Nieuw verschenenHet gesprek van een gelovige met zijn zielPreken · gisteren
Joseph Charles Philpot J.C. Philpot Bevindelijke geschriften & prediking
Steun

Korenaren

 

 

Vandaag

Korenaren Uit De Volle Oogst

23 september Korenaren uit de volle oogst

En Die leeft, en Ik ben dood geweest; en zie, Ik ben levend, in alle eeuwigheid. Amen. En Ik heb de sleutels der hel en des doods.
Openbaring 1:18

O, wat een barmhartigheid dat Hij Die dood was, leeft aan Gods rechterhand! Hij leeft als een opgestaan Hoofd. Hij is geen dode Zaligmaker, maar een Zaligmaker Die in eeuwigheid leeft. Hij kan zegenen en zegent ook; Hij kan troosten en troost ook; Hij kan de ziel door alles heen helpen en helpt ook! Hij is geen Zaligmaker Die als het ware op de oever van een rivier staat en ons er pas uit helpt wanneer wij half zwemmend de weg hebben afgelegd. Hij is geen Zaligmaker Die ons halverwege naar de hemel brengt en dan zegt: zorg nu verder maar voor uzelf. Hij moet ons helemaal naar de hemel brengen. Wij zijn niets en hebben niets zonder Hem. Hij moet zijn wat Hij is: ons „alles in alles”.

Wij achten Hem hoog in Zijn dood, want alleen Zijn dood kan ons met God verzoenen. Wij achten Hem hoog in Zijn leven, want alleen Zijn leven kan behouden. Wij hebben nu behoudenis nodig: behoudenis in het hart; een geestelijke behoudenis, geopenbaard in en aan de ziel; een behoudenis die die naam waardig is, geheel, ten volle, volkomen en eeuwig, tot lof van de overvloedige genade. Wij hebben een onherroepelijke behoudenis nodig, die nooit verloren kan gaan, die God waardig is en de God-mens waardig; die voldoende is voor elke nood van de ziel, die bij elke beproeving van het hart komt, en die in staat is de laagste en slechtste te behouden, „zonder geld en zonder prijs”.

Loof Hem, die u al wat gij hebt misdreven,
hoe veel het zij, genadig wil vergeven,
uw krankheên kent en liefderijk geneest;
die van ’t verderf uw leven wil verschonen,
met goedheid en barmhartigheên u kronen,
die in de nood uw redder is geweest.

Psalm 103:2

Aan de lezer…

Misschien vreest u dat u het einde niet zult halen. Bent u bang dat u, half zwemmend, in de rivier zult wegzinken, of dat u halverwege de reis aan uzelf zult worden overgelaten? Zie dan op Hem Die zegt: „Ik ben dood geweest; en zie, Ik ben levend.” Hij is geen dode Zaligmaker, maar Een Die leeft in eeuwigheid, Die kan zegenen en ook zegent, Die door alles heen kan helpen en ook helpt.

U bent niets en hebt niets zonder Hem; maar Hij wil dan ook niet half, maar helemaal uw Zaligmaker zijn. Zijn dood verzoent, en Zijn leven behoudt. Zijn behoudenis is voldoende voor elke nood en komt bij elke beproeving van het hart. Ook al rekent u uzelf onder de laagsten en slechtsten, zij is er juist voor zulke mensen, „zonder geld en zonder prijs”. Laat de moed dan niet zakken; Hij Die leeft, zal de Zijnen helemaal naar de hemel brengen.

Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl

Open als losse pagina

365 Dagen Met Philpot

23 september 365 dagen met Philpot

Zie mij aan

Zie mij aan, wees mij genadig, naar het recht aan degenen, die Uw Naam beminnen.
Psalm 119:132

„Zie mij aan”: is dat niet de wens van uw ziel? U zou dat gebed niet kunnen uitspreken als de Heere u niet eerst levend had gemaakt. Voordat u dat gebed kunt uitspreken, moet u kunnen geloven dat de Heere neerziet op Zijn kinderen. U moet in uw hart het verlangen hebben dat de Heere u in het bijzonder zegent en begunstigt. U moet gespeend worden van alle menselijke gerechtigheid, menselijke wijsheid en menselijke kracht, en u tot de Heere wenden, opdat Hij u zegent met de zegen die rijk maakt (Spr. 10:22).

Ziet u niet hoe vriendelijk en zacht de Heere is voor Zijn kinderen? Ziet u niet dat zij de enige mensen in de wereld zijn van wie het lot benijdenswaardig is? Komt deze smeekbede, misschien niet naar de letter maar wel naar de bedoeling, soms niet stil uit uw hart op: „O, dat U mij toch wilt aanzien! Al ben ik een verachtelijke stakker, al ben ik een schuldige zondaar, al ben ik een onwaardige afvallige, al ben ik een vuile afgodendienaar, al verdien ik verbannen te worden uit Uw aanwezigheid, al verdien ik onder de voet te worden gelopen – zie mij toch aan! Dat is wat mijn ziel verlangt: dat Gij mij zegent, dat Gij mij Uw barmhartigheid toont, dat Gij Uw liefde in mijn hart uitstort, dat Gij tegen mij spreekt met Uw eigen lippen en in mijn hart fluistert: ‘Vrees niet, want gij zijt Mijn’ (Jes. 43:1).”

En als u in het Woord van God leest over de gevoelens van Gods kinderen, van hen die de Heere werkelijk gezegend heeft, of erover hoort uit de mond van iemand die zelf de waarheid ondervonden heeft; als u hoort over de regen en de dauw die op hun ziel vallen, en dat de verborgen omgang van de Heere op hun tent rust, voelen sommigen van u dan niet een vurig verlangen dat de Heere u ook zo zou zegenen? Dat Hij Zich zo aan u bekend zou maken, dat u van dezelfde dingen in uw hart mag genieten doordat ze met kracht aan uw geweten worden toegepast?

Lezen: Micha 7

Aan de lezer…

Hier staat een korte bede die ook in uw hart kan liggen: „Zie mij aan.” Misschien durft u haar nauwelijks uit te spreken. U weet wat u bent: een schuldige zondaar, een onwaardige afvallige, iemand die verdient uit Gods aanwezigheid verbannen te worden. En toch komt die zucht steeds weer stil in u op. Weet dan dat zo’n gebed niet uit een dood hart opkomt. Niemand bidt zo voordat de Heere hem levend heeft gemaakt.

Hoort u van anderen over de regen en de dauw die op hun ziel vallen, en wordt u dan jaloers en verlangend? Laat dat verlangen u niet neerdrukken, maar naar de Heere drijven. Hij is vriendelijk en zacht voor Zijn kinderen. Blijf aan Zijn deur liggen met dat ene woord: „Zie mij aan.” Wie weet of Hij niet ook in uw hart zal fluisteren: „Vrees niet, want gij zijt Mijn.”

Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl

Open als losse pagina

Door Baca's Vallei

23 september Door Baca’s vallei

Opdat Hij u bekend maakte, dat de mens niet alleen van het brood leeft, maar van alles, dat uit des Heeren mond uitgaat.
Deuteronomium 8:3

Dit is de grote les die wij op onze woestijnreis moeten leren: dat de mens niet alleen van brood leeft, dat wil zeggen van de dingen die de mens langs de weg van de voorzienigheid nodig heeft. God zij gedankt voor het brood dat Hij ons met Zijn vriendelijke hand toebedeelt. Een eerlijk bestaan is een grote genade. Het is een grote zegen in staat gesteld te worden, door handenarbeid of door werk met ons verstand, onze gezinnen in een zekere mate van welstand te onderhouden, al is het dan niet in grote overvloed. Maar God heeft bepaald dat Zijn volk niet van brood alleen zal leven.

Zij zullen afgezonderd worden van de grote massa mensen die alleen op een vleselijke manier leven. Die mensen maken zich geen zorgen over dingen die boven aardse bezittingen uitgaan; de som van al hun gedachten en overleggingen is: „Wat zullen wij eten, en wat zullen wij drinken, en waarmede zullen wij ons kleden?” Zij kijken nooit eens verder dan hun beurs, hun dagelijkse werk, hun zaken, en hoe zij hun gezinnen zullen onderhouden. De Heere heeft in het hart van Zijn volk een hoger leven gevormd, een edeler beginsel, een hogere honger dan alleen van brood te leven. Wij danken Hem voor Zijn voorzienigheid, maar prijzen Hem voor Zijn genade. Wij danken Hem voor ons dagelijks voedsel en onze kleding, maar die dingen zijn alleen voor de tijd en vergaan door het gebruik; Hij heeft ons echter voorzien van wat voor eeuwig geldt.

Waarvan moet de ziel dan leven, volgens de Heere? „Op alle woord, dat uit des Heeren mond uitgaat.” Maar waar vinden wij deze woorden die uit de mond van de Heere uitgaan? In de Schrift; dat is het voedsel van de kerk. En in het bijzonder in de Schrift zoals die op het hart wordt toegepast: in de woorden die het God behaagt met Goddelijke kracht in de ziel te drukken, die wij uit Zijn dierbare mond ontvangen en met een gelovige hand kunnen aannemen. Dat is het voedsel van onze ziel: de waarheid van God, op ons hart toegepast en tot leven en geest gemaakt door Zijn eigen onderwijs en getuigenis.

En zie eens hoe groot en ruim hierin voorzien wordt. Kijk rond in heel Gods geopenbaarde Woord, en zie wat een voorraad daarin voor de kerk van God is weggelegd. Hoe zou dit ons moeten aansporen en bemoedigen om de Schrift te onderzoeken en te doorzoeken als naar verborgen schatten! Wij zouden haar voortdurend moeten lezen, overdenken, proberen in te dringen in de bedoeling van God die daarin geopenbaard is, en er zo voedsel voor onze ziel in vinden. Als wij er volkomen van overtuigd waren dat elk woord van de Schrift uit Gods mond is voortgekomen en bedoeld is als voedsel voor onze ziel, hoe hoog zouden wij haar dan achten, en hoe zouden wij haar lezen en bestuderen!

Aan de lezer…

Weet u waar u van leeft? Dank de Heere voor het brood dat Hij u toebedeelt, voor een eerlijk bestaan en voor kleding en voedsel; het is geen geringe genade. Maar zijn uw gedachten en overleggingen ook verder gekomen dan wat u zult eten en drinken? Of voelt u op uw woestijnreis een honger die geen brood kan stillen, een verlangen naar iets wat voor eeuwig geldt?

Dan heeft de Heere in u een hoger leven gevormd. Voor zo’n ziel ligt er een grote voorraad weggelegd in Zijn geopenbaarde Woord. Lees het, overdenk het, onderzoek het als naar verborgen schatten, en bid of het God behaagt een woord met Goddelijke kracht in uw ziel te drukken. Eén woord uit Zijn dierbare mond, met een gelovige hand aangenomen, is meer voedsel voor uw ziel dan alles wat de wereld kan geven.

Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl

Open als losse pagina