vandaag verschenen
Het gesprek van een gelovige met zijn ziel
Een uitleg van Psalm 42:12 als gesprek tussen David en zijn ziel: waarom de ziel terneergeslagen en onrustig is, waarom ze op God moet hopen en hoe die hoop uitloopt…
7 dagen geleden verschenen
Het woord van Gods genade
Een uitleg van Handelingen 20:32: Paulus beveelt de oudsten van Efeze aan God en aan het woord van Zijn genade. Alleen dat woord, door de Geest toegepast, bouwt de ziel…
12 dagen geleden verschenen
Schatten in de duisternis
Uitleg van Jesaja 45:2,3 voor Gods kinderen: de Heere gaat voor hen uit, maakt kromme wegen recht, verbreekt koperen deuren en ijzeren grendels, geeft verborgen schatten en leert hen zo…
2 weken geleden verschenen
Verkrijgen en verliezen
Naar Prediker 3:6: een levende ziel verkrijgt geestelijke dingen, van kennis van God en van zichzelf tot geloof en vergeving, maar verliest ook haar eigen gerechtigheid en kracht. De preek…
Het schudden van wat gemaakt is en de vastheid van wat gegeven is
Over Hebreeën 12:27,28: wat gemaakt is, wordt geschud en weggenomen, wat God geeft blijft. Het Koninkrijk dat niet bewogen kan worden wordt door geloof ontvangen, door genade vastgehouden en draagt…
Korenaren Uit De Volle Oogst
Ik zag de Satan, als een bliksem, uit de hemel vallen.
Lukas 10:18
Het verdient onze meeste aandacht en biddende overweging, door het oog des geloofs de wijsheid en macht te zien welke uitblinkend is in de wijze waarop de alwijze God Zijn lieve Zoon op aarde zond, om de werken des duivels te verbreken (1 Joh. 3:8). De Satan had, om zo te zeggen, een verwarde strik gespannen, toen hij de koorden der zonde om het hart des mensen sloeg. Die verwarde en sterk toegetrokken strik kon niet doorgehakt worden dan door een zwaard van almachtige kracht; maar hij moest door oneindige wijsheid en geduld in zijn gehele lengte ontward worden.
Het werk door de Satan gedaan, moest ongedaan gemaakt worden. Ongehoorzaamheid moest ongedaan gemaakt worden door gehoorzaamheid: de vrijwillige gehoorzaamheid van de Zone Gods, en daarom van oneindige waarde. De zonde moest door een offerande geboet worden: de offerande van de natuur die gezondigd had, verenigd met de Persoon van Gods Zoon, verkreeg daardoor een onuitsprekelijke kracht. De dood moest tenietgedaan worden door de eeuwiglevende Zone Gods aan de dood over te geven. De Wet moest vervuld worden door de gehoorzaamheid van Hem, Die door Zijn Goddelijke macht boven de Wet staat.
De Wetgever moest worden de Vervuller der Wet. Hij, Die de eeuwig Gezegende was, moest een vloek gemaakt worden; en de Heilige Israëls, Die geen zonde kende, moest „zonde gemaakt worden, opdat wij zouden worden rechtvaardigheid Gods in Hem”. Zo ging onze gezegende Heere door die distelen en doornen, „die tegen Hem in oorlog gesteld waren”. Hij ging door tot het eind toe in alles wat Hij ondernam; en door door te gaan, verbrak Hij het werk van de duivel.
Maar, trouwe God, Gij zijt
het schild, dat mij bevrijdt,
mijn eer, mijn vast betrouwen!
Op U vest ik het oog:
Gij heft mijn hoofd omhoog,
en doet m’ uw gunst aanschouwen!
’k Riep God niet vrucht’loos aan;
Hij wil mij niet versmaan
in al mijn tegenheden.
Ps. 3:2
Aan de lezer…
Voelt u, waarde lezer, de koorden der zonde om uw hart? Hebt u beproefd ze los te rukken en gemerkt dat de strik alleen maar vaster werd toegetrokken? Het is een verwarde strik die de Satan gespannen heeft, en geen mens kan hem ontwarren. Maar zie op de wijsheid en macht van God, Die Zijn lieve Zoon op aarde zond om de werken des duivels te verbreken.
Hij, Die geen zonde kende, is zonde gemaakt; Hij, de eeuwig Gezegende, werd een vloek; Hij ging door de distelen en doornen tot het eind toe, en verbrak zo het werk van de duivel. Wat u niet kunt ontwarren, heeft Hij in zijn gehele lengte ontward. Zie dan niet langer op de koorden, maar op Hem, opdat u in Hem zou worden rechtvaardigheid Gods.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Ik zag de Satan, als een bliksem, uit de hemel vallen.
Lukas 10:18
Het verdient onze grootste aandacht en biddende overweging om met het oog van het geloof de wijsheid en macht te zien die uitblinken in de manier waarop de alwijze God Zijn lieve Zoon op aarde zond, om de werken van de duivel te verbreken (1 Joh. 3:8). Satan had als het ware een verwarde strik gespannen toen hij de koorden van de zonde om het hart van de mens sloeg. Die verwarde en vast aangetrokken strik kon niet worden doorgehakt dan door een zwaard van almachtige kracht; maar hij moest door oneindige wijsheid en geduld over zijn hele lengte ontward worden.
Het werk dat satan had gedaan, moest ongedaan gemaakt worden. Ongehoorzaamheid moest ongedaan gemaakt worden door gehoorzaamheid: de vrijwillige gehoorzaamheid van de Zoon van God, en daarom van oneindige waarde. De zonde moest door een offer geboet worden: het offer van de natuur die gezondigd had, die, verenigd met de Persoon van Gods Zoon, daardoor een onuitsprekelijke kracht kreeg. De dood moest tenietgedaan worden door de eeuwig levende Zoon van God aan de dood over te geven. De Wet moest vervuld worden door de gehoorzaamheid van Hem Die door Zijn Goddelijke macht boven de Wet staat.
De Wetgever moest de Vervuller van de Wet worden. Hij Die de eeuwig Gezegende was, moest een vloek gemaakt worden; en de Heilige Israëls, Die geen zonde kende, moest „zonde gemaakt worden, opdat wij zouden worden rechtvaardigheid Gods in Hem”. Zo ging onze gezegende Heere door die distels en doornen, „die tegen Hem in oorlog gesteld waren”. Hij ging door tot het einde in alles wat Hij ondernam; en door zo door te gaan, verbrak Hij het werk van de duivel.
Maar, trouwe God, Gij zijt
het schild, dat mij bevrijdt,
mijn eer, mijn vast betrouwen!
Op U vest ik het oog:
Gij heft mijn hoofd omhoog,
en doet m’ uw gunst aanschouwen!
’k Riep God niet vrucht’loos aan;
Hij wil mij niet versmaan
in al mijn tegenheden.
Ps. 3:2
Aan de lezer…
Voelt u de koorden van de zonde om uw hart? Hebt u geprobeerd ze los te rukken en gemerkt dat de strik alleen maar vaster werd aangetrokken? Het is een verwarde strik die satan gespannen heeft, en geen mens kan hem ontwarren. Maar zie op de wijsheid en macht van God, Die Zijn lieve Zoon op aarde zond om de werken van de duivel te verbreken.
Hij Die geen zonde kende, is zonde gemaakt; Hij, de eeuwig Gezegende, werd een vloek; Hij ging door de distels en doornen tot het einde, en verbrak zo het werk van de duivel. Wat u niet kunt ontwarren, heeft Hij over zijn hele lengte ontward. Zie dan niet langer op de koorden, maar op Hem, opdat u in Hem zou worden rechtvaardigheid Gods.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
And He said unto them, I beheld Satan as lightning fall from heaven.
Luke 10:18
It deserves our utmost attention and prayerful consideration to see, by the eye of faith, the display of wisdom and power shining forth in the way in which the all-wise God sent His dear Son “to destroy” or, as the word is in the original, to unloose “the works of the devil” (1 John 3:8). Satan had, so to speak, spun a raveled knot when he cast the cords of sin round man’s heart. This tangled and tight-drawn knot could not be cut through as by a sword of omnipotent power; but had by infinite wisdom and patience to be unraveled through its whole length.
The work which Satan had done was to be undone. Disobedience had to be repaired by obedience—the voluntary obedience of the Son of God, and therefore of infinite value. Sin had to be atoned for by sacrifice—the sacrifice of the nature which had sinned, in union with the Person of the Son of God, and therefore deriving from it unspeakable efficacy. Death had to be destroyed by the ever-living Son of God submitting to die. The law must be magnified by being obeyed by Him Who by His divine Person is above law. The Law-giver must be the Law-fulfiller. He Who is the ever-blessed One must be made a curse; and the holy One of Israel, Who knew no sin, must be “made sin, that we might be made the righteousness of God in Him.”
“Who would set the briers and thorns against me in battle?” asked the Lord. “I would go through them,” is His answer (Isa. 27:4). So our blessed Lord went through these thorns and briers set against Him in battle. He thoroughly went through all that He undertook; and by going through unraveled the work of Satan.
To the reader…
Do you feel the cords of sin around your heart? Have you tried to tear them loose and found that the knot was only drawn tighter? It is a tangled knot that Satan has spun, and no man can unravel it. But look to the wisdom and power of God, Who sent His dear Son to earth to destroy the works of the devil.
He Who knew no sin was made sin; He, the ever-blessed One, became a curse; He went through the briers and thorns to the end, and so undid the work of the devil. What you cannot unravel, He has unravelled through its whole length. Look no longer, then, at the cords, but at Him, that you might be made the righteousness of God in Him.
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
Y les dijo: Yo veía a Satanás, como un rayo, que caía del cielo.
Lucas 10:18
Merece nuestra máxima atención y nuestra consideración en oración ver, con el ojo de la fe, la sabiduría y el poder que resplandecen en la manera en que el Dios sapientísimo envió a Su amado Hijo “para deshacer” o, como dice la palabra en el original, para desatar “las obras del diablo” (1 Juan 3:8). Satanás había hilado, por así decirlo, un nudo enmarañado cuando echó las cuerdas del pecado alrededor del corazón del hombre. Este nudo enredado y apretado no podía ser cortado como por una espada de poder omnipotente; sino que tenía que ser desenredado en toda su longitud por una sabiduría y una paciencia infinitas.
La obra que Satanás había hecho tenía que ser deshecha. La desobediencia tenía que ser reparada por la obediencia: la obediencia voluntaria del Hijo de Dios, y por tanto de valor infinito. El pecado tenía que ser expiado por un sacrificio: el sacrificio de la naturaleza que había pecado, en unión con la Persona del Hijo de Dios, y que por tanto recibía de ella una eficacia indecible. La muerte tenía que ser destruida por el Hijo de Dios, que vive para siempre, sometiéndose a morir. La ley debía ser engrandecida al ser obedecida por Aquel que, por Su Persona divina, está por encima de la ley. El Legislador debía ser el Cumplidor de la ley. Aquel que es el siempre Bendito debía ser hecho maldición; y el Santo de Israel, que no conoció pecado, debía ser “hecho pecado, para que nosotros fuésemos hechos justicia de Dios en Él”.
“¿Quién pondrá contra Mí en batalla espinas y cardos?”, preguntó el Señor. “Yo pasaría a través de ellos”, es Su respuesta (Isaías 27:4). Así nuestro bendito Señor pasó a través de estas espinas y cardos puestos contra Él en batalla. Pasó por completo a través de todo lo que emprendió; y al pasar a través de ello desenredó la obra de Satanás.
Al lector…
¿Siente usted las cuerdas del pecado alrededor de su corazón? ¿Ha intentado arrancarlas y ha hallado que el nudo solo se apretaba más? Es un nudo enmarañado el que Satanás ha hilado, y ningún hombre puede desenredarlo. Pero mire la sabiduría y el poder de Dios, que envió a Su amado Hijo a la tierra para deshacer las obras del diablo.
Aquel que no conoció pecado fue hecho pecado; Él, el siempre Bendito, fue hecho maldición; pasó a través de las espinas y los cardos hasta el fin, y así deshizo la obra del diablo. Lo que usted no puede desenredar, Él lo ha desenredado en toda su longitud. No mire más, pues, las cuerdas, sino a Él, para que sea hecho justicia de Dios en Él.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl
365 Dagen Met Philpot
Een beschutting over al wat heerlijk is
En de Heere zal over alle woning van de berg Sion, en over haar vergaderingen, scheppen een wolk des daags, en een rook, en de glans eens vlammenden vuurs des nachts; want over al wat heerlijk is, zal een beschutting wezen. En daar zal een hut zijn tot een schaduw des daags tegen de hitte, en tot een toevlucht, en tot een verberging tegen de vloed en tegen de regen.
Jesaja 4:5-6
De Heere geeft degenen die naar de berg Sion zijn gekomen een woning. Hij plaatst hen onder het evangelie, Hij geeft hun een hart om het in liefde te ontvangen, Hij brengt kracht op hun ziel over, waardoor zij op Christus zien en een woning op de berg Sion verwerven. Hij geeft haar „een wolk des daags, en een rook, en de glans eens vlammenden vuurs des nachts”. Hij begunstigt haar soms met Zijn merkbare aanwezigheid, en zelfs in het donker glanst een vlammend vuur, waarbij de ogen van de ziel naar de Heere worden geleid, zelfs van de einden der aarde.
Ze vinden ook een beschutting in al deze heerlijkheid, en dat niet alleen, maar ook een veilige schuilplaats in Hem. Ze ontdekken dat de Heere des levens en der heerlijkheid een schaduw tegen de hitte is, zodat ze, als de verzoeking opkomt, naar Hem toe kunnen vluchten als het nodig is. Als storm en regen hun om het hoofd slaan, vluchten ze naar Hem toe, als schuilplaats en beschutting. Dit alles vervult de Heere bij elke verloste en herboren ziel.
Wie van de lezers kan nu zeggen dat hij inderdaad naar de berg Sion is gebracht en de heerlijkheid en de kracht van het evangelie heeft gevoeld? Wie kan hier zeggen: „Hier zal ik wonen, want ik heb ze begeerd. Dit is mijn woning, waar ik wil leven en sterven?” (Ps. 132:14). Wie heeft hier de aanwezigheid van de Heere gevonden en de dauw van Zijn gunst die op zijn geest rust? Wie heeft gezien dat Gods heerlijkheid een schuilplaats is, zodat hij, toen verzoekingen, beproevingen, bezoekingen en smarten hem overvielen, niet naar Assyrië heeft gekeken, niet naar Egypte is gegaan om hulp, maar uitsluitend geheel op de Heere heeft gesteund, in Wie de Vader wilde dat alle volheid zou wonen? Wie heeft hier iets van de hagelstorm meegemaakt die hem uit leugentoevluchtsoorden heeft gejaagd, om naar Jezus toe te vluchten met zuchten, uitroepen, verlangens, gesteun en gekreun, opdat Hij een toevluchtsoord en een beschutting voor zijn ziel zou zijn?
God geeft zegeningen niet afzonderlijk. Hij heeft Zijn volk gezegend met „alle geestelijke zegening in de hemel in Christus” (Ef. 1:3). Als Hij een ziel ertoe heeft gebracht Zijn aangezicht te zoeken, zich tot de berg Sion te richten en naar Jezus op te zien van de einden der aarde, zal Hij elk verlangen van die ziel vervullen, en haar zichtbaar en gelukkig laten deelnemen in Zijn genade hier en Zijn heerlijkheid hierna.
Lezen: Jesaja 4
Aan de lezer…
Weet u waarheen u vlucht als de hitte van de verzoeking opkomt, als storm en regen u om het hoofd slaan? Zoekt u hulp in Assyrië, gaat u naar Egypte, of hebt u geleerd uitsluitend op de Heere te steunen? Misschien moet u bekennen dat u nog zo vaak uw toevlucht neemt tot leugentoevluchtsoorden. Wees dan niet verwonderd als de hagelstorm u daaruit verjaagt; het is om u naar Jezus te drijven.
En komt u tot Hem met niet meer dan zuchten, gesteun en gekreun, Hij is een hut tot een schaduw tegen de hitte en een verberging tegen de vloed. Over al wat heerlijk is, zal een beschutting wezen. Heeft Hij u ertoe gebracht Zijn aangezicht te zoeken en naar Hem op te zien, al is het van de einden der aarde, dan zal Hij elk verlangen van uw ziel vervullen. Hij geeft Zijn zegeningen niet afzonderlijk, maar alle geestelijke zegening in Christus.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
En de Heere zal over alle woning van de berg Sion, en over haar vergaderingen, scheppen een wolk des daags, en een rook, en de glans eens vlammenden vuurs des nachts; want over al wat heerlijk is, zal een beschutting wezen. En daar zal een hut zijn tot een schaduw des daags tegen de hitte, en tot een toevlucht, en tot een verberging tegen de vloed en tegen de regen.
Jesaja 4:5-6
De Heere geeft hun die naar de berg Sion gekomen zijn een woning. Hij brengt hen onder het evangelie, Hij geeft hun een hart om het in liefde te ontvangen, en Hij legt kracht in hun ziel, zodat zij op Christus zien en een woning op de berg Sion krijgen. Hij geeft haar „een wolk des daags, en een rook, en de glans eens vlammenden vuurs des nachts”. Soms begunstigt Hij haar met Zijn merkbare tegenwoordigheid, en zelfs in het donker schijnt een vlammend vuur, waarbij de ogen van de ziel naar de Heere geleid worden, zelfs van de einden der aarde.
Zij vinden ook een beschutting in al deze heerlijkheid, en niet alleen dat, maar ook een veilige schuilplaats in Hem. Zij ontdekken dat de Heere van het leven en van de heerlijkheid een schaduw is tegen de hitte, zodat zij, wanneer de verzoeking opkomt, naar Hem toe kunnen vluchten als het nodig is. Wanneer storm en regen hun om het hoofd slaan, vluchten zij naar Hem toe als hun schuilplaats en beschutting. Dit alles vervult de Heere aan elke verloste en wedergeboren ziel.
Wie van de lezers kan nu zeggen dat hij werkelijk naar de berg Sion gebracht is en de heerlijkheid en de kracht van het evangelie heeft gevoeld? Wie kan hier zeggen: „Hier zal ik wonen, want ik heb ze begeerd. Dit is mijn woning, waar ik wil leven en sterven?” (Ps. 132:14). Wie heeft hier de tegenwoordigheid van de Heere gevonden en de dauw van Zijn gunst die op zijn geest rust?
Wie heeft gezien dat Gods heerlijkheid een schuilplaats is, zodat hij, toen verzoekingen, beproevingen, bezoekingen en smarten hem overvielen, niet naar Assyrië heeft gekeken en niet naar Egypte om hulp is gegaan, maar alleen en geheel op de Heere heeft gesteund, in Wie het de Vader behaagd heeft alle volheid te laten wonen? Wie heeft hier iets meegemaakt van de hagelstorm die hem uit de toevluchten van de leugen heeft verjaagd, zodat hij naar Jezus vluchtte met zuchten, roepen, verlangen, steunen en kreunen, opdat Hij een toevlucht en een beschutting voor zijn ziel zou zijn?
God geeft Zijn zegeningen niet los van elkaar. Hij heeft Zijn volk gezegend met „alle geestelijke zegening in de hemel in Christus” (Ef. 1:3). Als Hij een ziel ertoe gebracht heeft Zijn aangezicht te zoeken, zich naar de berg Sion te keren en naar Jezus op te zien van de einden der aarde, zal Hij elk verlangen van die ziel vervullen. Hij zal haar merkbaar en gelukkig laten delen in Zijn genade hier en in Zijn heerlijkheid hierna.
Lezen: Jesaja 4
Aan de lezer…
Weet u waar u heen vlucht als de hitte van de verzoeking opkomt, als storm en regen u om het hoofd slaan? Zoekt u hulp in Assyrië, gaat u naar Egypte, of hebt u geleerd alleen op de Heere te steunen? Misschien moet u bekennen dat u nog zo vaak uw toevlucht neemt tot de toevluchten van de leugen. Wees dan niet verwonderd als de hagelstorm u daaruit verjaagt; dat gebeurt om u naar Jezus te drijven.
En komt u tot Hem met niet meer dan zuchten, steunen en kreunen, Hij is een hut tot een schaduw tegen de hitte en een verberging tegen de vloed. Over al wat heerlijk is, zal een beschutting wezen. Heeft Hij u ertoe gebracht Zijn aangezicht te zoeken en naar Hem op te zien, al is het van de einden der aarde, dan zal Hij elk verlangen van uw ziel vervullen. Hij geeft Zijn zegeningen niet los van elkaar, maar alle geestelijke zegening in Christus.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
And the LORD will create upon every dwelling place of mount Zion, and upon her assemblies, a cloud and smoke by day, and the shining of a flaming fire by night: for upon all the glory shall be a defence. And there shall be a tabernacle for a shadow in the daytime from the heat, and for a place of refuge, and for a covert from storm and from rain.
Isaiah 4:5-6
The Lord gives those who have come to mount Zion a dwelling place. He brings them under the gospel, He gives them a heart to receive it in love, and He puts power into their soul, so that they look to Christ and obtain a dwelling place on mount Zion. He gives her “a cloud and smoke by day, and the shining of a flaming fire by night.” Sometimes He favours her with His sensible presence, and even in the dark a flaming fire shines, by which the eyes of the soul are led to the Lord, even from the ends of the earth.
They also find a defence upon all this glory, and not only that, but also a safe hiding place in Him. They find that the Lord of life and glory is a shadow from the heat, so that when temptation arises they can flee to Him when need be. When storm and rain beat about their heads, they flee to Him as their refuge and covert. All this the Lord fulfils to every redeemed and regenerate soul.
Now which of the readers can say that he has really been brought to mount Zion and has felt the glory and the power of the gospel? Who can say here, “Here will I dwell; for I have desired it. This is my dwelling place, where I would live and die” (Psalm 132:14)? Who has found here the presence of the Lord and the dew of His favour resting upon his spirit?
Who has seen that God’s glory is a refuge, so that when temptations, trials, afflictions and sorrows overtook him, he did not look to Assyria and did not go down to Egypt for help, but leaned solely and wholly on the Lord, in Whom it pleased the Father that all fulness should dwell? Who has known here something of the hailstorm that has driven him out of the refuges of lies, so that he fled to Jesus with sighs, cries, longings, groans and moans, that He might be a refuge and a covert for his soul?
God does not give His blessings separately. He has blessed His people “with all spiritual blessings in heavenly places in Christ” (Ephesians 1:3). If He has brought a soul to seek His face, to turn towards mount Zion and to look to Jesus from the ends of the earth, He will fulfil every desire of that soul. He will make it a sensible and happy partaker of His grace here and of His glory hereafter.
Reading: Isaiah 4
To the reader…
Do you know where you flee when the heat of temptation rises, when storm and rain beat about your head? Do you look for help in Assyria, do you go down to Egypt, or have you learned to lean on the Lord alone? Perhaps you must confess that you still so often flee to the refuges of lies. Then do not be surprised if the hailstorm drives you out of them; that happens to drive you to Jesus.
And if you come to Him with no more than sighs, groans and moans, He is a tabernacle for a shadow from the heat and a covert from storm. Upon all the glory shall be a defence. If He has brought you to seek His face and to look to Him, even from the ends of the earth, then He will fulfil every desire of your soul. He does not give His blessings separately, but all spiritual blessings in Christ.
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
Y criará Jehová sobre toda la morada del monte de Sión, y sobre los lugares de sus convocaciones, nube y oscuridad de día, y resplandor de fuego que eche llamas de noche; porque sobre toda gloria habrá cobertura. Y habrá sombrajo para sombra contra el calor del día, para refugio y escondedero contra el turbión y contra el aguacero.
Isaías 4:5-6
El Señor da a los que han llegado al monte de Sión una morada. Los pone bajo el evangelio, les da un corazón para recibirlo en amor, y pone poder en su alma, de modo que miran a Cristo y obtienen una morada en el monte de Sión. Le da a ella “nube y oscuridad de día, y resplandor de fuego que eche llamas de noche”. A veces la favorece con Su presencia sensible, y aun en la oscuridad brilla un fuego llameante, por el cual los ojos del alma son conducidos al Señor, aun desde los confines de la tierra.
Hallan también una cobertura sobre toda esta gloria, y no solo eso, sino también un escondedero seguro en Él. Hallan que el Señor de vida y gloria es una sombra contra el calor, de modo que, cuando surge la tentación, pueden huir a Él cuando es necesario. Cuando el turbión y el aguacero azotan sus cabezas, huyen a Él como su refugio y escondedero. Todo esto lo cumple el Señor en cada alma redimida y regenerada.
Ahora bien, ¿cuál de los lectores puede decir que realmente ha sido traído al monte de Sión y ha sentido la gloria y el poder del evangelio? ¿Quién puede decir aquí: “Aquí habitaré, porque la he querido. Esta es mi morada, donde quiero vivir y morir” (Salmo 132:14)? ¿Quién ha hallado aquí la presencia del Señor y el rocío de Su favor reposando sobre su espíritu?
¿Quién ha visto que la gloria de Dios es un refugio, de modo que, cuando le sobrevinieron tentaciones, pruebas, aflicciones y tristezas, no miró a Asiria ni descendió a Egipto en busca de ayuda, sino que se apoyó sola y enteramente en el Señor, en Quien agradó al Padre que habitase toda plenitud? ¿Quién ha conocido aquí algo del granizo que lo ha echado de los refugios de mentira, de modo que huyó a Jesús con suspiros, clamores, anhelos, gemidos y lamentos, para que Él fuese refugio y escondedero para su alma?
Dios no da Sus bendiciones por separado. Él ha bendecido a Su pueblo “con toda bendición espiritual en lugares celestiales en Cristo” (Efesios 1:3). Si ha traído a un alma a buscar Su rostro, a volverse hacia el monte de Sión y a mirar a Jesús desde los confines de la tierra, cumplirá todo deseo de esa alma. La hará participante sensible y feliz de Su gracia aquí y de Su gloria en lo venidero.
Lectura: Isaías 4
Al lector…
¿Sabe usted adónde huye cuando se levanta el calor de la tentación, cuando el turbión y el aguacero azotan su cabeza? ¿Busca ayuda en Asiria, desciende a Egipto, o ha aprendido a apoyarse solo en el Señor? Quizás deba confesar que todavía huye tan a menudo a los refugios de mentira. Entonces no se sorprenda si el granizo le echa de ellos; eso sucede para empujarle a Jesús.
Y si viene a Él con nada más que suspiros, gemidos y lamentos, Él es sombrajo para sombra contra el calor y escondedero contra el turbión. Sobre toda gloria habrá cobertura. Si Él le ha traído a buscar Su rostro y a mirarle, aun desde los confines de la tierra, entonces cumplirá todo deseo de su alma. Él no da Sus bendiciones por separado, sino toda bendición espiritual en Cristo.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl
Door Baca's Vallei
Maar wij zijn niet van degenen, die zich onttrekken ten verderve, maar die geloven tot behouding der ziel.
Hebreeën 10:39
De Schrift brengt enige kentekenen naar voren, niet slechts ter onderzoeking, maar ook ter vertroosting van Gods volk. Teneinde echter de vrees in hen levendig te houden van zich te bedriegen, en om een zichtbaar baken op te richten, opdat hun scheepje niet op de rotsen zou vastlopen, heeft de gezegende Geest zulke gedeelten in Zijn Woord geopenbaard als wij vinden in het zesde en het tiende kapittel van de Hebreeën. Zij schijnen door de Geest van God als een lichttoren geplaatst te zijn aan de ingang van de haven.
Is het ook niet zo in het natuurlijke? Er ligt dikwijls een ondiepte of zandbank nabij de ingang der haven, waarvoor de zeeman zich te hoeden heeft. Hoe wordt hij daartegen beschermd? Er is of wordt op of nabij de plaats een vuurbaken opgericht, dat hem voor de ondiepte waarschuwt. Nu, ik zie in het zesde en het tiende kapittel van de brief aan de Hebreeën twee vuurbakens, die staan nabij de ingang van de haven van eeuwige veiligheid. En hun taal is: „Hoedt u voor deze ondiepte! Let op die zandbank!” Er zijn gaven zonder genade; er is een belijden zonder bezit; er is een vorm zonder kracht; er is een naam dat men leeft, terwijl de ziel dood is.
De ondiepte in het natuurlijke ligt dikwijls zeer nabij de ingang van de haven; en als het schip zich klaarmaakt om de haven in te lopen, ligt de zandbank juist in zijn koers. Doch de haven nabijkomende, is daar een vriendelijk vuurbaken, dat de scheepslieden niet alleen voor de ondiepte waarschuwt, maar hun ook de veilige weg aanwijst om de haven binnen te lopen. En zo is het ook in geestelijk opzicht. Uit deze twee kapittels hebben velen van Gods kinderen gezien welke ondiepten er in de weg liggen, en zijn zij misschien, vóór zij gewaarschuwd werden, er zeer dicht bij gekomen, om de verongelukte schepen te zien.
Zij hebben de opgetooide schepen, die uit dezelfde haven met hen zijn uitgevaren, op de rotsen zien verongelukken. De vracht ging verloren en de dode lichamen dreven met de stukken en brokken van het schip op de golven. Maar dezen hadden geen acht gegeven op het vuurbaken, en zagen ook de bank niet; zij waren dronken of sliepen. Zij waren er zeker van veilig de haven in te lopen, en zo voeren zij voort, onbekommerd en zorgeloos, totdat het schip op de droogte stootte en alle manschappen aan boord omkwamen.
Deze ontzagwekkende waarschuwingen en ernstige vermaningen schijnen mij toe geschreven te zijn om, om zo te spreken, zo na mogelijk het leven van de oude mens te ontnemen, en zij schijnen op het papier gebracht te zijn in een taal van voorgenomen dubbelzinnigheid, opdat wij ons zouden mogen onderzoeken. Wat meer is, de schoonheid en kracht daarvan en het werkelijk goede dat erdoor teweeggebracht wordt, liggen in hun dubbelzinnigheid, zodat het volk van God daardoor te ernstiger zou gewaarschuwd worden en te sterker tot de Heere zou leren roepen om niet bedrogen uit te komen.
Vervolgens zijn het niet de arme twijfelende kinderen van God die door deze dingen op de proef gesteld worden; zij hebben reden ze te vrezen. Hun bestaan, aldus beproefd, toont dat hun consciëntie teder is in de vreze Gods, en dat zij de aarde zijn die de regen, op haar komende, indrinkt en bekwaam kruid voortbrengt voor Degene door Wie zij bezaaid is, en dat zij zegen van God ontvangen; en dat zij geen doornen en distelen voortbrengen, die verwerpelijk zijn en nabij de vervloeking, welker einde is tot verbranding.
En zo veroorzaken deze vrezen en vermoedens, waardoor het volk van God wordt geoefend, sterke roepingen tot de Heere, dat Hij hen onderwijzen, leren en leiden moge. Zij zijn ook zovele kenmerken dat zij geen genadelozen zijn, maar deelgenoten van de genade Gods, en het bewijst tevens dat Hij, Die een goed werk in hen begonnen heeft, dit zal voleinden tot op de dag van Jezus Christus. Hij zal hen ook brengen in de eeuwige genieting Gods, zodat zijzelf Hem zien zullen en niet een vreemde.
Aan de lezer…
Misschien schrikt u van de ernstige woorden in het zesde en het tiende kapittel van de Hebreeën. Leest u ze met beven, bevreesd dat u één bent van hen die zich onttrekken ten verderve; dat u gaven zonder genade, een vorm zonder kracht, een naam zonder leven bezit? Weet dan dat deze waarschuwingen als een vuurbaken bij de ingang van de haven staan, niet om u te doen schipbreuk lijden, maar om u voor de zandbank te behoeden.
Zij die zorgeloos voortvaren, zien het baken niet; zij slapen. Maar dat u vreest, dat u tot de Heere roept om niet bedrogen uit te komen, toont dat uw consciëntie teder is in de vreze Gods. Het zijn zovele kenmerken dat u geen genadeloze bent. Laat uw vrees u dan steeds weer tot Hem drijven, en vertrouw dat Hij, Die een goed werk in u begonnen heeft, het zal voleinden tot op de dag van Jezus Christus.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Maar wij zijn niet van degenen, die zich onttrekken ten verderve, maar die geloven tot behouding der ziel.
Hebreeën 10:39
De Schrift noemt enkele kentekenen, niet alleen om Gods volk zichzelf te laten onderzoeken, maar ook om hen te vertroosten. Maar om de vrees om zichzelf te bedriegen in hen levend te houden, en om een zichtbaar baken op te richten zodat hun scheepje niet op de rotsen zou lopen, heeft de gezegende Geest in Zijn Woord zulke gedeelten geopenbaard als wij vinden in het zesde en het tiende hoofdstuk van de Hebreeën. Die lijken door de Geest van God als een vuurtoren bij de ingang van de haven geplaatst te zijn.
Is het in het natuurlijke ook niet zo? Er ligt vaak een ondiepte of zandbank vlak bij de ingang van de haven, waarvoor de zeeman moet oppassen. Hoe wordt hij daartegen beschermd? Op of vlak bij die plaats staat een vuurbaken, dat hem voor de ondiepte waarschuwt. Nu zie ik in het zesde en het tiende hoofdstuk van de brief aan de Hebreeën twee vuurbakens, die vlak bij de ingang van de haven van eeuwige veiligheid staan. En hun taal is: „Hoedt u voor deze ondiepte! Let op die zandbank!” Er zijn gaven zonder genade; er is belijden zonder bezit; er is een vorm zonder kracht; er is een naam dat men leeft, terwijl de ziel dood is.
In het natuurlijke ligt de ondiepte vaak heel dicht bij de ingang van de haven, en als het schip zich klaarmaakt om de haven binnen te lopen, ligt de zandbank precies in zijn koers. Maar wanneer het de haven nadert, staat daar een vriendelijk vuurbaken dat de zeelieden niet alleen voor de ondiepte waarschuwt, maar hun ook de veilige weg wijst om de haven binnen te lopen. Zo is het ook in geestelijk opzicht. Uit deze twee hoofdstukken hebben velen van Gods kinderen gezien welke ondiepten er op de weg liggen. Misschien zijn zij er, voordat zij gewaarschuwd werden, heel dicht bij gekomen, zodat zij de vergane schepen zagen.
Zij hebben de opgetuigde schepen die met hen uit dezelfde haven waren uitgevaren, op de rotsen zien vergaan. De lading ging verloren en de dode lichamen dreven met de stukken en brokken van het schip op de golven. Maar die anderen hadden niet op het vuurbaken gelet en zagen ook de zandbank niet; zij waren dronken of sliepen. Zij waren er zeker van dat zij veilig de haven zouden binnenlopen, en zo voeren zij door, onbekommerd en zorgeloos, totdat het schip aan de grond liep en alle bemanningsleden aan boord omkwamen.
Deze ontzagwekkende waarschuwingen en ernstige vermaningen lijken mij geschreven te zijn om de oude mens als het ware zo dicht mogelijk het leven te benemen. Ze lijken met opzet in dubbelzinnige taal op papier gezet te zijn, zodat wij onszelf zouden onderzoeken. Sterker nog, hun schoonheid en kracht en het werkelijke goed dat zij uitwerken, liggen juist in die dubbelzinnigheid. Zo wordt het volk van God er des te ernstiger door gewaarschuwd en leert het des te sterker tot de Heere roepen om niet bedrogen uit te komen.
Verder zijn het niet de arme twijfelende kinderen van God die door deze dingen op de proef gesteld worden; zij hebben reden ze te vrezen. Dat zij zo beproefd worden, laat zien dat hun geweten teder is in de vreze Gods. Het toont dat zij de aarde zijn die de regen die op haar valt indrinkt en bekwaam kruid voortbrengt voor Hem door Wie zij bezaaid is, en dat zij zegen van God ontvangen; en dat zij geen doornen en distels voortbrengen, die verwerpelijk zijn en dicht bij de vervloeking, waarvan het einde is verbranding.
Zo leiden deze vrezen en vermoedens, waarmee het volk van God geoefend wordt, tot sterk roepen tot de Heere, dat Hij hen wil onderwijzen, leren en leiden. Ze zijn ook evenveel kenmerken dat zij geen genadelozen zijn, maar deelgenoten van de genade van God. Het bewijst tegelijk dat Hij, Die een goed werk in hen begonnen heeft, dat zal voleindigen tot op de dag van Jezus Christus. Hij zal hen ook brengen tot het eeuwig genieten van God, zodat zij Hem zelf zullen zien en niet een vreemde.
Aan de lezer…
Misschien schrikt u van de ernstige woorden in het zesde en het tiende hoofdstuk van de Hebreeën. Leest u ze met beven, bang dat u een van hen bent die zich onttrekken ten verderve; dat u gaven zonder genade, een vorm zonder kracht, een naam zonder leven bezit? Weet dan dat deze waarschuwingen als een vuurbaken bij de ingang van de haven staan, niet om u schipbreuk te laten lijden, maar om u voor de zandbank te behoeden.
Wie zorgeloos doorvaren, zien het baken niet; zij slapen. Maar dat u vreest, dat u tot de Heere roept om niet bedrogen uit te komen, laat zien dat uw geweten teder is in de vreze Gods. Het zijn evenveel kenmerken dat u geen genadeloze bent. Laat uw vrees u dan steeds weer naar Hem drijven, en vertrouw erop dat Hij, Die een goed werk in u begonnen heeft, het zal voleindigen tot op de dag van Jezus Christus.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
“But we are not of them who draw back unto perdition; but of them that believe to the saving of the soul.”
Hebrews 10:39
The Scriptures have brought certain marks not only to test, but also to comfort God’s people. But in order to keep them tremblingly alive to the fear of being deceived; in order to set up an effectual beacon lest their vessel should run upon the rocks, the blessed Spirit has revealed such passages as we find in the sixth and tenth chapters of the Hebrews. They seem set up by the Spirit of God as a lighthouse at the entrance of a harbor. Is it not so naturally? Some shoal or sand-bank often lies near the entrance of a port, which the mariner has to guard against. How is he guarded? A light-house is erected on or near the spot, which warns him of the shoal.
Now I look on the sixth and tenth chapters of the Epistle to the Hebrews as two light-houses standing near the entrance of the harbor of eternal safety. And their language is, “Beware of this shoal! Take care of that sand-bank! There are gifts without grace; there is profession without possession; there is form without power; there is a name to live while the soul is dead.”
The shoal naturally often lies at the very entrance of a harbor—and as the ship makes for the port, the sandbank lies in her very course; but when the harbor is neared, the friendly beacon not only warns her of the shoal, but also points out the safe passage into the haven. And so spiritually, from these two chapters many of God’s people have seen what shoals lie in the way, and have, perhaps, before they were warned off, come near enough to see the shipwrecked vessels. The gallant barks that sailed from the same port with themselves they have seen wrecked on the rocks, the freight lost, and the dead bodies and broken fragments floating on the waves.
But these never looked for the lighthouse, nor saw the bank; they were intoxicated, or fast asleep; they were sure of going to heaven; and on they went, reckless and thoughtless, until the vessel struck on the shoal, and every hand on board perished. These dreadful warnings and solemn admonitions seem to me so written that they may scrape, so to speak, as nearly as possible the quick of a man’s flesh. And they appear couched in language of purposed ambiguity that they may be trying passages; no, the very beauty and efficacy of them, and the real good to be wrought by them, is in their ambiguity, so that the people of God may take a more solemn warning by them, and may cry unto the Lord more earnestly that they may not be deceived.
Then it is not the poor, desponding children of God who are tried by these passages, that have reason to fear them; their being thus tried shows that their conscience is tender in God’s fear, and that they are “the earth which drinks in the rain that comes often upon it, and bringing forth herbs fit for them by whom it is dressed, receives blessing from God;” and that they are not that “which bears thorns and briers, which is rejected, and is near unto cursing, whose end is to be burned.” And thus, these very fears and suspicions, by which many of God’s people are exercised, causing strong cries unto the Lord, that He would teach, guide, and lead them, are so many blessed marks that they are not graceless persons, but partakers of the grace of God, and at the same time prove, “that He who has begun a good work in them” will carry it on, and “will perform it until the day of Jesus Christ,” and bring them into the eternal enjoyment of God, that they may see Him for themselves, and not another.
To the reader…
Perhaps you are alarmed by the solemn words in the sixth and tenth chapters of Hebrews. Do you read them with trembling, afraid that you are one of those who draw back unto perdition; that you have gifts without grace, a form without power, a name without life? Then know that these warnings stand like a lighthouse at the entrance of the harbor, not to make you suffer shipwreck, but to keep you from the sandbank.
Those who sail on carelessly do not see the beacon; they are asleep. But that you fear, that you cry to the Lord not to be deceived, shows that your conscience is tender in the fear of God. These are so many marks that you are not without grace. Let your fear drive you to Him again and again, then, and trust that He Who has begun a good work in you will perform it until the day of Jesus Christ.
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
“Pero nosotros no somos tales que nos retiremos para perdición, sino fieles para ganancia del alma.”
Hebreos 10:39
Las Escrituras han traído ciertas señales no solo para probar, sino también para consolar al pueblo de Dios. Pero a fin de mantenerlos temblorosamente despiertos al temor de ser engañados; a fin de levantar una baliza eficaz para que su nave no encalle en las rocas, el bendito Espíritu ha revelado pasajes como los que hallamos en los capítulos sexto y décimo de Hebreos. Parecen puestos por el Espíritu de Dios como un faro a la entrada de un puerto. ¿No es así en lo natural? A menudo hay algún bajío o banco de arena cerca de la entrada de un puerto, del cual el marinero tiene que guardarse. ¿Cómo se le guarda? Se levanta un faro sobre el lugar o cerca de él, que le advierte del bajío.
Ahora bien, yo considero los capítulos sexto y décimo de la Epístola a los Hebreos como dos faros que están cerca de la entrada del puerto de la seguridad eterna. Y su lenguaje es: “¡Cuidado con este bajío! ¡Guárdese de aquel banco de arena! Hay dones sin gracia; hay profesión sin posesión; hay forma sin poder; hay nombre de que vive mientras el alma está muerta.”
En lo natural, el bajío se halla a menudo en la misma entrada del puerto, y cuando la nave se dirige al puerto, el banco de arena está justo en su rumbo; pero cuando se acerca al puerto, la baliza amiga no solo le advierte del bajío, sino que también le señala el paso seguro hacia el refugio. Y así, en lo espiritual, muchos del pueblo de Dios han visto por estos dos capítulos qué bajíos hay en el camino, y quizá, antes de ser advertidos, se han acercado lo bastante para ver las naves naufragadas. Han visto los gallardos barcos que zarparon del mismo puerto que ellos estrellados en las rocas, la carga perdida, y los cadáveres y los restos destrozados flotando sobre las olas.
Pero estos nunca buscaron el faro ni vieron el banco; estaban embriagados o profundamente dormidos; estaban seguros de ir al cielo; y siguieron adelante, temerarios e irreflexivos, hasta que la nave dio contra el bajío y pereció toda la tripulación. Estas terribles advertencias y solemnes amonestaciones me parecen escritas de tal manera que rocen, por decirlo así, lo más cerca posible la carne viva del hombre. Y parecen expresadas en un lenguaje de ambigüedad intencionada para que sean pasajes que prueben; sí, la belleza misma y la eficacia de ellos, y el verdadero bien que por ellos se ha de obrar, está en su ambigüedad, para que el pueblo de Dios reciba por ellos una advertencia más solemne y clame al Señor con más fervor para no ser engañado.
Así pues, no son los pobres y abatidos hijos de Dios que son probados por estos pasajes quienes tienen razón para temerlos; el ser probados así muestra que su conciencia es tierna en el temor de Dios, y que ellos son “la tierra que embebe el agua que muchas veces vino sobre ella, y produce hierba provechosa a aquellos de los cuales es labrada”, y “recibe bendición de Dios”; y que no son la que “produce espinas y abrojos, es reprobada, y cercana de maldición; cuyo fin será el ser abrasada”. Y así, estos mismos temores y sospechas con que muchos del pueblo de Dios son ejercitados, y que les hacen clamar fuertemente al Señor para que Él los enseñe, los guíe y los conduzca, son otras tantas señales benditas de que no son personas sin gracia, sino participantes de la gracia de Dios, y al mismo tiempo prueban que “el que comenzó en ellos la buena obra” la llevará adelante, y “la perfeccionará hasta el día de Jesucristo”, y los llevará al gozo eterno de Dios, para que le vean por sí mismos, y no otro.
Al lector…
Quizá le alarmen las palabras solemnes de los capítulos sexto y décimo de Hebreos. ¿Las lee usted temblando, temiendo ser de los que se retiran para perdición; tener dones sin gracia, forma sin poder, nombre sin vida? Sepa entonces que estas advertencias están como un faro a la entrada del puerto, no para hacerle naufragar, sino para guardarle del banco de arena.
Los que navegan descuidadamente no ven la baliza; están dormidos. Pero que usted tema, que clame al Señor para no ser engañado, muestra que su conciencia es tierna en el temor de Dios. Son otras tantas señales de que usted no está sin gracia. Deje, pues, que su temor le lleve a Él una y otra vez, y confíe en que Aquel que comenzó en usted la buena obra la perfeccionará hasta el día de Jesucristo.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl