Nieuw verschenenHet woord van Gods genadePreken · 6 dagen geleden
Joseph Charles Philpot J.C. Philpot Bevindelijke geschriften & prediking
Steun

Korenaren

 

 

Vandaag

Korenaren Uit De Volle Oogst

26 oktober Korenaren uit de volle oogst

Laat ons de onwankelbare belijdenis der hoop vasthouden; want Die het beloofd heeft, is getrouw.
Hebreeën 10:23

Het geloof kan niet op verbeelding rusten; het kan alleen rusten op de onwankelbare Waarheid van God, zoals die in de Schriften is geopenbaard. En wanneer het in de Waarheid van God komt, zoals de duif van Noach in de ark kwam, als in haar eigen nest en woning, dan vindt het rust en vrede. Veel mensen denken dat wij ons geloof en onze hoop niet op de Schriften bouwen, maar op een zeker inwendig gevoel of een verbeelding van onszelf, los van het Woord van God. Ik bouw mijn geloof op niets anders, en kan dat ook niet, dan op wat in de Bijbel geopenbaard is. En ik moet dat wel doen, omdat ik geen andere grond heb om mijn voet op te zetten. Voelt u niet hetzelfde, u die iets kent van de beproeving van het geloof? U bent vaak heen en weer geslingerd en hebt vaak een vaste grond nodig gehad waarop uw geloof kon staan.

U hebt geprobeerd deze of die leer te geloven, of deze of die ervaring op te doen, maar u schoot tekort. U voelde dat uw geloof iets sterkers nodig had dan het getuigenis van mensen; u had een vastere grondslag nodig om daarop voor de eeuwigheid te bouwen. Want de dingen die u moest geloven, waren zo onzichtbaar en zo diep, dat niets dan het Woord van God voor uw geloof voldoende kon zijn om op te staan en in te rusten. Toen in deze beproeving van het geloof de Waarheid van God, zoals zij in de Schriften geopenbaard is, door Goddelijke kracht op uw hart werd toegepast, hebt u gemerkt dat er plaats was waar de voet van uw geloof op kon staan. U merkte dat uw geloof toen kón rusten op het levendmakend Woord van God, als op een rots waarop te bouwen is voor leven en dood, voor tijd en eeuwigheid.

Zo was het met Abraham, toen hij uitzag naar de geboorte van het beloofde Zaad en daarbij steunde op het woord van de belofte. Er konden in zijn hart heel wat twijfels en vrezen opkomen of hij wel een zoon bij Sara zou krijgen. Maar hij rustte op het woord van de belofte en vond zo een vaste grond voor zijn geloof. Zoals de apostel zegt: „Die tegen hoop op hoop geloofd heeft, dat hij een vader van vele volken worden zou, volgens hetgeen gezegd was: Alzo zal uw zaad zijn” (Rom. 4:18). Zo moet ook ons geloof steunen op het Woord van de belofte, „opdat wij, door twee onbeweeglijke dingen, waarin het onmogelijk was dat God zoude liegen, een sterke vertroosting hebben; wij die naar een schuilplaats gevlucht zijn, om de hoop aan te grijpen, die ons was voorgehouden.”

Beminnaars van de Heer,
verbreiders van zijn eer,
hoopt steeds op zijn genade
en haat altoos het kwade!

Ps. 97:6

Aan de lezer…

Hoe vaak hebt u zich al afgevraagd waarop uw hoop rust? Misschien hebt u geprobeerd deze of die leer te geloven, of deze of die ervaring op te doen, en voelde u dat het u ontglipte zodra de dingen van de eeuwigheid u te groot en te diep werden. Wees daar niet door verslagen. Zo leert de Heere Zijn volk dat het getuigenis van mensen te zwak is, en dat er niets overblijft dan Zijn eigen Woord om op te staan.

Want daar vindt het geloof, als de duif van Noach in de ark, zijn nest en zijn rust. Als Hij dat Woord met Goddelijke kracht aan uw hart toepast, dan staat u op een rots voor leven en dood, voor tijd en eeuwigheid. Vlucht dan als een arme ziel naar die schuilplaats en grijp de hoop aan die u wordt voorgehouden. Houd haar vast, ook al wankelt u zelf, want Die het beloofd heeft, is getrouw.

Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl

Open als losse pagina

365 Dagen Met Philpot

26 oktober 365 dagen met Philpot

Mijn hoop is op U

En nu, wat verwacht ik, o Heere? Mijn hoop, die is op U.
Psalm 39:8

Als u een kind van God bent, hebt u vast geen bezwaar tegen een onderzoek. U zult uw ziel soms voor God openleggen om het geweten te laten onderzoeken, en zeggen: „Doorgrond mij, o God! en ken mijn hart; beproef mij, en ken mijn gedachten. En zie, of bij mij een schadelijke weg zij” (Ps. 139:23-24). Kunnen we dan stap voor stap met deze heilige man van God meegaan? „En nu, wat verwacht ik, o Heere?” Weten we wat het is om op de Heere te wachten, om aan Zijn voetbank bij Hem te pleiten en met Hem te worstelen, opdat Hij voor ons verschijnt? Kunnen we onze gevoelens naast die van David leggen? Dan wekt dezelfde Geest Die Davids gevoelens opwekte, ook de uwe op.

Kunnen we een stap verder gaan? „Mijn hoop, die is op U.” Dat is een groot woord: we kunnen het ondoordacht zeggen – we kunnen het misleidend zeggen – we kunnen het schijnheilig zeggen. Kunnen we het éérlijk zeggen? Dat is de vraag.

Welke ontdekkingen, welke getuigenissen, welke openbaringen hebben we ontvangen? Wat is er van ons uitgegaan, wat is er bij ons binnengekomen? Welke uitroepen en welke antwoorden? Welke tranen, en welk afwissen van tranen uit onze ogen? Welke bezoekingen en welke vertroostingen? We moeten iets van deze dingen kennen om te kunnen zeggen: „Mijn hoop, die is op U.”

Zo zal onze persoonlijke bevinding samenvallen met die van de psalmist. We zullen bewijs hebben dat dezelfde Geest Die hem heeft onderwezen, ook ons onderwijst. We zullen zij aan zij verder reizen en onze bevinding in de zijne weerspiegeld zien, want „gelijk in het water het aangezicht is tegen het aangezicht, alzo is des mensen hart tegen de mens” (Spr. 27:19). Zo zullen we God zegenen en prijzen omdat Hij David eens langs deze paden heeft geleid, en omdat Hij ons het bewijs geeft dat dezelfde Geest Die hem leidde, ook ons leidt. Hij zal ons ten slotte naar dezelfde plaats brengen waar David nu is, wanneer God de tranen van alle aangezichten zal afwissen en ons van aangezicht tot aangezicht de heerlijkheid van het Lam zal laten zien.

Lezen: Psalm 139

Aan de lezer…

Er zijn dagen dat de vraag op u afkomt of u het eerlijk kunt zeggen: „Mijn hoop, die is op U.” Het is een groot woord, en het is gemakkelijk gezegd. Maar vraag uzelf eens in stilte af wat er tussen de Heere en uw ziel is voorgevallen. Zijn er tranen geweest, en is er een hand geweest die ze afwiste? Zijn er uitroepen geweest, en zijn er antwoorden gekomen? Vreest u dat het weinig is, leg dan uw ziel open voor Hem en bid met David: „Doorgrond mij, o God! en ken mijn hart.”

Een oprechte ziel schuwt dat onderzoek niet, want zij wil niet bedrogen worden. En vindt u dan in uw eigen hart iets van wat David kende, het wachten, het pleiten en het worstelen aan Zijn voetbank, weet dan dat dezelfde Geest Die hem leidde, ook u leidt. Hij zal u langs dezelfde paden brengen naar dezelfde plaats, waar alle tranen afgewist worden en u de heerlijkheid van het Lam van aangezicht tot aangezicht zult zien.

Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl

Open als losse pagina

Door Baca's Vallei

26 oktober Door Baca’s vallei

Zij allen wachten op U, dat Gij hun hun spijze geeft te zijner tijd.
Psalm 104:27

Het voedsel waarnaar Gods kinderen verlangen, is „de waarheid, zo zij in Jezus is”, zoals die in haar verschillende aspecten met kracht aan hun hart geopenbaard wordt. Het gaat niet alleen om het zien van een bepaalde waarheid in het Woord van God. Dat is slechts te vergelijken met een hongerige bedelaar die door een raam naar een smakelijke maaltijd kijkt waarvan hij buitengesloten is; zo’n aanblik wekt zijn eetlust eerder op dan dat hij er verzadigd door wordt. Het voedsel waarnaar Gods volk verlangt, en het enige dat hun geestelijke honger kan stillen, is de waarheid zoals zij in Jezus is, met kracht aan hun zielen geopenbaard, ontdekt en toegepast. Dat wil zeggen: de waarheid, of het Woord, vergezeld van dauw, zalving, smaak, zoetheid, leven, licht en vrijheid, zodat de waarheid als hemels manna in hun harten valt.

Het is niet genoeg dat de Heilige Geest de eetlust werkt. Hij moet ook de ziel overschaduwen met Zijn Goddelijke invloed, een hemelse smaak geven en de ziel verwaardigen met enig besef van Zijn tegenwoordigheid. Hij moet het hart vernederen en doen smelten aan de voeten van Christus, de genegenheden naar God uittrekken en de ziel inwendig laten ontvangen wat de waarheid biedt, zodat zij haar zoetheid en geur geniet. „Gij hun geeft.” Het moet niet uit de Bijbel genomen worden omdat wij hem kunnen lezen; het moet niet opgevangen worden wanneer de leraar het naar voren brengt, omdat het gehoord kan worden; het moet niet uit boeken bijeengezocht worden. Het moet door de heilige hand van Jehova Zelf gegeven worden en ontvangen worden in de gestalte van een boeteling, in de houding van een smekeling, iemand die neervalt aan de voet van het kruis, met niets in zichzelf dan wonden, veroordeling en schuld.

Maar er is een geschikte tijd. „Gij geeft hun hun spijze te zijner tijd.” Er zijn veel levende zielen die hongeren naar de Goddelijke zegeningen, maar de juiste tijd is nog niet gekomen. Het zijn de tijden en gelegenheden die de Vader in Zijn eigen macht gesteld heeft. U bent er nog niet geschikt voor; de Heere moet u dieper laten buigen; u zult door donkerder paden moeten gaan, door pijnlijker oefeningen. Er is een „te Zijner tijd” voor de openbaring van de zegeningen van het Evangelie, er is een geschikte tijd, die de Onderzoeker van het hart kent.

En de Onderzoeker van het hart weet dat velen van de ware kerk in een staat verkeren waarin Hij hun Zijn grootste en rijkste zegeningen niet wil geven. Er is een geschikte tijd waarop zij aan de ziel geopenbaard worden, en die tijd zal de beste zijn om in alle behoeften te voorzien, zoals hij ook het meest tot Gods heerlijkheid zal zijn. Die geschikte tijd zal zeer waarschijnlijk komen wanneer de ziel het het minst verwacht te ontvangen.

De belofte is al zo lang uitgesteld, dat het lijkt alsof zij nooit vervuld zal worden. De zegen wordt al zo lang ingehouden, dat het lijkt alsof de Heere hem nooit zal schenken. Hij heeft Zijn aangezicht zo lang verborgen, dat het lijkt alsof de troon met een zwarte wolk bedekt is en de stralen van de Zon er nooit meer doorheen zullen breken. Maar het is een „te Zijner tijd”; het zal zeker komen. „Zo Hij vertoeft, verbeid Hem, want Hij zal niet achterblijven.” Er is een bestemde tijd om Sion genadig te zijn, en wanneer die tijd komt, zal de Heere Sion bouwen en in Zijn heerlijkheid verschijnen, want „Hij zal Zich wenden tot het gebed desgenen, die gans ontbloot is, en niet versmaden hunlieder gebed”.

Aan de lezer…

Hongert u, arme ziel, en ziet u de waarheid wel, maar als door een raam, terwijl u zelf buiten de maaltijd blijft staan? Dan bent u niet de eerste. Het is niet genoeg dat u het in de Bijbel leest of uit de mond van de leraar hoort; het moet door de hand van de Heere Zelf aan uw hart gegeven worden. En Hij geeft het aan hen die met niets dan wonden, veroordeling en schuld aan de voet van het kruis neervallen.

Duurt het u lang? Lijkt het alsof de troon met een zwarte wolk bedekt is en de belofte nooit vervuld zal worden? Weet dan dat er een „te Zijner tijd” is, en dat de Onderzoeker van het hart die tijd kent. Misschien komt het juist wanneer u het het minst verwacht. „Zo Hij vertoeft, verbeid Hem, want Hij zal niet achterblijven.” Hij zal Zich wenden tot het gebed van wie helemaal ontbloot is, en het niet versmaden.

Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl

Open als losse pagina