September 25
Door de innerlijke bewegingen der barmhartigheid onzes Gods, met welke ons bezocht heeft de Opgang uit de hoogte.
Lukas 1:78
Door „opgang” wordt bedoeld de dageraad; de heraut der opkomende zon; de overgang van de duisternis tot het licht; de eerste nadering van de morgen; in één woord de opgang. Maar wat betekent die opgang in het geestelijke? Het is de mededeling van de rijzende Zon der Gerechtigheid. Het is niet hetzelfde als de Zon der Gerechtigheid, maar het is de heraut harer nadering; de stralen die de opgaande Zon op de in nacht gedompelde aarde werpt; de komst van de Heere Jezus, de Koning in Zijn schoonheid, aankondigende.
Deze uitdrukking was bijzonder van toepassing in de mond van Zacharias. De Heere van leven en heerlijkheid was toen nog niet verschenen; Hij was nog in de schoot der maagd Maria; maar Zijn voorloper Johannes was als heraut verschenen, om te verkondigen dat de Zon der Gerechtigheid op het punt was op te gaan. „Daar was een mens van God gezonden, wiens naam was Johannes. Deze kwam tot een getuigenis, om van het licht te getuigen, opdat zij allen door Hem geloven zouden. Hij was het licht niet, maar was gezonden, opdat hij van het licht getuigen zoude.” Al de volken lagen in die tijd in duisternis. „Duisternis bedekte de aarde, en grote duisternis de volken.” Maar toen de Heere van leven en heerlijkheid gereedstond op de aarde te verschijnen, toen Hij reeds het lichaam had aangenomen dat Hem toebereid was, hetzelfde vlees en bloed der kinderen, hetwelk Hij zou offeren tot een verzoening voor de zonde, was „de Opgang uit de hoogte” begonnen te dagen. Gods barmhartigheid, in het aangezicht van Zijn lieve Zoon, bezocht toen juist de in nacht gedompelde wereld.
Maar er is een andere betekenis aan deze woorden verbonden. „De Opgang uit de hoogte” laat zich niet beperken tot de komst van de Zone Gods in het vlees, maar kan verder uitgestrekt worden en betekenen de verschijning van de Zone Gods in het hart. Voor mij is de verschijning van de Heere Jezus in het vlees vóór negentienhonderd jaren geen zegen, zo Hij niet kwam om in mijn ziel te wonen. „De Opgang uit de hoogte”, die de in duisternis gezeten Joodse kerk bezocht, zal ons niet baten, tenzij diezelfde Opgang ons in nacht gedompeld hart bezoekt. „De Opgang uit de hoogte” is de openbaring van Gods barmhartigheid in het aangezicht des Zaligmakers. En wanneer deze „Opgang uit de hoogte” de ziel bezoekt, is het de eerste aanduiding, de doorbrekende stralen van de Zon der Gerechtigheid in het hart.
’t Is de Heer, wiens mededogen
blinden schenkt het lief’lijk licht
Wie in ’t stof lag neergebogen,
wordt door Hem weer opgericht.
God, die lust in waarheid heeft,
mint hem, die rechtvaardig leeft.
Psalm 146:6
Aan de lezer…
Soms is het nog nacht in uw hart. Weet u wel dat de Heere Jezus in het vlees verschenen is, maar is het u een bittere gedachte dat dit u niets baat, zo Hij niet in uw ziel komt wonen? Het is goed dat u dat voelt. Want de verschijning van de Zoon van God in het vlees is geen zegen voor wie Hem niet in het hart kent, en het is genade wanneer de ziel daarover begint te zuchten.
Zie dan niet op uzelf, maar op de innerlijke bewegingen der barmhartigheid onzes Gods. Daaruit komt de Opgang uit de hoogte voort, niet uit iets in u. Ook de eerste aanduiding, één doorbrekende straal in het donker, is de heraut van de Zon der Gerechtigheid. Waar de dageraad begint, komt de Koning in Zijn schoonheid. Wacht daarom op Hem; Hij laat het niet bij de opgang alleen.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Door de innerlijke bewegingen der barmhartigheid onzes Gods, met welke ons bezocht heeft de Opgang uit de hoogte.
Lukas 1:78
Met „opgang” wordt de dageraad bedoeld: de heraut van de opkomende zon, de overgang van duisternis naar licht, het eerste naderen van de morgen; in één woord: de opgang. Maar wat betekent die opgang in geestelijke zin? Het is de mededeling van de opgaande Zon der Gerechtigheid. Het is niet hetzelfde als de Zon der Gerechtigheid zelf, maar het is de heraut van haar komst. Het zijn de stralen die de opgaande Zon op de in nacht gehulde aarde werpt, en die de komst aankondigen van de Heere Jezus, de Koning in Zijn schoonheid.
Deze uitdrukking paste bijzonder goed in de mond van Zacharias. De Heere van leven en heerlijkheid was toen nog niet verschenen; Hij was nog in de schoot van de maagd Maria. Maar Zijn voorloper Johannes was als heraut verschenen om te verkondigen dat de Zon der Gerechtigheid op het punt stond op te gaan. „Daar was een mens van God gezonden, wiens naam was Johannes. Deze kwam tot een getuigenis, om van het licht te getuigen, opdat zij allen door Hem geloven zouden. Hij was het licht niet, maar was gezonden, opdat hij van het licht getuigen zoude.” Alle volken lagen in die tijd in duisternis. „Duisternis bedekte de aarde, en grote duisternis de volken.” Maar toen de Heere van leven en heerlijkheid gereedstond om op aarde te verschijnen, toen Hij al het lichaam had aangenomen dat voor Hem was toebereid, hetzelfde vlees en bloed als de kinderen, dat Hij zou offeren als verzoening voor de zonde, was „de Opgang uit de hoogte” begonnen te dagen. Gods barmhartigheid, in het aangezicht van Zijn geliefde Zoon, kwam toen juist de in nacht gehulde wereld bezoeken.
Maar aan deze woorden is nog een andere betekenis verbonden. „De Opgang uit de hoogte” blijft niet beperkt tot de komst van de Zoon van God in het vlees, maar kan verder worden uitgebreid tot de verschijning van de Zoon van God in het hart. Voor mij is de verschijning van de Heere Jezus in het vlees, negentienhonderd jaar geleden, geen zegen, als Hij niet kwam om in mijn ziel te wonen. „De Opgang uit de hoogte” die de in duisternis verkerende Joodse kerk bezocht, zal ons geen goed doen, tenzij diezelfde Opgang ook ons donkere hart bezoekt. „De Opgang uit de hoogte” is de openbaring van Gods barmhartigheid in het aangezicht van de Zaligmaker. En wanneer deze „Opgang uit de hoogte” de ziel bezoekt, is dat de eerste aanwijzing, zijn dat de doorbrekende stralen van de Zon der Gerechtigheid in het hart.
’t Is de Heer, wiens mededogen
blinden schenkt het lief’lijk licht
Wie in ’t stof lag neergebogen,
wordt door Hem weer opgericht.
God, die lust in waarheid heeft,
mint hem, die rechtvaardig leeft.
Psalm 146:6
Aan de lezer…
Soms is het nog nacht in uw hart. U weet wel dat de Heere Jezus in het vlees verschenen is, maar is het een bittere gedachte voor u dat dit u niets baat als Hij niet in uw ziel komt wonen? Het is goed dat u dat voelt. Want de verschijning van de Zoon van God in het vlees is geen zegen voor wie Hem niet in het hart kent, en het is genade wanneer de ziel daarover begint te zuchten.
Zie dan niet op uzelf, maar op de innerlijke bewegingen van de barmhartigheid van onze God. Daaruit komt de Opgang uit de hoogte voort, niet uit iets in u. Ook de eerste aanwijzing, één doorbrekende straal in het donker, is de heraut van de Zon der Gerechtigheid. Waar de dageraad begint, komt de Koning in Zijn schoonheid. Wacht daarom op Hem; Hij laat het niet bij de opgang alleen.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Through the tender mercy of our God; whereby the dayspring from on high hath visited us.
Luke 1:78
By “day-spring” is meant the day-dawn, the herald of the rising sun, the change from darkness to light, the first approach of morn, in a word, the spring of the day. But what is this “day-spring” spiritually? It is the intimation of the rising of the Sun of righteousness. It is not the same thing as the Sun of righteousness; but it is the herald of His approach; the beams which the rising sun casts upon the benighted world, announcing the coming of Jesus, “the King in His beauty.”
This expression was singularly applicable in the mouth of Zacharias. The Lord of life and glory had not then appeared; He was still in the womb of the Virgin Mary. But His forerunner, John, had appeared as the precursor, the herald of His approach, and was sent to announce that the Sun of righteousness was about to arise. “There was a man sent from God, whose name was John. He came for a witness, to bear witness of the Light, that all men through him might believe. He was not that Light, but was sent to bear witness of that Light” (John 1:6-8).
All nations at that time lay in darkness. “Darkness covered the earth, and gross darkness the people.” But when the Lord of life and glory was about to appear upon earth, when He had already taken the body which was prepared for Him, the very flesh and blood of the children, which He was to offer as a propitiation for sin, “the dayspring from on high” had begun to dawn. God’s mercy, in the face of His dear Son, was just visiting the benighted world.
But there is another, an experimental meaning, connected with these words. “The day-spring from on high” is not to be confined to the approach of the Son of God in the flesh; but it may be extended to signify the appearance of the Son of God in the heart. I cannot be benefited by the appearing of Jesus in the flesh eighteen hundred years ago, unless He comes and dwells in my soul. “The day-spring from on high” which visited the benighted Jewish church will not profit us except that same day-spring visits our benighted heart. “The day-spring from on high” is the manifestation of God’s mercy in the face of the Savior. And when this “day-spring from on high” visits the soul, it is the first intimation, the dawning rays of the Sun of righteousness in the heart.
To the reader…
Sometimes it is still night in your heart. You know well enough that the Lord Jesus appeared in the flesh, but is it a bitter thought to you that this profits you nothing unless He comes and dwells in your soul? It is good that you feel this. For the appearing of the Son of God in the flesh is no blessing to anyone who does not know Him in the heart, and it is grace when the soul begins to sigh over that.
Do not look to yourself, then, but to the tender mercy of our God. It is from there that the Dayspring from on high comes forth, not from anything in you. Even the first intimation, one ray breaking through the darkness, is the herald of the Sun of righteousness. Where the dawn begins, the King comes in His beauty. So wait for Him; He does not leave it at the dawning alone.
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
Por las entrañas de misericordia de nuestro Dios, con que nos visitó de lo alto el Oriente.
Lucas 1:78
Por “Oriente” se entiende el despuntar del día, el heraldo del sol naciente, el paso de las tinieblas a la luz, la primera llegada de la mañana; en una palabra, el nacimiento del día. Pero ¿qué es espiritualmente este “Oriente”? Es el anuncio de la salida del Sol de justicia. No es lo mismo que el Sol de justicia, sino el heraldo de Su llegada; los rayos que el sol naciente arroja sobre el mundo entenebrecido, anunciando la venida de Jesús, “el Rey en Su hermosura”.
Esta expresión era singularmente adecuada en boca de Zacarías. El Señor de la vida y de la gloria aún no había aparecido; estaba todavía en el seno de la virgen María. Pero Su precursor, Juan, había aparecido como el que iba delante, el heraldo de Su llegada, y fue enviado a anunciar que el Sol de justicia estaba a punto de salir. “Fue un hombre enviado de Dios, el cual se llamaba Juan. Éste vino por testimonio, para que diese testimonio de la Luz, para que todos creyesen por él. No era él la Luz, sino para que diese testimonio de la Luz” (Juan 1:6-8).
Todas las naciones yacían en aquel tiempo en tinieblas. “Tinieblas cubrirán la tierra, y oscuridad los pueblos”. Pero cuando el Señor de la vida y de la gloria estaba a punto de aparecer en la tierra, cuando ya había tomado el cuerpo que Le fue preparado, la misma carne y sangre de los hijos, que había de ofrecer como propiciación por el pecado, “el Oriente de lo alto” había comenzado a despuntar. La misericordia de Dios, en el rostro de Su amado Hijo, estaba justamente visitando al mundo entenebrecido.
Pero hay otro sentido, un sentido experimental, unido a estas palabras. “El Oriente de lo alto” no ha de limitarse a la venida del Hijo de Dios en la carne, sino que puede extenderse para significar la aparición del Hijo de Dios en el corazón. No puedo sacar provecho de la aparición de Jesús en la carne hace mil ochocientos años, a menos que Él venga y more en mi alma. “El Oriente de lo alto” que visitó a la entenebrecida iglesia judía no nos aprovechará, a menos que ese mismo Oriente visite nuestro corazón entenebrecido. “El Oriente de lo alto” es la manifestación de la misericordia de Dios en el rostro del Salvador. Y cuando este “Oriente de lo alto” visita el alma, es el primer anuncio, los rayos del alba del Sol de justicia en el corazón.
Al lector…
A veces todavía es de noche en su corazón. Usted sabe bien que el Señor Jesús apareció en la carne, pero ¿le resulta amargo pensar que esto de nada le aprovecha a menos que Él venga y more en su alma? Es bueno que lo sienta. Porque la aparición del Hijo de Dios en la carne no es bendición para nadie que no Le conozca en el corazón, y es gracia cuando el alma comienza a suspirar por ello.
No mire, pues, a sí mismo, sino a las entrañas de misericordia de nuestro Dios. Es de allí de donde procede el Oriente de lo alto, no de algo que haya en usted. Aun el primer anuncio, un solo rayo que atraviesa las tinieblas, es el heraldo del Sol de justicia. Donde comienza el alba, viene el Rey en Su hermosura. Espérele, pues; Él no se queda solo en el alba.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl