5 dagen geleden verschenen
Het gesprek van een gelovige met zijn ziel
Een uitleg van Psalm 42:12 als gesprek tussen David en zijn ziel: waarom de ziel terneergeslagen en onrustig is, waarom ze op God moet hopen en hoe die hoop uitloopt…
12 dagen geleden verschenen
Het woord van Gods genade
Een uitleg van Handelingen 20:32: Paulus beveelt de oudsten van Efeze aan God en aan het woord van Zijn genade. Alleen dat woord, door de Geest toegepast, bouwt de ziel…
2 weken geleden verschenen
Schatten in de duisternis
Uitleg van Jesaja 45:2,3 voor Gods kinderen: de Heere gaat voor hen uit, maakt kromme wegen recht, verbreekt koperen deuren en ijzeren grendels, geeft verborgen schatten en leert hen zo…
Verkrijgen en verliezen
Naar Prediker 3:6: een levende ziel verkrijgt geestelijke dingen, van kennis van God en van zichzelf tot geloof en vergeving, maar verliest ook haar eigen gerechtigheid en kracht. De preek…
Het schudden van wat gemaakt is en de vastheid van wat gegeven is
Over Hebreeën 12:27,28: wat gemaakt is, wordt geschud en weggenomen, wat God geeft blijft. Het Koninkrijk dat niet bewogen kan worden wordt door geloof ontvangen, door genade vastgehouden en draagt…
Korenaren Uit De Volle Oogst
Dat gij in die tijd waart zonder Christus, vervreemd van het burgerschap Israëls, en vreemdelingen van de verbonden der belofte, geen hoop hebbende, en zonder God in de wereld.
Efeze 2:12
De apostel zegt hier de Efeziërs dat zij in hun natuurlijke staat, vóórdat het leven in hen was gewekt en zij levend gemaakt waren in God, waren „zonder Christus”, dat is: zonder duidelijke vereniging en gemeenschap met Hem. Ofschoon zij naar het voornemen Gods en door hun eeuwige verkiezing in Christus leden zijn van Zijn geheimzinnig lichaam, waren zij nog niet gedoopt in Christus door de Geest om levende leden te worden van Zijn geestelijk lichaam, de Kerk (1 Kor. 12:13), en hadden zij daarom Christus niet „aangedaan” (Galaten 3:27). En zoals zij waren, waren ook wij.
Wij waren „zonder Christus” in onze vroegere dagen. Hij had geen plaats in onze gedachten. Wij wisten niets van Zijn Persoon, Zijn werk, bloed en rechtvaardigmaking, Zijn schoonheid en volzaligheid, genade en heerlijkheid. Hij was voor ons een scheut uit een dorre aarde, en in onze ogen had Hij gedaante noch heerlijkheid. Zijn naam moge op onze lippen zijn geweest, maar Zijn Geest en genade waren niet in onze harten. En indien het nu anders met ons gesteld is, indien er enig geloof in Hem, enige hoop op Hem, of enige liefde tot Hem in ons is, dan is het de genade die alles gewrocht heeft.
Laat ons nooit vergeten wat wij waren vóórdat wij door de genade geroepen waren. Laat de herinnering onzer zonden en van onze gehele levensweg bitter voor ons zijn, opdat wij de rijkdom der soevereine genade mogen waarderen en bevorderen, die zich tot ons in onze diepgevallen staat overboog. Het Paaslam moest met bittere saus gegeten worden. De herinnering aan de slavernij in Egypte moet zich altijd aan de vreugde paren over de vrijheid des Evangelies, en de Goddelijke smart over de zonde met het eten van het lichaam van Christus.
Wij hebben God op ’t hoogst misdaan,
wij zijn van ’t heilspoor afgegaan,
Ja, wij en onze vaad’ren tevens,
verzuimend’ alle trouw en plicht.
Ps. 106:4
Aan de lezer…
Er zijn tijden die u niet mag vergeten, zoals de tijd toen u „zonder Christus” leefde. Toen was Zijn naam misschien op uw lippen, maar Zijn Geest en genade niet in uw hart; toen was Hij voor u een scheut uit een dorre aarde, zonder gedaante of heerlijkheid. Vergeet het niet. Laat die herinnering bitter voor u zijn, niet om u terneer te drukken, maar opdat u de rijkdom van de soevereine genade te meer leert waarderen.
Is er nu enig geloof in Hem, enige hoop op Hem, enige liefde tot Hem, al is het klein en zwak? Dan is het de genade die het gewrocht heeft, en niet uzelf. Het Paaslam werd met bittere saus gegeten; zo gaan ook bij ons de smart over de zonde en de vreugde over de verlossing samen. En is het nog niet anders met u, en leeft u nog zonder Hem, roep dan tot Hem, want Hij buigt Zich over tot hen die diepgevallen zijn.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Dat gij in die tijd waart zonder Christus, vervreemd van het burgerschap Israëls, en vreemdelingen van de verbonden der belofte, geen hoop hebbende, en zonder God in de wereld.
Efeze 2:12
De apostel zegt hier tegen de Efeziërs dat zij in hun natuurlijke staat, voordat het leven in hen was gewekt en zij levend gemaakt waren voor God, „zonder Christus” waren. Dat wil zeggen: zonder bewuste vereniging en gemeenschap met Hem. Hoewel zij naar het voornemen van God en door hun eeuwige verkiezing in Christus leden waren van Zijn verborgen lichaam, waren zij nog niet door de Geest in Christus gedoopt om levende leden te worden van Zijn geestelijk lichaam, de Kerk (1 Kor. 12:13). Daarom hadden zij Christus nog niet „aangedaan” (Galaten 3:27). En zoals zij waren, zo waren ook wij.
Wij waren in onze vroegere dagen „zonder Christus”. Hij had geen plaats in onze gedachten. Wij wisten niets van Zijn Persoon, Zijn werk, Zijn bloed en rechtvaardigmaking, Zijn schoonheid en volzaligheid, Zijn genade en heerlijkheid. Hij was voor ons als een scheut uit een dorre aarde, en in onze ogen had Hij gedaante noch heerlijkheid. Zijn Naam was misschien wel op onze lippen, maar Zijn Geest en genade waren niet in ons hart. En als het nu anders met ons is, als er enig geloof in Hem, enige hoop op Hem of enige liefde tot Hem in ons is, dan is het de genade die dat alles gewerkt heeft.
Laten wij nooit vergeten wat wij waren voordat wij door de genade geroepen werden. Laat de herinnering aan onze zonden en aan onze hele levensweg bitter voor ons zijn, zodat wij de rijkdom van de soevereine genade, die zich over ons in onze diepgevallen staat heeft neergebogen, op waarde leren schatten en groot maken. Het Paaslam moest met bittere saus gegeten worden. De herinnering aan de slavernij in Egypte moet altijd samengaan met de vreugde over de vrijheid van het Evangelie, en de goddelijke smart over de zonde met het eten van het lichaam van Christus.
Wij hebben God op ’t hoogst misdaan,
wij zijn van ’t heilspoor afgegaan,
Ja, wij en onze vaad’ren tevens,
verzuimend’ alle trouw en plicht.
Ps. 106:4
Aan de lezer…
Er zijn tijden die u niet mag vergeten, zoals de tijd toen u „zonder Christus” leefde. Toen was Zijn Naam misschien op uw lippen, maar waren Zijn Geest en genade niet in uw hart. Toen was Hij voor u een scheut uit een dorre aarde, zonder gedaante of heerlijkheid. Vergeet het niet. Laat die herinnering bitter voor u zijn, niet om u neer te drukken, maar zodat u de rijkdom van de soevereine genade des te meer leert waarderen.
Is er nu enig geloof in Hem, enige hoop op Hem, enige liefde tot Hem, al is het klein en zwak? Dan is het de genade die dat gewerkt heeft, en niet uzelf. Het Paaslam werd met bittere saus gegeten; zo gaan ook bij ons de smart over de zonde en de vreugde over de verlossing samen. En is het nog niet anders met u, leeft u nog zonder Hem, roep dan tot Hem, want Hij buigt Zich neer naar wie diep gevallen zijn.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
That at that time ye were without Christ, being aliens from the commonwealth of Israel, and strangers from the covenants of promise, having no hope, and without God in the world.
Ephesians 2:12
The Apostle here tells the Ephesians that in their natural state, before divinely quickened and made alive unto God, they were “without Christ,” that is, without manifest union and communion with Him. Though in the purposes of God, and by their eternal election in Christ, they were members of His mystical body, they had not been baptized into Christ by the Spirit so as to be made living members of His spiritual body, the Church (1 Cor. 12:13), and therefore had not “put on Christ” (Gal. 3:27).
And as they were, such were we. We were “without Christ” in our Gentile days. He had no place in our thoughts. We knew nothing of His Person and work, blood and righteousness, beauty and blessedness, grace and glory. He was to us a root out of a dry ground, and in our eyes He had no form nor loveliness. His Name might have been on our lips, but His Spirit and grace were not in our hearts. And if matters be in any way different now with us, if there be any faith on Him, hope in Him, or love to Him—grace has wrought it all.
Let us never forget what we were before we were called by grace. Let the remembrance of our sins and of the whole bent and current of our lives be bitter to us, that we may all the more prize and admire the riches of that sovereign grace which stooped to us in our low and lost estate. The paschal lamb was to be eaten with bitter herbs. The remembrance of Egyptian bondage should ever accompany the enjoyment of gospel liberty, and godly sorrow for sin the feeding on the flesh of Christ.
To the reader…
There are times you must not forget, such as the time when you lived “without Christ.” Then His Name may have been on your lips, but His Spirit and grace were not in your heart. Then He was to you a root out of a dry ground, without form or comeliness. Do not forget it. Let that memory be bitter to you, not to weigh you down, but so that you learn to value the riches of sovereign grace all the more.
Is there now any faith on Him, any hope in Him, any love to Him, however small and weak? Then it is grace that has wrought it, and not yourself. The paschal lamb was eaten with bitter herbs; so with us too, sorrow over sin and joy over redemption go together. And if it is not yet otherwise with you, if you still live without Him, then cry out to Him, for He stoops down to those who have fallen low.
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
Que en aquel tiempo estabais sin Cristo, alejados de la república de Israel, y extranjeros a los pactos de la promesa, sin esperanza y sin Dios en el mundo.
Efesios 2:12
El Apóstol dice aquí a los efesios que en su estado natural, antes de ser divinamente vivificados y hechos vivos para Dios, estaban “sin Cristo”, es decir, sin unión ni comunión manifiesta con Él. Aunque en los propósitos de Dios, y por su elección eterna en Cristo, eran miembros de Su cuerpo místico, no habían sido bautizados en Cristo por el Espíritu de modo que fueran hechos miembros vivos de Su cuerpo espiritual, la Iglesia (1 Corintios 12:13), y por tanto no se habían “vestido de Cristo” (Gálatas 3:27).
Y como ellos eran, así éramos nosotros. Estábamos “sin Cristo” en nuestros días de gentiles. Él no tenía lugar en nuestros pensamientos. Nada sabíamos de Su Persona y Su obra, de Su sangre y Su justicia, de Su hermosura y bienaventuranza, de Su gracia y Su gloria. Era para nosotros como raíz de tierra seca, y a nuestros ojos no tenía parecer ni hermosura. Su Nombre podía estar en nuestros labios, pero Su Espíritu y Su gracia no estaban en nuestro corazón. Y si las cosas son ahora de algún modo diferentes con nosotros, si hay alguna fe en Él, esperanza en Él o amor a Él, la gracia lo ha obrado todo.
No olvidemos nunca lo que éramos antes de ser llamados por gracia. Que el recuerdo de nuestros pecados y de toda la inclinación y corriente de nuestra vida nos sea amargo, para que apreciemos y admiremos tanto más las riquezas de aquella gracia soberana que se inclinó hacia nosotros en nuestro estado bajo y perdido. El cordero pascual había de comerse con hierbas amargas. El recuerdo de la servidumbre de Egipto debe acompañar siempre al goce de la libertad del evangelio, y la tristeza piadosa por el pecado al alimentarse de la carne de Cristo.
Al lector…
Hay tiempos que usted no debe olvidar, como el tiempo en que vivía “sin Cristo”. Entonces quizá Su Nombre estaba en sus labios, pero Su Espíritu y Su gracia no estaban en su corazón. Entonces Él era para usted como raíz de tierra seca, sin parecer ni hermosura. No lo olvide. Que ese recuerdo le sea amargo, no para abatirle, sino para que aprenda a apreciar tanto más las riquezas de la gracia soberana.
¿Hay ahora alguna fe en Él, alguna esperanza en Él, algún amor a Él, por pequeño y débil que sea? Entonces es la gracia la que lo ha obrado, y no usted mismo. El cordero pascual se comía con hierbas amargas; así también en nosotros van juntas la tristeza por el pecado y el gozo por la redención. Y si todavía no es así con usted, si todavía vive sin Él, clame entonces a Él, porque Él se inclina hacia los que han caído bajo.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl
365 Dagen Met Philpot
De gelovige moordenaar
Heere, gedenk mijner, als Gij in Uw Koninkrijk zult gekomen zijn.
Lukas 23:42
Ik geloof dat nergens in de hele Heilige Schrift zo’n voorbeeld van een sterk geloof staat als dit. Men kan zeggen: „Abrahams geloof was heel sterk.” Dat was het zeker. Toen hij zijn zoon Izak offerde, was zijn geloof erg sterk, misschien wel zo sterk als dat van de stervende moordenaar. Maar als we alle omstandigheden hieromtrent in ogenschouw nemen, denk ik dat, met uitzondering van de Heere Jezus Christus, de Vorst der gelovigen, er niet één voorbeeld van geloof zo sterk is als dit.
Waren de omstandigheden er niet helemaal naar om het geloof te smoren en uit te doven? Kijk naar Zijn eigen discipelen; ze lieten Hem allemaal in de steek en sloegen op de vlucht. Zijn eigen volgelingen, die jarenlang met Hem hadden gewandeld, verlieten Hem in Zijn uiterste nood. Maar o, wat een sterk geloof moet God hem hebben gegeven om te geloven en in te zien dat Jezus een Koninkrijk had toen Hij stervende was als een misdadiger! Toen hij naar het gepijnigde lichaam van Jezus keek – te geloven dat Hij de Zoon van God was en een Koninkrijk kon schenken!
Want was binnen en buiten niet alles aanwezig om het geloof te smoren en uit te doven, zodat, zodra het geloof het hoofd rechtte, alles samenzwoer om het te vernietigen? Net als iemand die aan het verdrinken is, die als zijn hoofd net boven water is gekomen en er een hoge golf komt die hem terugslaat, toch zijn handen weer uitsteekt, ondanks dood en hel, zo was het met deze moordenaar aan het kruis. Alles was aanwezig om zijn geloof te vernietigen; toch bleef het overeind. Zou hij niet hebben kunnen zeggen: „Indien Hij de Zoon van God was, zou Hij Zichzelf dan niet verlossen?” Nee! Het geloof zegevierde ondanks alles van buiten en binnen, ondanks alle ontrouw en ongeloof in zijn hart, ondanks alle uiterlijke omstandigheden, die het sterkste geloof ter wereld zouden hebben uitgedoofd.
Lezen: Lukas 23-43
Aan de lezer…
Misschien, lezer, lijkt alles om u heen samen te spannen tegen uw geloof. Telkens als het even het hoofd opricht, komt er een nieuwe golf die het terugslaat: van buiten tegenspoed, van binnen ongeloof en twijfel. U zou bijna denken dat uw geloof te zwak is om iets te betekenen. Zie dan naar de stervende moordenaar. De discipelen waren gevlucht, de Heere hing gepijnigd als een misdadiger, en toch zag hij in Hem een Koning met een Koninkrijk.
Waar kwam zo’n geloof vandaan? Niet uit hemzelf; God gaf het hem. En wat God gaf, bleef overeind, ondanks alles. Laat dat u bemoedigen. Het geloof leeft niet van gunstige omstandigheden, maar van de Heere op Wie het ziet. Steek dan, als een drenkeling, uw handen opnieuw naar Hem uit, ook als de golven hoog zijn. Hij Die de moordenaar staande hield, kan ook uw zwakke geloof doen zegevieren.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Heere, gedenk mijner, als Gij in Uw Koninkrijk zult gekomen zijn.
Lukas 23:42
Ik geloof dat er in de hele Heilige Schrift nergens zo’n voorbeeld van sterk geloof staat als dit. Men kan zeggen: „Abrahams geloof was heel sterk.” Dat was het zeker. Toen hij zijn zoon Izak offerde, was zijn geloof heel sterk, misschien wel even sterk als dat van de stervende moordenaar. Maar als we alle omstandigheden in aanmerking nemen, denk ik dat er, met uitzondering van de Heere Jezus Christus, de Vorst van de gelovigen, niet één voorbeeld van geloof is dat zo sterk is als dit.
Waren de omstandigheden niet helemaal zo dat ze het geloof moesten smoren en uitdoven? Kijk naar Zijn eigen discipelen: ze lieten Hem allemaal in de steek en vluchtten. Zijn eigen volgelingen, die jarenlang met Hem hadden opgetrokken, verlieten Hem in Zijn uiterste nood. Maar o, wat een sterk geloof moet God hem gegeven hebben om te geloven en in te zien dat Jezus een Koninkrijk had, terwijl Hij als een misdadiger stierf! Om, terwijl hij naar het gepijnigde lichaam van Jezus keek, te geloven dat Hij de Zoon van God was en een Koninkrijk kon schenken!
Want was niet alles, van binnen en van buiten, erop gericht het geloof te smoren en uit te doven, zodat alles samenspande om het te vernietigen zodra het geloof het hoofd ophief? Denk aan een drenkeling: net als zijn hoofd boven water komt, slaat een hoge golf hem terug, en toch steekt hij zijn handen weer uit, ondanks dood en hel. Zo was het met deze moordenaar aan het kruis. Alles was erop gericht zijn geloof te vernietigen, en toch bleef het overeind. Had hij niet kunnen zeggen: „Indien Hij de Zoon van God was, zou Hij Zichzelf dan niet verlossen?” Nee! Het geloof overwon ondanks alles van buiten en van binnen, ondanks alle ontrouw en al het ongeloof in zijn hart, en ondanks alle uiterlijke omstandigheden, die het sterkste geloof ter wereld zouden hebben uitgedoofd.
Lezen: Lukas 23-43
Aan de lezer…
Misschien, lezer, lijkt alles om u heen samen te spannen tegen uw geloof. Telkens als het even het hoofd opheft, komt er een nieuwe golf die het terugslaat: van buiten tegenspoed, van binnen ongeloof en twijfel. U zou bijna denken dat uw geloof te zwak is om iets te betekenen. Zie dan naar de stervende moordenaar. De discipelen waren gevlucht, de Heere hing gepijnigd als een misdadiger, en toch zag hij in Hem een Koning met een Koninkrijk.
Waar kwam zo’n geloof vandaan? Niet uit hemzelf; God gaf het hem. En wat God gaf, bleef overeind, ondanks alles. Laat dat u bemoedigen. Het geloof leeft niet van gunstige omstandigheden, maar van de Heere op Wie het ziet. Steek dan, als een drenkeling, uw handen opnieuw naar Hem uit, ook als de golven hoog zijn. Hij Die de moordenaar staande hield, kan ook uw zwakke geloof doen overwinnen.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Lord, remember me when Thou comest into Thy kingdom.
Luke 23:42
I believe there is nowhere in the whole of Holy Scripture such an instance of strong faith as this. It may be said, “Abraham’s faith was very strong.” So it certainly was. When he offered up his son Isaac, his faith was very strong, perhaps as strong as that of the dying thief. But when we take all the circumstances into account, I think that, with the exception of the Lord Jesus Christ, the Prince of believers, there is not one instance of faith so strong as this.
Were not the circumstances altogether such as to stifle and extinguish faith? Look at His own disciples: they all forsook Him and fled. His own followers, who had gone about with Him for years, left Him in His uttermost need. But oh, what strong faith God must have given him to believe and to see that Jesus had a kingdom, while He was dying as a malefactor! To believe, while he looked at the tortured body of Jesus, that He was the Son of God and could bestow a kingdom!
For was not everything, within and without, set to stifle and extinguish faith, so that everything conspired to destroy it as soon as faith lifted up its head? Think of a drowning man: just as his head comes above the water, a high wave beats him back, and yet he stretches out his hands again, in spite of death and hell. So it was with this thief on the cross. Everything was set to destroy his faith, and yet it stood firm.
Could he not have said, “If He were the Son of God, would He not save Himself?” No! Faith overcame in spite of everything without and within, in spite of all the unfaithfulness and all the unbelief in his heart, and in spite of all the outward circumstances, which would have extinguished the strongest faith in the world.
Reading: Luke 23:32-43
To the reader…
Perhaps, reader, everything around you seems to conspire against your faith. Every time it lifts its head for a moment, a new wave comes and beats it back: adversity from without, unbelief and doubt from within. You might almost think your faith too weak to mean anything. Then look at the dying thief. The disciples had fled, the Lord hung tortured like a malefactor, and yet he saw in Him a King with a kingdom.
Where did such faith come from? Not from himself; God gave it him. And what God gave stood firm, in spite of everything. Let that encourage you. Faith does not live on favourable circumstances, but on the Lord to Whom it looks. So, like a drowning man, stretch out your hands to Him again, even when the waves are high. He Who upheld the thief can make your weak faith overcome as well.
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
Acuérdate de mí cuando vinieres a Tu reino.
Lucas 23:42
Creo que en ninguna parte de toda la Sagrada Escritura hay un ejemplo de fe tan fuerte como este. Se podría decir: “La fe de Abraham era muy fuerte”. Ciertamente lo era. Cuando ofreció a su hijo Isaac, su fe era muy fuerte, quizá tan fuerte como la del ladrón moribundo. Pero cuando tenemos en cuenta todas las circunstancias, pienso que, con la excepción del Señor Jesucristo, el Príncipe de los creyentes, no hay un solo ejemplo de fe tan fuerte como este.
¿No eran las circunstancias del todo tales que ahogaban y apagaban la fe? Mire a Sus propios discípulos: todos le dejaron y huyeron. Sus propios seguidores, que habían andado con Él durante años, le abandonaron en Su necesidad extrema. Pero ¡oh, qué fe tan fuerte debió de darle Dios para creer y ver que Jesús tenía un reino, mientras moría como un malhechor! ¡Creer, mientras miraba el cuerpo torturado de Jesús, que Él era el Hijo de Dios y podía otorgar un reino!
Porque ¿no estaba todo, por dentro y por fuera, dispuesto para ahogar y apagar la fe, de modo que todo conspiraba para destruirla en cuanto la fe levantaba la cabeza? Piense en un hombre que se ahoga: justo cuando su cabeza sale del agua, una ola alta lo vuelve a hundir, y sin embargo extiende otra vez las manos, a pesar de la muerte y del infierno. Así fue con este ladrón en la cruz. Todo estaba dispuesto para destruir su fe, y sin embargo se mantuvo firme.
¿No podría haber dicho: “Si fuera el Hijo de Dios, ¿no se salvaría a Sí mismo?”? ¡No! La fe venció a pesar de todo lo de fuera y lo de dentro, a pesar de toda la infidelidad y de toda la incredulidad de su corazón, y a pesar de todas las circunstancias externas, que habrían apagado la fe más fuerte del mundo.
Lectura: Lucas 23:32-43
Al lector…
Quizá, lector, todo a su alrededor parece conspirar contra su fe. Cada vez que levanta la cabeza por un momento, viene una nueva ola y la vuelve a hundir: adversidad por fuera, incredulidad y duda por dentro. Casi podría pensar que su fe es demasiado débil para significar algo. Mire entonces al ladrón moribundo. Los discípulos habían huido, el Señor colgaba torturado como un malhechor, y sin embargo él vio en Él a un Rey con un reino.
¿De dónde vino tal fe? No de él mismo; Dios se la dio. Y lo que Dios dio se mantuvo firme, a pesar de todo. Que eso le anime. La fe no vive de circunstancias favorables, sino del Señor a Quien mira. Así que, como un hombre que se ahoga, extienda otra vez sus manos hacia Él, aun cuando las olas sean altas. El que sostuvo al ladrón puede hacer que también su débil fe venza.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl
Door Baca's Vallei
En Hij leidde hen op een rechte weg, om te gaan tot een stad ter woning.
Psalm 107:7
Wanneer de Heere leidt, kunnen wij volgen. De weg moge hobbelig zijn, doch als de Heere ondersteunt, dan kunnen wij die weg bewandelen zonder struikelen. Wat de Heere ook gebiedt, dat kunnen wij doen, als Hij maar tegenwoordig is. Welk lijden Hij ons oplegt, wij kunnen het dragen, als wij maar de goedkeuring hebben van een goede consciëntie en Zijn vriendelijke toelaching. O, wonderen van soevereine genade!
Het kruis is geen kruis als de Heere kracht geeft om het te dragen; verdrukking is geen verdrukking als de Heere ons ondersteunt; beproeving is geen beproeving als zij door Zijn toelachingen verzoet wordt; en smart is geen smart als zij verlicht of licht gemaakt wordt door Zijn liefde. Het is onze prikkelbaarheid, ons ongeloof, onze vleselijke redenering, opstand en zelfbeklag, die een hobbelachtige weg tot een smartelijke weg maken; doch de genade in haar alles overwinnende kracht onderwerpt niet slechts iedere moeilijkheid van buitenaf, maar, wat nog groter is, zij onderwerpt ook elke moeilijkheid in ons hart. Het is en het moet ook zo zijn; één van de sterkste gronden van ons geloof is dat iedere weg in zijn einde een rechte weg is, als het Gods weg is.
En is het niet een rechte weg, overeenkomstig de uitspraak onzer eigen consciëntie, die ons leidt uit de wereld, de zonde, ons eigen ik, uit onze hoogmoed en eigengerechtigheid, uit alle kwaad, in welke vorm dan ook, en die ons leidt in alles wat goed is, wat heilig, wat welgevallig is in de ogen Gods, wat aannemelijk, heilzaam, heiligend is, ons leidt in hetgeen ons het beeld van Christus kan gelijkvormig maken, Die een Man van smarten was en verzocht in krankheden, en Die ons bekwaam maakt om deel te hebben in de erve der heiligen in het licht? En wat is het einde van deze leiding en besturing? Dat zij mogen gaan tot een stad ter woning: het nieuwe Jeruzalem, de heerlijke stad die fundamenten heeft, welker Bouwmeester God is.
Daar zijn enigen onzer vrienden al voorgegaan, daar wonen zij als burgers van die gezegende stad van zuiver goud, gelijk doorluchtig glas; een stad die de zon niet behoeft, noch de maan ter verlichting, want de heerlijkheid Gods verlicht ze en het Lam is haar kaars. Dit is de stad ter woning, waar de heiligen voor eeuwig wonen zullen. En de Heere zal al Zijn wandelaars door deze woestijn leiden door de rechte weg, opdat Hij hen in dezelfde weg brenge in Zijn eeuwige tegenwoordigheid en tot de genietingen van die liefelijkheden die aan Zijn rechterhand zijn, eeuwiglijk.
Aan de lezer…
Misschien is uw weg hobbelig, en kunt u niet begrijpen waarom de Heere u zo leidt. Wees eerlijk: is het niet vaak onze prikkelbaarheid, ons ongeloof en ons zelfbeklag die een moeilijke weg tot een smartelijke maken? Het kruis is geen kruis als de Heere kracht geeft om het te dragen, en smart is geen smart als zij door Zijn liefde verlicht wordt. Wanneer Hij leidt, kunnen wij volgen; als Hij maar tegenwoordig is.
Bid dan niet allereerst om een andere weg, maar om Zijn nabijheid op deze weg. Want iedere weg is in zijn einde een rechte weg, als het Gods weg is. Hij leidt u uit de wereld, uit de zonde en uit uw eigen ik, en Hij leidt u in alles wat u het beeld van Christus gelijkvormig maakt. En het einde is zeker: een stad ter woning, die fundamenten heeft, welker Bouwmeester God is, waar het Lam de kaars is.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
En Hij leidde hen op een rechte weg, om te gaan tot een stad ter woning.
Psalm 107:7
Wanneer de Heere leidt, kunnen wij volgen. De weg mag hobbelig zijn, maar als de Heere ondersteunt, kunnen wij die weg gaan zonder te struikelen. Wat de Heere ook gebiedt, dat kunnen wij doen, als Hij maar tegenwoordig is. Welk lijden Hij ons ook oplegt, wij kunnen het dragen, als wij maar de goedkeuring hebben van een goed geweten en het vriendelijk lachen van Zijn aangezicht. O, wonderen van soevereine genade!
Het kruis is geen kruis als de Heere kracht geeft om het te dragen; verdrukking is geen verdrukking als de Heere ons ondersteunt; beproeving is geen beproeving als zij door Zijn vriendelijk lachen verzoet wordt; en smart is geen smart als zij door Zijn liefde verlicht of licht gemaakt wordt. Het zijn onze prikkelbaarheid, ons ongeloof, onze vleselijke redeneringen, onze opstand en ons zelfbeklag die van een hobbelige weg een smartelijke weg maken. Maar de genade onderwerpt in haar alles overwinnende kracht niet alleen iedere moeilijkheid van buitenaf, maar, wat nog groter is, ook elke moeilijkheid in ons hart. Zo is het en zo moet het ook zijn; een van de sterkste gronden van ons geloof is dat iedere weg uiteindelijk een rechte weg is, als het Gods weg is.
En is het niet een rechte weg, naar het oordeel van ons eigen geweten, die ons leidt uit de wereld, de zonde en ons eigen ik, uit onze hoogmoed en eigengerechtigheid, uit alle kwaad in welke vorm dan ook? Een weg die ons leidt in alles wat goed is, wat heilig en welgevallig is in de ogen van God, wat aangenaam, heilzaam en heiligend is; die ons leidt in wat ons gelijkvormig kan maken aan het beeld van Christus, Die een Man van smarten was en verzocht in krankheden; en die ons bekwaam maakt om deel te hebben aan de erve der heiligen in het licht? En wat is het doel van deze leiding en besturing? Dat zij mogen gaan tot een stad ter woning: het nieuwe Jeruzalem, de heerlijke stad die fundamenten heeft, waarvan God de Bouwmeester is.
Enkelen van onze vrienden zijn daar al heengegaan; daar wonen zij als burgers van die gezegende stad van zuiver goud, als doorluchtig glas; een stad die de zon niet nodig heeft, en ook de maan niet om haar te verlichten, want de heerlijkheid van God verlicht haar en het Lam is haar kaars. Dit is de stad ter woning waar de heiligen voor eeuwig zullen wonen. En de Heere zal al Zijn reizigers door deze woestijn op de rechte weg leiden, opdat Hij hen langs die weg brengt in Zijn eeuwige tegenwoordigheid en tot het genieten van de liefelijkheden die aan Zijn rechterhand zijn, eeuwig.
Aan de lezer…
Misschien is uw weg hobbelig, en kunt u niet begrijpen waarom de Heere u zo leidt. Wees eerlijk: zijn het niet vaak onze prikkelbaarheid, ons ongeloof en ons zelfbeklag die een moeilijke weg tot een smartelijke maken? Het kruis is geen kruis als de Heere kracht geeft om het te dragen, en smart is geen smart als zij door Zijn liefde verlicht wordt. Wanneer Hij leidt, kunnen wij volgen, als Hij maar tegenwoordig is.
Bid dan niet in de eerste plaats om een andere weg, maar om Zijn nabijheid op deze weg. Want iedere weg is uiteindelijk een rechte weg, als het Gods weg is. Hij leidt u uit de wereld, uit de zonde en uit uw eigen ik, en Hij leidt u in alles wat u gelijkvormig maakt aan het beeld van Christus. En het einde is zeker: een stad ter woning, die fundamenten heeft, waarvan God de Bouwmeester is, waar het Lam de kaars is.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
“And He led them forth by the right way, that they might go to a city of habitation.”
Psalm 107:7
When the Lord leads, we can follow. The path may be rough, but if the Lord upholds, we can walk in it without stumbling. Whatever the Lord bids, we can do if we have but His presence; whatever He calls upon us to suffer, we can bear if we have but the approbation of a good conscience and His approving smile. Oh, the wonders of sovereign grace! The cross is no cross if the Lord gives strength to bear it; affliction is no affliction if the Lord supports under it; trial is no trial if sweetened by His smile, and sorrow no grief if lightened by His love. It is our fretfulness, unbelief, carnal reasoning, rebellion, and self-pity which make a rough way a wrong way; but grace in its all-conquering power, not only subdues every difficulty without, but what is its greater triumph, subdues every difficulty within.
It is, and ever must be, one of the strongest principles of our faith, that every way must, in the end, be a right way if it be God’s way. And is it not, according to the verdict of our own conscience, a right way to lead us forth out of the world, out of sin, out of self, out of pride and self-righteousness, out of evil in every form, into everything which is good, holy, gracious, acceptable, saving, and sanctifying; everything that can conform us to the image of Christ, Who was a man of sorrows and acquainted with grief, and make us fit for the inheritance of the saints in light?
And what is the end of all this leading and guiding? “That they might go to a city of habitation”—the new Jerusalem, the glorious city which has foundations, whose builder and maker is God. There, some of our friends have gone before; there they dwell as citizens of that blessed city which is all of pure gold, like unto clear glass; a city which has no need of the sun, neither of the moon to shine in it, for the glory of the Lord enlightens it, and the Lamb is the light thereof. This is the city of habitation where the saints will forever dwell; and the Lord is leading forth each and all of His wilderness wanderers by the right way, that He may bring them in the same way into His eternal presence, and to the enjoyment of those pleasures which are at His right hand for evermore.
To the reader…
Perhaps your road is rough, and you cannot understand why the Lord leads you this way. Be honest: is it not often our fretfulness, our unbelief and our self-pity that turn a hard road into a painful one? The cross is no cross if the Lord gives strength to bear it, and sorrow is no grief if it is lightened by His love. When He leads, we can follow, if only He is present.
Do not pray first of all, then, for another road, but for His nearness on this one. For every way is in the end a right way if it is God’s way. He leads you out of the world, out of sin and out of self, and He leads you into everything that conforms you to the image of Christ. And the end is certain: a city of habitation, which has foundations, whose builder and maker is God, where the Lamb is the light thereof.
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
“Y dirigiólos por camino derecho, para que viniesen a ciudad de población.”
Salmo 107:7
Cuando el Señor guía, podemos seguir. El camino puede ser áspero, pero si el Señor sostiene, podemos andar por él sin tropezar. Cualquier cosa que el Señor mande, podemos hacerla con tal de tener Su presencia; cualquier cosa que nos llame a padecer, podemos soportarla con tal de tener la aprobación de una buena conciencia y Su sonrisa de aprobación. ¡Oh, las maravillas de la gracia soberana! La cruz no es cruz si el Señor da fuerza para llevarla; la aflicción no es aflicción si el Señor sostiene bajo ella; la prueba no es prueba si la endulza Su sonrisa, ni la tristeza es pena si la aligera Su amor. Son nuestra irritación, nuestra incredulidad, nuestros razonamientos carnales, nuestra rebelión y nuestra autocompasión los que hacen de un camino áspero un camino equivocado; pero la gracia, en su poder que todo lo vence, no solo somete toda dificultad de fuera, sino, lo que es su mayor triunfo, somete toda dificultad de dentro.
Es, y siempre ha de ser, uno de los principios más firmes de nuestra fe que todo camino ha de ser al final un camino derecho si es el camino de Dios. ¿Y no es, según el veredicto de nuestra propia conciencia, un camino derecho el sacarnos del mundo, del pecado, del yo, del orgullo y de la justicia propia, del mal en todas sus formas, y llevarnos a todo lo que es bueno, santo, lleno de gracia, aceptable, salvador y santificador; a todo lo que puede conformarnos a la imagen de Cristo, que fue varón de dolores, experimentado en quebranto, y hacernos aptos para la suerte de los santos en luz?
¿Y cuál es el fin de todo este guiar y dirigir? “Para que viniesen a ciudad de población”: la nueva Jerusalén, la gloriosa ciudad con fundamentos, el artífice y hacedor de la cual es Dios. Allá han ido delante algunos de nuestros amigos; allí moran como ciudadanos de aquella bendita ciudad que es toda de oro puro, semejante al vidrio limpio; una ciudad que no tiene necesidad de sol ni de luna para que resplandezcan en ella, porque la claridad de Dios la ilumina, y el Cordero es su lumbrera. Esta es la ciudad de población donde los santos morarán para siempre; y el Señor está dirigiendo a todos y cada uno de Sus peregrinos del desierto por el camino derecho, para traerlos por ese mismo camino a Su presencia eterna y al goce de aquellos deleites que hay a Su diestra para siempre.
Al lector…
Quizá su camino sea áspero, y no puede entender por qué el Señor le lleva por aquí. Sea sincero: ¿no son a menudo nuestra irritación, nuestra incredulidad y nuestra autocompasión las que convierten un camino duro en uno doloroso? La cruz no es cruz si el Señor da fuerza para llevarla, y la tristeza no es pena si la aligera Su amor. Cuando Él guía, podemos seguir, con tal de que Él esté presente.
No pida, pues, ante todo otro camino, sino Su cercanía en este. Porque todo camino es al final un camino derecho si es el camino de Dios. Él le saca del mundo, del pecado y del yo, y le lleva a todo lo que le conforma a la imagen de Cristo. Y el fin es seguro: una ciudad de población, la ciudad con fundamentos, el artífice y hacedor de la cual es Dios, donde el Cordero es su lumbrera.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl