezus, de heerlijke verborgenheid van een vleesgeworden God. Alles wat van het schepsel en van uzelf is, moet omlaag, zodat Christus alles is. En wanneer u met lege handen staat, dan staat u op de enige grond die in het uur van de beproeving houdt.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
“For other foundation can no man lay than that is laid, which is Jesus Christ.”
1 Corinthians 3:11
We are very eager to put our hands to work. Like Uzzah, we must needs prop up the ark when we see it tumbling; when faith totters, we must come to bear a helping hand. But this is prejudicial to the work of God upon the soul. If the whole is to be a spiritual building; if we are “living stones” built upon a living Head, every stone in that spiritual temple must be laid by God the Spirit. And if so, everything of nature, of creature, of self, must be effectually laid low, that Christ may be all—that Christ, and Christ alone, may be formed in our heart, the hope of glory.
How many trials some of you have passed through! how many sharp and cutting exercises! how many harassing temptations! how many sinkings of heart! how many fiery darts from hell! how many doubts and fears! how much hard bondage! how many galling chains! how often has the very iron entered into your soul! Why? That you may be prevented from adding one stone by your own hands to the spiritual building.
The Apostle tells us that “Other foundation can no man lay than that is laid,” even Jesus Christ. He then speaks of those who build “wood, hay, and stubble,” as well as of those who used “gold, silver, and precious stones;” and that the “wood, hay, and stubble” must be burned with fire. It is after the Lord has laid a foundation in the sinner’s conscience, brought him near to Himself, made Jesus precious to his soul, raised up hope and love in his heart, that he is so apt to take materials God never recognizes, “wood, hay, straw, stubble,” and rear thereby a flimsy superstructure of his own. But this gives way in the trying hour—it cannot stand one gust of temptation. One spark of the wrath to come, one discovery of God’s dread majesty, will burn up this “wood, hay, and stubble” like straw in the oven.
The Lord’s people, therefore, have to pass through troubles, trials, exercises, and temptations, doubts and fears, and all that harassing path that they usually walk in, that they may be prevented from erecting a superstructure of nature upon the foundation of grace—“wood, hay, and stubble” upon the glorious mystery of an incarnate God.
To the reader…
Why, you may ask, must I pass through so many trials, so many doubts and fears, so many sharp exercises? Dear reader, could it not be that the Lord is thereby preventing you from adding your own little stones to the spiritual building? We are so eager, just like Uzzah, to steady the ark, and we think we must lend the work of God a helping hand. But all that comes from nature is wood, hay and stubble, and it cannot withstand the gusts of temptation.
So do not be afraid when your own buildings are consumed in the fire. The foundation that has been laid does not burn: that is Christ Jesus, the glorious mystery of an incarnate God. All that is of the creature and of yourself must come down, so that Christ may be all. And when you stand with empty hands, then you stand on the only ground that holds in the hour of trial.
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
“Porque nadie puede poner otro fundamento que el que está puesto, el cual es Jesucristo.”
1 Corintios 3:11
Estamos muy ansiosos por poner manos a la obra. Como Uzza, tenemos que sostener el arca cuando la vemos tambalearse; cuando la fe vacila, tenemos que venir a echar una mano. Pero esto es perjudicial para la obra de Dios en el alma. Si el todo ha de ser un edificio espiritual; si somos “piedras vivas” edificadas sobre una Cabeza viva, cada piedra de ese templo espiritual debe ser puesta por Dios el Espíritu. Y si es así, todo lo que es de la naturaleza, de la criatura, del yo, debe ser eficazmente abatido, para que Cristo sea el todo; para que Cristo, y solo Cristo, sea formado en nuestro corazón, la esperanza de gloria.
¡Por cuántas pruebas han pasado algunos de ustedes! ¡Cuántos ejercicios agudos y cortantes! ¡Cuántas tentaciones acosadoras! ¡Cuántos desfallecimientos del corazón! ¡Cuántos dardos de fuego del infierno! ¡Cuántas dudas y temores! ¡Cuánta dura servidumbre! ¡Cuántas cadenas que lastiman! ¡Cuán a menudo el hierro mismo ha entrado en su alma! ¿Por qué? Para que se le impida añadir con sus propias manos una sola piedra al edificio espiritual.
El apóstol nos dice que “nadie puede poner otro fundamento que el que está puesto”, a saber, Jesucristo. Luego habla de los que edifican con “madera, heno, hojarasca”, así como de los que usaron “oro, plata, piedras preciosas”; y de que la “madera, heno, hojarasca” han de ser quemados con fuego. Es después de que el Señor ha puesto un fundamento en la conciencia del pecador, le ha acercado a Sí mismo, ha hecho precioso a Jesús para su alma y ha levantado esperanza y amor en su corazón, cuando él es tan propenso a tomar materiales que Dios nunca reconoce, “madera, heno, paja, hojarasca”, y a levantar con ellos una endeble superestructura propia. Pero esta cede en la hora de la prueba; no puede resistir una sola ráfaga de tentación. Una chispa de la ira venidera, un descubrimiento de la temible majestad de Dios, quemará esta “madera, heno, hojarasca” como paja en el horno.
El pueblo del Señor, por tanto, tiene que pasar por angustias, pruebas, ejercicios y tentaciones, dudas y temores, y por toda esa senda acosadora por la que suele andar, para que se le impida levantar una superestructura de la naturaleza sobre el fundamento de la gracia: “madera, heno, hojarasca” sobre el glorioso misterio de un Dios encarnado.
Al lector…
¿Por qué, puede preguntar usted, tengo que pasar por tantas pruebas, tantas dudas y temores, tantos ejercicios agudos? Querido lector, ¿no podría ser que el Señor le esté impidiendo con ello añadir sus propias piedrecitas al edificio espiritual? Somos tan ansiosos, igual que Uzza, por sostener el arca, y pensamos que tenemos que echar una mano a la obra de Dios. Pero todo lo que procede de la naturaleza es madera, heno y hojarasca, y no puede resistir las ráfagas de la tentación.
No tema, pues, cuando sus propios edificios se consuman en el fuego. El fundamento que ha sido puesto no se quema: es Cristo Jesús, el glorioso misterio de un Dios encarnado. Todo lo que es de la criatura y de usted mismo tiene que caer, para que Cristo sea el todo. Y cuando usted esté con las manos vacías, entonces estará sobre el único fundamento que se mantiene en la hora de la prueba.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl