gisteren verschenen
Het gesprek van een gelovige met zijn ziel
Een uitleg van Psalm 42:12 als gesprek tussen David en zijn ziel: waarom de ziel terneergeslagen en onrustig is, waarom ze op God moet hopen en hoe die hoop uitloopt…
8 dagen geleden verschenen
Het woord van Gods genade
Een uitleg van Handelingen 20:32: Paulus beveelt de oudsten van Efeze aan God en aan het woord van Zijn genade. Alleen dat woord, door de Geest toegepast, bouwt de ziel…
13 dagen geleden verschenen
Schatten in de duisternis
Uitleg van Jesaja 45:2,3 voor Gods kinderen: de Heere gaat voor hen uit, maakt kromme wegen recht, verbreekt koperen deuren en ijzeren grendels, geeft verborgen schatten en leert hen zo…
3 weken geleden verschenen
Verkrijgen en verliezen
Naar Prediker 3:6: een levende ziel verkrijgt geestelijke dingen, van kennis van God en van zichzelf tot geloof en vergeving, maar verliest ook haar eigen gerechtigheid en kracht. De preek…
Het schudden van wat gemaakt is en de vastheid van wat gegeven is
Over Hebreeën 12:27,28: wat gemaakt is, wordt geschud en weggenomen, wat God geeft blijft. Het Koninkrijk dat niet bewogen kan worden wordt door geloof ontvangen, door genade vastgehouden en draagt…
Korenaren Uit De Volle Oogst
Door de innerlijke bewegingen der barmhartigheid onzes Gods, met welke ons bezocht heeft de Opgang uit de hoogte.
Lukas 1:78
Door „opgang” wordt bedoeld de dageraad; de heraut der opkomende zon; de overgang van de duisternis tot het licht; de eerste nadering van de morgen; in één woord de opgang. Maar wat betekent die opgang in het geestelijke? Het is de mededeling van de rijzende Zon der Gerechtigheid. Het is niet hetzelfde als de Zon der Gerechtigheid, maar het is de heraut harer nadering; de stralen die de opgaande Zon op de in nacht gedompelde aarde werpt; de komst van de Heere Jezus, de Koning in Zijn schoonheid, aankondigende.
Deze uitdrukking was bijzonder van toepassing in de mond van Zacharias. De Heere van leven en heerlijkheid was toen nog niet verschenen; Hij was nog in de schoot der maagd Maria; maar Zijn voorloper Johannes was als heraut verschenen, om te verkondigen dat de Zon der Gerechtigheid op het punt was op te gaan. „Daar was een mens van God gezonden, wiens naam was Johannes. Deze kwam tot een getuigenis, om van het licht te getuigen, opdat zij allen door Hem geloven zouden. Hij was het licht niet, maar was gezonden, opdat hij van het licht getuigen zoude.” Al de volken lagen in die tijd in duisternis. „Duisternis bedekte de aarde, en grote duisternis de volken.” Maar toen de Heere van leven en heerlijkheid gereedstond op de aarde te verschijnen, toen Hij reeds het lichaam had aangenomen dat Hem toebereid was, hetzelfde vlees en bloed der kinderen, hetwelk Hij zou offeren tot een verzoening voor de zonde, was „de Opgang uit de hoogte” begonnen te dagen. Gods barmhartigheid, in het aangezicht van Zijn lieve Zoon, bezocht toen juist de in nacht gedompelde wereld.
Maar er is een andere betekenis aan deze woorden verbonden. „De Opgang uit de hoogte” laat zich niet beperken tot de komst van de Zone Gods in het vlees, maar kan verder uitgestrekt worden en betekenen de verschijning van de Zone Gods in het hart. Voor mij is de verschijning van de Heere Jezus in het vlees vóór negentienhonderd jaren geen zegen, zo Hij niet kwam om in mijn ziel te wonen. „De Opgang uit de hoogte”, die de in duisternis gezeten Joodse kerk bezocht, zal ons niet baten, tenzij diezelfde Opgang ons in nacht gedompeld hart bezoekt. „De Opgang uit de hoogte” is de openbaring van Gods barmhartigheid in het aangezicht des Zaligmakers. En wanneer deze „Opgang uit de hoogte” de ziel bezoekt, is het de eerste aanduiding, de doorbrekende stralen van de Zon der Gerechtigheid in het hart.
’t Is de Heer, wiens mededogen
blinden schenkt het lief’lijk licht
Wie in ’t stof lag neergebogen,
wordt door Hem weer opgericht.
God, die lust in waarheid heeft,
mint hem, die rechtvaardig leeft.
Psalm 146:6
Aan de lezer…
Soms is het nog nacht in uw hart. Weet u wel dat de Heere Jezus in het vlees verschenen is, maar is het u een bittere gedachte dat dit u niets baat, zo Hij niet in uw ziel komt wonen? Het is goed dat u dat voelt. Want de verschijning van de Zoon van God in het vlees is geen zegen voor wie Hem niet in het hart kent, en het is genade wanneer de ziel daarover begint te zuchten.
Zie dan niet op uzelf, maar op de innerlijke bewegingen der barmhartigheid onzes Gods. Daaruit komt de Opgang uit de hoogte voort, niet uit iets in u. Ook de eerste aanduiding, één doorbrekende straal in het donker, is de heraut van de Zon der Gerechtigheid. Waar de dageraad begint, komt de Koning in Zijn schoonheid. Wacht daarom op Hem; Hij laat het niet bij de opgang alleen.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Door de innerlijke bewegingen der barmhartigheid onzes Gods, met welke ons bezocht heeft de Opgang uit de hoogte.
Lukas 1:78
Met „opgang” wordt de dageraad bedoeld: de heraut van de opkomende zon, de overgang van duisternis naar licht, het eerste naderen van de morgen; in één woord: de opgang. Maar wat betekent die opgang in geestelijke zin? Het is de mededeling van de opgaande Zon der Gerechtigheid. Het is niet hetzelfde als de Zon der Gerechtigheid zelf, maar het is de heraut van haar komst. Het zijn de stralen die de opgaande Zon op de in nacht gehulde aarde werpt, en die de komst aankondigen van de Heere Jezus, de Koning in Zijn schoonheid.
Deze uitdrukking paste bijzonder goed in de mond van Zacharias. De Heere van leven en heerlijkheid was toen nog niet verschenen; Hij was nog in de schoot van de maagd Maria. Maar Zijn voorloper Johannes was als heraut verschenen om te verkondigen dat de Zon der Gerechtigheid op het punt stond op te gaan. „Daar was een mens van God gezonden, wiens naam was Johannes. Deze kwam tot een getuigenis, om van het licht te getuigen, opdat zij allen door Hem geloven zouden. Hij was het licht niet, maar was gezonden, opdat hij van het licht getuigen zoude.” Alle volken lagen in die tijd in duisternis. „Duisternis bedekte de aarde, en grote duisternis de volken.” Maar toen de Heere van leven en heerlijkheid gereedstond om op aarde te verschijnen, toen Hij al het lichaam had aangenomen dat voor Hem was toebereid, hetzelfde vlees en bloed als de kinderen, dat Hij zou offeren als verzoening voor de zonde, was „de Opgang uit de hoogte” begonnen te dagen. Gods barmhartigheid, in het aangezicht van Zijn geliefde Zoon, kwam toen juist de in nacht gehulde wereld bezoeken.
Maar aan deze woorden is nog een andere betekenis verbonden. „De Opgang uit de hoogte” blijft niet beperkt tot de komst van de Zoon van God in het vlees, maar kan verder worden uitgebreid tot de verschijning van de Zoon van God in het hart. Voor mij is de verschijning van de Heere Jezus in het vlees, negentienhonderd jaar geleden, geen zegen, als Hij niet kwam om in mijn ziel te wonen. „De Opgang uit de hoogte” die de in duisternis verkerende Joodse kerk bezocht, zal ons geen goed doen, tenzij diezelfde Opgang ook ons donkere hart bezoekt. „De Opgang uit de hoogte” is de openbaring van Gods barmhartigheid in het aangezicht van de Zaligmaker. En wanneer deze „Opgang uit de hoogte” de ziel bezoekt, is dat de eerste aanwijzing, zijn dat de doorbrekende stralen van de Zon der Gerechtigheid in het hart.
’t Is de Heer, wiens mededogen
blinden schenkt het lief’lijk licht
Wie in ’t stof lag neergebogen,
wordt door Hem weer opgericht.
God, die lust in waarheid heeft,
mint hem, die rechtvaardig leeft.
Psalm 146:6
Aan de lezer…
Soms is het nog nacht in uw hart. U weet wel dat de Heere Jezus in het vlees verschenen is, maar is het een bittere gedachte voor u dat dit u niets baat als Hij niet in uw ziel komt wonen? Het is goed dat u dat voelt. Want de verschijning van de Zoon van God in het vlees is geen zegen voor wie Hem niet in het hart kent, en het is genade wanneer de ziel daarover begint te zuchten.
Zie dan niet op uzelf, maar op de innerlijke bewegingen van de barmhartigheid van onze God. Daaruit komt de Opgang uit de hoogte voort, niet uit iets in u. Ook de eerste aanwijzing, één doorbrekende straal in het donker, is de heraut van de Zon der Gerechtigheid. Waar de dageraad begint, komt de Koning in Zijn schoonheid. Wacht daarom op Hem; Hij laat het niet bij de opgang alleen.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Through the tender mercy of our God; whereby the dayspring from on high hath visited us.
Luke 1:78
By “day-spring” is meant the day-dawn, the herald of the rising sun, the change from darkness to light, the first approach of morn, in a word, the spring of the day. But what is this “day-spring” spiritually? It is the intimation of the rising of the Sun of righteousness. It is not the same thing as the Sun of righteousness; but it is the herald of His approach; the beams which the rising sun casts upon the benighted world, announcing the coming of Jesus, “the King in His beauty.”
This expression was singularly applicable in the mouth of Zacharias. The Lord of life and glory had not then appeared; He was still in the womb of the Virgin Mary. But His forerunner, John, had appeared as the precursor, the herald of His approach, and was sent to announce that the Sun of righteousness was about to arise. “There was a man sent from God, whose name was John. He came for a witness, to bear witness of the Light, that all men through him might believe. He was not that Light, but was sent to bear witness of that Light” (John 1:6-8).
All nations at that time lay in darkness. “Darkness covered the earth, and gross darkness the people.” But when the Lord of life and glory was about to appear upon earth, when He had already taken the body which was prepared for Him, the very flesh and blood of the children, which He was to offer as a propitiation for sin, “the dayspring from on high” had begun to dawn. God’s mercy, in the face of His dear Son, was just visiting the benighted world.
But there is another, an experimental meaning, connected with these words. “The day-spring from on high” is not to be confined to the approach of the Son of God in the flesh; but it may be extended to signify the appearance of the Son of God in the heart. I cannot be benefited by the appearing of Jesus in the flesh eighteen hundred years ago, unless He comes and dwells in my soul. “The day-spring from on high” which visited the benighted Jewish church will not profit us except that same day-spring visits our benighted heart. “The day-spring from on high” is the manifestation of God’s mercy in the face of the Savior. And when this “day-spring from on high” visits the soul, it is the first intimation, the dawning rays of the Sun of righteousness in the heart.
To the reader…
Sometimes it is still night in your heart. You know well enough that the Lord Jesus appeared in the flesh, but is it a bitter thought to you that this profits you nothing unless He comes and dwells in your soul? It is good that you feel this. For the appearing of the Son of God in the flesh is no blessing to anyone who does not know Him in the heart, and it is grace when the soul begins to sigh over that.
Do not look to yourself, then, but to the tender mercy of our God. It is from there that the Dayspring from on high comes forth, not from anything in you. Even the first intimation, one ray breaking through the darkness, is the herald of the Sun of righteousness. Where the dawn begins, the King comes in His beauty. So wait for Him; He does not leave it at the dawning alone.
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
Por las entrañas de misericordia de nuestro Dios, con que nos visitó de lo alto el Oriente.
Lucas 1:78
Por “Oriente” se entiende el despuntar del día, el heraldo del sol naciente, el paso de las tinieblas a la luz, la primera llegada de la mañana; en una palabra, el nacimiento del día. Pero ¿qué es espiritualmente este “Oriente”? Es el anuncio de la salida del Sol de justicia. No es lo mismo que el Sol de justicia, sino el heraldo de Su llegada; los rayos que el sol naciente arroja sobre el mundo entenebrecido, anunciando la venida de Jesús, “el Rey en Su hermosura”.
Esta expresión era singularmente adecuada en boca de Zacarías. El Señor de la vida y de la gloria aún no había aparecido; estaba todavía en el seno de la virgen María. Pero Su precursor, Juan, había aparecido como el que iba delante, el heraldo de Su llegada, y fue enviado a anunciar que el Sol de justicia estaba a punto de salir. “Fue un hombre enviado de Dios, el cual se llamaba Juan. Éste vino por testimonio, para que diese testimonio de la Luz, para que todos creyesen por él. No era él la Luz, sino para que diese testimonio de la Luz” (Juan 1:6-8).
Todas las naciones yacían en aquel tiempo en tinieblas. “Tinieblas cubrirán la tierra, y oscuridad los pueblos”. Pero cuando el Señor de la vida y de la gloria estaba a punto de aparecer en la tierra, cuando ya había tomado el cuerpo que Le fue preparado, la misma carne y sangre de los hijos, que había de ofrecer como propiciación por el pecado, “el Oriente de lo alto” había comenzado a despuntar. La misericordia de Dios, en el rostro de Su amado Hijo, estaba justamente visitando al mundo entenebrecido.
Pero hay otro sentido, un sentido experimental, unido a estas palabras. “El Oriente de lo alto” no ha de limitarse a la venida del Hijo de Dios en la carne, sino que puede extenderse para significar la aparición del Hijo de Dios en el corazón. No puedo sacar provecho de la aparición de Jesús en la carne hace mil ochocientos años, a menos que Él venga y more en mi alma. “El Oriente de lo alto” que visitó a la entenebrecida iglesia judía no nos aprovechará, a menos que ese mismo Oriente visite nuestro corazón entenebrecido. “El Oriente de lo alto” es la manifestación de la misericordia de Dios en el rostro del Salvador. Y cuando este “Oriente de lo alto” visita el alma, es el primer anuncio, los rayos del alba del Sol de justicia en el corazón.
Al lector…
A veces todavía es de noche en su corazón. Usted sabe bien que el Señor Jesús apareció en la carne, pero ¿le resulta amargo pensar que esto de nada le aprovecha a menos que Él venga y more en su alma? Es bueno que lo sienta. Porque la aparición del Hijo de Dios en la carne no es bendición para nadie que no Le conozca en el corazón, y es gracia cuando el alma comienza a suspirar por ello.
No mire, pues, a sí mismo, sino a las entrañas de misericordia de nuestro Dios. Es de allí de donde procede el Oriente de lo alto, no de algo que haya en usted. Aun el primer anuncio, un solo rayo que atraviesa las tinieblas, es el heraldo del Sol de justicia. Donde comienza el alba, viene el Rey en Su hermosura. Espérele, pues; Él no se queda solo en el alba.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl
365 Dagen Met Philpot
Zie mij aan
Zie mij aan, wees mij genadig, naar het recht aan degenen, die Uw Naam beminnen.
Psalm 119:132
De Heere had David gegeven wat Hij aan al Zijn kinderen geeft: ogen, opmerkzame ogen, waardoor hij zag dat de Heere een volk had dat Zijn Naam liefhad; dat zich te midden van het goddeloze geslacht waarin zijn lot hem had doen terechtkomen, een uiteengedreven volk bevond in wie God Zijn liefde had uitgestort, aan wie Hij de genade openbaarde, en in wier harten Hij iets had laten vallen van Zijn barmhartigheid, die beter is dan het leven zelf. David keek naar hen, en terwijl hij dit deed, zag hij wat een gezegend volk het was. Hij zag dat ze waren omringd door alle volmaaktheden van God. Hij zag dat ze werden bewaard als Gods oogappel. Hij zag hen als de schonen der aarde, in wie hij al zijn genoegen schiep, en uit zijn hart vloeide tedere genegenheid naar hen, als geliefden van God, die ook Hem liefhadden, Die Zijn liefde in hun ziel had uitgestort.
Heel veel van Gods kinderen bevinden zich hier. Hun ogen zijn verlicht, zodat ze kunnen zien dat God een volk heeft. Daaraan twijfelen ze in het geheel niet, en dat niet alleen: er wordt in het verborgene op heilige wijze aan hun gevoelens gewerkt, zodat ze de tedere genegenheid naar dit volk voelen stromen. Ze beschouwen hen als de schonen der aarde. Ze houden van hen omdat ze de geest, de gelijkenis en het beeld van Christus in hen zien, hoe arm, hoe afzichtelijk, hoe verachtelijk ze in de ogen van de wereld ook zijn. Er bestaat een verborgen liefde die de kinderen van God jegens elkaar koesteren, die hen met elkaar verbindt met de sterkste koorden van geestelijke eenheid en genegenheid.
David zag vervolgens dat God met deze mensen op een bijzondere wijze omging, en daarom riep hij uit: „Zie mij aan, wees mij genadig, naar het recht aan degenen, die Uw Naam beminnen” (Ps. 119:132). Hij zag dat de Heere op een bijzondere manier met dit volk omging, dat ze de begunstigden van Zijn eeuwige liefde waren; en als zodanig zegende de Heere hen onophoudelijk.
Lezen: Psalm 106:1-12
Aan de lezer…
Zoekende ziel, ziet u met verlichte ogen dat God een volk heeft? Gaat uw hart uit naar hen in wie u iets van het beeld van Christus ziet, hoe arm en veracht zij ook zijn in de ogen der wereld? Maar misschien voelt u uzelf daarbij als een buitenstaander: u ziet hoe de Heere met hen omgaat, en u vreest dat u er niet bij hoort.
Laat dan die tedere genegenheid voor Gods volk u niet ontmoedigen, maar naar Hem drijven. Waar komt die liefde vandaan? Zij wordt in het verborgene op heilige wijze in u gewerkt, en zij verbindt u met de sterkste koorden aan hen die Zijn Naam beminnen. Doe dan als David, en bid met hem: „Zie mij aan, wees mij genadig, naar het recht aan degenen, die Uw Naam beminnen.” Hij Die Zijn volk onophoudelijk zegent, zal zulk een bede niet versmaden.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Zie mij aan, wees mij genadig, naar het recht aan degenen, die Uw Naam beminnen.
Psalm 119:132
De Heere had David gegeven wat Hij al Zijn kinderen geeft: ogen, opmerkzame ogen. Daardoor zag hij dat de Heere een volk had dat Zijn Naam liefhad. Midden in het goddeloze geslacht waarin hij door zijn lot terecht was gekomen, was er een verstrooid volk in wie God Zijn liefde had uitgestort, aan wie Hij de genade openbaarde, en in wier harten Hij iets had laten vallen van Zijn goedertierenheid, die beter is dan het leven. David keek naar hen, en daarbij zag hij wat een gezegend volk het was. Hij zag dat ze omringd waren door alle volmaaktheden van God. Hij zag dat ze bewaard werden als Gods oogappel. Hij zag hen als de heerlijken op de aarde, in wie hij al zijn lust had, en uit zijn hart ging tedere genegenheid naar hen uit, als geliefden van God, die ook Hem liefhadden Die Zijn liefde in hun ziel had uitgestort.
Heel veel van Gods kinderen zijn hier. Hun ogen zijn verlicht, zodat ze kunnen zien dat God een volk heeft. Daaraan twijfelen ze helemaal niet, en meer nog: er wordt in het verborgene op heilige wijze aan hun gevoelens gewerkt, zodat ze tedere genegenheid naar dit volk voelen uitgaan. Ze beschouwen hen als de heerlijken op de aarde. Ze houden van hen omdat ze de geest, de gelijkenis en het beeld van Christus in hen zien, hoe arm, hoe onaanzienlijk en hoe veracht ze in de ogen van de wereld ook zijn. Er is een verborgen liefde die de kinderen van God voor elkaar hebben, en die hen met de sterkste koorden van geestelijke eenheid en genegenheid aan elkaar verbindt.
Verder zag David dat God op een bijzondere wijze met deze mensen omging, en daarom riep hij uit: „Zie mij aan, wees mij genadig, naar het recht aan degenen, die Uw Naam beminnen” (Ps. 119:132). Hij zag dat de Heere op een bijzondere manier met dit volk omging, dat zij de begunstigden van Zijn eeuwige liefde waren, en dat de Heere hen daarom onophoudelijk zegende.
Lezen: Psalm 106:1-12
Aan de lezer…
Zoekende ziel, ziet u met verlichte ogen dat God een volk heeft? Gaat uw hart uit naar hen in wie u iets van het beeld van Christus ziet, hoe arm en veracht zij ook zijn in de ogen van de wereld? Maar misschien voelt u zich daarbij een buitenstaander: u ziet hoe de Heere met hen omgaat, en u vreest dat u er niet bij hoort.
Laat die tedere genegenheid voor Gods volk u dan niet ontmoedigen, maar naar Hem drijven. Waar komt die liefde vandaan? Zij wordt in het verborgene op heilige wijze in u gewerkt, en zij verbindt u met de sterkste koorden aan hen die Zijn Naam beminnen. Doe dan als David en bid met hem: „Zie mij aan, wees mij genadig, naar het recht aan degenen, die Uw Naam beminnen.” Hij Die Zijn volk onophoudelijk zegent, zal zo’n bede niet versmaden.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Look Thou upon me, and be merciful unto me, as Thou usest to do unto those that love Thy Name.
Psalm 119:132
The Lord had given David what He gives all His children: eyes, observant eyes. By them he saw that the Lord had a people that loved His Name. In the midst of the ungodly generation among which his lot was cast, there was a scattered people into whom God had shed His love, to whom He revealed grace, and into whose hearts He had let fall something of His lovingkindness, which is better than life.
David looked at them, and in doing so he saw what a blessed people they were. He saw that they were surrounded by all the perfections of God. He saw that they were kept as the apple of God’s eye. He saw them as the excellent of the earth, in whom was all his delight, and tender affection went out of his heart towards them, as beloved of God, who also loved Him Who had shed His love abroad in their souls.
A great many of God’s children are here. Their eyes are enlightened, so that they can see that God has a people. Of that they have no doubt whatever, and more than that: their feelings are secretly and holily wrought upon, so that they feel tender affection going out towards this people. They regard them as the excellent of the earth. They love them because they see the spirit, the likeness and the image of Christ in them, however poor, however mean and however despised they are in the eyes of the world. There is a secret love that the children of God have for one another, and which binds them together with the strongest cords of spiritual union and affection.
Further, David saw that God dealt with these people in a special way, and therefore he cried, “Look Thou upon me, and be merciful unto me, as Thou usest to do unto those that love Thy Name” (Ps. 119:132). He saw that the Lord dealt with this people in a special manner, that they were the favoured objects of His eternal love, and that the Lord therefore blessed them without ceasing.
Reading: Psalm 106:1-12
To the reader…
Seeking soul, do you see with enlightened eyes that God has a people? Does your heart go out to those in whom you see something of the image of Christ, however poor and despised they may be in the eyes of the world? But perhaps in all this you feel yourself an outsider: you see how the Lord deals with them, and you fear that you do not belong among them.
Do not let that tender affection for God’s people discourage you, then, but let it drive you to Him. Where does that love come from? It is secretly and holily wrought in you, and it binds you with the strongest cords to those who love His Name. Do as David did, then, and pray with him: “Look Thou upon me, and be merciful unto me, as Thou usest to do unto those that love Thy Name.” He Who blesses His people without ceasing will not despise such a prayer.
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
Mírame, y ten misericordia de mí, como acostumbras con los que aman Tu Nombre.
Salmo 119:132
El Señor había dado a David lo que da a todos Sus hijos: ojos, ojos atentos. Con ellos vio que el Señor tenía un pueblo que amaba Su Nombre. En medio de la generación impía entre la cual le había tocado vivir, había un pueblo disperso en quien Dios había derramado Su amor, a quien revelaba Su gracia, y en cuyos corazones había dejado caer algo de Su misericordia, que es mejor que la vida.
David los miró, y al hacerlo vio qué pueblo tan bienaventurado eran. Vio que estaban rodeados de todas las perfecciones de Dios. Vio que eran guardados como la niña de los ojos de Dios. Los vio como los íntegros de la tierra, en quienes estaba toda su complacencia, y un tierno afecto salió de su corazón hacia ellos, como amados de Dios, que a su vez amaban a Aquel que había derramado Su amor en sus almas.
Muchísimos hijos de Dios están aquí. Sus ojos están alumbrados, de modo que pueden ver que Dios tiene un pueblo. De ello no tienen la menor duda, y más aún: sus sentimientos son movidos secreta y santamente, de modo que sienten un tierno afecto que sale hacia este pueblo. Los consideran como los íntegros de la tierra. Los aman porque ven en ellos el espíritu, la semejanza y la imagen de Cristo, por pobres, por humildes y por despreciados que sean a los ojos del mundo. Hay un amor secreto que los hijos de Dios se tienen unos a otros, y que los une con las cuerdas más fuertes de unión y afecto espiritual.
Además, David vio que Dios trataba a este pueblo de una manera especial, y por eso clamó: “Mírame, y ten misericordia de mí, como acostumbras con los que aman Tu Nombre” (Salmo 119:132). Vio que el Señor trataba a este pueblo de un modo especial, que eran los objetos favorecidos de Su amor eterno, y que por eso el Señor los bendecía sin cesar.
Lectura: Salmo 106:1-12
Al lector…
Alma que busca, ¿ve usted con ojos alumbrados que Dios tiene un pueblo? ¿Sale su corazón hacia aquellos en quienes ve algo de la imagen de Cristo, por pobres y despreciados que sean a los ojos del mundo? Pero quizá en todo esto se siente un extraño: ve cómo el Señor los trata, y teme no pertenecer a ellos.
No deje, pues, que ese tierno afecto por el pueblo de Dios le desanime, sino que le impulse hacia Él. ¿De dónde viene ese amor? Ha sido obrado en usted secreta y santamente, y le une con las cuerdas más fuertes a los que aman Su Nombre. Haga, pues, como David, y ore con él: “Mírame, y ten misericordia de mí, como acostumbras con los que aman Tu Nombre.” Aquel que bendice a Su pueblo sin cesar no despreciará tal oración.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl
Door Baca's Vallei
Alzo ook gijlieden, houdt het daarvoor, dat gij wel de zonde dood zijt, maar Gode levende zijt in Christus Jezus, onze Heere.
Romeinen 6:11
Hoeveel zielen zijn er die strijden tegen de kracht der zonde, en toch nooit enige overwinning daarover behalen! Hoeveel worden er dagelijks omgeleid door de lusten van het vlees, de liefde tot de wereld, de grootheid des levens, en die nooit enige overwinning behalen kunnen! Hoeveel vechten en strijden, zelfs met tranen, beloften en vaste besluiten, tegen de zonde die hen lichtelijk omringt: zonden van het humeur, lichtzinnigheid of gierigheid, die telkens en telkens weer overwinnen! Nu, wat is hiervan de oorzaak? Omdat zij het geheim van de geestelijke kracht tegen en de geestelijke overwinning over deze niet kennen.
Het is alleen uit kracht van een levende vereniging met de Heere Jezus Christus, door een gelovig zien op Zijn lijden en dood, en door het ontvangen uit Zijn volheid, dat wij de overwinning bekomen over de wereld, zonde, dood en hel. Laat mij dit een weinig nader naast uw eigen bevinding neerleggen. Zeg dat uw ziel bij een bijzondere gelegenheid zeer vriendelijk werd begunstigd. Een teder gevoel van des Zaligmakers liefde en bloed hebt gij in uw hart waargenomen, en toen kondt gij met een geloof, door God Zelf gewerkt, geloven dat Hij voor eeuwig de uwe was. En door dit geloof, als een open kanaal van Gods mededeling, stroomden Zijn verdiensten en bemiddelingen, Zijn bloed, gerechtigheid en stervende liefde vrijelijk in uw ziel.
Wat was daarvan het gevolg? Dat dit u leidde tot de zonde, tot verwaandheid en losbandigheid? Neen, juist het tegenovergestelde: tot een heilige gehoorzaamheid van hart en mond en wandel. De zonde werd nooit in waarheid en krachtdadig onderworpen in een andere weg. Saulus viel neer aan de poort van Damascus en werd van een vervolger een bidder; dit is een Schriftuurlijk voorbeeld van de dood der zonde door de kracht van Christus.
Het is dan niet door wettisch woelen en ernstige besluiten, door beloften en tranen, die op zijn best maar monnikerij zijn (een zachter vorm van een boetekleed, van de bloedige gesel en het vochtige klooster), een ijdel streven van het godsdienstig vlees om het zondige vlees te onderwerpen, dat de zonde overwonnen wordt; maar het is alleen door een geloofskennis van en een geestelijk intreden in het lijden en de smarten van de Zoon van God, door een levendig geloof in Hem en een ontvangen uit Zijn volheid, overvloed van genade en kracht, de kracht die volbracht wordt in onze zwakheid. In dit opzicht zegt de apostel tot de Kolossenzen: „Want gij zijt dood.” Niet slechts omdat de wet u veroordeeld en terneergeslagen heeft wat uw wettische hoop aangaat, maar uit kracht van deelgenootschap in de dood van de Heere Jezus Christus, uit kracht van een levende vereniging met de lijdende Zoon van God.
„De zonde zal over u niet heersen, want gij zijt niet onder de wet” – waar de zonde heerst met toenemende kracht – „maar onder de genade”, die de zonde onderwerpt door ze te vergeven. Als gij Romeinen 6 met een verlicht oog leest, zult gij zien hoe de apostel de dood van de gelovige toeschrijft aan de kracht en de invloed van de zonde, door een geestelijke doop in de dood en de opstanding van de Heere Jezus.
Aan de lezer…
Het kan zijn dat u moe gestreden bent. Hebt u met tranen, beloften en vaste besluiten gevochten tegen die ene zonde die u lichtelijk omringt, en ziet u haar telkens en telkens weer overwinnen? Dan zult u weten hoe ijdel al het streven van het godsdienstig vlees is. Het is niet uw woelen en uw ernst die de zonde onderwerpen. Wees daarover niet wanhopig, maar laat het u uitdrijven naar Christus.
Gedenk dat uur, als de Heere het u ooit gaf, waarin Zijn liefde en bloed teder in uw hart werden gevoeld. Leidde dat u tot losbandigheid? Neen, het boog uw hart tot heilige gehoorzaamheid. Daar ligt het geheim: een levende vereniging met Hem, een gelovig zien op Zijn lijden en dood, en een ontvangen uit Zijn volheid. U bent niet onder de wet, maar onder de genade, en die genade onderwerpt de zonde door haar te vergeven.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Alzo ook gijlieden, houdt het daarvoor, dat gij wel de zonde dood zijt, maar Gode levende zijt in Christus Jezus, onze Heere.
Romeinen 6:11
Hoeveel zielen zijn er die strijden tegen de macht van de zonde en er toch nooit enige overwinning over behalen! Hoevelen worden er dagelijks meegesleept door de lusten van het vlees, de liefde tot de wereld en de grootsheid van het leven, zonder dat zij ooit enige overwinning kunnen behalen! Hoevelen vechten en strijden, zelfs met tranen, beloften en vaste besluiten, tegen de zonde die hen zo gemakkelijk omringt: zonden van het humeur, lichtzinnigheid of gierigheid, die telkens en telkens weer winnen! Wat is daarvan de oorzaak? Zij kennen het geheim niet van de geestelijke kracht ertegen en van de geestelijke overwinning erover.
Alleen door de kracht van een levende vereniging met de Heere Jezus Christus, door een gelovig zien op Zijn lijden en sterven, en door te ontvangen uit Zijn volheid, krijgen wij de overwinning over de wereld, de zonde, de dood en de hel. Laat mij dit iets dichter bij uw eigen bevinding brengen. Stel dat uw ziel bij een bijzondere gelegenheid heel vriendelijk werd begunstigd. U merkte een teder gevoel van de liefde en het bloed van de Zaligmaker in uw hart op, en toen kon u met een geloof dat God Zelf gewerkt had, geloven dat Hij voor eeuwig de uwe was. En door dat geloof, als een open kanaal van Gods mededeling, stroomden Zijn verdiensten en voorbede, Zijn bloed, gerechtigheid en stervende liefde vrij in uw ziel.
Wat was daarvan het gevolg? Leidde het u tot de zonde, tot verwaandheid en losbandigheid? Nee, juist het tegenovergestelde: tot een heilige gehoorzaamheid van hart en mond en wandel. Op geen andere weg werd de zonde ooit werkelijk en krachtig onderworpen. Saulus viel neer aan de poort van Damascus en werd van een vervolger een bidder; dat is een Schriftuurlijk voorbeeld van het sterven van de zonde door de kracht van Christus.
De zonde wordt dus niet overwonnen door wettisch zwoegen en ernstige besluiten, door beloften en tranen, die op zijn best slechts monnikenwerk zijn (een zachtere vorm van het boetekleed, van de bloedige gesel en het vochtige klooster), een ijdel streven van het godsdienstige vlees om het zondige vlees te onderwerpen. Zij wordt alleen overwonnen door een geloofskennis van en een geestelijk binnengaan in het lijden en de smarten van de Zoon van God, door een levend geloof in Hem en een ontvangen uit Zijn volheid, uit Zijn overvloed van genade en kracht, de kracht die in onze zwakheid volbracht wordt. In die zin zegt de apostel tegen de Kolossenzen: „Want gij zijt dood.” Niet alleen omdat de wet u veroordeeld heeft en uw wettische hoop heeft neergeslagen, maar door de kracht van de gemeenschap aan de dood van de Heere Jezus Christus, door de kracht van een levende vereniging met de lijdende Zoon van God.
„De zonde zal over u niet heersen, want gij zijt niet onder de wet” – waar de zonde heerst met toenemende kracht – „maar onder de genade”, die de zonde onderwerpt door haar te vergeven. Als u Romeinen 6 met een verlicht oog leest, zult u zien hoe de apostel de dood van de gelovige aan de kracht en de invloed van de zonde toeschrijft aan een geestelijke doop in de dood en de opstanding van de Heere Jezus.
Aan de lezer…
Het kan zijn dat u moegestreden bent. Hebt u met tranen, beloften en vaste besluiten gevochten tegen die ene zonde die u zo gemakkelijk omringt, en ziet u haar telkens en telkens weer winnen? Dan zult u weten hoe ijdel al het streven van het godsdienstige vlees is. Het is niet uw zwoegen en uw ernst die de zonde onderwerpen. Wanhoop daar niet over, maar laat het u uitdrijven naar Christus.
Denk aan dat uur, als de Heere het u ooit gaf, waarin u Zijn liefde en bloed teder in uw hart voelde. Leidde dat u tot losbandigheid? Nee, het boog uw hart tot heilige gehoorzaamheid. Daar ligt het geheim: een levende vereniging met Hem, een gelovig zien op Zijn lijden en sterven, en een ontvangen uit Zijn volheid. U bent niet onder de wet, maar onder de genade, en die genade onderwerpt de zonde door haar te vergeven.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Likewise reckon ye also yourselves to be dead indeed unto sin, but alive unto God through Jesus Christ our Lord.
Romans 6:11
How many poor souls are struggling against the power of sin, and yet never get any victory over it! How many are daily led captive by the lusts of the flesh, the love of the world, and the pride of life, and never get any victory over them! How many fight and grapple with tears, vows, and strong resolutions against the besetting sins of temper, levity, or covetousness, who are still entangled and overcome by them again and again! Now, why is this? Because they know not the secret of spiritual strength against, and spiritual victory over them.
It is only by virtue of a living union with the Lord Jesus Christ, drinking into His sufferings and death, and receiving out of His fullness, that we can gain any victory over the world, sin, death, or hell. Let me bring this down a little to your own experience. Say your soul has been, on one particular occasion, very sweetly favored; a melting sense of the Saviour’s precious love and blood has come into your heart, and you could then believe, with a faith of God’s own giving, that He was eternally yours; and through this faith, as an open channel of divine communication, His merits and mediation, blood, righteousness, and dying love came sweetly streaming into your soul.
What was the effect? To lead you to sin, to presumption, to licentiousness? No, just the contrary. To a holy obedience in heart, lip, and life. Sin is never really or effectually subdued in any other way. Saul struck down at the gates of Damascus, and turned from persecution to praying, is a scriptural instance of the death of sin by the power of Christ.
It is not, then, by legal strivings and earnest resolutions, vows, and tears, which are but monkery at best, (a milder form of the hair shirt, the bleeding scourge, and the damp cloister,) the vain struggle of religious flesh to subdue sinful flesh, that can overcome sin; but it is by a believing acquaintance with, and a spiritual entrance into the sufferings and sorrows of the Son of God, having a living faith in Him, and receiving out of His fullness supplies of grace and strength—strength made perfect in our weakness.
In this sense the Apostle says to the Colossians, “For you are dead;” not merely by the law having condemned and slain you, as to all legal hopes, but by virtue of a participation in the death of the Lord Jesus Christ, by virtue of a living union with the suffering Son of God. “Sin shall not have dominion over you; for you are not under the law,” where sin reigns with increased dominion, “but under grace,” which subdues sin by pardoning it. If you read Romans 6 with an enlightened eye, you will see how the Apostle traces out the death of the believer unto the power and prevalence of sin, by virtue of a spiritual baptism into the death and resurrection of the Lord Jesus.
To the reader…
It may be that you are weary of fighting. Have you struggled with tears, vows and firm resolutions against that one sin which so easily besets you, and do you see it win again and again? Then you will know how vain all the striving of religious flesh is. It is not your toiling and your earnestness that subdue sin. Do not despair over that, but let it drive you out to Christ.
Think of that hour, if the Lord ever gave it to you, when you felt His love and blood tenderly in your heart. Did that lead you to licentiousness? No, it bowed your heart to holy obedience. There lies the secret: a living union with Him, a believing look at His sufferings and death, and a receiving out of His fullness. You are not under the law, but under grace, and that grace subdues sin by pardoning it.
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
Así también vosotros, pensad que de cierto estáis muertos al pecado, mas vivos a Dios en Cristo Jesús Señor nuestro.
Romanos 6:11
¡Cuántas pobres almas luchan contra el poder del pecado y, sin embargo, nunca obtienen victoria alguna sobre él! ¡Cuántas son llevadas cautivas cada día por los deseos de la carne, el amor del mundo y la soberbia de la vida, y nunca obtienen victoria alguna sobre ellos! ¡Cuántas pelean y forcejean con lágrimas, votos y firmes resoluciones contra los pecados que las asedian, sea el mal genio, la ligereza o la avaricia, y aún así quedan enredadas y son vencidas por ellos una y otra vez! ¿Y por qué es esto? Porque no conocen el secreto de la fuerza espiritual contra ellos y de la victoria espiritual sobre ellos.
Es solo en virtud de una unión viva con el Señor Jesucristo, bebiendo de Sus sufrimientos y Su muerte y recibiendo de Su plenitud, como podemos obtener alguna victoria sobre el mundo, el pecado, la muerte o el infierno. Permítame acercar esto un poco a su propia experiencia. Digamos que su alma, en una ocasión particular, fue muy dulcemente favorecida; un sentimiento enternecedor del precioso amor y de la sangre del Salvador entró en su corazón, y usted pudo entonces creer, con una fe dada por Dios mismo, que Él era eternamente suyo; y por medio de esta fe, como por un canal abierto de comunicación divina, Sus méritos y Su mediación, Su sangre, Su justicia y Su amor hasta la muerte fluyeron dulcemente a su alma.
¿Cuál fue el efecto? ¿Llevarle al pecado, a la presunción, al libertinaje? No, todo lo contrario. A una santa obediencia de corazón, de labios y de vida. El pecado nunca es sometido real ni eficazmente de ningún otro modo. Saulo, derribado a las puertas de Damasco y vuelto de la persecución a la oración, es un ejemplo bíblico de la muerte del pecado por el poder de Cristo.
No son, pues, los esfuerzos legales y las resoluciones fervientes, los votos y las lágrimas, que en el mejor de los casos no son más que frailería (una forma más suave del cilicio, el azote sangriento y el claustro húmedo), la vana lucha de la carne religiosa por someter a la carne pecadora, lo que puede vencer el pecado; sino que es un conocimiento creyente de los sufrimientos y dolores del Hijo de Dios y una entrada espiritual en ellos, teniendo fe viva en Él y recibiendo de Su plenitud provisiones de gracia y fuerza, fuerza que se perfecciona en nuestra flaqueza.
En este sentido dice el Apóstol a los colosenses: “Porque muertos sois”; no meramente porque la ley os haya condenado y muerto en cuanto a toda esperanza legal, sino en virtud de una participación en la muerte del Señor Jesucristo, en virtud de una unión viva con el Hijo de Dios sufriente. “Porque el pecado no se enseñoreará de vosotros; porque no estáis bajo la ley”, donde el pecado reina con mayor dominio, “sino bajo la gracia”, que somete el pecado perdonándolo. Si lee usted Romanos 6 con ojos iluminados, verá cómo el Apóstol describe la muerte del creyente al poder y al dominio del pecado, en virtud de un bautismo espiritual en la muerte y resurrección del Señor Jesús.
Al lector…
Puede que esté usted cansado de luchar. ¿Ha batallado con lágrimas, votos y firmes resoluciones contra aquel pecado que tan fácilmente le asedia, y ve que vence una y otra vez? Entonces sabrá cuán vano es todo el esfuerzo de la carne religiosa. No son su afán ni su empeño los que someten el pecado. No desespere por ello, sino deje que eso le empuje hacia Cristo.
Piense en aquella hora, si el Señor se la dio alguna vez, en que sintió tiernamente Su amor y Su sangre en su corazón. ¿Le llevó eso al libertinaje? No, inclinó su corazón a una santa obediencia. Ahí está el secreto: una unión viva con Él, una mirada creyente a Sus sufrimientos y Su muerte, y un recibir de Su plenitud. No está usted bajo la ley, sino bajo la gracia, y esa gracia somete el pecado perdonándolo.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl