4 dagen geleden verschenen
Het gesprek van een gelovige met zijn ziel
Een uitleg van Psalm 42:12 als gesprek tussen David en zijn ziel: waarom de ziel terneergeslagen en onrustig is, waarom ze op God moet hopen en hoe die hoop uitloopt…
11 dagen geleden verschenen
Het woord van Gods genade
Een uitleg van Handelingen 20:32: Paulus beveelt de oudsten van Efeze aan God en aan het woord van Zijn genade. Alleen dat woord, door de Geest toegepast, bouwt de ziel…
2 weken geleden verschenen
Schatten in de duisternis
Uitleg van Jesaja 45:2,3 voor Gods kinderen: de Heere gaat voor hen uit, maakt kromme wegen recht, verbreekt koperen deuren en ijzeren grendels, geeft verborgen schatten en leert hen zo…
Verkrijgen en verliezen
Naar Prediker 3:6: een levende ziel verkrijgt geestelijke dingen, van kennis van God en van zichzelf tot geloof en vergeving, maar verliest ook haar eigen gerechtigheid en kracht. De preek…
Het schudden van wat gemaakt is en de vastheid van wat gegeven is
Over Hebreeën 12:27,28: wat gemaakt is, wordt geschud en weggenomen, wat God geeft blijft. Het Koninkrijk dat niet bewogen kan worden wordt door geloof ontvangen, door genade vastgehouden en draagt…
Korenaren Uit De Volle Oogst
Verkrijgende het einde uws geloofs, namelijk de zaligheid der zielen.
1 Petrus 1:9
Welk een zalig, welk een heerlijk einde is dit; welk een prijs te winnen; welk een overwinning; welk een eindelijke bekroning van alles wat het geloof heeft aangenomen, de hoop heeft verwacht, de liefde heeft omklemd! Welke twijfel en welke vrees het gemoed moge gekweld hebben, welke pijnlijke verzoekingen de ziel mogen hebben bedroefd, welke diepe smart, welke pijnlijke beproevingen, welke zware schuld en welke harde slavernij haar diep hebben doen zinken – zo diep somtijds, als zou zij ze nimmer weder te boven komen –, toch leeft dat geloof, dat een gave en een werk Gods is, door alles heen, en een heerlijk einde is voor haar bereid: de redding der ziel. En wat bevat en betekent dat niet? Bedenk waarvan en waartoe zij gered wordt. Noch het een, noch het ander kan geheel begrepen worden aan deze zijde der eeuwigheid.
Gij moogt een flauwe schets van de hel, een flauwe schets van de hemel gehad hebben; gij moogt iets gesmaakt hebben van de toekomende toorn, iets gesmaakt van de heerlijkheid die zal geopenbaard worden; maar gij hebt van beide slechts weinig gesmaakt. De toorn Gods, de schrik van een schuldig geweten, de angsten der wanhoop, het vallen in de handen van Hem Die een verterend vuur is, moogt gij enigermate gevoeld of gevreesd hebben; maar nooit hebt gij de gehele vreselijke omvang der verschrikkelijke werkelijkheid gekend, want de natuur zou haar niet kunnen verdragen. En zo kunt gij een flauwe schets, een blik, een gevoel, een voorsmaak gehad hebben van de heerlijkheid die zal geopenbaard worden; maar gij hebt nooit iets daarvan genoten, want de natuur kan niet verdragen wat de heiligen genieten in de onmiddellijke nabijheid Gods. Maar zo gij iets hebt gezien en genoten van hetgeen waarvan en waartoe gij verlost zijt, zult gij gedrongen zijn God te danken voor die korrel van dat waar en levend geloof, waarvan het einde zal zijn de zaligheid uwer ziel.
Maar de Heer zal uitkomst geven,
Hij, die ’s daags zijn gunst gebiedt.
’k Zal in dit vertrouwen leven
en dat melden in mijn lied;
’k zal zijn lof zelfs in de nacht
zingen, daar ik Hem verwacht,
en mijn hart, wat mij moog’ treffen,
tot de God mijns levens heffen.
Ps. 42:5
Aan de lezer…
Herkent u dit? Twijfel en vrees hebben uw gemoed gekweld, en zware schuld en harde slavernij hebben u soms zo diep doen zinken dat u meende er nimmer weer boven te komen. Wees er niet beschaamd over; zo is de weg van velen geweest. Maar het geloof dat een gave en een werk Gods is, leeft door alles heen. Het mag klein zijn als een korrel, het wordt niet uitgedoofd, want het is Zijn werk en niet het uwe.
Zie daarom vooruit naar het einde van uw geloof: de zaligheid der ziel. U kent nog slechts een flauwe schets van de toorn waarvan u verlost wordt, en een flauwe voorsmaak van de heerlijkheid waartoe u gered wordt. Maar heeft de Heere u daarvan ook maar iets doen zien en smaken, dan hebt u reden Hem te danken. Hij Die het geloof gaf, zal het ook tot dat heerlijke einde brengen.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Verkrijgende het einde uws geloofs, namelijk de zaligheid der zielen.
1 Petrus 1:9
Wat een zalig, wat een heerlijk einde is dit; wat een prijs om te winnen; wat een overwinning; wat een uiteindelijke bekroning van alles wat het geloof heeft aangenomen, wat de hoop heeft verwacht en wat de liefde heeft omklemd! Welke twijfel en vrees het gemoed ook gekweld mogen hebben, welke pijnlijke verzoekingen de ziel ook bedroefd mogen hebben, welke diepe smart, welke pijnlijke beproevingen, welke zware schuld en welke harde slavernij haar ook diep hebben doen zinken – soms zo diep alsof zij er nooit meer bovenop zou komen –, toch leeft dat geloof, dat een gave en een werk van God is, door alles heen. En er is een heerlijk einde voor haar bereid: de redding van de ziel. En wat houdt dat niet in, en wat betekent dat niet? Bedenk waarvan en waartoe zij gered wordt. Geen van beide kan aan deze zijde van de eeuwigheid volledig begrepen worden.
U hebt misschien een flauwe schets van de hel en een flauwe schets van de hemel gehad; u hebt misschien iets gesmaakt van de toekomende toorn en iets van de heerlijkheid die geopenbaard zal worden; maar van beide hebt u slechts weinig gesmaakt. De toorn van God, de schrik van een schuldig geweten, de angsten van de wanhoop, het vallen in de handen van Hem Die een verterend vuur is: dat hebt u misschien in zekere mate gevoeld of gevreesd. Maar nooit hebt u de volle, vreselijke omvang van die verschrikkelijke werkelijkheid gekend, want de natuur zou haar niet kunnen verdragen. Zo kunt u ook een flauwe schets, een blik, een gevoel, een voorsmaak gehad hebben van de heerlijkheid die geopenbaard zal worden; maar u hebt er nooit iets van genoten, want de natuur kan niet verdragen wat de heiligen genieten in de onmiddellijke nabijheid van God.
Maar als u iets gezien en genoten hebt van dat waarvan en waartoe u verlost bent, dan zult u gedrongen worden God te danken voor die korrel van het ware en levende geloof, waarvan het einde de zaligheid van uw ziel zal zijn.
Maar de Heer zal uitkomst geven,
Hij, die ’s daags zijn gunst gebiedt.
’k Zal in dit vertrouwen leven
en dat melden in mijn lied;
’k zal zijn lof zelfs in de nacht
zingen, daar ik Hem verwacht,
en mijn hart, wat mij moog’ treffen,
tot de God mijns levens heffen.
Ps. 42:5
Aan de lezer…
Herkent u dit? Twijfel en vrees hebben uw gemoed gekweld, en zware schuld en harde slavernij hebben u soms zo diep doen zinken dat u meende er nooit meer bovenop te komen. Schaam u er niet voor; zo is de weg van velen geweest. Maar het geloof dat een gave en een werk van God is, leeft door alles heen. Het mag klein zijn als een korrel, het wordt niet uitgedoofd, want het is Zijn werk en niet het uwe.
Zie daarom vooruit naar het einde van uw geloof: de zaligheid van de ziel. U kent nog slechts een flauwe schets van de toorn waarvan u verlost wordt, en een flauwe voorsmaak van de heerlijkheid waartoe u gered wordt. Maar heeft de Heere u daarvan ook maar iets laten zien en smaken, dan hebt u reden Hem te danken. Hij Die het geloof gaf, zal het ook tot dat heerlijke einde brengen.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Receiving the end of your faith, even the salvation of your souls.
1 Peter 1:9
What a blessed, what a glorious end is this; what a prize to win, what a victory to gain, what a crowning consummation of all that faith has believed, hope expected or love embraced! Whatever doubts and fears may have harassed the mind, whatever sore temptations may have distressed the soul, whatever deep afflictions, painful trials, heavy guilt, and hard bondage may have sunk it low, so low sometimes, as if it never would get over them or rise out of them, still that faith, which is God’s gift and work, lives through all, and there is a blessed end in store for it—the salvation of the soul.
And O, what does this not comprehend and imply? Think of what salvation is from; think of what salvation is unto. Neither the one nor the other can be fully known on this side of eternity. You may have had some glimpses of hell, you may have had some glimpses of heaven; some taste of the wrath to come, some taste of the glory that shall be revealed. But you have had only a small taste of either. The wrath of God, the horrors of a guilty conscience, the terrors of despair, the falling into His hands Who is a consuming fire you may have, in some small measure, felt or feared; but you have never known, for nature could not bear it, the full and terrible extent of those dreadful realities.
And so you may have had glimpses and glances, pledges and foretastes of the glory that shall be revealed; but you have never enjoyed, for nature could not bear it, what saints enjoy in the immediate presence of God. But if you have seen, tasted, handled, felt, and enjoyed a little of what you are saved from, and a little of what you are saved unto, it will make you bless God for having given you even a grain of that true and living faith, the end of which will be the salvation of your soul.
To the reader…
Do you recognise this? Doubts and fears have tormented your mind, and heavy guilt and hard bondage have sometimes sunk you so low that you thought you would never rise again. Do not be ashamed of it; that has been the way of many. But the faith that is God’s gift and work lives through it all. It may be as small as a grain, but it is not put out, for it is His work and not yours.
So look ahead to the end of your faith: the salvation of the soul. You know as yet only a faint outline of the wrath from which you are delivered, and a faint foretaste of the glory to which you are saved. But if the Lord has let you see and taste even a little of it, you have reason to thank Him. He Who gave the faith will also bring it to that glorious end.
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
Obteniendo el fin de vuestra fe, que es la salud de vuestras almas.
1 Pedro 1:9
¡Qué fin tan bienaventurado, qué fin tan glorioso es este; qué premio que ganar, qué victoria que alcanzar, qué coronamiento de todo lo que la fe ha creído, la esperanza ha esperado o el amor ha abrazado! Cualesquiera dudas y temores que hayan acosado la mente, cualesquiera tentaciones dolorosas que hayan angustiado el alma, cualesquiera aflicciones profundas, pruebas penosas, culpa pesada y dura servidumbre que la hayan hundido, a veces tan hondo como si nunca fuera a superarlas ni a levantarse de ellas, aun así aquella fe, que es don y obra de Dios, vive a través de todo, y le está reservado un fin bienaventurado: la salud del alma.
¡Y oh, qué no abarca e implica esto! Piense de qué nos salva la salvación; piense para qué nos salva. Ni lo uno ni lo otro puede conocerse plenamente de este lado de la eternidad. Puede que usted haya tenido algunos vislumbres del infierno, puede que haya tenido algunos vislumbres del cielo; algún gusto de la ira venidera, algún gusto de la gloria que ha de ser revelada. Pero solo ha tenido un pequeño gusto de una y otra cosa. La ira de Dios, los horrores de una conciencia culpable, los terrores de la desesperación, el caer en las manos de Aquel que es fuego consumidor, puede que en alguna pequeña medida los haya sentido o temido; pero nunca ha conocido, porque la naturaleza no podría soportarlo, el alcance pleno y terrible de esas temibles realidades.
Y así, puede que haya tenido vislumbres y miradas, prendas y anticipos de la gloria que ha de ser revelada; pero nunca ha disfrutado, porque la naturaleza no podría soportarlo, lo que los santos disfrutan en la presencia inmediata de Dios. Pero si ha visto, gustado, palpado, sentido y disfrutado un poco de aquello de lo que es salvo, y un poco de aquello para lo cual es salvo, eso le hará bendecir a Dios por haberle dado aunque sea un grano de aquella fe verdadera y viva, cuyo fin será la salud de su alma.
Al lector…
¿Reconoce usted esto? Dudas y temores han atormentado su mente, y una culpa pesada y una dura servidumbre le han hundido a veces tan hondo que pensó que nunca volvería a levantarse. No se avergüence de ello; ese ha sido el camino de muchos. Pero la fe que es don y obra de Dios vive a través de todo. Puede ser tan pequeña como un grano, pero no se apaga, porque es obra Suya y no suya.
Mire, pues, hacia el fin de su fe: la salud del alma. Todavía solo conoce un débil contorno de la ira de la que es librado, y un débil anticipo de la gloria para la cual es salvo. Pero si el Señor le ha dejado ver y gustar aunque sea un poco de ello, tiene motivo para darle gracias. Aquel que dio la fe la llevará también a ese fin glorioso.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl
365 Dagen Met Philpot
Hanna’s gebed
Ik bad om dit kind, en de Heere heeft mij mijn bede gegeven, die ik van Hem gebeden heb. Daarom heb ik hem ook de Heere overgegeven al de dagen, die hij wezen zal; hij is van de Heere gebeden.
1 Samuël 1:27-28
Het zijn niet de zwakke, gewone, wat ik zou willen noemen alledaagse gebeden, die de blijken van mededogen van de Heere opwekken en een antwoord van barmhartigheid en vrede neer doen dalen. Maar het is wanneer de Geest voorspreekt in de ziel met onuitsprekelijke zuchtingen, dat de ziel in de voetsporen treedt van haar grote Verbondshoofd, over Wie we lezen: „En in zware strijd zijnde, bad Hij te ernstiger” (Luk. 22:44). Als de ziel naar de Heere uitroept in het diepst van haar zielsverwarring, dan neigt de Hoogste God Zijn oor omlaag en antwoordt.
Was dit niet het geval bij Hanna? Zodra ze „haar ziel had uitgegoten voor het aangezicht des Heeren” en „uit de veelheid van haar gedachten en haar verdriet tot Hem had gesproken”, of, hoewel Eli eerst haar zaak verkeerd opvatte, de Heere sprak een woord van Zijn lippen tot haar ziel, waardoor de tranen uit haar ogen verdwenen en zij in vrede naar huis kon gaan. En toen bleek dat haar gebed was verhoord, en zij met het antwoord in haar armen, haar zoon Samuël, wat betekent „verhoord door God”, aankwam, toen ze hem ophief voor de Heere als het antwoord op haar gebed, barstte ze uit in lofprijzingen.
De Heilige Geest heeft haar triomflied vastgelegd om ons te troosten en te leren. Van dit danklied luidt een gedeelte: „Hij verheft de geringe uit het stof, en de nooddruftige verhoogt Hij uit de drek, om te doen zitten bij de vorsten, dat Hij hen de stoel der ere doe beërven; want de grondvesten des aardrijks zijn des Heeren, en Hij heeft de wereld daarop gezet” (1 Sam. 2:8).
Lezen: 1 Samuël 1:17-28
Aan de lezer…
Hoe zwak en alledaags kunnen uw gebeden u soms toeschijnen, zodat u zich schaamt ze nog gebeden te noemen! Wees daarin eerlijk voor de Heere. Maar weet ook dat Hij juist het roepen hoort dat uit het diepst van de zielsverwarring opstijgt, wanneer de Geest in u voorspreekt met onuitsprekelijke zuchtingen. Daarin treedt de ziel in de voetsporen van haar grote Verbondshoofd, Die in zware strijd te ernstiger bad.
Giet dan, als Hanna, uw ziel uit voor het aangezicht des Heeren. Laat u niet weerhouden wanneer anderen uw zaak verkeerd opvatten. Eén woord van Zijn lippen kan de tranen uit uw ogen wegnemen en u in vrede naar huis doen gaan. En Hij Die de geringe uit het stof verheft en de nooddruftige uit de drek verhoogt, kan ook uw mond nog vervullen met lof, wanneer u het antwoord op uw gebed in uw armen draagt.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Ik bad om dit kind, en de Heere heeft mij mijn bede gegeven, die ik van Hem gebeden heb. Daarom heb ik hem ook de Heere overgegeven al de dagen, die hij wezen zal; hij is van de Heere gebeden.
1 Samuël 1:27-28
Het zijn niet de zwakke, gewone, wat ik alledaagse gebeden zou willen noemen, die het mededogen van de Heere opwekken en een antwoord van barmhartigheid en vrede doen neerdalen. Het is wanneer de Geest in de ziel voorbidt met onuitsprekelijke zuchtingen, en de ziel in de voetsporen treedt van haar grote Verbondshoofd, over Wie we lezen: „En in zware strijd zijnde, bad Hij te ernstiger” (Luk. 22:44). Als de ziel tot de Heere roept vanuit het diepst van haar verwarring, dan neigt de allerhoogste God Zijn oor en antwoordt Hij.
Was dat niet zo bij Hanna? Zodra ze „haar ziel had uitgegoten voor het aangezicht des Heeren” en „uit de veelheid van haar gedachten en haar verdriet tot Hem had gesproken”, sprak de Heere – hoewel Eli haar zaak eerst verkeerd opvatte – een woord van Zijn lippen tot haar ziel. Daardoor verdwenen de tranen uit haar ogen en kon zij in vrede naar huis gaan. En toen bleek dat haar gebed verhoord was, en zij met het antwoord in haar armen kwam, haar zoon Samuël, wat „verhoord door God” betekent, en hem ophief voor de Heere als het antwoord op haar gebed, barstte ze uit in lofprijzing.
De Heilige Geest heeft haar triomflied vastgelegd tot onze troost en ons onderwijs. Een gedeelte van dit danklied luidt: „Hij verheft de geringe uit het stof, en de nooddruftige verhoogt Hij uit de drek, om te doen zitten bij de vorsten, dat Hij hen de stoel der ere doe beërven; want de grondvesten des aardrijks zijn des Heeren, en Hij heeft de wereld daarop gezet” (1 Sam. 2:8).
Lezen: 1 Samuël 1:17-28
Aan de lezer…
Hoe zwak en alledaags kunnen uw gebeden u soms lijken, zodat u zich schaamt ze nog gebeden te noemen! Wees daarin eerlijk tegenover de Heere. Maar weet ook dat Hij juist het roepen hoort dat opstijgt uit het diepst van de verwarring van de ziel, wanneer de Geest in u voorbidt met onuitsprekelijke zuchtingen. Daarin treedt de ziel in de voetsporen van haar grote Verbondshoofd, Die in zware strijd te ernstiger bad.
Giet dan, zoals Hanna, uw ziel uit voor het aangezicht des Heeren. Laat u niet tegenhouden wanneer anderen uw zaak verkeerd opvatten. Eén woord van Zijn lippen kan de tranen uit uw ogen wegnemen en u in vrede naar huis laten gaan. En Hij Die de geringe uit het stof verheft en de nooddruftige uit de drek verhoogt, kan ook uw mond nog vervullen met lof, wanneer u het antwoord op uw gebed in uw armen draagt.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
For this child I prayed; and the LORD hath given me my petition which I asked of Him: therefore also I have lent him to the LORD; as long as he liveth he shall be lent to the LORD.
1 Samuel 1:27-28
It is not the weak, ordinary, what I would call everyday prayers which move the compassion of the Lord and bring down an answer of mercy and peace. It is when the Spirit intercedes in the soul with groanings which cannot be uttered, and the soul treads in the footsteps of her great covenant Head, of Whom we read, “And being in an agony He prayed more earnestly” (Luke 22:44). When the soul cries to the Lord out of the depths of her perplexity, then the most high God inclines His ear and answers.
Was it not so with Hannah? As soon as she had “poured out her soul before the LORD” and had spoken to Him “out of the abundance of her complaint and grief,” the Lord—though Eli at first mistook her case—spoke a word from His lips to her soul. Thereby the tears vanished from her eyes and she could go home in peace. And when it appeared that her prayer was heard, and she came with the answer in her arms, her son Samuel, which means “heard of God,” and held him up before the Lord as the answer to her prayer, she broke forth into praise.
The Holy Spirit has recorded her song of triumph for our comfort and instruction. A part of this song of thanksgiving runs, “He raiseth up the poor out of the dust, and lifteth up the beggar from the dunghill, to set them among princes, and to make them inherit the throne of glory: for the pillars of the earth are the LORD’S, and He hath set the world upon them” (1 Sam. 2:8).
Reading: 1 Samuel 1:17-28
To the reader…
How weak and everyday your prayers may sometimes seem to you, so that you are ashamed even to call them prayers! Be honest with the Lord about that. But know too that He hears just that cry which rises from the depths of the soul’s perplexity, when the Spirit intercedes within you with groanings which cannot be uttered. In this the soul treads in the footsteps of her great covenant Head, Who being in an agony prayed more earnestly.
Then, like Hannah, pour out your soul before the Lord. Do not let yourself be held back when others mistake your case. One word from His lips can take the tears from your eyes and send you home in peace. And He Who raises up the poor out of the dust and lifts up the beggar from the dunghill can yet fill your mouth with praise, when you carry the answer to your prayer in your arms.
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
Por este niño oraba, y Jehová me dio lo que le pedí. Yo pues le vuelvo también a Jehová: todos los días que viviere, será de Jehová.
1 Samuel 1:27-28
No son las oraciones débiles, ordinarias, las que yo llamaría oraciones de cada día, las que mueven la compasión del Señor y hacen descender una respuesta de misericordia y paz. Es cuando el Espíritu intercede en el alma con gemidos indecibles, y el alma pisa las huellas de su gran Cabeza del pacto, de Quien leemos: “Y estando en agonía, oraba más intensamente” (Luc. 22:44). Cuando el alma clama al Señor desde lo profundo de su perplejidad, entonces el Dios altísimo inclina Su oído y responde.
¿No fue así con Ana? Tan pronto como hubo “derramado su alma delante de Jehová” y le hubo hablado “por la magnitud de sus congojas y de su aflicción”, el Señor —aunque Elí al principio juzgó mal su caso— habló una palabra de Sus labios a su alma. Con ello desaparecieron las lágrimas de sus ojos y pudo volver a casa en paz. Y cuando se vio que su oración había sido oída, y ella vino con la respuesta en sus brazos, su hijo Samuel, que significa “oído de Dios”, y lo presentó delante del Señor como la respuesta a su oración, prorrumpió en alabanza.
El Espíritu Santo ha dejado escrito su cántico de triunfo para nuestro consuelo e instrucción. Una parte de este cántico de acción de gracias dice: “Él levanta del polvo al pobre, y al menesteroso ensalza del estiércol, para asentarlo con los príncipes, y hace que tengan por heredad asiento de honra: porque de Jehová son las columnas de la tierra, y Él asentó sobre ellas el mundo” (1 Sam. 2:8).
Lectura: 1 Samuel 1:17-28
Al lector…
¡Cuán débiles y cotidianas le pueden parecer a veces sus oraciones, tanto que hasta se avergüenza de llamarlas oraciones! Sea sincero con el Señor en cuanto a eso. Pero sepa también que Él oye precisamente ese clamor que sube desde lo profundo de la perplejidad del alma, cuando el Espíritu intercede dentro de usted con gemidos indecibles. En esto el alma pisa las huellas de su gran Cabeza del pacto, Quien, estando en agonía, oraba más intensamente.
Entonces, como Ana, derrame su alma delante del Señor. No se deje detener cuando otros juzguen mal su caso. Una sola palabra de Sus labios puede quitar las lágrimas de sus ojos y enviarle a casa en paz. Y Aquel que levanta del polvo al pobre y ensalza del estiércol al menesteroso puede todavía llenar su boca de alabanza, cuando usted lleve en sus brazos la respuesta a su oración.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl
Door Baca's Vallei
Jezus zeide tot haar: Ik ben de Opstanding en het Leven.
Johannes 11:25
Hoe menigmaal zinken wij zo laag in ons gevoel, dat het is alsof er geen leven in onze ziel is. Heeft de zonde u nooit zo ver gebracht? Hebben de overtuigingen, om zo te spreken, nooit het leven Gods uit uw ziel geslagen? Is de satan nooit met zijn vurige pijlen gekomen, met al het geschut van de hel, waarmede hij trachtte elke levendige begeerte uit te doven? En zijt gij bij tijden niet in zulk een dodigheid des geestes weggezonken, dat het scheen dat gij ontbloot waart van alle genade, en dat het een onmogelijkheid scheen dat gij ooit door genade zoudt vernieuwd en verlevendigd worden? Hier waart gij als dood. Ik ben hier menigmaal geweest, hetgeen mij in staat stelt u dit te kunnen zeggen.
En toch, in dit alles is er een begerig uitzien, een smartelijke klacht, een zwaar zuchten, een tegenstaan tot den bloede toe; geen geheel en al overgeven, noch een wegzinken in een ellendige wanhoop. God de Heilige Geest houdt Zijn werk in de ziel levend, en Christus Zelf, als de Opstanding, komt in ons gemoed binnen, heft de ziel op en trekt haar door enige verse bewegingen van dat leven dat uit Hem is, tot Zich. Zo wordt dus de gezegende vrucht van Zijn opstanding bewaarheid: „Wie in Mij gelooft, zal leven, al ware hij reeds gestorven.”
O, indien er te midden van onze dodigheid, van al onze donkerheid, van al onze ledigheid, onvruchtbaarheid en hulpeloosheid, in onze zielen een verlangend uitzien, een innige zucht, een ernstige klacht, een oprecht verlangen uitgaat naar Hem Die de Opstanding en het Leven is, dan zal ons gebed opklimmen in Zijn medelijdende oren. En waar Hij de Opstanding is, zal Hij bij vernieuwing onze dodige en kwijnende ziel verlevendigen. Wij hebben geen andere bron des levens. En indien wij geheel en al dood waren, wij zouden te allen tijde dood blijven, tenzij Hij als de Opstanding weer over ons opstond.
Maar omdat Hij de Opstanding is, kan Hij weer levend maken, vernieuwen, verlevendigen, door nieuw leven in ons hart in te storten. Het zal onze zaligheid zijn altijd tot Hem op te zien, van Hem af te hangen, in Hem te geloven, op Hem te vertrouwen, en Hem geen rust te gunnen totdat Hij telkens en telkens weer verschijnt tot blijdschap en vreugde des harten.
Aan de lezer…
Bent u, waarde lezer, zo laag gezonken in uw gevoel dat het is alsof er geen leven meer in uw ziel is? Heeft de zonde u zo ver gebracht, of hebben de vurige pijlen van de satan elke levendige begeerte uitgedoofd? Het is een bange plaats, en u bent niet de eerste die daar ligt. Maar let eens op wat er nog in u is: een begerig uitzien, een smartelijke klacht, een zucht die niet wil zwijgen. Dat is geen dood, maar het werk van de Heilige Geest, Die het leven in uw ziel bewaart.
Hoor dan wat de Heere Jezus zegt: „Ik ben de Opstanding en het Leven.” Er is geen andere bron des levens, maar in Hem is genoeg. Hij komt in het gemoed binnen, heft de ziel op en trekt haar tot Zich. Gun Hem dan geen rust; blijf tot Hem opzien en van Hem afhangen, totdat Hij weer verschijnt tot blijdschap van uw hart.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Jezus zeide tot haar: Ik ben de Opstanding en het Leven.
Johannes 11:25
Hoe vaak zinken wij zo diep weg in ons gevoel, dat het is alsof er geen leven in onze ziel is. Heeft de zonde u nooit zo ver gebracht? Hebben de overtuigingen nooit, om zo te zeggen, het leven van God uit uw ziel geslagen? Is satan nooit gekomen met zijn vurige pijlen, met al het geschut van de hel, waarmee hij elk levend verlangen probeerde uit te doven? En bent u soms niet zo diep in doodsheid van geest weggezonken, dat het leek alsof u van alle genade beroofd was, en dat het onmogelijk leek dat u ooit door genade vernieuwd en levend gemaakt zou worden? Hier was u als dood. Ik ben hier vaak geweest, en daardoor kan ik u dit zeggen.
En toch is er in dit alles een verlangend uitzien, een smartelijke klacht, een zwaar zuchten, een weerstaan tot het bloed toe; geen volledig opgeven en geen wegzinken in ellendige wanhoop. God de Heilige Geest houdt Zijn werk in de ziel levend. En Christus Zelf, als de Opstanding, komt in ons gemoed binnen, heft de ziel op en trekt haar tot Zich door enkele nieuwe bewegingen van het leven dat uit Hem is. Zo wordt dus de gezegende vrucht van Zijn opstanding waargemaakt: „Wie in Mij gelooft, zal leven, al ware hij reeds gestorven.”
O, als er te midden van onze doodsheid, van al onze duisternis, van al onze leegheid, onvruchtbaarheid en hulpeloosheid, uit onze ziel een verlangend uitzien, een innige zucht, een ernstige klacht, een oprecht verlangen uitgaat naar Hem Die de Opstanding en het Leven is, dan zal ons gebed opstijgen tot Zijn medelijdende oren. En omdat Hij de Opstanding is, zal Hij onze doodse en kwijnende ziel opnieuw levend maken. Wij hebben geen andere bron van leven. En als wij helemaal dood waren, zouden wij voor altijd dood blijven, tenzij Hij als de Opstanding weer over ons opstond.
Maar omdat Hij de Opstanding is, kan Hij weer levend maken, vernieuwen en verlevendigen door nieuw leven in ons hart te storten. Het zal onze zaligheid zijn om altijd naar Hem op te zien, van Hem afhankelijk te zijn, in Hem te geloven, op Hem te vertrouwen, en Hem geen rust te gunnen totdat Hij telkens en telkens weer verschijnt tot blijdschap en vreugde van het hart.
Aan de lezer…
Bent u zo diep weggezonken in uw gevoel dat het is alsof er geen leven meer in uw ziel is? Heeft de zonde u zo ver gebracht, of hebben de vurige pijlen van satan elk levend verlangen uitgedoofd? Het is een bange plaats, en u bent niet de eerste die daar ligt. Maar let eens op wat er nog in u is: een verlangend uitzien, een smartelijke klacht, een zucht die niet wil zwijgen. Dat is geen dood, maar het werk van de Heilige Geest, Die het leven in uw ziel bewaart.
Hoor dan wat de Heere Jezus zegt: „Ik ben de Opstanding en het Leven.” Er is geen andere bron van leven, maar in Hem is genoeg. Hij komt in het gemoed binnen, heft de ziel op en trekt haar tot Zich. Gun Hem dan geen rust; blijf naar Hem opzien en van Hem afhankelijk zijn, totdat Hij weer verschijnt tot blijdschap van uw hart.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
“Jesus said unto her, I am the resurrection, and the life.”
John 11:25
How often we sink into places where we are in our feelings dead men. Has sin never slain you? Have convictions never, so to speak, knocked the life of God out of your soul? Has Satan never come with his fiery darts, with all the artillery of hell, and sought to scorch up every gracious feeling and every living desire? And have you not sunk at times in your soul into such miserable deadness of spirit, that it seemed that not only there and then you were devoid of all grace, but that it was an impossibility for grace ever again to renew and revive your soul? Here you were dead. I have often been here, which enables me to describe it to you.
Yet with all this, there is a longing look, a heartfelt groan, a heaving sigh, a resisting unto blood, not an utter giving way, nor sinking down into miserable despair. God the Spirit kept alive His work upon the soul, and Christ Himself as the resurrection dropped into our bosom, raised up and drew forth towards Himself some fresh movements of that life which is in Him. There was thus fulfilled that gracious consequence of His resurrection, “Whoever believes in Me, though he were dead, yet shall he live.”
Oh, amid all our deadness, all our gloom and desolation, all our emptiness, barrenness, and helplessness, if there be in our souls a longing look, a heartfelt cry, an earnest groan, a sincere desire toward Him Who is the resurrection, our prayer will ascend into His pitying, sympathizing ear; and as He is the resurrection, He will once more raise up into life and feeling our dead and drooping soul. We have no other source of life. If we were altogether and really dead, we would always continue dead unless He were the resurrection.
But because He is the resurrection, He can re-animate, revive, renew, and re-quicken us by pouring into our hearts fresh life and feeling. It will be our mercy to be ever looking unto Him, hanging upon Him, believing in Him, trusting to Him, and giving Him no rest until He appear again and again to the joy and rejoicing of our heart.
To the reader…
Have you sunk so deep in your feelings that it is as if there is no life left in your soul? Has sin brought you so far, or have the fiery darts of Satan quenched every living desire? It is a fearful place, and you are not the first to lie there. But take note of what is still in you: a longing look, a heartfelt groan, a sigh that will not be silent. That is not death, but the work of the Holy Spirit, Who keeps the life alive in your soul.
Hear, then, what the Lord Jesus says: “I am the Resurrection and the Life.” There is no other source of life, but in Him there is enough. He comes into the heart, raises up the soul, and draws it to Himself. Give Him no rest, then; keep looking to Him and depending on Him, until He appears again to the joy of your heart.
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
Dícele Jesús: Yo soy la resurrección y la vida.
Juan 11:25
¡Cuán a menudo nos hundimos en lugares donde, en nuestros sentimientos, somos hombres muertos! ¿Nunca le ha dado muerte el pecado? ¿Nunca las convicciones, por así decirlo, le han arrancado del alma la vida de Dios? ¿Nunca ha venido Satanás con sus dardos de fuego, con toda la artillería del infierno, buscando abrasar todo sentimiento de gracia y todo deseo vivo? ¿Y no se ha hundido usted a veces en su alma en una mortandad de espíritu tan miserable que parecía que no solo en aquel momento estaba desprovisto de toda gracia, sino que era imposible que la gracia volviera jamás a renovar y avivar su alma? Aquí estaba usted muerto. Yo he estado aquí a menudo, y eso me capacita para describírselo.
Sin embargo, con todo esto, hay una mirada anhelante, un gemido sentido, un suspiro profundo, un resistir hasta la sangre; no un ceder del todo, ni un hundirse en una miserable desesperación. Dios el Espíritu mantuvo viva Su obra en el alma, y Cristo mismo, como la resurrección, descendió a nuestro pecho, levantó y atrajo hacia Sí algunos nuevos movimientos de aquella vida que está en Él. Así se cumplió aquella bondadosa consecuencia de Su resurrección: “El que cree en Mí, aunque esté muerto, vivirá.”
¡Oh, en medio de toda nuestra mortandad, de toda nuestra lobreguez y desolación, de todo nuestro vacío, esterilidad e impotencia, si hay en nuestra alma una mirada anhelante, un clamor sentido, un gemido ferviente, un deseo sincero hacia Aquel que es la resurrección, nuestra oración subirá a Su oído compasivo y lleno de simpatía; y como Él es la resurrección, levantará una vez más a la vida y al sentimiento nuestra alma muerta y abatida! No tenemos otra fuente de vida. Si estuviéramos del todo y realmente muertos, seguiríamos siempre muertos, a no ser que Él fuera la resurrección.
Pero porque Él es la resurrección, puede reanimarnos, avivarnos, renovarnos y vivificarnos de nuevo derramando en nuestro corazón nueva vida y sentimiento. Será nuestra misericordia estar siempre mirando a Él, dependiendo de Él, creyendo en Él, confiando en Él, y no darle descanso hasta que aparezca una y otra vez para gozo y alegría de nuestro corazón.
Al lector…
¿Se ha hundido usted tan hondo en sus sentimientos que es como si no quedara vida en su alma? ¿Le ha llevado el pecado tan lejos, o han apagado los dardos de fuego de Satanás todo deseo vivo? Es un lugar terrible, y usted no es el primero que yace allí. Pero fíjese en lo que todavía hay en usted: una mirada anhelante, un gemido sentido, un suspiro que no quiere callar. Eso no es muerte, sino la obra del Espíritu Santo, que mantiene viva la vida en su alma.
Oiga, pues, lo que dice el Señor Jesús: “Yo soy la Resurrección y la Vida.” No hay otra fuente de vida, pero en Él hay suficiente. Él viene al corazón, levanta al alma y la atrae hacia Sí. No le dé, pues, descanso; siga mirando a Él y dependiendo de Él, hasta que aparezca de nuevo para gozo de su corazón.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl