March 24
Dat gij in die tijd waart zonder Christus, vervreemd van het burgerschap Israëls, en vreemdelingen van de verbonden der belofte, geen hoop hebbende, en zonder God in de wereld.
Efeze 2:12
De apostel zegt hier de Efeziërs dat zij in hun natuurlijke staat, vóórdat het leven in hen was gewekt en zij levend gemaakt waren in God, waren „zonder Christus”, dat is: zonder duidelijke vereniging en gemeenschap met Hem. Ofschoon zij naar het voornemen Gods en door hun eeuwige verkiezing in Christus leden zijn van Zijn geheimzinnig lichaam, waren zij nog niet gedoopt in Christus door de Geest om levende leden te worden van Zijn geestelijk lichaam, de Kerk (1 Kor. 12:13), en hadden zij daarom Christus niet „aangedaan” (Galaten 3:27). En zoals zij waren, waren ook wij.
Wij waren „zonder Christus” in onze vroegere dagen. Hij had geen plaats in onze gedachten. Wij wisten niets van Zijn Persoon, Zijn werk, bloed en rechtvaardigmaking, Zijn schoonheid en volzaligheid, genade en heerlijkheid. Hij was voor ons een scheut uit een dorre aarde, en in onze ogen had Hij gedaante noch heerlijkheid. Zijn naam moge op onze lippen zijn geweest, maar Zijn Geest en genade waren niet in onze harten. En indien het nu anders met ons gesteld is, indien er enig geloof in Hem, enige hoop op Hem, of enige liefde tot Hem in ons is, dan is het de genade die alles gewrocht heeft.
Laat ons nooit vergeten wat wij waren vóórdat wij door de genade geroepen waren. Laat de herinnering onzer zonden en van onze gehele levensweg bitter voor ons zijn, opdat wij de rijkdom der soevereine genade mogen waarderen en bevorderen, die zich tot ons in onze diepgevallen staat overboog. Het Paaslam moest met bittere saus gegeten worden. De herinnering aan de slavernij in Egypte moet zich altijd aan de vreugde paren over de vrijheid des Evangelies, en de Goddelijke smart over de zonde met het eten van het lichaam van Christus.
Wij hebben God op ’t hoogst misdaan,
wij zijn van ’t heilspoor afgegaan,
Ja, wij en onze vaad’ren tevens,
verzuimend’ alle trouw en plicht.
Ps. 106:4
Aan de lezer…
Er zijn tijden die u niet mag vergeten, zoals de tijd toen u „zonder Christus” leefde. Toen was Zijn naam misschien op uw lippen, maar Zijn Geest en genade niet in uw hart; toen was Hij voor u een scheut uit een dorre aarde, zonder gedaante of heerlijkheid. Vergeet het niet. Laat die herinnering bitter voor u zijn, niet om u terneer te drukken, maar opdat u de rijkdom van de soevereine genade te meer leert waarderen.
Is er nu enig geloof in Hem, enige hoop op Hem, enige liefde tot Hem, al is het klein en zwak? Dan is het de genade die het gewrocht heeft, en niet uzelf. Het Paaslam werd met bittere saus gegeten; zo gaan ook bij ons de smart over de zonde en de vreugde over de verlossing samen. En is het nog niet anders met u, en leeft u nog zonder Hem, roep dan tot Hem, want Hij buigt Zich over tot hen die diepgevallen zijn.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Dat gij in die tijd waart zonder Christus, vervreemd van het burgerschap Israëls, en vreemdelingen van de verbonden der belofte, geen hoop hebbende, en zonder God in de wereld.
Efeze 2:12
De apostel zegt hier tegen de Efeziërs dat zij in hun natuurlijke staat, voordat het leven in hen was gewekt en zij levend gemaakt waren voor God, „zonder Christus” waren. Dat wil zeggen: zonder bewuste vereniging en gemeenschap met Hem. Hoewel zij naar het voornemen van God en door hun eeuwige verkiezing in Christus leden waren van Zijn verborgen lichaam, waren zij nog niet door de Geest in Christus gedoopt om levende leden te worden van Zijn geestelijk lichaam, de Kerk (1 Kor. 12:13). Daarom hadden zij Christus nog niet „aangedaan” (Galaten 3:27). En zoals zij waren, zo waren ook wij.
Wij waren in onze vroegere dagen „zonder Christus”. Hij had geen plaats in onze gedachten. Wij wisten niets van Zijn Persoon, Zijn werk, Zijn bloed en rechtvaardigmaking, Zijn schoonheid en volzaligheid, Zijn genade en heerlijkheid. Hij was voor ons als een scheut uit een dorre aarde, en in onze ogen had Hij gedaante noch heerlijkheid. Zijn Naam was misschien wel op onze lippen, maar Zijn Geest en genade waren niet in ons hart. En als het nu anders met ons is, als er enig geloof in Hem, enige hoop op Hem of enige liefde tot Hem in ons is, dan is het de genade die dat alles gewerkt heeft.
Laten wij nooit vergeten wat wij waren voordat wij door de genade geroepen werden. Laat de herinnering aan onze zonden en aan onze hele levensweg bitter voor ons zijn, zodat wij de rijkdom van de soevereine genade, die zich over ons in onze diepgevallen staat heeft neergebogen, op waarde leren schatten en groot maken. Het Paaslam moest met bittere saus gegeten worden. De herinnering aan de slavernij in Egypte moet altijd samengaan met de vreugde over de vrijheid van het Evangelie, en de goddelijke smart over de zonde met het eten van het lichaam van Christus.
Wij hebben God op ’t hoogst misdaan,
wij zijn van ’t heilspoor afgegaan,
Ja, wij en onze vaad’ren tevens,
verzuimend’ alle trouw en plicht.
Ps. 106:4
Aan de lezer…
Er zijn tijden die u niet mag vergeten, zoals de tijd toen u „zonder Christus” leefde. Toen was Zijn Naam misschien op uw lippen, maar waren Zijn Geest en genade niet in uw hart. Toen was Hij voor u een scheut uit een dorre aarde, zonder gedaante of heerlijkheid. Vergeet het niet. Laat die herinnering bitter voor u zijn, niet om u neer te drukken, maar zodat u de rijkdom van de soevereine genade des te meer leert waarderen.
Is er nu enig geloof in Hem, enige hoop op Hem, enige liefde tot Hem, al is het klein en zwak? Dan is het de genade die dat gewerkt heeft, en niet uzelf. Het Paaslam werd met bittere saus gegeten; zo gaan ook bij ons de smart over de zonde en de vreugde over de verlossing samen. En is het nog niet anders met u, leeft u nog zonder Hem, roep dan tot Hem, want Hij buigt Zich neer naar wie diep gevallen zijn.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
That at that time ye were without Christ, being aliens from the commonwealth of Israel, and strangers from the covenants of promise, having no hope, and without God in the world.
Ephesians 2:12
The Apostle here tells the Ephesians that in their natural state, before divinely quickened and made alive unto God, they were “without Christ,” that is, without manifest union and communion with Him. Though in the purposes of God, and by their eternal election in Christ, they were members of His mystical body, they had not been baptized into Christ by the Spirit so as to be made living members of His spiritual body, the Church (1 Cor. 12:13), and therefore had not “put on Christ” (Gal. 3:27).
And as they were, such were we. We were “without Christ” in our Gentile days. He had no place in our thoughts. We knew nothing of His Person and work, blood and righteousness, beauty and blessedness, grace and glory. He was to us a root out of a dry ground, and in our eyes He had no form nor loveliness. His Name might have been on our lips, but His Spirit and grace were not in our hearts. And if matters be in any way different now with us, if there be any faith on Him, hope in Him, or love to Him—grace has wrought it all.
Let us never forget what we were before we were called by grace. Let the remembrance of our sins and of the whole bent and current of our lives be bitter to us, that we may all the more prize and admire the riches of that sovereign grace which stooped to us in our low and lost estate. The paschal lamb was to be eaten with bitter herbs. The remembrance of Egyptian bondage should ever accompany the enjoyment of gospel liberty, and godly sorrow for sin the feeding on the flesh of Christ.
To the reader…
There are times you must not forget, such as the time when you lived “without Christ.” Then His Name may have been on your lips, but His Spirit and grace were not in your heart. Then He was to you a root out of a dry ground, without form or comeliness. Do not forget it. Let that memory be bitter to you, not to weigh you down, but so that you learn to value the riches of sovereign grace all the more.
Is there now any faith on Him, any hope in Him, any love to Him, however small and weak? Then it is grace that has wrought it, and not yourself. The paschal lamb was eaten with bitter herbs; so with us too, sorrow over sin and joy over redemption go together. And if it is not yet otherwise with you, if you still live without Him, then cry out to Him, for He stoops down to those who have fallen low.
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
Que en aquel tiempo estabais sin Cristo, alejados de la república de Israel, y extranjeros a los pactos de la promesa, sin esperanza y sin Dios en el mundo.
Efesios 2:12
El Apóstol dice aquí a los efesios que en su estado natural, antes de ser divinamente vivificados y hechos vivos para Dios, estaban “sin Cristo”, es decir, sin unión ni comunión manifiesta con Él. Aunque en los propósitos de Dios, y por su elección eterna en Cristo, eran miembros de Su cuerpo místico, no habían sido bautizados en Cristo por el Espíritu de modo que fueran hechos miembros vivos de Su cuerpo espiritual, la Iglesia (1 Corintios 12:13), y por tanto no se habían “vestido de Cristo” (Gálatas 3:27).
Y como ellos eran, así éramos nosotros. Estábamos “sin Cristo” en nuestros días de gentiles. Él no tenía lugar en nuestros pensamientos. Nada sabíamos de Su Persona y Su obra, de Su sangre y Su justicia, de Su hermosura y bienaventuranza, de Su gracia y Su gloria. Era para nosotros como raíz de tierra seca, y a nuestros ojos no tenía parecer ni hermosura. Su Nombre podía estar en nuestros labios, pero Su Espíritu y Su gracia no estaban en nuestro corazón. Y si las cosas son ahora de algún modo diferentes con nosotros, si hay alguna fe en Él, esperanza en Él o amor a Él, la gracia lo ha obrado todo.
No olvidemos nunca lo que éramos antes de ser llamados por gracia. Que el recuerdo de nuestros pecados y de toda la inclinación y corriente de nuestra vida nos sea amargo, para que apreciemos y admiremos tanto más las riquezas de aquella gracia soberana que se inclinó hacia nosotros en nuestro estado bajo y perdido. El cordero pascual había de comerse con hierbas amargas. El recuerdo de la servidumbre de Egipto debe acompañar siempre al goce de la libertad del evangelio, y la tristeza piadosa por el pecado al alimentarse de la carne de Cristo.
Al lector…
Hay tiempos que usted no debe olvidar, como el tiempo en que vivía “sin Cristo”. Entonces quizá Su Nombre estaba en sus labios, pero Su Espíritu y Su gracia no estaban en su corazón. Entonces Él era para usted como raíz de tierra seca, sin parecer ni hermosura. No lo olvide. Que ese recuerdo le sea amargo, no para abatirle, sino para que aprenda a apreciar tanto más las riquezas de la gracia soberana.
¿Hay ahora alguna fe en Él, alguna esperanza en Él, algún amor a Él, por pequeño y débil que sea? Entonces es la gracia la que lo ha obrado, y no usted mismo. El cordero pascual se comía con hierbas amargas; así también en nosotros van juntas la tristeza por el pecado y el gozo por la redención. Y si todavía no es así con usted, si todavía vive sin Él, clame entonces a Él, porque Él se inclina hacia los que han caído bajo.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl