6 dagen geleden verschenen
Het woord van Gods genade
Een uitleg van Handelingen 20:32: Paulus beveelt de oudsten van Efeze aan God en aan het woord van Zijn genade. Alleen dat woord, door de Geest toegepast, bouwt de ziel…
11 dagen geleden verschenen
Schatten in de duisternis
Uitleg van Jesaja 45:2,3 voor Gods kinderen: de Heere gaat voor hen uit, maakt kromme wegen recht, verbreekt koperen deuren en ijzeren grendels, geeft verborgen schatten en leert hen zo…
2 weken geleden verschenen
Verkrijgen en verliezen
Naar Prediker 3:6: een levende ziel verkrijgt geestelijke dingen, van kennis van God en van zichzelf tot geloof en vergeving, maar verliest ook haar eigen gerechtigheid en kracht. De preek…
Het schudden van wat gemaakt is en de vastheid van wat gegeven is
Over Hebreeën 12:27,28: wat gemaakt is, wordt geschud en weggenomen, wat God geeft blijft. Het Koninkrijk dat niet bewogen kan worden wordt door geloof ontvangen, door genade vastgehouden en draagt…
Het is wenselijk de Authorised Version te behouden
Philpot pleit in 1857 tegen een herziene Bijbelvertaling. Hij vreest verminking door dwalende geleerden, onzekerheid en verwarring bij Gods kinderen, en verlies van een gezaghebbende maatstaf en van een nationaal…
Korenaren Uit De Volle Oogst
Wie zal mij verlossen uit het lichaam dezes doods?
Romeinen 7:24b
Zo de Heilige Geest deze angstkreet in onze ziel heeft gelegd: „O, ik ellendig mens!”, zal deze als een noodzakelijk gevolg volgen: „Wie zal mij verlossen uit het lichaam dezes doods?” Waarheen zal ik zien naar verlossing? Vanwaar kan zij komen? Zal ik zien op de Wet? O neen! Die vervloekt en veroordeelt mij, omdat ik haar gedurig overtreed. Kan ik naar vrienden uitzien? Zij kunnen mij beklagen en medelijden met mij hebben, maar zij kunnen het lichaam der zonde en des doods niet wegnemen; het ligt te vastgeklonken dan dat zij het kunnen wegnemen.
Zal ik gaan tot de dienaren der Waarheid? Ik kan met goedkeuring horen wat zij zeggen, maar er is iets meer nodig om dit kille lichaam der zonde en des doods weg te nemen. Zal ik op de Schriften zien? Zij bevatten het geneesmiddel, maar dat geneesmiddel moet zachtkens worden toegediend. „Wie zal mij dan verlossen?” Naar welke schuilplaats kan ik heenzien? Waar kan ik gaan? Waarheen zal ik mij wenden? Vanwaar kan hulp en verlossing komen?
Zie de verlegenheid! Zie de wanhoop van een beproefde ziel, nu hier, dan daarheen ziende, zich wendende ter rechter- en ter linkerhand! Toch kan slechts van één kant verlossing komen. En toen de apostel tot hiertoe gebracht was – toen hij zo laag was neergekomen en angstig naar alle kanten de ogen wendde, vanwaar verlossing komen kon –, zegende God zijn ziel met een gezicht van Zijn geliefde Zoon. God de Heilige Geest werkte in zijn hart dat levende geloof waardoor een mededeling van het bloed en de liefde des Lams aan zijn geweten plaatshad.
O Heer, ontdek mijn levenseind aan mij,
mijn dagen zijn bij U geteld.
Ai, leer mij hoe vergankelijk ik zij,
een handbreed is mijn tijd gesteld,
ja, die is niets, want schoon de mens zich vleit,
de sterkst’ is enkel ijdelheid.
Ps. 39:3
Aan de lezer…
Herkent u dit? U zoekt naar alle kanten om verlossing en vindt haar nergens. De Wet veroordeelt u, vrienden kunnen u alleen beklagen, en zelfs het horen van de waarheid neemt het lichaam der zonde niet van u af. Wat een verlegenheid, wat een angst, als de ziel zich ter rechter- en ter linkerhand wendt en uitroept: „Wie zal mij verlossen?” Schaam u niet voor die kreet; hij is door de Heilige Geest Zelf in uw ziel gelegd.
Want hier, waar alle andere wegen afgesneden zijn, is juist de plaats waar God de apostel zegende met een gezicht van Zijn geliefde Zoon. Er is maar één kant vanwaar verlossing komen kan: het bloed en de liefde des Lams. Blijf dan niet zoeken bij wat u niet kan helpen, maar zie op Hem. Die de nood in u gewerkt heeft, kan ook dat levende geloof werken waardoor Zijn bloed uw geweten bereikt.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Wie zal mij verlossen uit het lichaam dezes doods?
Romeinen 7:24b
Als de Heilige Geest deze angstkreet in onze ziel heeft gelegd: „O, ik ellendig mens!”, dan zal daar noodzakelijk deze kreet op volgen: „Wie zal mij verlossen uit het lichaam dezes doods?” Waar moet ik zoeken naar verlossing? Waar kan zij vandaan komen? Moet ik op de Wet zien? O nee! Die vervloekt en veroordeelt mij, omdat ik haar voortdurend overtreed. Kan ik naar vrienden uitzien? Zij kunnen mij beklagen en medelijden met mij hebben, maar zij kunnen het lichaam van de zonde en de dood niet wegnemen; het zit te vast geklonken om door hen weggenomen te worden.
Moet ik naar de dienaren van de Waarheid gaan? Ik kan met instemming horen wat zij zeggen, maar er is meer nodig om dit kille lichaam van de zonde en de dood weg te nemen. Moet ik op de Schriften zien? Zij bevatten het geneesmiddel, maar dat geneesmiddel moet teder worden toegediend. „Wie zal mij dan verlossen?” Naar welke schuilplaats kan ik uitzien? Waar kan ik heen? Waarheen moet ik mij wenden? Waar kan hulp en verlossing vandaan komen?
Zie de verlegenheid! Zie de wanhoop van een beproefde ziel, die nu hierheen en dan daarheen kijkt en zich naar rechts en naar links wendt! Toch kan er maar van één kant verlossing komen. En toen de apostel zover gebracht was, toen hij zo diep was neergezonken en angstig naar alle kanten zijn ogen liet gaan om te zien waar verlossing vandaan kon komen, zegende God zijn ziel met een gezicht van Zijn geliefde Zoon. God de Heilige Geest werkte in zijn hart dat levende geloof waardoor het bloed en de liefde van het Lam aan zijn geweten werden meegedeeld.
O Heer, ontdek mijn levenseind aan mij,
mijn dagen zijn bij U geteld.
Ai, leer mij hoe vergankelijk ik zij,
een handbreed is mijn tijd gesteld,
ja, die is niets, want schoon de mens zich vleit,
de sterkst’ is enkel ijdelheid.
Ps. 39:3
Aan de lezer…
Herkent u dit? U zoekt naar alle kanten naar verlossing en vindt haar nergens. De Wet veroordeelt u, vrienden kunnen u alleen beklagen, en zelfs het horen van de waarheid neemt het lichaam der zonde niet van u weg. Wat een verlegenheid, wat een angst, als de ziel zich naar rechts en naar links wendt en uitroept: „Wie zal mij verlossen?” Schaam u niet voor die kreet; hij is door de Heilige Geest Zelf in uw ziel gelegd.
Want juist hier, waar alle andere wegen afgesneden zijn, is de plaats waar God de apostel zegende met een gezicht van Zijn geliefde Zoon. Er is maar één kant waar verlossing vandaan kan komen: het bloed en de liefde van het Lam. Blijf dan niet zoeken bij wat u niet kan helpen, maar zie op Hem. Hij Die de nood in u gewerkt heeft, kan ook dat levende geloof werken waardoor Zijn bloed uw geweten bereikt.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Who shall deliver me from the body of this death?
Romans 7:24
If the Lord the Spirit has implanted that piteous cry in our soul, “O wretched man that I am!” this will follow as a necessary consequence—“Who shall deliver me from the body of this death?” Where shall I look for deliverance? From what quarter can it come? Shall I look to the law? O no! that curses and condemns me, because I am continually breaking it. Can I look to friends? They may pity and sympathize; but they cannot remove the body of sin and death; it is too fast-linked on for them to remove.
Shall I go to ministers of truth? I may hear what they say with approbation; but there is something more needed to remove this chilling embrace of the body of sin and death. Shall I look to the Scriptures? They contain the remedy; but I need that remedy to be sweetly applied.
“Who then shall deliver me?” What refuge can I look to? Where can I go, or where shall I turn? From what quarter can help or deliverance come? See the bewilderment! view the perplexity of an exercised soul!—looking here, and looking there; turning to the right hand and turning to the left. Yet from one quarter only can the deliverance come.
And thus, when the Apostle was brought here—when he was sunk down to a low spot, and anxiously turning his eyes to every quarter to see whence deliverance could come—God blessed his soul with a view of His precious Son. God the Spirit wrought in his heart that living faith whereby he saw Jesus, and whereby there was a communication of the blood and love of the Lamb to his conscience.
To the reader…
Do you recognise this? You look in every direction for deliverance and find it nowhere. The law condemns you, friends can only pity you, and even hearing the truth does not take the body of sin away from you. What perplexity, what anguish, when the soul turns to the right hand and to the left and cries out, “Who shall deliver me?” Do not be ashamed of that cry; it has been put into your soul by the Holy Spirit Himself.
For it is right here, where every other way has been cut off, that God blessed the apostle with a view of His beloved Son. There is only one quarter from which deliverance can come: the blood and love of the Lamb. So do not keep looking to what cannot help you, but look to Him. He Who has wrought the need in you can also work that living faith by which His blood reaches your conscience.
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
¿Quién me librará del cuerpo de esta muerte?
Romanos 7:24
Si el Señor el Espíritu ha implantado en nuestra alma ese lastimero clamor: “¡Miserable hombre de mí!”, esto seguirá como consecuencia necesaria: “¿Quién me librará del cuerpo de esta muerte?” ¿Dónde buscaré liberación? ¿De qué parte puede venir? ¿Miraré a la ley? ¡Oh, no! Ella me maldice y me condena, porque la quebranto continuamente. ¿Puedo mirar a los amigos? Pueden compadecerse y simpatizar; pero no pueden quitar el cuerpo del pecado y de la muerte; está encadenado con demasiada firmeza para que ellos lo quiten.
¿Iré a los ministros de la verdad? Puedo oír con aprobación lo que dicen; pero se necesita algo más para quitar este abrazo helado del cuerpo del pecado y de la muerte. ¿Miraré a las Escrituras? Ellas contienen el remedio; pero necesito que ese remedio me sea aplicado dulcemente.
“¿Quién, pues, me librará?” ¿A qué refugio puedo mirar? ¿Adónde puedo ir, o hacia dónde me volveré? ¿De qué parte puede venir ayuda o liberación? ¡Vea el desconcierto! ¡Contemple la perplejidad de un alma ejercitada!, que mira aquí y mira allá, que se vuelve a la derecha y se vuelve a la izquierda. Y sin embargo, la liberación solo puede venir de una parte.
Y así, cuando el apóstol fue llevado hasta aquí, cuando estaba hundido en un lugar bajo y volvía ansiosamente los ojos hacia todas partes para ver de dónde podía venir la liberación, Dios bendijo su alma con una visión de Su precioso Hijo. Dios el Espíritu obró en su corazón esa fe viva por la cual vio a Jesús, y por la cual hubo una comunicación de la sangre y del amor del Cordero a su conciencia.
Al lector…
¿Reconoce usted esto? Busca liberación en todas direcciones y no la halla en ninguna parte. La ley le condena, los amigos solo pueden compadecerle, y aun el oír la verdad no le quita el cuerpo del pecado. ¡Qué perplejidad, qué angustia, cuando el alma se vuelve a la derecha y a la izquierda y clama: “¿Quién me librará?”! No se avergüence de ese clamor; lo ha puesto en su alma el mismo Espíritu Santo.
Porque es precisamente aquí, donde todo otro camino ha quedado cortado, donde Dios bendijo al apóstol con una visión de Su amado Hijo. Solo hay una parte de donde puede venir la liberación: la sangre y el amor del Cordero. No siga, pues, mirando a lo que no puede ayudarle, sino mire a Él. Aquel que ha obrado en usted la necesidad puede obrar también esa fe viva por la cual Su sangre llega a su conciencia.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl
365 Dagen Met Philpot
Mijn hoop is op U
En nu, wat verwacht ik, o Heere? Mijn hoop, die is op U.
Psalm 39:8
De Heere kan de gave van de hoop verlenen. Wat een gezegende genade is hoop! De mensen verachten de hoop vandaag de dag. Ze zijn als een edelman die het zesstuiverstuk in je gezicht gooit; niets volstaat voor hem dat minder dan duizend pond waard is, of een groot landgoed. Velen die vroomheid belijden, zijn als deze edelman, die misschien wel al zijn landgoederen als onderpand voor leningen gegeven heeft en in feite geen cent waard is. Hij kan echter niet afdalen van de hoogten van zijn pracht en praal en toegeven dat hij bankroet is.
Zo vele van deze adellijke en hooghartige belijders verachten de goede hoop door middel van de genade (2 Thes. 2:16), en niets volstaat voor hen behalve zekerheid. Maar als we het hebben over de werking van de Geest op het geweten, blijkt dat ze het innerlijke getuigenis van de Heilige Geest dat ze kinderen van God zijn, nooit gewaargeworden zijn. Het volk van God prijst alles wat God met kracht en heerlijkheid aan de ziel overbrengt. Ik ben vaak verheugd geweest met het ontspringen van hoop uit het Evangelie, bij gebrek aan duidelijkere getuigenissen.
Hoe heerlijk spreekt de Heilige Schrift van „een goede hoop in genade” (2 Thes. 2:16). Zij noemt het „een anker der ziel, hetwelk zeker en vast is, en ingaat in het binnenste van het voorhangsel” (Hebr. 6:19). Wat een gezegende genade moet dat zijn, die aldus in de aanwezigheid van Christus binnengaat! Hoe heerlijk wordt er in het Woord van God tevens over de hoop gesproken als de tweelingzuster van geloof en liefde (1 Kor. 13:13). En er wordt verklaard dat de hoop „niet beschaamt”, omdat hij voortkomt uit „de liefde Gods, die in onze harten uitgestort is door de Heilige Geest, Die ons is gegeven” (Rom. 5:5).
Nu leren we wat „een goede hoop in genade” is door op en neer te worden geworpen op de golven van wanhoop, en soms bijna weg te zinken in hopeloosheid. De kenmerken zo vervaagd, het hart zo gesloten, het verstand zo verbijsterd, de zonde zo aanwezig, de Heere zo afwezig, een natuur zo vleselijk, zinnelijk, afgodisch en overspelig – geen wonder dat de ziel te midden van zoveel kwaden, gezien of gevreesd, soms in hopeloosheid wegzinkt. Maar in zulke tijden wordt de zegen van „een goede hoop in genade” gevonden; en als dit anker in het voorhangsel wordt geworpen en binnengaat, het bloed en de gerechtigheid van de grote Hogepriester aangrijpt, wat houdt het anker het schip dan stevig en zeker vast, zodat het niet geheel overspoeld raakt door de golven van wanhoop!
Lezen: Galaten 5:1-15
Aan de lezer…
Wat een woord: „Mijn hoop, die is op U.” Veracht de dag der kleine dingen niet. Hebt u nog geen volle zekerheid, maar wel een goede hoop door genade, die soms als een zwakke straal uit het Evangelie in uw hart opspringt? Werp die hoop niet weg als een stuiverstuk dat de moeite niet waard is. De Schrift noemt haar een anker der ziel, zeker en vast, dat ingaat tot in het binnenste van het voorhangsel. Zulk een hoop beschaamt niet, want zij komt voort uit de liefde Gods, uitgestort door de Heilige Geest.
En wordt u op en neer geworpen door de golven van wanhoop? Is het hart gesloten, het verstand verbijsterd, de zonde zo nabij en de Heere zo ver? Geen wonder dat de ziel dan soms bijna wegzinkt. Maar juist in zulke tijden leert u wat een goede hoop is. Het anker grijpt het bloed en de gerechtigheid van de grote Hogepriester aan, en het houdt, ook als het schip het zwaar te verduren heeft.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
En nu, wat verwacht ik, o Heere? Mijn hoop, die is op U.
Psalm 39:8
De Heere kan de gave van de hoop schenken. Wat een gezegende genade is de hoop! Tegenwoordig verachten de mensen de hoop. Ze zijn als een edelman die je het zesstuiverstuk in het gezicht gooit; niets is hem goed genoeg wat minder dan duizend pond waard is, of een groot landgoed. Velen die vroomheid belijden, zijn als deze edelman, die misschien al zijn landgoederen als onderpand voor leningen heeft gegeven en in werkelijkheid geen cent waard is. Toch kan hij niet afdalen van de hoogte van zijn pracht en praal en toegeven dat hij bankroet is.
Zo verachten veel van deze voorname en hooghartige belijders de goede hoop door de genade (2 Thes. 2:16), en niets is hun goed genoeg behalve zekerheid. Maar wanneer we spreken over het werk van de Geest in het geweten, blijkt dat zij het innerlijke getuigenis van de Heilige Geest dat zij kinderen van God zijn, nooit hebben ervaren. Het volk van God waardeert alles wat God met kracht en heerlijkheid aan de ziel meedeelt. Ik ben vaak verblijd geweest wanneer er hoop uit het Evangelie opsprong, bij gebrek aan duidelijker getuigenissen.
Hoe heerlijk spreekt de Heilige Schrift van „een goede hoop in genade” (2 Thes. 2:16). Zij noemt haar „een anker der ziel, hetwelk zeker en vast is, en ingaat in het binnenste van het voorhangsel” (Hebr. 6:19). Wat een gezegende genade moet dat zijn, die zo in de tegenwoordigheid van Christus binnengaat! Hoe heerlijk wordt er in het Woord van God ook over de hoop gesproken als de tweelingzuster van geloof en liefde (1 Kor. 13:13). En er wordt verklaard dat de hoop „niet beschaamt”, omdat zij voortkomt uit „de liefde Gods, die in onze harten uitgestort is door de Heilige Geest, Die ons is gegeven” (Rom. 5:5).
Wat „een goede hoop in genade” is, leren we doordat we op en neer worden geworpen op de golven van wanhoop en soms bijna wegzinken in hopeloosheid. De kenmerken zo vervaagd, het hart zo gesloten, het verstand zo verbijsterd, de zonde zo nabij, de Heere zo afwezig, een natuur zo vleselijk, zinnelijk, afgodisch en overspelig – geen wonder dat de ziel te midden van zoveel kwaad, gezien of gevreesd, soms in hopeloosheid wegzinkt. Maar juist in zulke tijden wordt de zegen van „een goede hoop in genade” gevonden. En wanneer dit anker in het voorhangsel wordt geworpen, binnengaat en het bloed en de gerechtigheid van de grote Hogepriester aangrijpt, hoe stevig en zeker houdt het anker het schip dan vast, zodat het niet geheel door de golven van wanhoop wordt overspoeld!
Lezen: Galaten 5:1-15
Aan de lezer…
Wat een woord: „Mijn hoop, die is op U.” Veracht de dag van de kleine dingen niet. Hebt u nog geen volle zekerheid, maar wel een goede hoop door genade, die soms als een zwakke straal uit het Evangelie in uw hart opspringt? Werp die hoop niet weg als een stuiverstuk dat de moeite niet waard is. De Schrift noemt haar een anker van de ziel, zeker en vast, dat ingaat tot in het binnenste van het voorhangsel. Zo’n hoop beschaamt niet, want zij komt voort uit de liefde van God, uitgestort door de Heilige Geest.
En wordt u op en neer geworpen door de golven van wanhoop? Is het hart gesloten, het verstand verbijsterd, de zonde zo nabij en de Heere zo ver? Geen wonder dat de ziel dan soms bijna wegzinkt. Maar juist in zulke tijden leert u wat een goede hoop is. Het anker grijpt het bloed en de gerechtigheid van de grote Hogepriester aan, en het houdt, ook als het schip het zwaar te verduren heeft.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
And now, Lord, what wait I for? my hope is in Thee.
Psalm 39:7
The Lord can bestow the gift of hope. What a blessed grace hope is! Nowadays men despise hope. They are like a nobleman who throws the sixpence back in your face; nothing is good enough for him that is worth less than a thousand pounds, or a great estate. Many who profess godliness are like this nobleman, who has perhaps mortgaged all his estates and in reality is not worth a penny. Yet he cannot come down from the height of his pomp and grandeur and own that he is bankrupt.
So many of these great and lofty professors despise a good hope through grace (2 Thess. 2:16), and nothing is good enough for them but assurance. But when we speak of the work of the Spirit in the conscience, it appears that they have never felt the inward witness of the Holy Ghost that they are children of God. The people of God value everything that God communicates to the soul with power and glory. I have often been glad when a hope sprang up out of the gospel, for want of clearer testimonies.
How blessedly the Holy Scripture speaks of “good hope through grace” (2 Thess. 2:16). It calls it “an anchor of the soul, both sure and stedfast, and which entereth into that within the veil” (Heb. 6:19). What a blessed grace that must be, which thus enters into the presence of Christ! How blessedly, too, hope is spoken of in the Word of God as the twin sister of faith and love (1 Cor. 13:13). And it is declared that hope “maketh not ashamed”, because it springs from “the love of God shed abroad in our hearts by the Holy Ghost which is given unto us” (Rom. 5:5).
What “good hope through grace” is, we learn by being tossed up and down on the waves of despair and sometimes almost sinking into hopelessness. The marks so blurred, the heart so shut up, the mind so bewildered, sin so near, the Lord so absent, a nature so carnal, sensual, idolatrous and adulterous: no wonder that the soul, amid so much evil, seen or feared, sometimes sinks into hopelessness. But it is just in such times that the blessing of “good hope through grace” is found.
And when this anchor is cast within the veil, enters in and lays hold of the blood and righteousness of the great High Priest, how firmly and surely the anchor then holds the ship, so that it is not wholly overwhelmed by the waves of despair!
Reading: Galatians 5:1-15
To the reader…
What a word: “My hope is in Thee.” Do not despise the day of small things. Have you no full assurance yet, but a good hope through grace, which sometimes springs up in your heart like a faint ray from the gospel? Do not throw that hope away like a sixpence not worth the trouble. Scripture calls it an anchor of the soul, sure and stedfast, which enters into that within the veil. Such a hope does not make ashamed, for it springs from the love of God, shed abroad by the Holy Ghost.
And are you tossed up and down by the waves of despair? Is the heart shut up, the mind bewildered, sin so near and the Lord so far? No wonder that the soul then sometimes almost sinks. But it is just in such times that you learn what a good hope is. The anchor lays hold of the blood and righteousness of the great High Priest, and it holds, even when the ship is hard pressed.
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
Y ahora, Señor, ¿qué esperaré? Mi esperanza en Ti está.
Salmo 39:7
El Señor puede otorgar el don de la esperanza. ¡Qué gracia tan bendita es la esperanza! Hoy en día los hombres desprecian la esperanza. Son como un noble que le arroja a uno los seis peniques a la cara; nada es bastante bueno para él si vale menos de mil libras o una gran hacienda. Muchos que profesan piedad son como este noble, que quizá ha hipotecado todas sus haciendas y en realidad no vale ni un penique. Sin embargo, no puede descender de la altura de su pompa y grandeza y reconocer que está en bancarrota.
Así, muchos de estos grandes y encumbrados profesantes desprecian una buena esperanza por gracia (2 Tes. 2:16), y nada es bastante bueno para ellos sino la seguridad. Pero cuando hablamos de la obra del Espíritu en la conciencia, resulta que nunca han sentido el testimonio interior del Espíritu Santo de que son hijos de Dios. El pueblo de Dios estima todo lo que Dios comunica al alma con poder y gloria. A menudo me he alegrado cuando brotaba una esperanza del evangelio, a falta de testimonios más claros.
¡Con cuánta bendición habla la Santa Escritura de la “buena esperanza por gracia” (2 Tes. 2:16)! La llama “segura y firme ancla del alma, y que entra hasta dentro del velo” (Heb. 6:19). ¡Qué gracia tan bendita debe de ser esa, que entra así en la presencia de Cristo! ¡Con cuánta bendición se habla también de la esperanza en la Palabra de Dios como hermana gemela de la fe y del amor (1 Cor. 13:13)! Y se declara que la esperanza “no avergüenza”, porque brota de que “el amor de Dios está derramado en nuestros corazones por el Espíritu Santo que nos es dado” (Rom. 5:5).
Lo que es la “buena esperanza por gracia” lo aprendemos al ser zarandeados de un lado a otro sobre las olas de la desesperación, y a veces casi hundiéndonos en la desesperanza. Las señales tan borrosas, el corazón tan cerrado, la mente tan desconcertada, el pecado tan cerca, el Señor tan ausente, una naturaleza tan carnal, sensual, idólatra y adúltera: no es de extrañar que el alma, en medio de tanto mal, visto o temido, se hunda a veces en la desesperanza. Pero es precisamente en tales tiempos cuando se halla la bendición de la “buena esperanza por gracia”.
¡Y cuando esta ancla es echada dentro del velo, entra y se aferra a la sangre y la justicia del gran Sumo Sacerdote, con cuánta firmeza y seguridad sujeta entonces el ancla la nave, de modo que no es enteramente anegada por las olas de la desesperación!
Lectura: Gálatas 5:1-15
Al lector…
¡Qué palabra: “Mi esperanza en Ti está”! No menosprecie el día de las pequeñeces. ¿No tiene aún plena seguridad, sino una buena esperanza por gracia, que a veces brota en su corazón como un débil rayo del evangelio? No arroje esa esperanza como unos seis peniques que no merecen la pena. La Escritura la llama ancla del alma, segura y firme, que entra hasta dentro del velo. Tal esperanza no avergüenza, pues brota del amor de Dios, derramado por el Espíritu Santo.
¿Y es usted zarandeado de un lado a otro por las olas de la desesperación? ¿Está el corazón cerrado, la mente desconcertada, el pecado tan cerca y el Señor tan lejos? No es de extrañar que el alma entonces a veces casi se hunda. Pero es precisamente en tales tiempos cuando usted aprende lo que es una buena esperanza. El ancla se aferra a la sangre y la justicia del gran Sumo Sacerdote, y sujeta, aun cuando la nave está en grave apuro.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl
Door Baca's Vallei
Want Ik zeg u: tenzij uw gerechtigheid overvloediger zij dan der schriftgeleerden en der Farizeeën, dat gij in het Koninkrijk der hemelen geenszins zult ingaan.
Mattheüs 5:20
Er zijn drie soorten van gerechtigheid, of ten minste drie soorten van gerechtigheid die die naam dragen. Er is een inklevende of aangeboren gerechtigheid, en daarvan bezitten wij niets. Er is een toegerekende gerechtigheid, waaruit onze rechtvaardigmaking voortvloeit; en er is een toegepaste gerechtigheid, wanneer God de Heilige Geest ons tot nieuwe schepselen maakt en de nieuwe mens in ons schept, dat is, naar Gods beeld vernieuwd in ware gerechtigheid en heiligheid. Als de Heere dan ook zegt: „Tenzij uw gerechtigheid overvloediger zij dan der schriftgeleerden en der Farizeeën, gij kunt in het Koninkrijk der hemelen geenszins ingaan”, dan bedoelt Hij niet slechts een uitwendige gerechtigheid, door Zijn gehoorzaamheid aan de wet voor hen uitgewerkt, maar een innerlijke gerechtigheid, door de Heilige Geest in hen gewrocht.
Zo lezen wij van een inwendige alsook van een uitwendige versiering der kerk: „Des Konings dochter is geheel verheerlijkt inwendig; haar kleding is van gouden borduursel.” Twee soorten van gerechtigheid heeft de koningin: haar toegerekende gerechtigheid is haar uitwendige kledij, haar kleding van gouden borduursel; maar de toegepaste gerechtigheid is haar inwendige versiering, en dit maakt haar versiering van binnenuit. Deze inwendige heerlijkheid is de nieuwe mens in het hart, met al zijn gaven en genaden, hetgeen Petrus noemt: de Goddelijke natuur, dat is „Christus in het hart, de hoop der heerlijkheid”.
Aan de lezer…
Hoe ernstig is de vraag hoe het met uw gerechtigheid staat! Een aangeboren gerechtigheid bezit u niet; in uzelf bent u arm en naakt. Daarom is het zo’n wonder dat er een gerechtigheid is die toegerekend wordt, het gouden borduursel van de Koning, waarin de bruid voor Hem staat. Zoekt u die kleding? Het is de enige grond waarop een schuldig zondaar rechtvaardig kan worden voor God.
Maar vergeet ook de inwendige heerlijkheid niet. Waar de Heilige Geest werkt, maakt Hij nieuwe schepselen en schept Hij de nieuwe mens in het hart, naar Gods beeld vernieuwd. Hebt u daar iets van, al is het zwak en klein: een liefde tot Hem, een haat tegen de zonde, een honger naar Zijn gerechtigheid? Dan is het Christus in het hart, de hoop der heerlijkheid. Bid dan dat Hij dat werk in u voortzet en het eens volmaakt.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Want Ik zeg u: tenzij uw gerechtigheid overvloediger zij dan der schriftgeleerden en der Farizeeën, dat gij in het Koninkrijk der hemelen geenszins zult ingaan.
Mattheüs 5:20
Er zijn drie soorten gerechtigheid, of in elk geval drie soorten gerechtigheid die die naam dragen. Er is een inklevende of aangeboren gerechtigheid, en daarvan bezitten wij niets. Er is een toegerekende gerechtigheid, waaruit onze rechtvaardigmaking voortvloeit. En er is een toegepaste gerechtigheid, wanneer God de Heilige Geest ons tot nieuwe schepselen maakt en de nieuwe mens in ons schept, die naar Gods beeld vernieuwd is in ware gerechtigheid en heiligheid. Wanneer de Heere dan ook zegt: „Tenzij uw gerechtigheid overvloediger zij dan der schriftgeleerden en der Farizeeën, gij kunt in het Koninkrijk der hemelen geenszins ingaan”, bedoelt Hij niet alleen een uitwendige gerechtigheid, door Zijn gehoorzaamheid aan de wet voor hen uitgewerkt, maar ook een innerlijke gerechtigheid, door de Heilige Geest in hen gewerkt.
Zo lezen wij van een inwendige en ook van een uitwendige versiering van de kerk: „Des Konings dochter is geheel verheerlijkt inwendig; haar kleding is van gouden borduursel.” De koningin heeft twee soorten gerechtigheid. Haar toegerekende gerechtigheid is haar uitwendige kledij, haar kleding van gouden borduursel; maar de toegepaste gerechtigheid is haar inwendige versiering, die haar van binnenuit siert. Deze inwendige heerlijkheid is de nieuwe mens in het hart, met al zijn gaven en genadegaven, wat Petrus de Goddelijke natuur noemt, dat is „Christus in het hart, de hoop der heerlijkheid”.
Aan de lezer…
Hoe ernstig is de vraag hoe het met uw gerechtigheid staat! Een aangeboren gerechtigheid bezit u niet; in uzelf bent u arm en naakt. Daarom is het zo’n wonder dat er een gerechtigheid is die toegerekend wordt, het gouden borduursel van de Koning, waarin de bruid voor Hem staat. Zoekt u die kleding? Het is de enige grond waarop een schuldige zondaar rechtvaardig kan worden voor God.
Maar vergeet ook de inwendige heerlijkheid niet. Waar de Heilige Geest werkt, maakt Hij nieuwe schepselen en schept Hij de nieuwe mens in het hart, naar Gods beeld vernieuwd. Hebt u daar iets van, al is het zwak en klein: een liefde tot Hem, een haat tegen de zonde, een honger naar Zijn gerechtigheid? Dan is het Christus in het hart, de hoop der heerlijkheid. Bid dan dat Hij dat werk in u voortzet en het eens volmaakt.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
For I say unto you, That except your righteousness shall exceed the righteousness of the scribes and Pharisees, ye shall in no case enter into the kingdom of heaven.
Matthew 5:20
There are three kinds of righteousness, or at least three kinds of righteousness which bear that name. There is inherent righteousness, of which we have none. There is imputed righteousness, which is all our justification. And there is imparted righteousness, when God the Spirit makes us new creatures, and raises up in the heart that “new man, which after God” (that is, “after the image of God”) “is created in righteousness and true holiness.”
When the Lord, therefore, said, “Except your righteousness shall exceed the righteousness of the scribes and Pharisees, you shall never enter into the kingdom of heaven,” He did not mean only an external righteousness wrought out by His obedience to the law for them, but an internal righteousness wrought out by the Holy Spirit in them. Thus we read of the inward as well as the outward apparel of the Church, “The King’s daughter is all glorious within; her clothing is of wrought gold.”
Two kinds of righteousness belong to the Queen; her imputed righteousness is her outward robe, “the clothing of wrought gold;” but imparted righteousness is her inward adorning, which makes her “all-glorious within.” This inward glory is the new man in the heart, with all his gifts and graces, what Peter calls “the divine nature,” “Christ in the heart, the hope of glory.”
To the reader…
How serious is the question of how it stands with your righteousness! An inherent righteousness you do not possess; in yourself you are poor and naked. That is why it is such a wonder that there is a righteousness which is imputed, the King’s clothing of wrought gold, in which the bride stands before Him. Are you seeking that clothing? It is the only ground on which a guilty sinner can be righteous before God.
But do not forget the inward glory either. Where the Holy Spirit works, He makes new creatures and creates the new man in the heart, renewed after God’s image. Do you have something of that, however weak and small: a love to Him, a hatred of sin, a hunger for His righteousness? Then it is Christ in the heart, the hope of glory. Pray, then, that He will carry on that work in you and one day make it perfect.
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
Porque os digo, que si vuestra justicia no fuere mayor que la de los escribas y de los fariseos, no entraréis en el reino de los cielos.
Mateo 5:20
Hay tres clases de justicia, o al menos tres clases de justicia que llevan ese nombre. Está la justicia inherente, de la cual no tenemos ninguna. Está la justicia imputada, que es toda nuestra justificación. Y está la justicia impartida, cuando Dios el Espíritu nos hace nuevas criaturas y levanta en el corazón aquel “nuevo hombre que es criado conforme a Dios” (es decir, “conforme a la imagen de Dios”) “en justicia y en santidad de verdad.”
Por tanto, cuando el Señor dijo: “Si vuestra justicia no fuere mayor que la de los escribas y de los fariseos, no entraréis en el reino de los cielos,” no se refería solo a una justicia externa obrada por Su obediencia a la ley a favor de ellos, sino a una justicia interna obrada por el Espíritu Santo en ellos. Así leemos tanto del atavío interior como del exterior de la Iglesia: “Toda ilustre es de dentro la hija del rey: de brocado de oro es su vestido.”
Dos clases de justicia pertenecen a la Reina; su justicia imputada es su manto exterior, “su vestido de brocado de oro”; pero la justicia impartida es su adorno interior, que la hace “toda ilustre de dentro.” Esta gloria interior es el nuevo hombre en el corazón, con todos sus dones y gracias, lo que Pedro llama “la naturaleza divina,” “Cristo en el corazón, la esperanza de gloria.”
Al lector…
¡Qué seria es la pregunta de cómo está su justicia! Una justicia inherente no la posee; en usted mismo es pobre y está desnudo. Por eso es tan maravilloso que haya una justicia que es imputada, el vestido de brocado de oro del Rey, en el cual la esposa está delante de Él. ¿Busca usted ese vestido? Es el único fundamento sobre el cual un pecador culpable puede ser justo delante de Dios.
Pero no olvide tampoco la gloria interior. Donde obra el Espíritu Santo, hace nuevas criaturas y crea el nuevo hombre en el corazón, renovado conforme a la imagen de Dios. ¿Tiene usted algo de eso, por débil y pequeño que sea: un amor a Él, un odio al pecado, un hambre de Su justicia? Entonces es Cristo en el corazón, la esperanza de gloria. Pida, pues, que Él continúe esa obra en usted y un día la perfeccione.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl