February 24
Ik gedenk de weldadigheid uwer jeugd, de liefde uwer ondertrouw, toen gij Mij nawandeldet in de woestijn, in een onbezaaid land.
Jeremia 2:2
De zaligheid is een schenking, de meest uitgelezene en rijkste schenking, die de hand van een drieënig God, Wiens Naam is Liefde, geven kan. Het is een deel, een erfenis, een bijzondere bezitting, een schat, een eeuwige werkelijkheid. Het volle bezit, het volkomen genot, het volledige bezit van dit voor eeuwig toegewezen gewicht der heerlijkheid, wordt bewaard voor een toekomende staat; maar het handgeld, de eerstelingen, de vroegrijpe trossen, de eerste dauwdruppen van deze eeuwige erfenis, worden de uitverkorenen gegeven terwijl zij hier op aarde zijn.
De eeuwigdurende genieting van de tegenwoordigheid en heerlijkheid van Christus wordt in de Schrift dikwijls vergeleken bij een huwelijk. Zo lezen wij (Openb. 19:7) van de „vrouw van het Lam” en van de „bruiloft des Lams”. Zo wordt van de kerk gezegd tot de Koning geleid te worden in geborduurde klederen, gelijk in de Oosterse landen de bruid door de vader tot de bruidegom geleid werd. Maar ook lezen wij van „ondertrouw”, die altijd het vieren van de bruiloft voorafgaat. „Ik gedenk de weldadigheid uwer jeugd, de liefde uwer ondertrouw.” „Want ik heb ulieden toebereid om u als een reine maagd een Man voor te stellen, namelijk Christus.”
Zo was Jozef ondertrouwd aan de maagd Maria, vóór zij tezamen kwamen, dat is, vóór zij man en vrouw werden. Nu, deze ondertrouw was een voorbereiding voor het huwelijk, ofschoon het niet het huwelijk zelf was. Daarom werd een ondertrouwde maagd als een overspeelster, krachtens de Levitische wet, gestraft, wanneer zij ontrouw bevonden werd aan haar verloofde. In de daad van ondertrouw lag de natuur van het huwelijk, maar het was niet het huwelijk zelf. De partijen leefden nog niet tezamen en waren ook nog niet in elkanders bezit gesteld.
Dus is het in dit leven dat de geestelijke ondertrouw plaatsvindt, maar het geestelijk huwelijk in het leven dat komen gaat. „Ik zal u Mij ondertrouwen in gerechtigheid en in gericht, en in goedertierenheid en in barmhartigheden; en Ik zal u Mij ondertrouwen in geloof, en gij zult de Heere kennen” (Hosea 2:19-20).
Aan de lezer…
Kind van God, gedenkt u nog de tijd van uw eerste liefde, toen u de Heere nawandelde in de woestijn, in een onbezaaid land? Misschien is het nu stiller in uw ziel en vreest u dat het allemaal voorbij is. Maar hoor hoe de Heere spreekt: „Ik gedenk de weldadigheid uwer jeugd, de liefde uwer ondertrouw.” Hij vergeet die dagen niet, ook al vergeet u ze soms.
Wat u hier ontvangt, is nog niet de bruiloft zelf, maar de ondertrouw; het handgeld, de eerstelingen, de eerste dauwdruppen van de erfenis. Het volle genot wordt bewaard tot de bruiloft des Lams. Is het dan nu een tijd van wachten, houd u als een reine maagd voor Hem bewaard. Hij heeft beloofd: „Ik zal u Mij ondertrouwen in geloof, en gij zult de Heere kennen.” Die belofte breekt Hij niet.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Ik gedenk de weldadigheid uwer jeugd, de liefde uwer ondertrouw, toen gij Mij nawandeldet in de woestijn, in een onbezaaid land.
Jeremia 2:2
De zaligheid is een geschenk, het meest uitgelezen en rijkste geschenk dat de hand van een drieënig God, Wiens Naam Liefde is, kan geven. Het is een deel, een erfenis, een bijzonder bezit, een schat, een eeuwige werkelijkheid. Het volle bezit, het volkomen genieten, het volledige bezit van dit voor eeuwig toegewezen gewicht van heerlijkheid wordt bewaard voor een toekomstige staat. Maar het handgeld, de eerstelingen, de vroegrijpe trossen, de eerste dauwdruppels van deze eeuwige erfenis worden aan de uitverkorenen gegeven terwijl zij hier op aarde zijn.
Het eeuwige genieten van de tegenwoordigheid en heerlijkheid van Christus wordt in de Schrift vaak vergeleken met een huwelijk. Zo lezen wij (Openb. 19:7) over de „vrouw van het Lam” en over de „bruiloft des Lams”. Zo wordt van de kerk gezegd dat zij in geborduurde klederen tot de Koning geleid wordt, zoals in de oosterse landen de bruid door de vader naar de bruidegom geleid werd. Maar wij lezen ook van de „ondertrouw”, die altijd aan het vieren van de bruiloft voorafgaat. „Ik gedenk de weldadigheid uwer jeugd, de liefde uwer ondertrouw.” „Want ik heb ulieden toebereid om u als een reine maagd een Man voor te stellen, namelijk Christus.”
Zo was Jozef ondertrouwd met de maagd Maria voordat zij samengekomen waren, dat wil zeggen voordat zij man en vrouw werden. Deze ondertrouw was een voorbereiding op het huwelijk, hoewel het niet het huwelijk zelf was. Daarom werd een ondertrouwde maagd volgens de Levitische wet als een overspeelster gestraft wanneer zij ontrouw bevonden werd aan haar verloofde. In de ondertrouw lag het wezen van het huwelijk, maar het was niet het huwelijk zelf. De partijen leefden nog niet samen en waren ook nog niet in elkaars bezit gesteld.
Zo vindt in dit leven de geestelijke ondertrouw plaats, maar het geestelijke huwelijk in het leven dat komt. „Ik zal u Mij ondertrouwen in gerechtigheid en in gericht, en in goedertierenheid en in barmhartigheden; en Ik zal u Mij ondertrouwen in geloof, en gij zult de Heere kennen” (Hosea 2:19-20).
Aan de lezer…
Kind van God, gedenkt u nog de tijd van uw eerste liefde, toen u de Heere nawandelde in de woestijn, in een onbezaaid land? Misschien is het nu stiller in uw ziel en vreest u dat het allemaal voorbij is. Maar hoor hoe de Heere spreekt: „Ik gedenk de weldadigheid uwer jeugd, de liefde uwer ondertrouw.” Hij vergeet die dagen niet, ook al vergeet u ze soms.
Wat u hier ontvangt, is nog niet de bruiloft zelf, maar de ondertrouw: het handgeld, de eerstelingen, de eerste dauwdruppels van de erfenis. Het volle genieten wordt bewaard tot de bruiloft van het Lam. Is het nu een tijd van wachten, houd u dan als een reine maagd voor Hem bewaard. Hij heeft beloofd: „Ik zal u Mij ondertrouwen in geloof, en gij zult de Heere kennen.” Die belofte breekt Hij niet.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Thus saith the LORD; I remember thee, the kindness of thy youth, the love of thine espousals, when thou wentest after me in the wilderness, in a land that was not sown.
Jeremiah 2:2
Salvation is a gift, the choicest and richest gift which the hands of a Triune God, Whose Name is Love, can bestow. It is a portion, an inheritance, an estate, a treasure, an eternal reality. The full possession, the entire enjoyment, the complete acquisition of this predestinated weight of glory, is indeed reserved until a future state; but the pledges, the firstfruits, the early ripe clusters, the first dew-drops of this eternal inheritance, are given to the elect while upon earth.
The everlasting enjoyment of the presence and glory of Christ is often compared in Scripture to a wedding. Thus we read (Rev. 19:7) of “the Lamb’s wife,” and of “the marriage of the Lamb.” So the Church is said to be “brought unto the King in clothing of needlework,” as the bride, in Eastern countries, was brought by the father to the bridegroom. But we read of “espousals” also, which always preceded the celebration of the marriage. “I remember you, the kindness of your youth, the love of your espousals.” “I have espoused you to one husband, that I may present you as a chaste virgin to Christ.”
So Joseph was “espoused to the virgin Mary, before they came together,” that is, before they became man and wife. Now this espousal was a necessary prelude to marriage, though it was not the same thing. And, therefore, a betrothed virgin was punished as an adulteress by the Levitical law, if she was unfaithful to her espoused husband. To be betrothed had the nature of marriage in it, though it was not the same thing as marriage. The parties did not live together, and were not put in possession of each other.
Thus, it is in this life that the spiritual betrothment takes place, and the spiritual marriage in the life to come. “I will betroth you unto Me in righteousness and in judgment, and in loving-kindness and in mercies; I will even betroth you unto Me in faithfulness, and you shall know the Lord” (Hosea 2:19, 20).
To the reader…
Child of God, do you still remember the time of your first love, when you went after the Lord in the wilderness, in a land that was not sown? Perhaps it is quieter in your soul now, and you fear that it is all over. But hear how the Lord speaks: “I remember thee, the kindness of thy youth, the love of thine espousals.” He does not forget those days, even though you sometimes forget them.
What you receive here is not yet the wedding itself, but the espousal: the pledge, the firstfruits, the first dew-drops of the inheritance. The full enjoyment is reserved for the marriage of the Lamb. If this is now a time of waiting, keep yourself for Him as a chaste virgin. He has promised, “I will even betroth thee unto Me in faithfulness: and thou shalt know the LORD.” That promise He does not break.
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
Así dice Jehová: Heme acordado de ti, de la misericordia de tu mocedad, del amor de tu desposorio, cuando andabas en pos de Mí en el desierto, en tierra no sembrada.
Jeremías 2:2
La salvación es un don, el don más escogido y más rico que pueden conceder las manos de un Dios trino cuyo Nombre es Amor. Es una porción, una herencia, una heredad, un tesoro, una realidad eterna. La plena posesión, el entero disfrute, la completa adquisición de este peso de gloria predestinado está ciertamente reservado para un estado futuro; pero las prendas, las primicias, los primeros racimos maduros, las primeras gotas de rocío de esta herencia eterna son dadas a los escogidos mientras están en la tierra.
El disfrute eterno de la presencia y la gloria de Cristo se compara a menudo en la Escritura con una boda. Así leemos (Ap. 19:7) de “la esposa del Cordero” y de “las bodas del Cordero”. Así se dice de la Iglesia que “con vestidos bordados será llevada al Rey”, como en los países de Oriente la novia era llevada por el padre al novio. Pero leemos también de “desposorios”, que siempre precedían a la celebración de la boda. “Heme acordado de ti, de la misericordia de tu mocedad, del amor de tu desposorio.” “Os he desposado a un marido, para presentaros como una virgen pura a Cristo.”
Así José estaba “desposado con la virgen María, antes que se juntasen”, es decir, antes de que llegaran a ser marido y mujer. Ahora bien, este desposorio era un preludio necesario del matrimonio, aunque no era lo mismo. Por eso, según la ley levítica, una virgen desposada era castigada como adúltera si era infiel a su esposo prometido. Estar desposado tenía en sí la naturaleza del matrimonio, aunque no era lo mismo que el matrimonio. Las partes no vivían juntas, ni eran puestas en posesión la una de la otra.
Así, es en esta vida donde tienen lugar los desposorios espirituales, y las bodas espirituales en la vida venidera. “Te desposaré conmigo en justicia, y juicio, y misericordia, y miseraciones. Y te desposaré conmigo en fe, y conocerás a Jehová” (Oseas 2:19, 20).
Al lector…
Hijo de Dios, ¿recuerda todavía el tiempo de su primer amor, cuando andaba en pos del Señor en el desierto, en tierra no sembrada? Quizá ahora haya más quietud en su alma, y teme que todo haya terminado. Pero oiga cómo habla el Señor: “Heme acordado de ti, de la misericordia de tu mocedad, del amor de tu desposorio.” Él no olvida aquellos días, aunque usted a veces los olvide.
Lo que recibe aquí no es todavía la boda misma, sino el desposorio: la prenda, las primicias, las primeras gotas de rocío de la herencia. El pleno disfrute está reservado para las bodas del Cordero. Si ahora es tiempo de espera, guárdese para Él como una virgen pura. Él ha prometido: “Te desposaré conmigo en fe, y conocerás a Jehová.” Esa promesa no la quebranta.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl