gisteren verschenen
Het gesprek van een gelovige met zijn ziel
Een uitleg van Psalm 42:12 als gesprek tussen David en zijn ziel: waarom de ziel terneergeslagen en onrustig is, waarom ze op God moet hopen en hoe die hoop uitloopt…
8 dagen geleden verschenen
Het woord van Gods genade
Een uitleg van Handelingen 20:32: Paulus beveelt de oudsten van Efeze aan God en aan het woord van Zijn genade. Alleen dat woord, door de Geest toegepast, bouwt de ziel…
13 dagen geleden verschenen
Schatten in de duisternis
Uitleg van Jesaja 45:2,3 voor Gods kinderen: de Heere gaat voor hen uit, maakt kromme wegen recht, verbreekt koperen deuren en ijzeren grendels, geeft verborgen schatten en leert hen zo…
3 weken geleden verschenen
Verkrijgen en verliezen
Naar Prediker 3:6: een levende ziel verkrijgt geestelijke dingen, van kennis van God en van zichzelf tot geloof en vergeving, maar verliest ook haar eigen gerechtigheid en kracht. De preek…
Het schudden van wat gemaakt is en de vastheid van wat gegeven is
Over Hebreeën 12:27,28: wat gemaakt is, wordt geschud en weggenomen, wat God geeft blijft. Het Koninkrijk dat niet bewogen kan worden wordt door geloof ontvangen, door genade vastgehouden en draagt…
Korenaren Uit De Volle Oogst
En Die leeft, en Ik ben dood geweest; en zie, Ik ben levend, in alle eeuwigheid. Amen. En Ik heb de sleutels der hel en des doods.
Openbaring 1:18
O, welk een barmhartigheid, dat Hij, Die dood was, leeft aan Gods rechterhand; dat Hij leeft als een verrezen Hoofd; dat Hij geen dode Zaligmaker is, maar een Zaligmaker Die leeft in eeuwigheid; Die kan zegenen en ook zegent; Die kan vertroosten en ook vertroost; Die de ziel door alles heen kan helpen en ook helpt! Hij is geen Zaligmaker Die als het ware staat op de oever van een rivier en ons eruit helpt als wij de weg half zwemmende hebben afgelegd; Hij is geen Zaligmaker Die ons halfweg naar de hemel brengt en dan zegt: laat ons afhouden of voor onszelf zorgen. Hij moet ons geheel naar de hemel brengen. Wij zijn niets en hebben niets zonder Hem. Hij moet zijn wat Hij is: ons „alles in alles”.
Wij schatten Hem hoog in Zijn dood; alleen Zijn dood kan ons met God verzoenen. Wij schatten Hem hoog in Zijn leven; alleen Zijn leven kan behouden. Wij hebben nu behoudenis nodig: behoudenis in het hart; een geestelijke behoudenis, geopenbaard in en aan de ziel; een behoudenis die die naam waardig is, geheel, ten volle, volkomen en eeuwig, tot prijs der overvloedige genade; een onherroepelijke behoudenis, die nooit verloren kan gaan; Gode waardig, de Godmens waardig; voldoende voor elke behoefte der ziel; komende bij elke beproeving van het hart, en in staat om de laagste en slechtste te behouden, „zonder geld en zonder prijs”.
Loof Hem, die u al wat gij hebt misdreven,
hoe veel het zij, genadig wil vergeven,
uw krankheên kent en liefderijk geneest;
die van ’t verderf uw leven wil verschonen,
met goedheid en barmhartigheên u kronen,
die in de nood uw redder is geweest.
Psalm 103:2
Aan de lezer…
Misschien vreest u dat u het einde niet zult halen. Bent u bang dat u, half zwemmend, in de rivier zult wegzinken, of dat u halverwege de reis aan uzelf zult worden overgelaten? Zie dan op Hem Die zegt: „Ik ben dood geweest; en zie, Ik ben levend.” Hij is geen dode Zaligmaker, maar Een Die leeft in eeuwigheid, Die kan zegenen en ook zegent, Die door alles heen kan helpen en ook helpt.
U bent niets en hebt niets zonder Hem; maar Hij moet ook niet half, maar geheel uw Zaligmaker zijn. Zijn dood verzoent, en Zijn leven behoudt. Zijn behoudenis is voldoende voor elke behoefte en komt bij elke beproeving van het hart. Al rekent u uzelf onder de laagsten en slechtsten, zij is er voor zulken, „zonder geld en zonder prijs”. Laat de moed dan niet zakken; Die leeft, zal de Zijnen geheel naar de hemel brengen.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
En Die leeft, en Ik ben dood geweest; en zie, Ik ben levend, in alle eeuwigheid. Amen. En Ik heb de sleutels der hel en des doods.
Openbaring 1:18
O, wat een barmhartigheid dat Hij Die dood was, leeft aan Gods rechterhand! Hij leeft als een opgestaan Hoofd. Hij is geen dode Zaligmaker, maar een Zaligmaker Die in eeuwigheid leeft. Hij kan zegenen en zegent ook; Hij kan troosten en troost ook; Hij kan de ziel door alles heen helpen en helpt ook! Hij is geen Zaligmaker Die als het ware op de oever van een rivier staat en ons er pas uit helpt wanneer wij half zwemmend de weg hebben afgelegd. Hij is geen Zaligmaker Die ons halverwege naar de hemel brengt en dan zegt: zorg nu verder maar voor uzelf. Hij moet ons helemaal naar de hemel brengen. Wij zijn niets en hebben niets zonder Hem. Hij moet zijn wat Hij is: ons „alles in alles”.
Wij achten Hem hoog in Zijn dood, want alleen Zijn dood kan ons met God verzoenen. Wij achten Hem hoog in Zijn leven, want alleen Zijn leven kan behouden. Wij hebben nu behoudenis nodig: behoudenis in het hart; een geestelijke behoudenis, geopenbaard in en aan de ziel; een behoudenis die die naam waardig is, geheel, ten volle, volkomen en eeuwig, tot lof van de overvloedige genade. Wij hebben een onherroepelijke behoudenis nodig, die nooit verloren kan gaan, die God waardig is en de God-mens waardig; die voldoende is voor elke nood van de ziel, die bij elke beproeving van het hart komt, en die in staat is de laagste en slechtste te behouden, „zonder geld en zonder prijs”.
Loof Hem, die u al wat gij hebt misdreven,
hoe veel het zij, genadig wil vergeven,
uw krankheên kent en liefderijk geneest;
die van ’t verderf uw leven wil verschonen,
met goedheid en barmhartigheên u kronen,
die in de nood uw redder is geweest.
Psalm 103:2
Aan de lezer…
Misschien vreest u dat u het einde niet zult halen. Bent u bang dat u, half zwemmend, in de rivier zult wegzinken, of dat u halverwege de reis aan uzelf zult worden overgelaten? Zie dan op Hem Die zegt: „Ik ben dood geweest; en zie, Ik ben levend.” Hij is geen dode Zaligmaker, maar Een Die leeft in eeuwigheid, Die kan zegenen en ook zegent, Die door alles heen kan helpen en ook helpt.
U bent niets en hebt niets zonder Hem; maar Hij wil dan ook niet half, maar helemaal uw Zaligmaker zijn. Zijn dood verzoent, en Zijn leven behoudt. Zijn behoudenis is voldoende voor elke nood en komt bij elke beproeving van het hart. Ook al rekent u uzelf onder de laagsten en slechtsten, zij is er juist voor zulke mensen, „zonder geld en zonder prijs”. Laat de moed dan niet zakken; Hij Die leeft, zal de Zijnen helemaal naar de hemel brengen.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
I am He that liveth, and was dead; and, behold, I am alive for evermore, Amen; and have the keys of hell and of death.
Revelation 1:18
O what a mercy that He Who was dead lives at God’s right hand! that He lives as a risen Head; that He is not a dead Savior; but a Savior that lives for evermore; that can and does bless; that can and does comfort; that can and does bring the soul safely through all. He is not a Savior that stands as it were upon the brink of a river, and pulls us out when we have swum half way out ourselves; He is not a Savior that will take us half way to heaven, and then let us “fend or shift for ourselves.” He must take us to heaven throughout. We are nothing, we have nothing without Him. He must be, as He is, our “all in all.”
We value Him in His death—nothing but His death could reconcile us to God; we value Him in His life—nothing but His life can save. We need salvation now; salvation in the heart; a spiritual salvation revealed in and unto the soul; a salvation worthy of the name, wholly, fully, completely, finally, and everlastingly to the praise of super-abounding grace; an indestructible salvation, never to be lost; worthy of God, worthy of the God-man; adapted to every need of the soul, coming into every trial of the heart, and able to save the vilest and the worst, “without money and without price.”
To the reader…
Perhaps you fear that you will not reach the end. Are you afraid that, half-way across, you will sink in the river, or that half-way through the journey you will be left to yourself? Then look to Him Who says, “I was dead; and, behold, I am alive.” He is not a dead Saviour, but One Who lives for evermore, Who can bless and does bless, Who can help through everything and does help.
You are nothing and have nothing without Him; but then He means to be your Saviour not half-way, but wholly. His death reconciles, and His life saves. His salvation is sufficient for every need and comes into every trial of the heart. Even if you count yourself among the vilest and the worst, it is for just such as these, “without money and without price.” So do not lose heart; He Who lives will bring His own all the way to heaven.
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
Y el que vivo, y he sido muerto; y he aquí que vivo por siglos de siglos, Amén. Y tengo las llaves del infierno y de la muerte.
Apocalipsis 1:18
¡Oh, qué misericordia que Aquel que estuvo muerto viva a la diestra de Dios! ¡Que viva como Cabeza resucitada; que no sea un Salvador muerto, sino un Salvador que vive por siglos de siglos; que puede bendecir y bendice; que puede consolar y consuela; que puede llevar el alma a salvo a través de todo y la lleva! No es un Salvador que esté, por así decirlo, en la orilla de un río y nos saque cuando nosotros mismos hemos nadado la mitad del camino; no es un Salvador que nos lleve hasta la mitad del camino al cielo y luego nos deje “arreglárnoslas solos”. Él debe llevarnos al cielo de principio a fin. Nada somos, nada tenemos sin Él. Él debe ser, como lo es, nuestro “todo en todos”.
Lo estimamos en Su muerte: nada sino Su muerte podía reconciliarnos con Dios; lo estimamos en Su vida: nada sino Su vida puede salvar. Necesitamos salvación ahora; salvación en el corazón; una salvación espiritual revelada en el alma y al alma; una salvación digna de ese nombre, entera, plena, completa, final y eternamente para alabanza de la gracia sobreabundante; una salvación indestructible, que nunca se perderá; digna de Dios, digna del Dios-Hombre; adaptada a toda necesidad del alma, que entra en toda prueba del corazón, y capaz de salvar al más vil y al peor, “sin dinero y sin precio”.
Al lector…
Quizá teme usted no llegar al final. ¿Tiene miedo de hundirse en el río a medio camino, o de ser dejado a sí mismo a la mitad del viaje? Entonces mire a Aquel que dice: “He sido muerto; y he aquí que vivo”. Él no es un Salvador muerto, sino Uno que vive por siglos de siglos, que puede bendecir y bendice, que puede ayudar en todo y ayuda.
Nada es usted y nada tiene sin Él; pero Él quiere ser su Salvador no a medias, sino por completo. Su muerte reconcilia, y Su vida salva. Su salvación basta para toda necesidad y entra en toda prueba del corazón. Aunque usted se cuente entre los más viles y los peores, es precisamente para los tales, “sin dinero y sin precio”. No se desanime, pues; Aquel que vive llevará a los Suyos hasta el cielo.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl
365 Dagen Met Philpot
Zie mij aan
Zie mij aan, wees mij genadig, naar het recht aan degenen, die Uw Naam beminnen.
Psalm 119:132
„Zie mij aan” – is dat niet de wens van uw ziel? U zou dat gebed niet kunnen uitspreken voordat de Heere u levend had gemaakt. Voordat u dat gebed kunt uitspreken, moet u kunnen geloven dat de Heere omlaag kijkt naar Zijn kinderen. U moet een verlangen in uw hart koesteren dat de Heere u bijzonder zegent en begunstigt. U moet worden gespeend van alle menselijke rechtvaardigheid, menselijke wijsheid en menselijke kracht, en u tot de Heere wenden om u te zegenen met die zegen die rijk maakt (Spr. 10:22).
Ziet u niet hoe vriendelijk en zacht de Heere is voor Zijn kinderen? Ziet u niet dat zij de enige mensen ter wereld zijn wier levenslot benijdenswaardig is? Verlaat deze smeekbede – misschien niet overeenkomstig de letter, maar wel overeenkomstig de bedoeling – soms niet stilletjes uw hart: „O, dat U mij toch wilt aanzien! Al ben ik een verachtelijke stakker, al ben ik een schuldige zondaar, al ben ik een onwaardige afvallige, al ben ik een vuile afgodendienaar, al verdien ik verbannen te worden uit Uw aanwezigheid, al verdien ik onder de voet te worden gelopen – zie mij toch aan! Dat is wat mijn ziel verlangt: dat Gij mij zegent, dat Gij mij Uw barmhartigheid toont, dat Gij Uw liefde in mijn hart uitstort, dat Gij tegen mij spreekt met Uw eigen lippen en in mijn hart fluistert: ‘Vrees niet, want gij zijt Mijn’ (Jes. 43:1).”
En als u in het Woord Gods over de gevoelens van Gods kinderen, degenen die de Heere echt heeft gezegend, leest, of erover hoort uit de mond van iemand die zelf de waarheid heeft ondervonden; als u hoort over de regen en de dauw die op hun ziel vallen, en dat de verborgenheid van de Heere op hun tabernakel rust – voelen sommigen van u dan niet een hevig verlangen dat de Heere u ook zo zou zegenen, Zich zo aan u kenbaar zou maken, dat u van dezelfde dingen in uw hart kunt genieten doordat ze met kracht aan uw geweten worden toegepast?
Lezen: Micha 7
Aan de lezer…
Hier staat een korte bede die ook in uw hart kan liggen: „Zie mij aan.” Misschien durft u haar nauwelijks uit te spreken. U weet wat u bent: een schuldige zondaar, een onwaardige afvallige, iemand die verdient uit Gods aanwezigheid verbannen te worden. En toch komt die zucht steeds weer stilletjes boven. Weet dan dat zulk een gebed niet uit een dood hart opkomt. Niemand bidt zo voordat de Heere hem levend heeft gemaakt.
Hoort u van anderen over de regen en de dauw die op hun ziel vallen, en wordt u dan jaloers en verlangend? Laat dat verlangen u niet neerdrukken, maar naar de Heere drijven. Hij is vriendelijk en zacht voor Zijn kinderen. Blijf aan Zijn deur liggen met dat ene woord: „Zie mij aan.” Wie weet, of Hij niet ook in uw hart zal fluisteren: „Vrees niet, want gij zijt Mijn.”
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Zie mij aan, wees mij genadig, naar het recht aan degenen, die Uw Naam beminnen.
Psalm 119:132
„Zie mij aan”: is dat niet de wens van uw ziel? U zou dat gebed niet kunnen uitspreken als de Heere u niet eerst levend had gemaakt. Voordat u dat gebed kunt uitspreken, moet u kunnen geloven dat de Heere neerziet op Zijn kinderen. U moet in uw hart het verlangen hebben dat de Heere u in het bijzonder zegent en begunstigt. U moet gespeend worden van alle menselijke gerechtigheid, menselijke wijsheid en menselijke kracht, en u tot de Heere wenden, opdat Hij u zegent met de zegen die rijk maakt (Spr. 10:22).
Ziet u niet hoe vriendelijk en zacht de Heere is voor Zijn kinderen? Ziet u niet dat zij de enige mensen in de wereld zijn van wie het lot benijdenswaardig is? Komt deze smeekbede, misschien niet naar de letter maar wel naar de bedoeling, soms niet stil uit uw hart op: „O, dat U mij toch wilt aanzien! Al ben ik een verachtelijke stakker, al ben ik een schuldige zondaar, al ben ik een onwaardige afvallige, al ben ik een vuile afgodendienaar, al verdien ik verbannen te worden uit Uw aanwezigheid, al verdien ik onder de voet te worden gelopen – zie mij toch aan! Dat is wat mijn ziel verlangt: dat Gij mij zegent, dat Gij mij Uw barmhartigheid toont, dat Gij Uw liefde in mijn hart uitstort, dat Gij tegen mij spreekt met Uw eigen lippen en in mijn hart fluistert: ‘Vrees niet, want gij zijt Mijn’ (Jes. 43:1).”
En als u in het Woord van God leest over de gevoelens van Gods kinderen, van hen die de Heere werkelijk gezegend heeft, of erover hoort uit de mond van iemand die zelf de waarheid ondervonden heeft; als u hoort over de regen en de dauw die op hun ziel vallen, en dat de verborgen omgang van de Heere op hun tent rust, voelen sommigen van u dan niet een vurig verlangen dat de Heere u ook zo zou zegenen? Dat Hij Zich zo aan u bekend zou maken, dat u van dezelfde dingen in uw hart mag genieten doordat ze met kracht aan uw geweten worden toegepast?
Lezen: Micha 7
Aan de lezer…
Hier staat een korte bede die ook in uw hart kan liggen: „Zie mij aan.” Misschien durft u haar nauwelijks uit te spreken. U weet wat u bent: een schuldige zondaar, een onwaardige afvallige, iemand die verdient uit Gods aanwezigheid verbannen te worden. En toch komt die zucht steeds weer stil in u op. Weet dan dat zo’n gebed niet uit een dood hart opkomt. Niemand bidt zo voordat de Heere hem levend heeft gemaakt.
Hoort u van anderen over de regen en de dauw die op hun ziel vallen, en wordt u dan jaloers en verlangend? Laat dat verlangen u niet neerdrukken, maar naar de Heere drijven. Hij is vriendelijk en zacht voor Zijn kinderen. Blijf aan Zijn deur liggen met dat ene woord: „Zie mij aan.” Wie weet of Hij niet ook in uw hart zal fluisteren: „Vrees niet, want gij zijt Mijn.”
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Look Thou upon me, and be merciful unto me, as Thou usest to do unto those that love Thy Name.
Psalm 119:132
“Look Thou upon me”: is not that the desire of your soul? You could not utter that prayer unless the Lord had first quickened you. Before you can utter that prayer, you must be able to believe that the Lord looks down upon His children. You must have in your heart the desire that the Lord would bless and favour you in particular. You must be weaned from all human righteousness, human wisdom and human strength, and turn to the Lord, that He may bless you with the blessing that maketh rich (Prov. 10:22).
Do you not see how kind and gentle the Lord is to His children? Do you not see that they are the only people in the world whose lot is to be envied? Does not this petition, perhaps not in the letter but in the meaning, sometimes rise quietly out of your heart: “O that Thou wouldest look upon me! Though I am a vile wretch, though I am a guilty sinner, though I am an unworthy backslider, though I am a filthy idolater, though I deserve to be banished from Thy presence, though I deserve to be trodden underfoot – yet look upon me! This is what my soul desires: that Thou wouldest bless me, that Thou wouldest show me Thy mercy, that Thou wouldest shed abroad Thy love in my heart, that Thou wouldest speak to me with Thine own lips and whisper in my heart, ‘Fear not … thou art Mine’ (Isa. 43:1).”
And when you read in the Word of God of the feelings of God’s children, of those whom the Lord has really blessed, or hear of them from the lips of one who has himself experienced the truth; when you hear of the rain and the dew falling upon their souls, and of the secret of the Lord resting upon their tabernacle, do not some of you feel an ardent desire that the Lord would bless you so too? That He would so make Himself known to you, that you might enjoy the same things in your heart by their being applied with power to your conscience?
Reading: Micah 7
To the reader…
Here is a short petition that may lie in your heart too: “Look Thou upon me.” Perhaps you scarcely dare to utter it. You know what you are: a guilty sinner, an unworthy backslider, one who deserves to be banished from God’s presence. And yet that sigh rises quietly in you again and again. Know, then, that such a prayer does not come out of a dead heart. No one prays like this before the Lord has quickened him.
When you hear from others of the rain and the dew falling upon their souls, do you become envious and full of longing? Do not let that longing weigh you down, but let it drive you to the Lord. He is kind and gentle to His children. Keep lying at His door with that one word: “Look Thou upon me.” Who knows whether He will not whisper in your heart too, “Fear not … thou art Mine.”
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
Mírame, y ten misericordia de mí, como acostumbras con los que aman Tu Nombre.
Salmo 119:132
“Mírame”: ¿no es ese el deseo de su alma? Usted no podría pronunciar esa oración si el Señor no le hubiera vivificado primero. Antes de poder pronunciar esa oración, debe poder creer que el Señor mira a Sus hijos. Debe tener en su corazón el deseo de que el Señor le bendiga y le favorezca a usted en particular. Debe estar destetado de toda justicia humana, sabiduría humana y fuerza humana, y volverse al Señor, para que Él le bendiga con la bendición que enriquece (Proverbios 10:22).
¿No ve cuán bondadoso y apacible es el Señor con Sus hijos? ¿No ve que ellos son el único pueblo en el mundo cuya suerte es digna de envidia? ¿No sube a veces quedamente de su corazón esta petición, quizá no en la letra pero sí en el sentido: “¡Oh, si me miraras! Aunque soy un vil miserable, aunque soy un pecador culpable, aunque soy un rebelde indigno, aunque soy un inmundo idólatra, aunque merezco ser desterrado de Tu presencia, aunque merezco ser hollado – ¡mírame, sin embargo! Esto es lo que mi alma desea: que me bendigas, que me muestres Tu misericordia, que derrames Tu amor en mi corazón, que me hables con Tus propios labios y susurres en mi corazón: ‘No temas … Mío eres tú’ (Isaías 43:1).”
Y cuando lee en la Palabra de Dios acerca de los sentimientos de los hijos de Dios, de aquellos a quienes el Señor ha bendecido de veras, u oye hablar de ellos de labios de alguien que ha experimentado él mismo la verdad; cuando oye de la lluvia y del rocío que caen sobre sus almas, y del secreto del Señor que reposa sobre su tienda, ¿no sienten algunos de ustedes un ardiente deseo de que el Señor les bendiga así también a ustedes? ¿De que Él se dé a conocer así a usted, para que pueda gozar en su corazón de las mismas cosas, al ser aplicadas con poder a su conciencia?
Lectura: Miqueas 7
Al lector…
He aquí una breve petición que quizá esté también en su corazón: “Mírame.” Tal vez apenas se atreve a pronunciarla. Sabe lo que es: un pecador culpable, un rebelde indigno, alguien que merece ser desterrado de la presencia de Dios. Y, sin embargo, ese suspiro sube quedamente en usted una y otra vez. Sepa, pues, que tal oración no sale de un corazón muerto. Nadie ora así antes de que el Señor le haya vivificado.
Cuando oye de otros acerca de la lluvia y el rocío que caen sobre sus almas, ¿se llena de envidia y de anhelo? No deje que ese anhelo le abata, sino que le impulse hacia el Señor. Él es bondadoso y apacible con Sus hijos. Siga postrado a Su puerta con esa sola palabra: “Mírame.” ¿Quién sabe si no le susurrará también a usted en el corazón: “No temas … Mío eres tú”?
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl
Door Baca's Vallei
Opdat Hij u bekend maakte, dat de mens niet alleen van het brood leeft, maar van alles, dat uit des Heeren mond uitgaat.
Deuteronomium 8:3
Dit is de grote les die wij moeten leren in onze woestijnreis, namelijk dat de mens niet alleen bij brood leeft, dat is bij die behoeften die de mens in de weg der voorzienigheid nodig heeft. Gode zij dank voor het brood dat Hij ons door Zijn vriendelijke hand toeschikt. Een eerlijk bestaan is een grote genade. In staat gesteld te worden, hetzij door handenarbeid, hetzij door te werken met ons verstand, onze gezinnen te onderhouden in een zekere mate van welstand, al is dit nu niet in grote overvloed, is een grote zegen. Maar God heeft bepaald dat Zijn volk niet bij brood alleen leven zal.
Zij zullen afgezonderd worden van de grote hoop mensen die alleen in een vleselijke weg leven, die geen zorg hebben over dingen die de aardse bezittingen te boven gaan, en bij wie de som van al hun gedachten en overleggingen is: „Wat zullen wij eten, en wat zullen wij drinken, en waarmede zullen wij ons kleden?”, en die nooit eens hoger zien dan hun beurs, hun dagelijkse werkzaamheid, hun zaken, en hoe zij hun huisgezinnen zullen onderhouden. De Heere heeft in het hart van Zijn volk een hoger leven geformeerd, een edeler beginsel, een hogere eetlust dan alleen bij brood te leven. Wij danken Hem voor Zijn voorzienigheid, maar prijzen Hem voor Zijn genade. Wij danken Hem voor ons dagelijks voedsel en kleding, maar deze dingen zijn alleen voor de tijd en bederven in het gebruik; maar Hij heeft ons voorzien van hetgeen voor een eeuwigheid geldt.
Wat bedoelt de Heere dan, waar de ziel op leven moet? „Op alle woord, dat uit des Heeren mond uitgaat.” Maar waar vinden wij deze woorden die uit des Heeren mond uitgaan? In de Schrift; dit is het voedsel der kerk. En meer bijzonder in de Schrift, toegepast aan het hart; in de woorden die het God behaagt door Goddelijke kracht in de ziel af te drukken, die wij uit Zijn dierbare mond ontvangen en die wij met een gelovige hand kunnen aannemen. Dit is het voedsel onzer ziel: de waarheid van God op ons hart toegepast en tot leven en geest gemaakt door Zijn eigen onderwijs en getuigenis.
En zie eens hoe groot en ruim hierin voorzien wordt. Zie door de gehele omtrek van Gods geopenbaarde Woord, en zie welk een voorraad daarin is opgelegd voor de kerk van God. Hoe moest dit ons aanzetten en bemoedigen om de Schrift te onderzoeken en na te speuren als naar verborgen schatten, om ze voortdurend te lezen, te mediteren, te zoeken in te gaan in de bedoeling Gods die daarin geopenbaard is, en er alzo voedsel voor onze ziel in te vinden! Indien wij ten volle overreed waren dat elk woord der Schrift uit Gods mond is voortgekomen en bedoeld is tot voedsel voor onze ziel, hoe zouden wij ze dan hoogachten, lezen en bestuderen!
Aan de lezer…
Weet u waar u van leeft? Dank de Heere voor het brood dat Hij u toeschikt, voor een eerlijk bestaan en voor kleding en voedsel; het is geen geringe genade. Maar zijn uw gedachten en overleggingen ook verder gekomen dan wat u eten en drinken zult? Of voelt u in uw woestijnreis een honger die geen brood stillen kan, een verlangen naar iets wat voor een eeuwigheid geldt?
Dan heeft de Heere in u een hoger leven geformeerd. Voor zulk een ziel ligt er een grote voorraad opgelegd in Zijn geopenbaarde Woord. Lees het, overdenk het, onderzoek het als naar verborgen schatten, en bid dat het God behage een woord met Goddelijke kracht in uw ziel af te drukken. Eén woord uit Zijn dierbare mond, met een gelovige hand aangenomen, is meer voedsel voor uw ziel dan al wat de wereld kan geven.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Opdat Hij u bekend maakte, dat de mens niet alleen van het brood leeft, maar van alles, dat uit des Heeren mond uitgaat.
Deuteronomium 8:3
Dit is de grote les die wij op onze woestijnreis moeten leren: dat de mens niet alleen van brood leeft, dat wil zeggen van de dingen die de mens langs de weg van de voorzienigheid nodig heeft. God zij gedankt voor het brood dat Hij ons met Zijn vriendelijke hand toebedeelt. Een eerlijk bestaan is een grote genade. Het is een grote zegen in staat gesteld te worden, door handenarbeid of door werk met ons verstand, onze gezinnen in een zekere mate van welstand te onderhouden, al is het dan niet in grote overvloed. Maar God heeft bepaald dat Zijn volk niet van brood alleen zal leven.
Zij zullen afgezonderd worden van de grote massa mensen die alleen op een vleselijke manier leven. Die mensen maken zich geen zorgen over dingen die boven aardse bezittingen uitgaan; de som van al hun gedachten en overleggingen is: „Wat zullen wij eten, en wat zullen wij drinken, en waarmede zullen wij ons kleden?” Zij kijken nooit eens verder dan hun beurs, hun dagelijkse werk, hun zaken, en hoe zij hun gezinnen zullen onderhouden. De Heere heeft in het hart van Zijn volk een hoger leven gevormd, een edeler beginsel, een hogere honger dan alleen van brood te leven. Wij danken Hem voor Zijn voorzienigheid, maar prijzen Hem voor Zijn genade. Wij danken Hem voor ons dagelijks voedsel en onze kleding, maar die dingen zijn alleen voor de tijd en vergaan door het gebruik; Hij heeft ons echter voorzien van wat voor eeuwig geldt.
Waarvan moet de ziel dan leven, volgens de Heere? „Op alle woord, dat uit des Heeren mond uitgaat.” Maar waar vinden wij deze woorden die uit de mond van de Heere uitgaan? In de Schrift; dat is het voedsel van de kerk. En in het bijzonder in de Schrift zoals die op het hart wordt toegepast: in de woorden die het God behaagt met Goddelijke kracht in de ziel te drukken, die wij uit Zijn dierbare mond ontvangen en met een gelovige hand kunnen aannemen. Dat is het voedsel van onze ziel: de waarheid van God, op ons hart toegepast en tot leven en geest gemaakt door Zijn eigen onderwijs en getuigenis.
En zie eens hoe groot en ruim hierin voorzien wordt. Kijk rond in heel Gods geopenbaarde Woord, en zie wat een voorraad daarin voor de kerk van God is weggelegd. Hoe zou dit ons moeten aansporen en bemoedigen om de Schrift te onderzoeken en te doorzoeken als naar verborgen schatten! Wij zouden haar voortdurend moeten lezen, overdenken, proberen in te dringen in de bedoeling van God die daarin geopenbaard is, en er zo voedsel voor onze ziel in vinden. Als wij er volkomen van overtuigd waren dat elk woord van de Schrift uit Gods mond is voortgekomen en bedoeld is als voedsel voor onze ziel, hoe hoog zouden wij haar dan achten, en hoe zouden wij haar lezen en bestuderen!
Aan de lezer…
Weet u waar u van leeft? Dank de Heere voor het brood dat Hij u toebedeelt, voor een eerlijk bestaan en voor kleding en voedsel; het is geen geringe genade. Maar zijn uw gedachten en overleggingen ook verder gekomen dan wat u zult eten en drinken? Of voelt u op uw woestijnreis een honger die geen brood kan stillen, een verlangen naar iets wat voor eeuwig geldt?
Dan heeft de Heere in u een hoger leven gevormd. Voor zo’n ziel ligt er een grote voorraad weggelegd in Zijn geopenbaarde Woord. Lees het, overdenk het, onderzoek het als naar verborgen schatten, en bid of het God behaagt een woord met Goddelijke kracht in uw ziel te drukken. Eén woord uit Zijn dierbare mond, met een gelovige hand aangenomen, is meer voedsel voor uw ziel dan alles wat de wereld kan geven.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
And He humbled thee, and suffered thee to hunger, and fed thee with manna, which thou knewest not, neither did thy fathers know; that He might make thee know that man doth not live by bread only, but by every word that proceedeth out of the mouth of the LORD doth man live.
Deuteronomy 8:3
This is the grand lesson which we have to learn in our wilderness journey—“that man does not live by bread alone,” that is, by those providential supplies which relieve our natural necessities. Thanks be to God for any bread that He gives us in His kind and bountiful providence. An honest living is a great mercy. To be enabled by the labor of our hands or by the labor of our brain to maintain our families and bring them up in a degree of comfort, if not abundance, is a great blessing.
But God has determined that His people shall not live by bread alone. They shall be separated from the mass of men who live in this carnal way only; who have no care beyond earthly possessions, and the sum of whose thoughts and desires is, what they shall eat, and what they shall drink, and with what they shall be clothed; who never look beyond the purse, the business, the daily occupation, the safe return, the profitable investment, and how to provide for themselves and their families.
God has planted in the breast of His people a higher life, a nobler principle, a more blessed appetite than to live upon bread alone. We bless Him for His providence, but we love Him for His grace. We thank Him for daily food and clothing, but these mercies are but for time, perishing in their very use, and He has provided us with that which is for eternity. What then does He mean the soul to live upon? “Upon every word that proceeds out of His mouth.”
But where do we find these words that proceed out of the mouth of God? In the Scriptures, which is the food of the Church, and especially in Scripture as applied to the heart, in the words that God is pleased to drop into the soul by a divine power, which we receive from His gracious mouth, and lay hold of with a believing hand. That is the food and nutriment of our soul; the truth of God applied to our heart and made life and spirit to our souls by His own teaching and testimony.
And see how large and ample the supply is. Look through the whole compass of God’s revealed Word, and see in it what a store there is of provision laid up for the Church of God. How this should both stimulate and encourage us to search the Scriptures as for hid treasure, to read them constantly, to meditate upon them, to seek to enter into the mind of God as revealed in them, and thus to find them to be the food of our soul. If we were fully persuaded that every word of the Scripture came out of God’s mouth, and was meant to feed our soul, how much more we would prize it, read, and study it.
To the reader…
Do you know what you live on? Thank the Lord for the bread He gives you, for an honest living and for clothing and food; that is no small mercy. But have your thoughts and desires ever gone further than what you shall eat and drink? Or do you feel, on your wilderness journey, a hunger that no bread can still, a longing for something that lasts for ever?
Then the Lord has formed a higher life in you. For such a soul a great store is laid up in His revealed Word. Read it, meditate on it, search it as for hidden treasure, and pray that it may please God to press a word into your soul with divine power. One word from His precious mouth, received with a believing hand, is more food for your soul than everything the world can give.
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
Y te afligió, e hizo tener hambre, y te sustentó con maná, comida que no conocías tú, ni tus padres la habían conocido; para hacerte saber que el hombre no vivirá de solo pan, mas de todo lo que sale de la boca de Jehová vivirá el hombre.
Deuteronomio 8:3
Esta es la gran lección que tenemos que aprender en nuestro viaje por el desierto: “que el hombre no vivirá de solo pan”, es decir, de aquellas provisiones de la providencia que alivian nuestras necesidades naturales. Gracias sean dadas a Dios por todo pan que nos da en Su bondadosa y generosa providencia. Un sustento honrado es una gran misericordia. Ser capacitados, por el trabajo de nuestras manos o por el trabajo de nuestra mente, para mantener a nuestras familias y criarlas con cierta comodidad, si no en abundancia, es una gran bendición.
Pero Dios ha determinado que Su pueblo no viva de solo pan. Ha de ser apartado de la masa de los hombres que viven solo de esta manera carnal; que no tienen otro cuidado que las posesiones terrenales, y cuya suma de pensamientos y deseos es qué comerán, qué beberán y con qué se vestirán; que nunca miran más allá del bolsillo, del negocio, de la ocupación diaria, del rendimiento seguro, de la inversión provechosa y de cómo proveer para sí mismos y para sus familias.
Dios ha plantado en el pecho de Su pueblo una vida más alta, un principio más noble, un apetito más bendito que el de vivir de solo pan. Le bendecimos por Su providencia, pero le amamos por Su gracia. Le damos gracias por el alimento y el vestido de cada día, pero estas misericordias son solo para el tiempo y perecen en su mismo uso, y Él nos ha provisto de lo que es para la eternidad. ¿De qué quiere, pues, que viva el alma? “De todo lo que sale de Su boca.”
Pero ¿dónde hallamos estas palabras que salen de la boca de Dios? En las Escrituras, que son el alimento de la Iglesia, y especialmente en la Escritura aplicada al corazón, en las palabras que a Dios le place dejar caer en el alma con poder divino, que recibimos de Su boca llena de gracia y asimos con mano creyente. Ese es el alimento y sustento de nuestra alma: la verdad de Dios aplicada a nuestro corazón y hecha espíritu y vida para nuestra alma por Su propia enseñanza y testimonio.
Y vea cuán grande y abundante es la provisión. Recorra todo el ámbito de la Palabra revelada de Dios, y vea en ella qué despensa de provisiones hay guardada para la Iglesia de Dios. ¡Cómo debería esto estimularnos y animarnos a escudriñar las Escrituras como quien busca tesoros escondidos, a leerlas constantemente, a meditar en ellas, a procurar entrar en la mente de Dios tal como se revela en ellas, y así hallar que son el alimento de nuestra alma! Si estuviéramos plenamente persuadidos de que cada palabra de la Escritura salió de la boca de Dios y está destinada a alimentar nuestra alma, ¡cuánto más la apreciaríamos, la leeríamos y la estudiaríamos!
Al lector…
¿Sabe usted de qué vive? Dé gracias al Señor por el pan que le da, por un sustento honrado y por el vestido y la comida; no es pequeña misericordia. Pero ¿han ido alguna vez sus pensamientos y deseos más allá de qué comerá y qué beberá? ¿O siente, en su viaje por el desierto, un hambre que ningún pan puede saciar, un anhelo de algo que dure para siempre?
Entonces el Señor ha formado en usted una vida más alta. Para tal alma hay una gran despensa guardada en Su Palabra revelada. Léala, medite en ella, escudríñela como quien busca tesoros escondidos, y pida que a Dios le plazca imprimir una palabra en su alma con poder divino. Una sola palabra de Su preciosa boca, recibida con mano creyente, es más alimento para su alma que todo lo que el mundo puede dar.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl