6 dagen geleden verschenen
Het woord van Gods genade
Een uitleg van Handelingen 20:32: Paulus beveelt de oudsten van Efeze aan God en aan het woord van Zijn genade. Alleen dat woord, door de Geest toegepast, bouwt de ziel…
11 dagen geleden verschenen
Schatten in de duisternis
Uitleg van Jesaja 45:2,3 voor Gods kinderen: de Heere gaat voor hen uit, maakt kromme wegen recht, verbreekt koperen deuren en ijzeren grendels, geeft verborgen schatten en leert hen zo…
2 weken geleden verschenen
Verkrijgen en verliezen
Naar Prediker 3:6: een levende ziel verkrijgt geestelijke dingen, van kennis van God en van zichzelf tot geloof en vergeving, maar verliest ook haar eigen gerechtigheid en kracht. De preek…
Het schudden van wat gemaakt is en de vastheid van wat gegeven is
Over Hebreeën 12:27,28: wat gemaakt is, wordt geschud en weggenomen, wat God geeft blijft. Het Koninkrijk dat niet bewogen kan worden wordt door geloof ontvangen, door genade vastgehouden en draagt…
Het is wenselijk de Authorised Version te behouden
Philpot pleit in 1857 tegen een herziene Bijbelvertaling. Hij vreest verminking door dwalende geleerden, onzekerheid en verwarring bij Gods kinderen, en verlies van een gezaghebbende maatstaf en van een nationaal…
Korenaren Uit De Volle Oogst
Laat ons de onwankelbare belijdenis der hoop vasthouden; want Die het beloofd heeft, is getrouw.
Hebreeën 10:23
Het geloof kan niet op verbeelding rusten; het kan alleen rusten op de onwankelbare Waarheid Gods, zoals die in de Schriften geopenbaard is. En wanneer het komt in de Waarheid Gods, zoals de duif van Noach in de ark kwam, als haar eigen nest en woning, dan vindt het rust en vrede. Vele mensen denken dat wij ons geloof en onze hoop niet op de Schriften bouwen, maar op zeker inwendig gevoel of verbeelding van onszelf, onderscheiden van het Woord Gods. Ik bouw mijn geloof niet op iets anders en kan het ook niet, dan op hetgeen in de Bijbel geopenbaard is; en ik moet het doen, omdat ik geen andere grond heb voor mijn voet om op te staan. Gevoelt gij niet hetzelfde, gij die iets kent van de beproeving des geloofs? Gij zijt menigmaal op en neer geslingerd, en hebt dikwijls een grond behoefd waarop de voet van uw geloof kon staan.
Gij hebt getracht deze of die leer te geloven, of deze of die ervaring op te doen; maar gij schoot tekort, want gij gevoeldet dat uw geloof iets sterkers behoefde dan de getuigenis der mensen; gij behoefdet een vaster grondslag om daarop voor de eeuwigheid te bouwen; want de dingen die gij moest geloven, waren zó onzichtbaar en zó diepzinnig, dat niets dan het Woord van God voor uw geloof voldoende kon zijn om op te staan en in te rusten. Wanneer dan in deze beproeving des geloofs de Waarheid Gods, zoals zij in de Schriften is geopenbaard, door Goddelijke macht op uw hart werd toegepast, dan hebt gij gevonden dat er voor de voet van uw geloof plaats was om op te staan, en dat uw geloof dan kón rusten op het levendmakend Woord van God, als een rots waarop voor leven en dood, voor tijd en eeuwigheid te bouwen is.
Zo was het met Abraham, toen hij uitzag naar de geboorte van het beloofde Zaad, steunende op het woord der belofte. Menige twijfel of vrees mocht in zijn gemoed oprijzen, of hij wel een zoon bij Sara zou hebben; maar hij rustte op het woord der belofte, en verkreeg alzo een vaste grond voor zijn geloof. Gelijk de apostel spreekt: „Die tegen hoop op hoop geloofd heeft, dat hij een vader van vele volken worden zou, volgens hetgeen gezegd was: Alzo zal uw zaad zijn” (Rom. 4:18). Zo ook moet ons geloof steunen op het Woord der belofte, opdat wij, door twee onbeweeglijke dingen, waarin het onmogelijk was dat God zoude liegen, een sterke vertroosting hebben; wij die naar een schuilplaats gevlucht zijn, om de hoop aan te grijpen, die ons was voorgehouden.
Beminnaars van de Heer,
verbreiders van zijn eer,
hoopt steeds op zijn genade
en haat altoos het kwade!
Ps. 97:6
Aan de lezer…
Hoe dikwijls hebt u zich al afgevraagd waarop uw hoop rust? Misschien hebt u getracht deze of die leer te geloven, of deze of die ervaring op te doen, en gevoeld dat het u ontzonk zodra de dingen der eeuwigheid u te groot en te diep werden. Wees daar niet om verslagen. Zo leert de Heere Zijn volk dat het getuigenis der mensen te zwak is, en dat er niets overblijft dan Zijn eigen Woord om op te staan.
Want daar vindt het geloof, als de duif van Noach in de ark, zijn nest en zijn rust. Als Hij dat Woord met Goddelijke macht aan uw hart toepast, dan staat u op een rots voor leven en dood, voor tijd en eeuwigheid. Vlucht dan als een arme ziel naar die schuilplaats en grijp de hoop aan die u voorgehouden wordt. Houd haar vast, al wankelt u zelf, want Die het beloofd heeft, is getrouw.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Laat ons de onwankelbare belijdenis der hoop vasthouden; want Die het beloofd heeft, is getrouw.
Hebreeën 10:23
Het geloof kan niet op verbeelding rusten; het kan alleen rusten op de onwankelbare Waarheid van God, zoals die in de Schriften is geopenbaard. En wanneer het in de Waarheid van God komt, zoals de duif van Noach in de ark kwam, als in haar eigen nest en woning, dan vindt het rust en vrede. Veel mensen denken dat wij ons geloof en onze hoop niet op de Schriften bouwen, maar op een zeker inwendig gevoel of een verbeelding van onszelf, los van het Woord van God. Ik bouw mijn geloof op niets anders, en kan dat ook niet, dan op wat in de Bijbel geopenbaard is. En ik moet dat wel doen, omdat ik geen andere grond heb om mijn voet op te zetten. Voelt u niet hetzelfde, u die iets kent van de beproeving van het geloof? U bent vaak heen en weer geslingerd en hebt vaak een vaste grond nodig gehad waarop uw geloof kon staan.
U hebt geprobeerd deze of die leer te geloven, of deze of die ervaring op te doen, maar u schoot tekort. U voelde dat uw geloof iets sterkers nodig had dan het getuigenis van mensen; u had een vastere grondslag nodig om daarop voor de eeuwigheid te bouwen. Want de dingen die u moest geloven, waren zo onzichtbaar en zo diep, dat niets dan het Woord van God voor uw geloof voldoende kon zijn om op te staan en in te rusten. Toen in deze beproeving van het geloof de Waarheid van God, zoals zij in de Schriften geopenbaard is, door Goddelijke kracht op uw hart werd toegepast, hebt u gemerkt dat er plaats was waar de voet van uw geloof op kon staan. U merkte dat uw geloof toen kón rusten op het levendmakend Woord van God, als op een rots waarop te bouwen is voor leven en dood, voor tijd en eeuwigheid.
Zo was het met Abraham, toen hij uitzag naar de geboorte van het beloofde Zaad en daarbij steunde op het woord van de belofte. Er konden in zijn hart heel wat twijfels en vrezen opkomen of hij wel een zoon bij Sara zou krijgen. Maar hij rustte op het woord van de belofte en vond zo een vaste grond voor zijn geloof. Zoals de apostel zegt: „Die tegen hoop op hoop geloofd heeft, dat hij een vader van vele volken worden zou, volgens hetgeen gezegd was: Alzo zal uw zaad zijn” (Rom. 4:18). Zo moet ook ons geloof steunen op het Woord van de belofte, „opdat wij, door twee onbeweeglijke dingen, waarin het onmogelijk was dat God zoude liegen, een sterke vertroosting hebben; wij die naar een schuilplaats gevlucht zijn, om de hoop aan te grijpen, die ons was voorgehouden.”
Beminnaars van de Heer,
verbreiders van zijn eer,
hoopt steeds op zijn genade
en haat altoos het kwade!
Ps. 97:6
Aan de lezer…
Hoe vaak hebt u zich al afgevraagd waarop uw hoop rust? Misschien hebt u geprobeerd deze of die leer te geloven, of deze of die ervaring op te doen, en voelde u dat het u ontglipte zodra de dingen van de eeuwigheid u te groot en te diep werden. Wees daar niet door verslagen. Zo leert de Heere Zijn volk dat het getuigenis van mensen te zwak is, en dat er niets overblijft dan Zijn eigen Woord om op te staan.
Want daar vindt het geloof, als de duif van Noach in de ark, zijn nest en zijn rust. Als Hij dat Woord met Goddelijke kracht aan uw hart toepast, dan staat u op een rots voor leven en dood, voor tijd en eeuwigheid. Vlucht dan als een arme ziel naar die schuilplaats en grijp de hoop aan die u wordt voorgehouden. Houd haar vast, ook al wankelt u zelf, want Die het beloofd heeft, is getrouw.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Let us hold fast the profession of our faith without wavering; for He is faithful that promised.
Hebrews 10:23
Faith cannot rest upon fancy; it can only rest upon the solid truth of God, as revealed in the Scriptures. And when it comes into the truth of God, as Noah’s dove came into the ark as its own nest and home, then it finds rest and peace. Many people think we build our faith and hope, not on the Scriptures, but on some mental feelings, or fancies of our own, distinct from the Word of God. I do not and cannot build my faith on anything but what is revealed in the Bible; and I must do it because I have no other foothold for it to stand upon.
Do you not feel the same, you who know anything of the trial of faith? You have had many a tossing up and down, and have often needed a foothold for your faith to stand upon. You have tried to believe this or that doctrine, or to get into this or that experience; but you kept still falling short, for you found that your faith needed something stronger than the testimony of men; you needed a solid foundation on which to build for eternity; for the things to be believed were so invisible and so mysterious, that nothing but the Word of God could suffice for your faith to stand upon and rest in.
When, then, in this trial of faith, the truth of God as it stands revealed in the Scriptures was applied to your heart by a divine power, then you found that there was a foothold for belief, and that your faith could then rest upon the inspired Word of God, as a rock on which to build, for life and death, time and eternity.
It was so with Abraham. When Abraham was looking forward to the birth of the promised seed, many a doubt or fear might have arisen in his mind as to whether he would have a son by Sarah. But he rested upon the word of promise, and thus obtained a foothold for his faith. As the Apostle speaks, “Who against hope believed in hope, that he might become the father of many nations; according to that which was spoken, So shall your seed be” (Romans 4:18). Our faith must in the same way rest on the word of promise, that “by two immutable things, in which it was impossible for God to lie, we might have a strong consolation, who have fled for refuge to lay hold upon the hope set before us.”
To the reader…
How often have you asked yourself what your hope rests upon? Perhaps you have tried to believe this or that doctrine, or to get into this or that experience, and felt it slip away from you as soon as the things of eternity became too great and too deep for you. Do not be cast down by that. This is how the Lord teaches His people that the testimony of men is too weak, and that nothing is left to stand upon but His own Word.
For there faith finds its nest and its rest, like Noah’s dove in the ark. When He applies that Word to your heart with divine power, you stand on a rock for life and death, for time and eternity. Flee, then, as a poor soul to that refuge, and lay hold upon the hope set before you. Hold it fast, even when you yourself waver, for He is faithful that promised.
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
Mantengamos firme la profesión de nuestra fe sin fluctuar; que fiel es el que prometió.
Hebreos 10:23
La fe no puede descansar en la fantasía; solo puede descansar en la sólida verdad de Dios, tal como está revelada en las Escrituras. Y cuando entra en la verdad de Dios, como la paloma de Noé entró en el arca como en su propio nido y hogar, entonces halla descanso y paz. Muchos piensan que edificamos nuestra fe y nuestra esperanza, no sobre las Escrituras, sino sobre ciertos sentimientos interiores o fantasías nuestras, distintas de la Palabra de Dios. Yo no edifico ni puedo edificar mi fe sobre otra cosa que lo que está revelado en la Biblia; y tengo que hacerlo así porque no tengo otro punto de apoyo sobre el cual pueda sostenerse.
¿No siente usted lo mismo, usted que sabe algo de la prueba de la fe? Ha sido muchas veces sacudido de un lado a otro, y a menudo ha necesitado un punto de apoyo sobre el cual sostener su fe. Ha procurado creer esta o aquella doctrina, o entrar en esta o aquella experiencia; pero siempre se quedaba corto, porque halló que su fe necesitaba algo más fuerte que el testimonio de los hombres; necesitaba un fundamento sólido sobre el cual edificar para la eternidad; pues las cosas que había que creer eran tan invisibles y tan misteriosas, que nada sino la Palabra de Dios podía bastar para que su fe se sostuviera y descansara en ella.
Cuando, pues, en esta prueba de la fe, la verdad de Dios tal como está revelada en las Escrituras fue aplicada a su corazón por un poder divino, entonces halló que había un punto de apoyo para creer, y que su fe podía entonces descansar en la Palabra inspirada de Dios, como en una roca sobre la cual edificar, para la vida y la muerte, el tiempo y la eternidad.
Así sucedió con Abraham. Cuando Abraham esperaba el nacimiento de la simiente prometida, bien pudo levantarse en su mente más de una duda o temor sobre si tendría un hijo de Sara. Pero descansó en la palabra de la promesa, y así obtuvo un punto de apoyo para su fe. Como dice el Apóstol: “El creyó en esperanza contra esperanza, para venir a ser padre de muchas gentes, conforme a lo que le había sido dicho: Así será tu simiente” (Romanos 4:18). Nuestra fe debe descansar de la misma manera en la palabra de la promesa, para que “por dos cosas inmutables, en las cuales es imposible que Dios mienta, tengamos un fortísimo consuelo, los que nos acogemos a trabarnos de la esperanza propuesta”.
Al lector…
¿Cuántas veces se ha preguntado usted sobre qué descansa su esperanza? Quizá ha procurado creer esta o aquella doctrina, o entrar en esta o aquella experiencia, y ha sentido que se le escapaba en cuanto las cosas de la eternidad se le hacían demasiado grandes y demasiado profundas. No se desanime por ello. Así enseña el Señor a Su pueblo que el testimonio de los hombres es demasiado débil, y que no queda otro lugar donde sostenerse sino Su propia Palabra.
Porque allí halla la fe su nido y su descanso, como la paloma de Noé en el arca. Cuando Él aplica esa Palabra a su corazón con poder divino, usted está sobre una roca para la vida y la muerte, para el tiempo y la eternidad. Huya, pues, como un alma pobre a ese refugio, y aférrese a la esperanza propuesta. Manténgala firme, aun cuando usted mismo fluctúe, porque fiel es el que prometió.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl
365 Dagen Met Philpot
Mijn hoop is op U
En nu, wat verwacht ik, o Heere? Mijn hoop, die is op U.
Psalm 39:8
Als u een kind van God bent, heeft u vast geen bezwaar tegen een onderzoek. U zult uw ziel soms blootleggen voor God om het geweten te onderzoeken, en zeggen: „Doorgrond mij, o God! en ken mijn hart; beproef mij, en ken mijn gedachten. En zie, of bij mij een schadelijke weg zij” (Ps. 139:23-24). Kunnen we dan stap voor stap samen met deze heilige man van God wandelen? „En nu, wat verwacht ik, o Heere?” Weten we wat het betekent om op de Heere te wachten, om bij Hem te pleiten en met Hem te worstelen aan Zijn voetenbank, opdat Hij voor ons verschijnt? Kunnen we onze gevoelens naast de gevoelens van David neerleggen? Dan roept dezelfde Geest Die Davids gevoelens opriep, ook die van u op.
Kunnen we een stap verder gaan? „Mijn hoop, die is op U.” Het is een groot woord: we kunnen het ondoordacht zeggen – we kunnen het misleidend zeggen – we kunnen het schijnheilig zeggen. Kunnen we het éérlijk zeggen? Dat is de vraag.
Welke bekendmakingen, welke getuigenissen, welke openbaringen hebben we gehad? Wat is er uitgegaan, wat is er binnengekomen? Welke uitroepen en welke antwoorden? Welke tranen en welk wegvegen van tranen uit onze ogen? Welke bezoekingen en welke vertroostingen? We moeten een paar van deze dingen kennen om te kunnen zeggen: „Mijn hoop, die is op U.”
Aldus zal onze persoonlijke ervaring samenvallen met die van de psalmist. We zullen bewijs hebben dat dezelfde Geest ons leert, Die hem heeft onderwezen. We zullen zij aan zij verder reizen en onze ervaring in zijn ervaring bezien, want „gelijk in het water het aangezicht is tegen het aangezicht, alzo is des mensen hart tegen de mens” (Spr. 27:19). Aldus zullen we God zegenen en prijzen omdat Hij David ooit over deze paden heeft geleid en ons bewijs geeft dat dezelfde Geest Die hem heeft geleid, ons leidt, en ons uiteindelijk naar dezelfde plaats zal brengen waar David nu is, wanneer God de tranen van alle gezichten zal afwissen en ons van aangezicht tot aangezicht de heerlijkheid van het Lam zal laten zien.
Lezen: Psalm 139
Aan de lezer…
Er zijn dagen dat de vraag op u afkomt of u het eerlijk kunt zeggen: „Mijn hoop, die is op U.” Het is een groot woord, en het is licht gezegd. Maar vraag uzelf eens in stilte af wat er tussen de Heere en uw ziel is voorgevallen. Zijn er tranen geweest, en is er een hand geweest die ze wegveegde? Zijn er uitroepen geweest, en zijn er antwoorden gekomen? Vreest u dat het weinig is, leg dan uw ziel bloot voor Hem en bid met David: „Doorgrond mij, o God! en ken mijn hart.”
Een oprechte ziel schuwt dat onderzoek niet, want zij wil niet bedrogen worden. En vindt u dan in uw eigen hart iets van wat David kende, het wachten, het pleiten en het worstelen aan Zijn voetenbank, weet dan dat dezelfde Geest Die hem leidde, ook u leidt. Hij zal u langs dezelfde paden brengen naar dezelfde plaats, waar alle tranen afgewist worden en u de heerlijkheid van het Lam van aangezicht tot aangezicht zult zien.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
En nu, wat verwacht ik, o Heere? Mijn hoop, die is op U.
Psalm 39:8
Als u een kind van God bent, hebt u vast geen bezwaar tegen een onderzoek. U zult uw ziel soms voor God openleggen om het geweten te laten onderzoeken, en zeggen: „Doorgrond mij, o God! en ken mijn hart; beproef mij, en ken mijn gedachten. En zie, of bij mij een schadelijke weg zij” (Ps. 139:23-24). Kunnen we dan stap voor stap met deze heilige man van God meegaan? „En nu, wat verwacht ik, o Heere?” Weten we wat het is om op de Heere te wachten, om aan Zijn voetbank bij Hem te pleiten en met Hem te worstelen, opdat Hij voor ons verschijnt? Kunnen we onze gevoelens naast die van David leggen? Dan wekt dezelfde Geest Die Davids gevoelens opwekte, ook de uwe op.
Kunnen we een stap verder gaan? „Mijn hoop, die is op U.” Dat is een groot woord: we kunnen het ondoordacht zeggen – we kunnen het misleidend zeggen – we kunnen het schijnheilig zeggen. Kunnen we het éérlijk zeggen? Dat is de vraag.
Welke ontdekkingen, welke getuigenissen, welke openbaringen hebben we ontvangen? Wat is er van ons uitgegaan, wat is er bij ons binnengekomen? Welke uitroepen en welke antwoorden? Welke tranen, en welk afwissen van tranen uit onze ogen? Welke bezoekingen en welke vertroostingen? We moeten iets van deze dingen kennen om te kunnen zeggen: „Mijn hoop, die is op U.”
Zo zal onze persoonlijke bevinding samenvallen met die van de psalmist. We zullen bewijs hebben dat dezelfde Geest Die hem heeft onderwezen, ook ons onderwijst. We zullen zij aan zij verder reizen en onze bevinding in de zijne weerspiegeld zien, want „gelijk in het water het aangezicht is tegen het aangezicht, alzo is des mensen hart tegen de mens” (Spr. 27:19). Zo zullen we God zegenen en prijzen omdat Hij David eens langs deze paden heeft geleid, en omdat Hij ons het bewijs geeft dat dezelfde Geest Die hem leidde, ook ons leidt. Hij zal ons ten slotte naar dezelfde plaats brengen waar David nu is, wanneer God de tranen van alle aangezichten zal afwissen en ons van aangezicht tot aangezicht de heerlijkheid van het Lam zal laten zien.
Lezen: Psalm 139
Aan de lezer…
Er zijn dagen dat de vraag op u afkomt of u het eerlijk kunt zeggen: „Mijn hoop, die is op U.” Het is een groot woord, en het is gemakkelijk gezegd. Maar vraag uzelf eens in stilte af wat er tussen de Heere en uw ziel is voorgevallen. Zijn er tranen geweest, en is er een hand geweest die ze afwiste? Zijn er uitroepen geweest, en zijn er antwoorden gekomen? Vreest u dat het weinig is, leg dan uw ziel open voor Hem en bid met David: „Doorgrond mij, o God! en ken mijn hart.”
Een oprechte ziel schuwt dat onderzoek niet, want zij wil niet bedrogen worden. En vindt u dan in uw eigen hart iets van wat David kende, het wachten, het pleiten en het worstelen aan Zijn voetbank, weet dan dat dezelfde Geest Die hem leidde, ook u leidt. Hij zal u langs dezelfde paden brengen naar dezelfde plaats, waar alle tranen afgewist worden en u de heerlijkheid van het Lam van aangezicht tot aangezicht zult zien.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
And now, Lord, what wait I for? my hope is in Thee.
Psalm 39:7
If you are a child of God, you will surely have no objection to an examination. You will sometimes lay your soul open before God to have the conscience searched, and say, “Search me, O God, and know my heart: try me, and know my thoughts: and see if there be any wicked way in me” (Ps. 139:23-24). Can we then go step by step with this holy man of God? “And now, Lord, what wait I for?” Do we know what it is to wait upon the Lord, to plead with Him at His footstool and wrestle with Him, that He may appear for us? Can we lay our feelings alongside David’s? Then the same Spirit Who stirred up David’s feelings stirs up yours too.
Can we go a step further? “My hope is in Thee.” That is a great word: we may say it thoughtlessly, we may say it deceptively, we may say it hypocritically. Can we say it honestly? That is the question.
What discoveries, what testimonies, what manifestations have we received? What has gone out from us, what has come in to us? What cries and what answers? What tears, and what wiping away of tears from our eyes? What visitations and what consolations? We must know something of these things to be able to say, “My hope is in Thee.”
So our personal experience will coincide with that of the psalmist. We shall have evidence that the same Spirit Who taught him teaches us also. We shall travel on side by side and see our experience reflected in his, for “as in water face answereth to face, so the heart of man to man” (Prov. 27:19). So we shall bless and praise God because He once led David along these paths, and because He gives us the evidence that the same Spirit Who led him leads us too. He will at last bring us to the same place where David now is, when God shall wipe away the tears from off all faces and show us the glory of the Lamb face to face.
Reading: Psalm 139
To the reader…
There are days when the question comes upon you whether you can honestly say, “My hope is in Thee.” It is a great word, and it is easily said. But ask yourself quietly what has passed between the Lord and your soul. Have there been tears, and has there been a hand that wiped them away? Have there been cries, and have answers come? If you fear that it is little, then lay your soul open before Him and pray with David: “Search me, O God, and know my heart.”
An upright soul does not shun that examination, for it does not want to be deceived. And if you then find in your own heart something of what David knew, the waiting, the pleading and the wrestling at His footstool, know that the same Spirit Who led him leads you too. He will bring you along the same paths to the same place, where all tears are wiped away and you shall see the glory of the Lamb face to face.
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
Y ahora, Señor, ¿qué esperaré? Mi esperanza en Ti está.
Salmo 39:7
Si usted es un hijo de Dios, ciertamente no tendrá objeción a un examen. A veces abrirá su alma delante de Dios para que la conciencia sea escudriñada, y dirá: “Examíname, oh Dios, y conoce mi corazón: pruébame y conoce mis pensamientos: y ve si hay en mí camino de perversidad” (Sal. 139:23-24). ¿Podemos, pues, ir paso a paso con este santo hombre de Dios? “Y ahora, Señor, ¿qué esperaré?” ¿Sabemos lo que es esperar en el Señor, suplicarle a Su estrado y luchar con Él, para que se manifieste a nuestro favor? ¿Podemos poner nuestros sentimientos junto a los de David? Entonces el mismo Espíritu que despertó los sentimientos de David despierta también los suyos.
¿Podemos dar un paso más? “Mi esperanza en Ti está.” Esa es una gran palabra: podemos decirla irreflexivamente, podemos decirla engañosamente, podemos decirla hipócritamente. ¿Podemos decirla con sinceridad? Esa es la cuestión.
¿Qué descubrimientos, qué testimonios, qué manifestaciones hemos recibido? ¿Qué ha salido de nosotros, qué ha entrado en nosotros? ¿Qué clamores y qué respuestas? ¿Qué lágrimas, y qué enjugar de lágrimas de nuestros ojos? ¿Qué visitaciones y qué consolaciones? Debemos conocer algo de estas cosas para poder decir: “Mi esperanza en Ti está.”
Así nuestra experiencia personal coincidirá con la del salmista. Tendremos evidencia de que el mismo Espíritu que le enseñó a él nos enseña también a nosotros. Caminaremos lado a lado y veremos nuestra experiencia reflejada en la suya, porque “como en el agua el rostro corresponde al rostro, así el corazón del hombre al otro” (Prov. 27:19). Así bendeciremos y alabaremos a Dios porque Él guió una vez a David por estas sendas, y porque nos da la evidencia de que el mismo Espíritu que le guió a él nos guía también a nosotros. Él nos llevará al fin al mismo lugar donde David está ahora, cuando Dios enjugará las lágrimas de todos los rostros y nos mostrará la gloria del Cordero cara a cara.
Lectura: Salmo 139
Al lector…
Hay días en que le sobreviene la pregunta de si puede decir con sinceridad: “Mi esperanza en Ti está.” Es una gran palabra, y se dice con facilidad. Pero pregúntese con calma qué ha pasado entre el Señor y su alma. ¿Ha habido lágrimas, y ha habido una mano que las enjugó? ¿Ha habido clamores, y han llegado respuestas? Si teme que sea poco, abra entonces su alma delante de Él y ore con David: “Examíname, oh Dios, y conoce mi corazón.”
Un alma sincera no rehúye ese examen, pues no quiere ser engañada. Y si entonces halla en su propio corazón algo de lo que David conoció, el esperar, el suplicar y el luchar a Su estrado, sepa que el mismo Espíritu que le guió a él le guía también a usted. Él le llevará por las mismas sendas al mismo lugar, donde todas las lágrimas son enjugadas y verá la gloria del Cordero cara a cara.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl
Door Baca's Vallei
Zij allen wachten op U, dat Gij hun hun spijze geeft te zijner tijd.
Psalm 104:27
De spijze waarnaar Gods kinderen verlangen, is „de waarheid, zo zij in Jezus is”, zoals deze met kracht aan hun hart geopenbaard wordt, in haar verscheidene opzichten. Niet alleen om een zekere waarheid in het Woord van God te zien, want dit is slechts te vergelijken bij een hongerige bedelaar, die door een raam op een smakelijke dis ziet, waarvan hij buitengesloten is; zulk een gezicht ontsteekt zijn eetlust, meer wel dan dat hij er door verzadigd wordt. De spijze waarnaar Gods volk verlangt, en het enige dat hun geestelijke honger kan bevredigen, is de waarheid, zo zij in Jezus is, en deze met kracht geopenbaard, ontdekt en toegepast aan hun zielen; dus de waarheid, of het Woord, vergezeld met dauw, zalving, smaak, zoetheid, leven, licht en vrijheid, zodat de waarheid als een hemels manna in hun harten valt.
Het is niet genoeg dat de Heilige Geest de eetlust werkt, maar Hij moet de ziel overschaduwen met Zijn Goddelijke invloed, een hemelse smaak inleggen en de ziel verwaardigen met enige gewaarwordingen van Zijn tegenwoordigheid, met enige vernedering en smelting des harten aan de voeten van Christus, met enige uitwinning van de genegenheden tot God, en met de mededeling van een inwendig onthaal van de waarheid en een genieting van haar zoetheid en geur. „Gij hun geeft.” Het moet niet uit de Bijbel genomen worden omdat wij het kunnen lezen; niet opgevangen worden wanneer de leraar het voortbrengt, omdat het gehoord kan worden; niet uit boeken opgezameld worden; maar het moet door de heilige hand van Jehova Zelf gegeven worden en ontvangen in de gestalte van een boeteling, in de houding van een smekeling, één die neervalt aan de voet van het kruis, met niets in zichzelf dan wonden, veroordeling en schuld.
Maar er is een geschikte tijd. „Gij geeft hun hun spijze te zijner tijd.” Er zijn vele levende zielen die hongeren naar de Goddelijke zegeningen; maar de rechte tijd is nog niet gekomen. De tijden en gelegenheden, die de Vader in Zijn eigen macht gesteld heeft. Gij zijt er nog niet geschikt voor; de Heere moet u lager doen bukken; gij zult door donkerder paden moeten wandelen, door pijnlijker oefeningen. Er is een „te Zijner tijd” voor de openbaringen van de Evangeliezegeningen, er is een geschikte tijd, die de Onderzoeker des harten kent.
En de Onderzoeker des harten weet dat velen van de ware kerk in die staat verkeren, waarin Hij aan hen Zijn grootste en rijkste zegeningen niet wil uitlaten. Er is een geschikte tijd waarop zij geopenbaard worden aan de ziel, en die tijd zal de geschiktste zijn om alle behoeften te vervullen, zoals dit ook het meest tot heerlijkheid Gods zijn zal. Die geschikte tijd zal zeer waarschijnlijk dan zijn, wanneer de ziel het minst verwacht om het te ontvangen.
De belofte is reeds zo lang uitgesteld, dat het schijnt dat zij nooit vervuld zou worden; de zegen is reeds zo lang ingehouden, dat het schijnt alsof de Heere hem nooit schenken zal; Hij heeft zo lang Zijn aangezicht verborgen, dat het schijnt alsof de troon met een zwarte wolk is overdekt, en dat de stralen der Zon er nooit meer zullen doorbreken. Maar het is een „te Zijner tijd”; het zal gewisselijk komen. „Zo Hij vertoeft, verbeid Hem, want Hij zal niet achterblijven.” Er is een bestemde tijd om Sion te begunstigen, en wanneer die tijd komt, dan zal de Heere Sion bouwen en in Zijn heerlijkheid verschijnen, want „Hij zal Zich wenden tot het gebed desgenen, die gans ontbloot is, en niet versmaden hunlieder gebed”.
Aan de lezer…
Hongert u, arme ziel, en ziet u de waarheid wel, maar als door een raam, terwijl u zelf buiten de dis blijft staan? Dan bent u niet de eerste. Het is niet genoeg dat u het in de Bijbel leest of uit de mond van de leraar hoort; het moet door de hand van de Heere Zelf aan uw hart gegeven worden. En Hij geeft het aan zulken die met niets dan wonden, veroordeling en schuld aan de voet van het kruis neervallen.
Duurt het u lang? Schijnt het alsof de troon met een zwarte wolk bedekt is en de belofte nooit vervuld zal worden? Weet dan dat er een „te Zijner tijd” is, en dat de Onderzoeker des harten die tijd kent. Misschien komt het juist wanneer u het het minst verwacht. „Zo Hij vertoeft, verbeid Hem, want Hij zal niet achterblijven.” Hij zal Zich wenden tot het gebed van wie gans ontbloot is, en het niet versmaden.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Zij allen wachten op U, dat Gij hun hun spijze geeft te zijner tijd.
Psalm 104:27
Het voedsel waarnaar Gods kinderen verlangen, is „de waarheid, zo zij in Jezus is”, zoals die in haar verschillende aspecten met kracht aan hun hart geopenbaard wordt. Het gaat niet alleen om het zien van een bepaalde waarheid in het Woord van God. Dat is slechts te vergelijken met een hongerige bedelaar die door een raam naar een smakelijke maaltijd kijkt waarvan hij buitengesloten is; zo’n aanblik wekt zijn eetlust eerder op dan dat hij er verzadigd door wordt. Het voedsel waarnaar Gods volk verlangt, en het enige dat hun geestelijke honger kan stillen, is de waarheid zoals zij in Jezus is, met kracht aan hun zielen geopenbaard, ontdekt en toegepast. Dat wil zeggen: de waarheid, of het Woord, vergezeld van dauw, zalving, smaak, zoetheid, leven, licht en vrijheid, zodat de waarheid als hemels manna in hun harten valt.
Het is niet genoeg dat de Heilige Geest de eetlust werkt. Hij moet ook de ziel overschaduwen met Zijn Goddelijke invloed, een hemelse smaak geven en de ziel verwaardigen met enig besef van Zijn tegenwoordigheid. Hij moet het hart vernederen en doen smelten aan de voeten van Christus, de genegenheden naar God uittrekken en de ziel inwendig laten ontvangen wat de waarheid biedt, zodat zij haar zoetheid en geur geniet. „Gij hun geeft.” Het moet niet uit de Bijbel genomen worden omdat wij hem kunnen lezen; het moet niet opgevangen worden wanneer de leraar het naar voren brengt, omdat het gehoord kan worden; het moet niet uit boeken bijeengezocht worden. Het moet door de heilige hand van Jehova Zelf gegeven worden en ontvangen worden in de gestalte van een boeteling, in de houding van een smekeling, iemand die neervalt aan de voet van het kruis, met niets in zichzelf dan wonden, veroordeling en schuld.
Maar er is een geschikte tijd. „Gij geeft hun hun spijze te zijner tijd.” Er zijn veel levende zielen die hongeren naar de Goddelijke zegeningen, maar de juiste tijd is nog niet gekomen. Het zijn de tijden en gelegenheden die de Vader in Zijn eigen macht gesteld heeft. U bent er nog niet geschikt voor; de Heere moet u dieper laten buigen; u zult door donkerder paden moeten gaan, door pijnlijker oefeningen. Er is een „te Zijner tijd” voor de openbaring van de zegeningen van het Evangelie, er is een geschikte tijd, die de Onderzoeker van het hart kent.
En de Onderzoeker van het hart weet dat velen van de ware kerk in een staat verkeren waarin Hij hun Zijn grootste en rijkste zegeningen niet wil geven. Er is een geschikte tijd waarop zij aan de ziel geopenbaard worden, en die tijd zal de beste zijn om in alle behoeften te voorzien, zoals hij ook het meest tot Gods heerlijkheid zal zijn. Die geschikte tijd zal zeer waarschijnlijk komen wanneer de ziel het het minst verwacht te ontvangen.
De belofte is al zo lang uitgesteld, dat het lijkt alsof zij nooit vervuld zal worden. De zegen wordt al zo lang ingehouden, dat het lijkt alsof de Heere hem nooit zal schenken. Hij heeft Zijn aangezicht zo lang verborgen, dat het lijkt alsof de troon met een zwarte wolk bedekt is en de stralen van de Zon er nooit meer doorheen zullen breken. Maar het is een „te Zijner tijd”; het zal zeker komen. „Zo Hij vertoeft, verbeid Hem, want Hij zal niet achterblijven.” Er is een bestemde tijd om Sion genadig te zijn, en wanneer die tijd komt, zal de Heere Sion bouwen en in Zijn heerlijkheid verschijnen, want „Hij zal Zich wenden tot het gebed desgenen, die gans ontbloot is, en niet versmaden hunlieder gebed”.
Aan de lezer…
Hongert u, arme ziel, en ziet u de waarheid wel, maar als door een raam, terwijl u zelf buiten de maaltijd blijft staan? Dan bent u niet de eerste. Het is niet genoeg dat u het in de Bijbel leest of uit de mond van de leraar hoort; het moet door de hand van de Heere Zelf aan uw hart gegeven worden. En Hij geeft het aan hen die met niets dan wonden, veroordeling en schuld aan de voet van het kruis neervallen.
Duurt het u lang? Lijkt het alsof de troon met een zwarte wolk bedekt is en de belofte nooit vervuld zal worden? Weet dan dat er een „te Zijner tijd” is, en dat de Onderzoeker van het hart die tijd kent. Misschien komt het juist wanneer u het het minst verwacht. „Zo Hij vertoeft, verbeid Hem, want Hij zal niet achterblijven.” Hij zal Zich wenden tot het gebed van wie helemaal ontbloot is, en het niet versmaden.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
These wait all upon Thee; that Thou mayest give them their meat in due season.
Psalm 104:27
The “food” which God’s children long after, is to have “the truth as it is in Jesus,” in its various branches, revealed with power to their heart. Not merely to see a certain truth in God’s Word—that is like a hungry beggar looking at savory provision through a window, from which he is barred out; such a sight whets his appetite rather than satisfies it. The food that God’s people are longing after, and the only thing which can assuage their spiritual hunger, is “the truth as it is in Jesus” manifested, revealed, discovered, and applied with power to their souls; dew, unction, savor, sweetness, life, light, liberty accompanying the Word, so that truth falls as heavenly manna into their hearts.
It is not sufficient that the Holy Spirit should create the appetite, but He must overshadow the soul with His divine influences, breathe abroad a heavenly savor, and fill it with some sensations of His presence, with some meltings of heart at the feet of Christ, with some drawing forth of affection to God; and thus communicate an inward reception of the truth, and an enjoyment of its sweetness and savor.
“You give them.” It is not to be taken out of the Bible, because it may be read; not to be caught up, as the minister throws it forth, because it may be heard; not to be got out of books; but to be bestowed by the holy hand of Jehovah Himself, and received in the posture of a penitent, in the attitude of a suppliant, a sinner prostrate at the foot of the cross, without anything in self but wounds, condemnation, and guilt.
But there is a due season—“You give them their food in due season.” There are many living souls, who are hungering after divine blessings, but the “due season” has not come. “The times and the seasons the Father has put in His own power.” You are not yet fit for it; the Lord has to bring you lower; you will have to travel through darker paths, to pass through sorer exercises. There is a “due season” for the manifestation of gospel blessings; there is a fitting time, which the Searcher of hearts knows. And that Searcher of hearts knows that many of the true Church of God are at this present time in that state, that He will not manifest to them His greatest and richest blessings.
There is a “due season,” in which they are revealed and manifested to the soul; and that season will be as suitable to all its wants, as it will be most glorious to God. That “due season” will most probably be when the soul will least expect to receive it. The promise having been so long delayed, it seems as though it would never come; the blessing having been so long withheld, it appears as though the Lord would never bestow it; having denied His countenance so long, it seems as though He had drawn a black cloud over the throne, and through that cloud the rays of the sun would never shine.
But it is a “due season;” it will surely come; “though the vision tarry, wait for it, because it will surely come, it will not tarry.” There is a “set time to favor Zion,” and when that set time arrives, the Lord will build up Zion and appear in His glory, for “He will regard the prayer of the destitute, and not despise their prayer.”
To the reader…
Poor soul, are you hungry, and do you see the truth indeed, but as through a window, while you yourself stand outside the meal? Then you are not the first. It is not enough that you read it in the Bible or hear it from the minister’s lips; it must be given to your heart by the hand of the Lord Himself. And He gives it to those who fall down at the foot of the cross with nothing but wounds, condemnation and guilt.
Does it seem long to you? Does it seem as if the throne is covered with a black cloud and the promise will never be fulfilled? Know, then, that there is a “due season,” and that the Searcher of hearts knows that time. Perhaps it will come just when you least expect it. “Though it tarry, wait for it; because it will surely come, it will not tarry.” He will regard the prayer of the destitute, and not despise their prayer.
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
Todos ellos esperan en Ti, para que les des su comida a su tiempo.
Salmo 104:27
La “comida” que anhelan los hijos de Dios es que “la verdad como está en Jesús,” en sus diversas ramas, sea revelada con poder a su corazón. No meramente ver cierta verdad en la Palabra de Dios: eso es como un mendigo hambriento que mira manjares sabrosos a través de una ventana, de los cuales está excluido; tal vista le aviva el apetito más que satisfacerlo. La comida que anhela el pueblo de Dios, y lo único que puede calmar su hambre espiritual, es “la verdad como está en Jesús” manifestada, revelada, descubierta y aplicada con poder a sus almas; con rocío, unción, sabor, dulzura, vida, luz y libertad acompañando a la Palabra, de modo que la verdad caiga como maná celestial en sus corazones.
No basta que el Espíritu Santo cree el apetito, sino que ha de cubrir el alma con Sus influencias divinas, esparcir un sabor celestial y llenarla de algún sentir de Su presencia, de algún derretirse del corazón a los pies de Cristo, de algún despertar del afecto hacia Dios; y así comunicar una recepción interior de la verdad y un gozo de su dulzura y sabor.
“Les das.” No ha de sacarse de la Biblia por el hecho de que pueda leerse; ni ha de atraparse cuando el ministro la arroja, por el hecho de que pueda oírse; ni ha de obtenerse de los libros; sino que ha de ser otorgada por la santa mano de Jehová mismo, y recibida en la postura de un penitente, en la actitud de un suplicante, como un pecador postrado al pie de la cruz, sin nada en sí mismo sino heridas, condenación y culpa.
Pero hay un tiempo señalado: “Les das su comida a su tiempo.” Hay muchas almas vivientes que tienen hambre de bendiciones divinas, pero el “tiempo” no ha llegado. “Los tiempos o las sazones que el Padre puso en Su sola potestad.” Usted todavía no está preparado para ello; el Señor tiene que abatirle más; tendrá que recorrer caminos más oscuros, pasar por ejercicios más dolorosos. Hay un “tiempo” para la manifestación de las bendiciones del evangelio; hay un momento oportuno, que conoce el Escudriñador de los corazones. Y ese Escudriñador de los corazones sabe que muchos de la verdadera Iglesia de Dios están en este tiempo presente en tal estado que no les manifestará Sus mayores y más ricas bendiciones.
Hay un “tiempo” en el cual son reveladas y manifestadas al alma; y ese tiempo será tan adecuado a todas sus necesidades como sumamente glorioso para Dios. Ese “tiempo” vendrá muy probablemente cuando el alma menos espere recibirlo. Habiéndose demorado tanto la promesa, parece como si nunca hubiera de venir; habiéndose retenido tanto la bendición, parece como si el Señor nunca hubiera de concederla; habiendo negado Su rostro tanto tiempo, parece como si hubiera corrido una nube negra sobre el trono, y a través de esa nube los rayos del sol nunca hubieran de brillar.
Pero es un “tiempo” señalado; vendrá sin duda; “aunque se tardare, espéralo, que sin duda vendrá; no tardará.” Hay un “plazo” para tener misericordia de Sion, y cuando ese plazo llegue, el Señor edificará a Sion y aparecerá en Su gloria, porque “mirará a la oración de los solitarios, y no desechará el ruego de ellos.”
Al lector…
Pobre alma, ¿tiene hambre, y ve en verdad la verdad, pero como a través de una ventana, mientras usted mismo está fuera del banquete? Entonces no es el primero. No basta con leerla en la Biblia u oírla de labios del ministro; ha de ser dada a su corazón por la mano del Señor mismo. Y Él la da a los que caen al pie de la cruz sin nada más que heridas, condenación y culpa.
¿Se le hace largo? ¿Le parece como si el trono estuviera cubierto por una nube negra y la promesa nunca fuera a cumplirse? Sepa, pues, que hay un “tiempo” señalado, y que el Escudriñador de los corazones conoce ese tiempo. Quizá venga precisamente cuando menos lo espere. “Aunque se tardare, espéralo, que sin duda vendrá; no tardará.” Él mirará a la oración de los solitarios, y no desechará el ruego de ellos.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl