5 dagen geleden verschenen
Het gesprek van een gelovige met zijn ziel
Een uitleg van Psalm 42:12 als gesprek tussen David en zijn ziel: waarom de ziel terneergeslagen en onrustig is, waarom ze op God moet hopen en hoe die hoop uitloopt…
12 dagen geleden verschenen
Het woord van Gods genade
Een uitleg van Handelingen 20:32: Paulus beveelt de oudsten van Efeze aan God en aan het woord van Zijn genade. Alleen dat woord, door de Geest toegepast, bouwt de ziel…
2 weken geleden verschenen
Schatten in de duisternis
Uitleg van Jesaja 45:2,3 voor Gods kinderen: de Heere gaat voor hen uit, maakt kromme wegen recht, verbreekt koperen deuren en ijzeren grendels, geeft verborgen schatten en leert hen zo…
Verkrijgen en verliezen
Naar Prediker 3:6: een levende ziel verkrijgt geestelijke dingen, van kennis van God en van zichzelf tot geloof en vergeving, maar verliest ook haar eigen gerechtigheid en kracht. De preek…
Het schudden van wat gemaakt is en de vastheid van wat gegeven is
Over Hebreeën 12:27,28: wat gemaakt is, wordt geschud en weggenomen, wat God geeft blijft. Het Koninkrijk dat niet bewogen kan worden wordt door geloof ontvangen, door genade vastgehouden en draagt…
Korenaren Uit De Volle Oogst
Als droevig zijnde, doch altijd blijde.
2 Korinthe 6:10
Hoewel de christen in zichzelf treurt, en daar alle dagen reden toe heeft, kan hij toch altijd blij zijn, als hij door het geloof de Heere Jezus Christus mag zien; als hij door genade een goede hoop heeft, of enige openbaring van Zijn macht, Zijn werk, Zijn bloed en Zijn liefde. Ja, diezelfde droefheid opent een weg tot blijdschap. Er is in het wereldse hart geen plaats voor geestelijke blijdschap, want de Heere geeft blijdschap en smart. Wanneer het hart verzonken is in somberheid en angst, wanneer twijfel en zorgen bezit nemen van de ziel, wanneer huiselijke zorgen, of smartelijke verliezen, of gevaarlijke omstandigheden het hart vullen met verdriet en zorgen, dan is het de tijd van de Heere om vreugde in de ziel te storten.
Naarmate de beproevingen toenemen, neemt ook de troost toe. Verdriet en vreugde zijn met elkaar verbonden zoals de dag en de nacht, de zon en de maan, de hemel en de aarde. Zonder verdriet kan er geen vreugde zijn, want vreugde is het tegengif ervan. Als u alles had wat uw hartje begeerde, welke plaats zou er dan zijn voor geestelijke vreugde? Maar wanneer alle bronnen van aardse vreugde opdrogen en er voor u in de wereld niets anders overblijft dan een leven vol verdriet en rusteloosheid, wanneer uw gezondheid aangetast wordt, als u arm bent geworden, beproefd wordt in uw gezin, gekweld wordt in uw geest, en er niets is dan lijden en ellende, dan is er in uw hart ruimte gemaakt om de zoete vertroostingen van Gods genade te ontvangen.
Ik werd benauwd van alle zijden
en riep de Heer ootmoedig aan.
De Heer verhoorde mij in ’t lijden
en deed mij in de ruimte gaan.
De Heer is bij mij, ’k zal niet vrezen,
de Heer zal mij getrouw behoên.
Daar God mijn schild en hulp wil wezen,
wat zal een nietig mens mij doen?
Ps. 118:3
Aan de lezer…
Misschien bent u vandaag droevig: de gezondheid wankelt, het gezin wordt beproefd, de zorgen vullen uw hart en de oude bronnen van vreugde drogen op. Dan lijkt het woord „als droevig zijnde, doch altijd blijde” ver van u af te staan. Maar ik wijs u hier op iets wonderlijks: juist die droefheid kan een weg tot blijdschap openen. In een hart dat vol is van de wereld is geen plaats voor geestelijke vreugde; in een gebroken hart wordt ruimte gemaakt.
Wanneer twijfel en angst bezit nemen van de ziel, dan is het de tijd van de Heere om vreugde in te storten. Naarmate de beproevingen toenemen, neemt ook de troost toe. Zie dan niet alleen naar de nacht die om u heen is, maar zie door het geloof naar de Heere Jezus Christus, naar Zijn werk, Zijn bloed en Zijn liefde. Wie in zichzelf treurt, mag in Hem blijde zijn, ook nu.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Als droevig zijnde, doch altijd blijde.
2 Korinthe 6:10
Hoewel de christen in zichzelf treurt, en daar elke dag reden toe heeft, kan hij toch altijd blij zijn wanneer hij door het geloof de Heere Jezus Christus mag zien, wanneer hij door genade een goede hoop heeft, of enige openbaring van Zijn macht, Zijn werk, Zijn bloed en Zijn liefde. Ja, juist die droefheid opent een weg naar blijdschap. In het wereldse hart is geen plaats voor geestelijke blijdschap, want de Heere geeft blijdschap en smart. Wanneer het hart verzonken is in somberheid en angst, wanneer twijfel en zorgen bezit nemen van de ziel, wanneer huiselijke zorgen, smartelijke verliezen of gevaarlijke omstandigheden het hart vullen met verdriet en zorg, dan is het de tijd van de Heere om vreugde in de ziel uit te storten.
Naarmate de beproevingen toenemen, neemt ook de troost toe. Verdriet en vreugde horen bij elkaar zoals de dag en de nacht, de zon en de maan, de hemel en de aarde. Zonder verdriet kan er geen vreugde zijn, want vreugde is het tegengif ervan. Als u alles had wat uw hart begeerde, welke plaats zou er dan zijn voor geestelijke vreugde? Maar wanneer alle bronnen van aardse vreugde opdrogen en er in de wereld voor u niets anders overblijft dan een leven vol verdriet en onrust, wanneer uw gezondheid wordt aangetast, wanneer u arm geworden bent, beproefd wordt in uw gezin en gekweld wordt in uw geest, en er niets is dan lijden en ellende, dan is er in uw hart ruimte gemaakt om de zoete vertroostingen van Gods genade te ontvangen.
Ik werd benauwd van alle zijden
en riep de Heer ootmoedig aan.
De Heer verhoorde mij in ’t lijden
en deed mij in de ruimte gaan.
De Heer is bij mij, ’k zal niet vrezen,
de Heer zal mij getrouw behoên.
Daar God mijn schild en hulp wil wezen,
wat zal een nietig mens mij doen?
Ps. 118:3
Aan de lezer…
Misschien bent u vandaag droevig: de gezondheid wankelt, het gezin wordt beproefd, de zorgen vullen uw hart en de oude bronnen van vreugde drogen op. Dan lijkt het woord „als droevig zijnde, doch altijd blijde” ver van u af te staan. Maar ik wijs u hier op iets wonderlijks: juist die droefheid kan een weg naar blijdschap openen. In een hart dat vol is van de wereld, is geen plaats voor geestelijke vreugde; in een gebroken hart wordt ruimte gemaakt.
Wanneer twijfel en angst bezit nemen van de ziel, dan is het de tijd van de Heere om vreugde uit te storten. Naarmate de beproevingen toenemen, neemt ook de troost toe. Kijk dan niet alleen naar de nacht om u heen, maar zie door het geloof op de Heere Jezus Christus, op Zijn werk, Zijn bloed en Zijn liefde. Wie in zichzelf treurt, mag in Hem blij zijn, ook nu.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
As sorrowful, yet alway rejoicing.
2 Corinthians 6:10
Though the Christian in himself is sorrowful, and has reason to be so all the day long, yet so far as he has any views by faith of the Lord Jesus Christ, any good hope through grace, or any manifestation of His Person, work, blood, and love, he may be always rejoicing. Nay, his very sorrow opens up a way for joy. There is no room in a worldly heart for spiritual joy, for the Lord gives joy in sorrow. When the heart is sunk in gloom and fear, and doubt and distress take possession of the mind, when family afflictions, or painful bereavements, or trying circumstances fill the heart with grief and dismay, that is the very time for the Lord to pour joy into the soul.
As afflictions abound, so do consolations. Sorrow and joy are linked together as night and day, as sun and moon, as heaven and earth. Without sorrow there can be no joy, for joy is its counterpoise. If you had everything your heart could desire, what room would there be for spiritual joy? But when all sources of earthly joy dry up, and there is nothing but sorrow and trouble before you in this world, as long as life remains; when you are afflicted in body, poor in circumstances, tried in your family, distressed in your mind, and there is nothing but grief and misery—then you have room made in your heart to receive the sweet consolations of God’s grace.
To the reader…
Perhaps you are sorrowful today: your health is failing, your family is being tried, cares fill your heart and the old springs of joy are drying up. Then the word “as sorrowful, yet alway rejoicing” seems far removed from you. But I point you here to something wonderful: that very sorrow can open a way to joy. In a heart full of the world there is no room for spiritual joy; in a broken heart room is made.
When doubt and fear take possession of the soul, that is the Lord’s time to pour out joy. As trials increase, consolation increases too. So do not look only at the night around you, but look by faith to the Lord Jesus Christ, to His work, His blood and His love. Whoever mourns in himself may rejoice in Him, even now.
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
Como doloridos, mas siempre gozosos.
2 Corintios 6:10
Aunque el cristiano en sí mismo está dolorido, y tiene motivo para estarlo todo el día, sin embargo, en la medida en que tiene alguna visión por la fe del Señor Jesucristo, alguna buena esperanza por gracia, o alguna manifestación de Su Persona, obra, sangre y amor, puede estar siempre gozoso. Más aún, su mismo dolor abre camino al gozo. No hay lugar en un corazón mundano para el gozo espiritual, porque el Señor da gozo en el dolor. Cuando el corazón está hundido en tristeza y temor, y la duda y la angustia se apoderan de la mente, cuando aflicciones familiares, o dolorosas pérdidas, o circunstancias difíciles llenan el corazón de pena y desaliento, ese es precisamente el tiempo en que el Señor derrama gozo en el alma.
Así como abundan las aflicciones, abundan las consolaciones. El dolor y el gozo están unidos como la noche y el día, como el sol y la luna, como el cielo y la tierra. Sin dolor no puede haber gozo, porque el gozo es su contrapeso. Si tuviera usted todo lo que su corazón pudiera desear, ¿qué lugar habría para el gozo espiritual? Pero cuando se secan todas las fuentes de gozo terrenal, y no hay delante de usted en este mundo sino dolor y aflicción mientras dure la vida; cuando está afligido en el cuerpo, pobre en sus circunstancias, probado en su familia, angustiado en su mente, y no hay sino pena y miseria, entonces se ha hecho lugar en su corazón para recibir las dulces consolaciones de la gracia de Dios.
Al lector…
Quizá esté usted dolorido hoy: su salud decae, su familia es probada, las preocupaciones llenan su corazón y las antiguas fuentes de gozo se están secando. Entonces la palabra “como doloridos, mas siempre gozosos” le parece muy lejana. Pero aquí le señalo algo maravilloso: precisamente ese dolor puede abrir camino al gozo. En un corazón lleno del mundo no hay lugar para el gozo espiritual; en un corazón quebrantado se hace lugar.
Cuando la duda y el temor se apoderan del alma, ese es el tiempo del Señor para derramar gozo. Así como aumentan las pruebas, aumenta también la consolación. No mire, pues, solo la noche que le rodea, sino mire por la fe al Señor Jesucristo, a Su obra, Su sangre y Su amor. Quien en sí mismo se duele puede gozarse en Él, aun ahora.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl
365 Dagen Met Philpot
De wonderen van Christus
De blinden worden ziende, en de kreupelen wandelen; de melaatsen worden gereinigd, en de doven horen; de doden worden opgewekt, en de armen wordt het Evangelie verkondigd. En zalig is hij, die aan Mij niet zal geërgerd worden.
Mattheüs 11:5-6
Wie kan de doofheid beschrijven die de mens van nature heeft voor elke waarschuwing, elk dreigement, elk gedeelte van Gods Woord? Dit is zeker een afschuwelijk deel van de zondeval. Maar als God de Heilige Geest een genadewerk aan het hart begint te verrichten, loutert Hij het oor. Zodoende opent Hij het om onderwijs te ontvangen. Hij geeft de ziel een nieuw vermogen, waardoor Gods waarheid wordt ontvangen als uit Gods mond.
Is dit niet bij sommigen van u het geval geweest? Toen u vroeger de wet hoorde, gingen de dreigingen ervan als donderslagen over uw hoofd heen, zonder enige indruk te maken. Toen u over de liefde, het bloed en het lijden van Jezus hoorde, vond er geen zacht worden, geen smelten, geen vernedering van uw ziel plaats. Was u niet doof, volkomen doof? Ervoer u enige goddelijke gevoeligheid in uw ziel? Had u enig teder gevoel? Had u enige vernedering van geest? Niet één.
Maar als God de Heilige Geest barmhartig de doofheid voor alle waarheid van God wegneemt, dan beginnen de doven te horen. Dit is een van de eerste tekenen van leven in de ziel. Ze horen de dreigementen van Gods wet, en elk dreigement weergalmt als donder in hun hart. Ze horen, en geloven wat ze horen, dat Hij de zondaars zal oordelen; dat er een dag is vastgesteld om de wereld te oordelen; en dat degenen die leven en sterven in zonde verzwolgen zullen worden door een afschuwelijke golf van ellende. Als God de Heilige Geest hun oren opent, horen ze de stem van de Zoon van God, want Hij zegt: „Mijn schapen horen Mijn stem” (Joh. 10:27); en opnieuw: „De ure komt, en is nu, wanneer de doden zullen horen de stem des Zoons Gods, en die ze gehoord hebben, zullen leven” (Joh. 5:25).
Lezen: Johannes 5:19-29
Aan de lezer…
Wie iets van de genade heeft leren kennen, weet nog hoe de dreigingen van de wet vroeger als donderslagen over het hoofd heen gingen, zonder dat er iets veranderde. Weet u nog hoe u hoorde van het bloed en het lijden van Jezus zonder dat uw hart smolt? Dat was doofheid, een afschuwelijk deel van onze val, en niemand kan zichzelf daarvan genezen.
Maar hoort u nu anders? Weergalmt een woord van God soms als donder in uw hart, of valt het als een zachte troost in uw ziel? Dan heeft God de Heilige Geest uw oor geopend, en dat is een van de eerste tekenen van leven. „Mijn schapen horen Mijn stem”, zegt de goede Herder. En voelt u zich nog doof en onaangedaan, houd dan op die belofte aan: „De ure komt, en is nu, wanneer de doden zullen horen de stem des Zoons Gods, en die ze gehoord hebben, zullen leven.”
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
De blinden worden ziende, en de kreupelen wandelen; de melaatsen worden gereinigd, en de doven horen; de doden worden opgewekt, en de armen wordt het Evangelie verkondigd. En zalig is hij, die aan Mij niet zal geërgerd worden.
Mattheüs 11:5-6
Wie kan de doofheid beschrijven die de mens van nature heeft voor elke waarschuwing, elke bedreiging, elk gedeelte van Gods Woord? Dit is zeker een afschuwelijk deel van de zondeval. Maar wanneer God de Heilige Geest een werk van genade in het hart begint, reinigt Hij het oor. Zo opent Hij het om onderwijs te ontvangen. Hij geeft de ziel een nieuw vermogen, waardoor Gods waarheid ontvangen wordt als uit Gods mond.
Is dit niet bij sommigen van u zo gegaan? Toen u vroeger de wet hoorde, gingen de bedreigingen ervan als donderslagen over uw hoofd heen, zonder enige indruk te maken. Toen u hoorde over de liefde, het bloed en het lijden van Jezus, werd uw ziel niet zacht, smolt zij niet en werd zij niet vernederd. Was u niet doof, volkomen doof? Ervoer u enige goddelijke gevoeligheid in uw ziel? Had u enig teder gevoel? Had u enige vernedering van geest? Niet één.
Maar wanneer God de Heilige Geest in Zijn barmhartigheid de doofheid voor alle waarheid van God wegneemt, dan beginnen de doven te horen. Dit is een van de eerste tekenen van leven in de ziel. Ze horen de bedreigingen van Gods wet, en elke bedreiging weergalmt als donder in hun hart. Ze horen, en geloven wat ze horen: dat Hij de zondaars zal oordelen, dat er een dag is vastgesteld om de wereld te oordelen, en dat wie in de zonde leeft en sterft, verzwolgen zal worden door een afschuwelijke golf van ellende.
Wanneer God de Heilige Geest hun oren opent, horen ze de stem van de Zoon van God, want Hij zegt: „Mijn schapen horen Mijn stem” (Joh. 10:27); en opnieuw: „De ure komt, en is nu, wanneer de doden zullen horen de stem des Zoons Gods, en die ze gehoord hebben, zullen leven” (Joh. 5:25).
Lezen: Johannes 5:19-29
Aan de lezer…
Wie iets van de genade heeft leren kennen, weet nog hoe de bedreigingen van de wet vroeger als donderslagen over het hoofd heen gingen, zonder dat er iets veranderde. Weet u nog hoe u hoorde over het bloed en het lijden van Jezus zonder dat uw hart smolt? Dat was doofheid, een afschuwelijk deel van onze val, en niemand kan zichzelf daarvan genezen.
Maar hoort u nu anders? Weergalmt een woord van God soms als donder in uw hart, of valt het als een zachte troost in uw ziel? Dan heeft God de Heilige Geest uw oor geopend, en dat is een van de eerste tekenen van leven. „Mijn schapen horen Mijn stem”, zegt de goede Herder. En voelt u zich nog doof en onaangedaan, houd dan vast aan die belofte: „De ure komt, en is nu, wanneer de doden zullen horen de stem des Zoons Gods, en die ze gehoord hebben, zullen leven.”
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
The blind receive their sight, and the lame walk, the lepers are cleansed, and the deaf hear, the dead are raised up, and the poor have the gospel preached to them. And blessed is he, whosoever shall not be offended in Me.
Matthew 11:5-6
Who can describe the deafness which man has by nature to every warning, every threatening, every part of God’s Word? This is surely a dreadful part of the fall. But when God the Holy Ghost begins a work of grace in the heart, He purges the ear. So He opens it to receive instruction. He gives the soul a new faculty, whereby God’s truth is received as from God’s own mouth.
Has it not been so with some of you? When in former days you heard the law, its threatenings passed over your head like peals of thunder, without making any impression. When you heard of the love, the blood and the sufferings of Jesus, your soul was not softened, did not melt and was not humbled. Were you not deaf, utterly deaf? Did you experience any divine sensibility in your soul? Had you any tender feeling? Had you any humbling of spirit? Not one.
But when God the Holy Ghost in His mercy takes away the deafness to all the truth of God, then the deaf begin to hear. This is one of the first signs of life in the soul. They hear the threatenings of God’s law, and every threatening echoes like thunder in their heart. They hear, and believe what they hear: that He will judge sinners, that a day is appointed in which to judge the world, and that whoever lives and dies in sin will be swallowed up by a dreadful wave of misery.
When God the Holy Ghost opens their ears, they hear the voice of the Son of God, for He says, “My sheep hear My voice” (John 10:27); and again, “The hour is coming, and now is, when the dead shall hear the voice of the Son of God: and they that hear shall live” (John 5:25).
Reading: John 5:19-29
To the reader…
Whoever has come to know something of grace remembers how the threatenings of the law once passed over the head like peals of thunder, without anything changing. Do you remember how you heard of the blood and sufferings of Jesus without your heart melting? That was deafness, a dreadful part of our fall, and no one can cure himself of it.
But do you hear differently now? Does a word of God sometimes echo like thunder in your heart, or fall like a gentle comfort into your soul? Then God the Holy Ghost has opened your ear, and that is one of the first signs of life. “My sheep hear My voice,” says the good Shepherd. And if you still feel deaf and unmoved, hold fast to that promise: “The hour is coming, and now is, when the dead shall hear the voice of the Son of God: and they that hear shall live.”
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
Los ciegos ven, y los cojos andan; los leprosos son limpiados, y los sordos oyen; los muertos son resucitados, y a los pobres es anunciado el evangelio. Y bienaventurado es el que no fuere escandalizado en Mí.
Mateo 11:5-6
¿Quién puede describir la sordera que el hombre tiene por naturaleza a toda advertencia, toda amenaza, toda parte de la Palabra de Dios? Esta es sin duda una parte terrible de la caída. Pero cuando Dios el Espíritu Santo comienza una obra de gracia en el corazón, purifica el oído. Así lo abre para recibir instrucción. Da al alma una nueva facultad, por la cual la verdad de Dios es recibida como de la boca misma de Dios.
¿No ha sido así con algunos de ustedes? Cuando en días pasados oían la ley, sus amenazas pasaban por encima de su cabeza como estruendos de trueno, sin hacer ninguna impresión. Cuando oían del amor, la sangre y los sufrimientos de Jesús, su alma no se ablandaba, no se derretía y no se humillaba. ¿No estaban sordos, completamente sordos? ¿Experimentaban alguna sensibilidad divina en su alma? ¿Tenían algún sentimiento tierno? ¿Tenían alguna humillación de espíritu? Ninguna.
Pero cuando Dios el Espíritu Santo, en Su misericordia, quita la sordera a toda la verdad de Dios, entonces los sordos comienzan a oír. Esta es una de las primeras señales de vida en el alma. Oyen las amenazas de la ley de Dios, y cada amenaza resuena como un trueno en su corazón. Oyen, y creen lo que oyen: que Él juzgará a los pecadores, que está establecido un día en el cual juzgará al mundo, y que quien vive y muere en pecado será tragado por una terrible ola de miseria.
Cuando Dios el Espíritu Santo abre sus oídos, oyen la voz del Hijo de Dios, porque Él dice: “Mis ovejas oyen Mi voz” (Juan 10:27); y otra vez: “Vendrá hora, y ahora es, cuando los muertos oirán la voz del Hijo de Dios: y los que oyeren vivirán” (Juan 5:25).
Lectura: Juan 5:19-29
Al lector…
Quien ha llegado a conocer algo de la gracia recuerda cómo las amenazas de la ley pasaban una vez por encima de la cabeza como estruendos de trueno, sin que nada cambiara. ¿Recuerda usted cómo oía de la sangre y los sufrimientos de Jesús sin que su corazón se derritiera? Eso era sordera, una parte terrible de nuestra caída, y nadie puede curarse de ella a sí mismo.
Pero ¿oye usted de otra manera ahora? ¿Resuena a veces una palabra de Dios como un trueno en su corazón, o cae como un suave consuelo en su alma? Entonces Dios el Espíritu Santo ha abierto su oído, y esa es una de las primeras señales de vida. “Mis ovejas oyen Mi voz”, dice el buen Pastor. Y si todavía se siente sordo e impasible, aférrese a esa promesa: “Vendrá hora, y ahora es, cuando los muertos oirán la voz del Hijo de Dios: y los que oyeren vivirán.”
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl
Door Baca's Vallei
Ik gedenk de weldadigheid uwer jeugd, de liefde uwer ondertrouw, toen gij Mij nawandeldet in de woestijn, in een onbezaaid land.
Jeremia 2:2
De zaligheid is een schenking, de meest uitgelezene en rijkste schenking, die de hand van een drieënig God, Wiens Naam is Liefde, geven kan. Het is een deel, een erfenis, een bijzondere bezitting, een schat, een eeuwige werkelijkheid. Het volle bezit, het volkomen genot, het volledige bezit van dit voor eeuwig toegewezen gewicht der heerlijkheid, wordt bewaard voor een toekomende staat; maar het handgeld, de eerstelingen, de vroegrijpe trossen, de eerste dauwdruppen van deze eeuwige erfenis, worden de uitverkorenen gegeven terwijl zij hier op aarde zijn.
De eeuwigdurende genieting van de tegenwoordigheid en heerlijkheid van Christus wordt in de Schrift dikwijls vergeleken bij een huwelijk. Zo lezen wij (Openb. 19:7) van de „vrouw van het Lam” en van de „bruiloft des Lams”. Zo wordt van de kerk gezegd tot de Koning geleid te worden in geborduurde klederen, gelijk in de Oosterse landen de bruid door de vader tot de bruidegom geleid werd. Maar ook lezen wij van „ondertrouw”, die altijd het vieren van de bruiloft voorafgaat. „Ik gedenk de weldadigheid uwer jeugd, de liefde uwer ondertrouw.” „Want ik heb ulieden toebereid om u als een reine maagd een Man voor te stellen, namelijk Christus.”
Zo was Jozef ondertrouwd aan de maagd Maria, vóór zij tezamen kwamen, dat is, vóór zij man en vrouw werden. Nu, deze ondertrouw was een voorbereiding voor het huwelijk, ofschoon het niet het huwelijk zelf was. Daarom werd een ondertrouwde maagd als een overspeelster, krachtens de Levitische wet, gestraft, wanneer zij ontrouw bevonden werd aan haar verloofde. In de daad van ondertrouw lag de natuur van het huwelijk, maar het was niet het huwelijk zelf. De partijen leefden nog niet tezamen en waren ook nog niet in elkanders bezit gesteld.
Dus is het in dit leven dat de geestelijke ondertrouw plaatsvindt, maar het geestelijk huwelijk in het leven dat komen gaat. „Ik zal u Mij ondertrouwen in gerechtigheid en in gericht, en in goedertierenheid en in barmhartigheden; en Ik zal u Mij ondertrouwen in geloof, en gij zult de Heere kennen” (Hosea 2:19-20).
Aan de lezer…
Kind van God, gedenkt u nog de tijd van uw eerste liefde, toen u de Heere nawandelde in de woestijn, in een onbezaaid land? Misschien is het nu stiller in uw ziel en vreest u dat het allemaal voorbij is. Maar hoor hoe de Heere spreekt: „Ik gedenk de weldadigheid uwer jeugd, de liefde uwer ondertrouw.” Hij vergeet die dagen niet, ook al vergeet u ze soms.
Wat u hier ontvangt, is nog niet de bruiloft zelf, maar de ondertrouw; het handgeld, de eerstelingen, de eerste dauwdruppen van de erfenis. Het volle genot wordt bewaard tot de bruiloft des Lams. Is het dan nu een tijd van wachten, houd u als een reine maagd voor Hem bewaard. Hij heeft beloofd: „Ik zal u Mij ondertrouwen in geloof, en gij zult de Heere kennen.” Die belofte breekt Hij niet.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Ik gedenk de weldadigheid uwer jeugd, de liefde uwer ondertrouw, toen gij Mij nawandeldet in de woestijn, in een onbezaaid land.
Jeremia 2:2
De zaligheid is een geschenk, het meest uitgelezen en rijkste geschenk dat de hand van een drieënig God, Wiens Naam Liefde is, kan geven. Het is een deel, een erfenis, een bijzonder bezit, een schat, een eeuwige werkelijkheid. Het volle bezit, het volkomen genieten, het volledige bezit van dit voor eeuwig toegewezen gewicht van heerlijkheid wordt bewaard voor een toekomstige staat. Maar het handgeld, de eerstelingen, de vroegrijpe trossen, de eerste dauwdruppels van deze eeuwige erfenis worden aan de uitverkorenen gegeven terwijl zij hier op aarde zijn.
Het eeuwige genieten van de tegenwoordigheid en heerlijkheid van Christus wordt in de Schrift vaak vergeleken met een huwelijk. Zo lezen wij (Openb. 19:7) over de „vrouw van het Lam” en over de „bruiloft des Lams”. Zo wordt van de kerk gezegd dat zij in geborduurde klederen tot de Koning geleid wordt, zoals in de oosterse landen de bruid door de vader naar de bruidegom geleid werd. Maar wij lezen ook van de „ondertrouw”, die altijd aan het vieren van de bruiloft voorafgaat. „Ik gedenk de weldadigheid uwer jeugd, de liefde uwer ondertrouw.” „Want ik heb ulieden toebereid om u als een reine maagd een Man voor te stellen, namelijk Christus.”
Zo was Jozef ondertrouwd met de maagd Maria voordat zij samengekomen waren, dat wil zeggen voordat zij man en vrouw werden. Deze ondertrouw was een voorbereiding op het huwelijk, hoewel het niet het huwelijk zelf was. Daarom werd een ondertrouwde maagd volgens de Levitische wet als een overspeelster gestraft wanneer zij ontrouw bevonden werd aan haar verloofde. In de ondertrouw lag het wezen van het huwelijk, maar het was niet het huwelijk zelf. De partijen leefden nog niet samen en waren ook nog niet in elkaars bezit gesteld.
Zo vindt in dit leven de geestelijke ondertrouw plaats, maar het geestelijke huwelijk in het leven dat komt. „Ik zal u Mij ondertrouwen in gerechtigheid en in gericht, en in goedertierenheid en in barmhartigheden; en Ik zal u Mij ondertrouwen in geloof, en gij zult de Heere kennen” (Hosea 2:19-20).
Aan de lezer…
Kind van God, gedenkt u nog de tijd van uw eerste liefde, toen u de Heere nawandelde in de woestijn, in een onbezaaid land? Misschien is het nu stiller in uw ziel en vreest u dat het allemaal voorbij is. Maar hoor hoe de Heere spreekt: „Ik gedenk de weldadigheid uwer jeugd, de liefde uwer ondertrouw.” Hij vergeet die dagen niet, ook al vergeet u ze soms.
Wat u hier ontvangt, is nog niet de bruiloft zelf, maar de ondertrouw: het handgeld, de eerstelingen, de eerste dauwdruppels van de erfenis. Het volle genieten wordt bewaard tot de bruiloft van het Lam. Is het nu een tijd van wachten, houd u dan als een reine maagd voor Hem bewaard. Hij heeft beloofd: „Ik zal u Mij ondertrouwen in geloof, en gij zult de Heere kennen.” Die belofte breekt Hij niet.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Thus saith the LORD; I remember thee, the kindness of thy youth, the love of thine espousals, when thou wentest after me in the wilderness, in a land that was not sown.
Jeremiah 2:2
Salvation is a gift, the choicest and richest gift which the hands of a Triune God, Whose Name is Love, can bestow. It is a portion, an inheritance, an estate, a treasure, an eternal reality. The full possession, the entire enjoyment, the complete acquisition of this predestinated weight of glory, is indeed reserved until a future state; but the pledges, the firstfruits, the early ripe clusters, the first dew-drops of this eternal inheritance, are given to the elect while upon earth.
The everlasting enjoyment of the presence and glory of Christ is often compared in Scripture to a wedding. Thus we read (Rev. 19:7) of “the Lamb’s wife,” and of “the marriage of the Lamb.” So the Church is said to be “brought unto the King in clothing of needlework,” as the bride, in Eastern countries, was brought by the father to the bridegroom. But we read of “espousals” also, which always preceded the celebration of the marriage. “I remember you, the kindness of your youth, the love of your espousals.” “I have espoused you to one husband, that I may present you as a chaste virgin to Christ.”
So Joseph was “espoused to the virgin Mary, before they came together,” that is, before they became man and wife. Now this espousal was a necessary prelude to marriage, though it was not the same thing. And, therefore, a betrothed virgin was punished as an adulteress by the Levitical law, if she was unfaithful to her espoused husband. To be betrothed had the nature of marriage in it, though it was not the same thing as marriage. The parties did not live together, and were not put in possession of each other.
Thus, it is in this life that the spiritual betrothment takes place, and the spiritual marriage in the life to come. “I will betroth you unto Me in righteousness and in judgment, and in loving-kindness and in mercies; I will even betroth you unto Me in faithfulness, and you shall know the Lord” (Hosea 2:19, 20).
To the reader…
Child of God, do you still remember the time of your first love, when you went after the Lord in the wilderness, in a land that was not sown? Perhaps it is quieter in your soul now, and you fear that it is all over. But hear how the Lord speaks: “I remember thee, the kindness of thy youth, the love of thine espousals.” He does not forget those days, even though you sometimes forget them.
What you receive here is not yet the wedding itself, but the espousal: the pledge, the firstfruits, the first dew-drops of the inheritance. The full enjoyment is reserved for the marriage of the Lamb. If this is now a time of waiting, keep yourself for Him as a chaste virgin. He has promised, “I will even betroth thee unto Me in faithfulness: and thou shalt know the LORD.” That promise He does not break.
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
Así dice Jehová: Heme acordado de ti, de la misericordia de tu mocedad, del amor de tu desposorio, cuando andabas en pos de Mí en el desierto, en tierra no sembrada.
Jeremías 2:2
La salvación es un don, el don más escogido y más rico que pueden conceder las manos de un Dios trino cuyo Nombre es Amor. Es una porción, una herencia, una heredad, un tesoro, una realidad eterna. La plena posesión, el entero disfrute, la completa adquisición de este peso de gloria predestinado está ciertamente reservado para un estado futuro; pero las prendas, las primicias, los primeros racimos maduros, las primeras gotas de rocío de esta herencia eterna son dadas a los escogidos mientras están en la tierra.
El disfrute eterno de la presencia y la gloria de Cristo se compara a menudo en la Escritura con una boda. Así leemos (Ap. 19:7) de “la esposa del Cordero” y de “las bodas del Cordero”. Así se dice de la Iglesia que “con vestidos bordados será llevada al Rey”, como en los países de Oriente la novia era llevada por el padre al novio. Pero leemos también de “desposorios”, que siempre precedían a la celebración de la boda. “Heme acordado de ti, de la misericordia de tu mocedad, del amor de tu desposorio.” “Os he desposado a un marido, para presentaros como una virgen pura a Cristo.”
Así José estaba “desposado con la virgen María, antes que se juntasen”, es decir, antes de que llegaran a ser marido y mujer. Ahora bien, este desposorio era un preludio necesario del matrimonio, aunque no era lo mismo. Por eso, según la ley levítica, una virgen desposada era castigada como adúltera si era infiel a su esposo prometido. Estar desposado tenía en sí la naturaleza del matrimonio, aunque no era lo mismo que el matrimonio. Las partes no vivían juntas, ni eran puestas en posesión la una de la otra.
Así, es en esta vida donde tienen lugar los desposorios espirituales, y las bodas espirituales en la vida venidera. “Te desposaré conmigo en justicia, y juicio, y misericordia, y miseraciones. Y te desposaré conmigo en fe, y conocerás a Jehová” (Oseas 2:19, 20).
Al lector…
Hijo de Dios, ¿recuerda todavía el tiempo de su primer amor, cuando andaba en pos del Señor en el desierto, en tierra no sembrada? Quizá ahora haya más quietud en su alma, y teme que todo haya terminado. Pero oiga cómo habla el Señor: “Heme acordado de ti, de la misericordia de tu mocedad, del amor de tu desposorio.” Él no olvida aquellos días, aunque usted a veces los olvide.
Lo que recibe aquí no es todavía la boda misma, sino el desposorio: la prenda, las primicias, las primeras gotas de rocío de la herencia. El pleno disfrute está reservado para las bodas del Cordero. Si ahora es tiempo de espera, guárdese para Él como una virgen pura. Él ha prometido: “Te desposaré conmigo en fe, y conocerás a Jehová.” Esa promesa no la quebranta.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl