6 dagen geleden verschenen
Het gesprek van een gelovige met zijn ziel
Een uitleg van Psalm 42:12 als gesprek tussen David en zijn ziel: waarom de ziel terneergeslagen en onrustig is, waarom ze op God moet hopen en hoe die hoop uitloopt…
13 dagen geleden verschenen
Het woord van Gods genade
Een uitleg van Handelingen 20:32: Paulus beveelt de oudsten van Efeze aan God en aan het woord van Zijn genade. Alleen dat woord, door de Geest toegepast, bouwt de ziel…
2 weken geleden verschenen
Schatten in de duisternis
Uitleg van Jesaja 45:2,3 voor Gods kinderen: de Heere gaat voor hen uit, maakt kromme wegen recht, verbreekt koperen deuren en ijzeren grendels, geeft verborgen schatten en leert hen zo…
Verkrijgen en verliezen
Naar Prediker 3:6: een levende ziel verkrijgt geestelijke dingen, van kennis van God en van zichzelf tot geloof en vergeving, maar verliest ook haar eigen gerechtigheid en kracht. De preek…
Het schudden van wat gemaakt is en de vastheid van wat gegeven is
Over Hebreeën 12:27,28: wat gemaakt is, wordt geschud en weggenomen, wat God geeft blijft. Het Koninkrijk dat niet bewogen kan worden wordt door geloof ontvangen, door genade vastgehouden en draagt…
Korenaren Uit De Volle Oogst
Vertrouw op Hem te allen tijd, o gij volk! stort ulieder hart uit voor zijn aangezicht.
Psalm 62:9
Zijn wij niet somtijds in staat gesteld onze harten voor de troon der genade uit te storten en de Heere te zeggen wat wij werkelijk nodig hebben, waarom wij werkelijk vroegen, en Hem te zeggen dat wat Hij kan geven onze zielen zou bevredigen? Zulke tijden van toegang tot de God van genade zijn er geweest. En daarna hebben wij misschien de dingen vergeten waarvan wij tot Hem spraken; wij hebben geen acht gegeven op de gebeden die wij aan Zijn voeten hebben neergelegd; en ofschoon wij, in de tijd dat wij naar zekere zegeningen zochten, zeer ernstig waren, hebben wij ze alle aan ’s Heeren voeten laten liggen en ze vergeten. Maar de Heere vergeet ze niet; zij worden in Zijn hart en Zijn geheugen weggelegd; en te Zijner tijd brengt Hij ze weder aan het licht en brengt ze tot vervulling.
Maar vóór Hij dit doet, zal Hij ons daar ter plaatse brengen waar wij ze weer nodig hebben; en dan moeten wij het Hem weder zeggen en smeken en opnieuw vragen, misschien over onszelf beschaamd dat wij de Heere om die zegeningen gevraagd hebben en zo achteloos geweest zijn, als bekommerden wij er ons niet over ze uit Zijn hand te ontvangen; maar toch, onder moeite, onder zielsbehoeften, onder smart gaan wij weder tot Hem om ze Hem mede te delen. En dan brengt de Heere te Zijner tijd alle dingen te voorschijn die wij van Hem vroegen; opent wegen, verlost uit beproevingen, neemt lasten weg, baant een weg door de diepte, die geen ander oog dan het Zijne zien en geen hand dan de Zijne openen kan, leidt de ziel op en door die weg, en verbergt dan alle heerlijkheid van het schepsel door ons voor Zijn voeten te doen vallen en heerlijkheid, eer en macht en dankzegging en zaligheid te brengen aan God en het Lam.
Hij is, al treft u ’t felst verdriet,
uw wachter, die uw voet
voor wankelen behoedt.
Hij, Isrels Wachter, sluimert niet.
Geen kwaad zal u genaken:
de Heer zal u bewaken.
Ps. 121:2
Aan de lezer…
Misschien, lezer, hebt u eens met heel uw hart voor de Heere gelegen en Hem gezegd wat u werkelijk nodig had, en bent u het daarna vergeten, alsof het u niet meer aanging. Nu schaamt u zich over die achteloosheid. Ik ken dat; wij laten onze gebeden aan Zijn voeten liggen en gaan verder. Maar de Heere vergeet ze niet. Hij legt ze weg in Zijn hart en brengt ze te Zijner tijd tot vervulling.
Wonder dan niet als Hij u eerst weer in de nood brengt waar u die zegen opnieuw nodig hebt. Dan leert u het Hem weer zeggen, onder moeite en zielsbehoeften. Vertrouw op Hem te allen tijd en stort uw hart uit voor Zijn aangezicht. Hij baant een weg door de diepte die geen ander oog ziet, en eindelijk zult u aan Zijn voeten vallen om Hem alle eer te geven.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Vertrouw op Hem te allen tijd, o gij volk! stort ulieder hart uit voor zijn aangezicht.
Psalm 62:9
Zijn wij soms niet in staat gesteld om ons hart uit te storten voor de troon van de genade? Om de Heere te zeggen wat wij werkelijk nodig hebben en waarom wij werkelijk vroegen, en om Hem te zeggen dat wat Hij kan geven, onze zielen zou verzadigen? Zulke tijden van toegang tot de God van genade zijn er geweest. Daarna zijn wij misschien de dingen vergeten waarover wij met Hem spraken. Wij hebben niet meer gelet op de gebeden die wij aan Zijn voeten hebben neergelegd. En hoewel wij heel ernstig waren in de tijd dat wij bepaalde zegeningen zochten, hebben wij ze allemaal aan de voeten van de Heere laten liggen en zijn wij ze vergeten. Maar de Heere vergeet ze niet. Zij worden weggelegd in Zijn hart en in Zijn geheugen, en op Zijn tijd brengt Hij ze weer aan het licht en tot vervulling.
Maar voordat Hij dat doet, zal Hij ons op de plaats brengen waar wij ze opnieuw nodig hebben. Dan moeten wij het Hem weer zeggen, smeken en opnieuw vragen. Misschien schamen wij ons dan over onszelf, omdat wij de Heere om die zegeningen gevraagd hebben en toch zo achteloos geweest zijn, alsof het ons niet kon schelen of wij ze uit Zijn hand ontvingen. Maar toch gaan wij, onder moeite, onder nood van de ziel en onder smart, weer naar Hem toe om ze Hem voor te leggen.
En dan brengt de Heere op Zijn tijd alles tevoorschijn wat wij van Hem vroegen. Hij opent wegen, verlost uit beproevingen, neemt lasten weg en baant een weg door de diepte, die geen ander oog dan het Zijne kan zien en geen andere hand dan de Zijne kan openen. Hij leidt de ziel naar die weg en erdoorheen. En dan verbergt Hij alle heerlijkheid van het schepsel, doordat Hij ons aan Zijn voeten doet neervallen om heerlijkheid, eer, macht, dankzegging en zaligheid toe te brengen aan God en het Lam.
Hij is, al treft u ’t felst verdriet,
uw wachter, die uw voet
voor wankelen behoedt.
Hij, Isrels Wachter, sluimert niet.
Geen kwaad zal u genaken:
de Heer zal u bewaken.
Ps. 121:2
Aan de lezer…
Misschien, lezer, hebt u eens met heel uw hart voor de Heere gelegen en Hem gezegd wat u werkelijk nodig had, en bent u het daarna vergeten, alsof het u niet meer aanging. Nu schaamt u zich over die achteloosheid. Ik ken dat; wij laten onze gebeden aan Zijn voeten liggen en gaan verder. Maar de Heere vergeet ze niet. Hij legt ze weg in Zijn hart en brengt ze op Zijn tijd tot vervulling.
Verwonder u dan niet als Hij u eerst weer in de nood brengt waarin u die zegen opnieuw nodig hebt. Dan leert u het Hem weer zeggen, onder moeite en nood van de ziel. Vertrouw op Hem te allen tijd en stort uw hart uit voor Zijn aangezicht. Hij baant een weg door de diepte die geen ander oog ziet, en ten slotte zult u aan Zijn voeten vallen om Hem alle eer te geven.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Trust in him at all times; ye people, pour out your heart before him: God is a refuge for us.
Psalm 62:8
Have we not sometimes been enabled to pour out our hearts at a throne of grace, and tell the Lord what we really needed, what we really asked for, and tell Him that nothing but that which He alone could give would satisfy our souls? There have been such times of access to the God of grace. And afterwards perhaps we have forgotten the things we told Him of; we have been heedless of the prayers we laid at His feet; and though very earnest at the time in seeking after certain blessings, we left them at the Lord’s feet and forgot them all.
But the Lord does not forget them; they are treasured up in His heart and memory; and in His own time He brings them to light, and gives the fulfillment of them. But before He does it, He will bring us into the spot where we need them again; and then we have to tell Him, and supplicate and ask Him again, ashamed of ourselves perhaps that we should have asked the Lord for these blessings and been as heedless of them as though we did not care to receive them at His hand; but still, under trouble, under soul necessity, under grief, we go and tell Him again. And then the Lord, in His own time and way, brings about the very things we desired of Him; opens up ways, lifts out of trials, removes burdens, makes a way in the deep, which no eye but His could see, and no hand but His could open–leads the soul into it, brings the soul through it–and then hides all glory from the creature, by making us fall down before His feet, and ascribe glory and honor and power and thanksgiving and salvation unto God and the Lamb.
To the reader…
Perhaps you once lay before the Lord with all your heart and told Him what you really needed, and afterwards forgot it, as though it no longer concerned you. Now you are ashamed of that carelessness. I know it; we leave our prayers at His feet and go on our way. But the Lord does not forget them. He treasures them up in His heart and brings them to fulfilment in His own time.
Do not be surprised, then, if He first brings you back into the need in which you require that blessing again. Then you learn to tell Him once more, under trouble and soul necessity. Trust in Him at all times and pour out your heart before Him. He makes a way through the deep that no other eye can see, and in the end you will fall down at His feet to give Him all the glory.
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
Esperad en Él en todo tiempo, oh pueblos; derramad delante de Él vuestro corazón: Dios es nuestro amparo.
Salmo 62:8
¿No se nos ha concedido a veces derramar nuestro corazón ante el trono de la gracia, y decir al Señor lo que realmente necesitábamos, lo que realmente pedíamos, y decirle que nada sino aquello que solo Él podía dar satisfaría nuestras almas? Ha habido tales tiempos de acceso al Dios de toda gracia. Y después, quizá, hemos olvidado las cosas que Le dijimos; no hemos hecho caso de las oraciones que pusimos a Sus pies; y aunque fuimos muy fervientes en aquel momento al buscar ciertas bendiciones, las dejamos a los pies del Señor y las olvidamos todas.
Pero el Señor no las olvida; están guardadas como tesoro en Su corazón y en Su memoria; y a Su debido tiempo las saca a la luz y da su cumplimiento. Pero antes de hacerlo, nos llevará al lugar donde volvemos a necesitarlas; y entonces tenemos que decírselo, y suplicarle y pedirle otra vez, quizá avergonzados de nosotros mismos por haber pedido al Señor estas bendiciones y haber sido tan descuidados con ellas como si no nos importara recibirlas de Su mano; pero aun así, bajo la aflicción, bajo la necesidad del alma, bajo la pena, vamos y se lo decimos otra vez. Y entonces el Señor, a Su tiempo y a Su manera, lleva a cabo precisamente las cosas que deseábamos de Él; abre caminos, saca de las pruebas, quita cargas, hace un camino en lo profundo que ningún ojo sino el Suyo podía ver, y ninguna mano sino la Suya podía abrir; conduce al alma por él, la hace pasar a través de él; y luego esconde toda gloria de la criatura, haciéndonos caer a Sus pies y atribuir la gloria y la honra y el poder y la acción de gracias y la salvación a Dios y al Cordero.
Al lector…
Quizá usted estuvo una vez delante del Señor con todo su corazón y Le dijo lo que realmente necesitaba, y después lo olvidó, como si ya no le concerniera. Ahora se avergüenza de ese descuido. Lo conozco; dejamos nuestras oraciones a Sus pies y seguimos nuestro camino. Pero el Señor no las olvida. Él las guarda como tesoro en Su corazón y las lleva a cumplimiento a Su debido tiempo.
No se sorprenda, pues, si primero le lleva de nuevo a la necesidad en la que vuelve a requerir esa bendición. Entonces aprende a decírselo una vez más, bajo la aflicción y la necesidad del alma. Espere en Él en todo tiempo y derrame delante de Él su corazón. Él hace un camino a través de lo profundo que ningún otro ojo puede ver, y al final usted caerá a Sus pies para darle toda la gloria.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl
365 Dagen Met Philpot
Christus’ hemelvaart
Gij zijt opgevaren in de hoogte; Gij hebt de gevangenis gevankelijk gevoerd; Gij hebt gaven genomen om uit te delen onder de mensen; ja ook de wederhorigen, om bij U te wonen.
Psalm 68:19
Bij Gods kinderen, degenen die echt door Gods Geest zijn onderwezen, is het geweten week gemaakt. Zij kennen de gevangenis waarin de zonde hen gevangen houdt, en de moeilijkheden die zij veroorzaakt. Het is ons lot, als we kinderen Gods zijn, beproevingen en moeilijkheden te krijgen; en sommigen krijgen genoeg beproevingen om hen te doen zuchten en steunen, soms wel de ganse dag. Geen van deze beproevingen brengt ons echter tot zo’n dienstbaarheid, of drukt zo zwaar op onze geest, als de pijnlijke gevoelens die in het geweten teweeg worden gebracht door de dagelijkse werkingen van de zonde in het zinnelijke hart. Gesteund door de Heere kunnen we bezoekingen verdragen; maar ons verderfelijke hart berooft, in zijn opstandigheid, vuil en ontrouw, het geweten van vrede, omdat het tegen de Vader strijdt en de Geest bedroeft, en aldus een Drie-enige Heere Zijn gezicht doet verbergen en Zijn ongenoegen laat blijken.
Maar de Heere heeft de gevangenis gevangen genomen. De zonde zal ons niet verdoemen als we deel hebben aan de Zoon van God. Hij „heeft de overtreding gesloten”. O, dat het geloof Hem hierin zou kunnen volgen! „Zo is er dan nu geen verdoemenis voor degenen, die in Christus Jezus zijn, die niet naar het vlees wandelen, maar naar de Geest” (Rom. 8:1). „Want de zonde zal over u niet heersen; want gij zijt niet onder de wet, maar onder de genade” (Rom. 6:14). Wat een roemrijk pad, dat het geloof naar zijn opgevaren Heere opklimt!
Als het geloof wordt beoefend en levend is, is de opstanding en hemelvaart van Jezus geen dorre leerstelling, niet slechts een bot in het skelet, maar wordt die, door de ervaring, een heilig feest voor de ziel, vol merg en vet. Als we toch door het geloof de Heere des levens en der heerlijkheid ten hemel konden zien opvaren als de opgestane Middelaar, als de grote Hogepriester over het huis Gods, Die de gevangenis gevangen neemt – dat Hij de wet die vervloekt en verdoemt, de dood die ons met zo veel angst heeft vervuld en de zonde die ons zo vaak heeft doen zuchten en steunen, als Zijn overwonnen gevangenen meesleept – als we toch door het geloof de opgevaren Middelaar konden zien, en Hem die vijanden van onze ziel gevangen zien nemen, zou de hemelvaart geen dorre leerstelling zijn, maar zou zij in ons hart vallen als een regenbui, en op de verdorde ziel als dauw en regen neerkomen.
Lezen: Psalm 47
Aan de lezer…
Kind van God, wat drukt u het zwaarst? Misschien niet de zorgen van het leven, maar de dagelijkse werkingen van de zonde in uw eigen hart. U voelt hoe opstandigheid en ontrouw u de vrede ontroven, en u vreest dat de Heere Zijn aangezicht voor u verbergt. Een week geweten dat daaronder zucht, is geen teken dat u buiten staat; het is juist een kenmerk van wie door Gods Geest onderwezen zijn.
Maar zie op naar uw opgevaren Heere. Hij heeft de gevangenis gevankelijk gevoerd: de wet die vervloekt, de dood die beangstigt en de zonde die doet zuchten, sleept Hij mee als Zijn overwonnen gevangenen. „Zo is er dan nu geen verdoemenis voor degenen, die in Christus Jezus zijn.” Bid dan dat deze waarheid geen dorre leerstelling voor u blijft, maar als dauw en regen op uw verdorde ziel mag neerkomen.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Gij zijt opgevaren in de hoogte; Gij hebt de gevangenis gevankelijk gevoerd; Gij hebt gaven genomen om uit te delen onder de mensen; ja ook de wederhorigen, om bij U te wonen.
Psalm 68:19
Bij Gods kinderen, bij hen die werkelijk door Gods Geest onderwezen zijn, is het geweten week gemaakt. Zij kennen de gevangenschap waarin de zonde hen vasthoudt, en de moeiten die zij veroorzaakt. Het is ons deel, als we kinderen van God zijn, beproevingen en moeilijkheden te krijgen; en sommigen krijgen genoeg beproevingen om hen te doen zuchten en steunen, soms wel de hele dag. Maar geen van die beproevingen brengt ons in zo’n dienstbaarheid of drukt zo zwaar op onze geest als de pijnlijke gevoelens die in het geweten worden gewekt door de dagelijkse werkingen van de zonde in het zinnelijke hart. Met de steun van de Heere kunnen we bezoekingen verdragen. Maar ons verdorven hart berooft het geweten van vrede door zijn opstandigheid, vuilheid en ontrouw, omdat het tegen de Vader strijdt en de Geest bedroeft, en zo een Drie-enig Heere Zijn aangezicht doet verbergen en Zijn ongenoegen doet tonen.
Maar de Heere heeft de gevangenis gevangen genomen. De zonde zal ons niet verdoemen als we deel hebben aan de Zoon van God. Hij „heeft de overtreding gesloten”. O, mocht het geloof Hem hierin kunnen volgen! „Zo is er dan nu geen verdoemenis voor degenen, die in Christus Jezus zijn, die niet naar het vlees wandelen, maar naar de Geest” (Rom. 8:1). „Want de zonde zal over u niet heersen; want gij zijt niet onder de wet, maar onder de genade” (Rom. 6:14). Wat een roemrijk pad, waarlangs het geloof opklimt naar zijn opgevaren Heere!
Wanneer het geloof beoefend wordt en levend is, zijn de opstanding en hemelvaart van Jezus geen dorre leerstelling, niet slechts een bot in het geraamte, maar worden ze door de bevinding een heilig feestmaal voor de ziel, vol merg en vet. Konden we toch door het geloof de Heere van het leven en van de heerlijkheid ten hemel zien opvaren als de opgestane Middelaar, als de grote Hogepriester over het huis van God, Die de gevangenis gevangen neemt! Dan zouden we zien hoe Hij de wet die vervloekt en verdoemt, de dood die ons met zoveel angst heeft vervuld, en de zonde die ons zo vaak heeft doen zuchten en steunen, als Zijn overwonnen gevangenen meesleept. Konden we toch door het geloof de opgevaren Middelaar zien, en zien hoe Hij die vijanden van onze ziel gevangenneemt! Dan zou de hemelvaart geen dorre leerstelling zijn, maar zou zij als een regenbui in ons hart vallen en als dauw en regen neerkomen op de verdorde ziel.
Lezen: Psalm 47
Aan de lezer…
Kind van God, wat drukt u het zwaarst? Misschien niet de zorgen van het leven, maar de dagelijkse werkingen van de zonde in uw eigen hart. U voelt hoe opstandigheid en ontrouw u de vrede ontroven, en u vreest dat de Heere Zijn aangezicht voor u verbergt. Een week geweten dat daaronder zucht, is geen teken dat u buiten staat; het is juist een kenmerk van wie door Gods Geest onderwezen is.
Maar zie op naar uw opgevaren Heere. Hij heeft de gevangenis gevankelijk gevoerd: de wet die vervloekt, de dood die beangstigt en de zonde die doet zuchten, sleept Hij mee als Zijn overwonnen gevangenen. „Zo is er dan nu geen verdoemenis voor degenen, die in Christus Jezus zijn.” Bid dan dat deze waarheid voor u geen dorre leerstelling blijft, maar als dauw en regen op uw verdorde ziel mag neerkomen.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Thou hast ascended on high, Thou hast led captivity captive: Thou hast received gifts for men; yea, for the rebellious also, that the LORD God might dwell among them.
Psalm 68:18
In God’s children, in those who are really taught by God’s Spirit, the conscience is made tender. They know the captivity in which sin holds them, and the troubles it causes. It is our lot, if we are children of God, to have trials and difficulties; and some have trials enough to make them sigh and groan, sometimes all the day long. But none of those trials brings us into such bondage or weighs so heavily upon our spirit as the painful feelings raised in the conscience by the daily workings of sin in the carnal heart. With the Lord’s support we can bear afflictions. But our corrupt heart robs the conscience of peace by its rebellion, filthiness and unfaithfulness, because it fights against the Father and grieves the Spirit, and so causes a Triune Lord to hide His face and show His displeasure.
But the Lord has led captivity captive. Sin shall not condemn us if we have an interest in the Son of God. He has “finished the transgression.” Oh, that faith might follow Him in this! “There is therefore now no condemnation to them which are in Christ Jesus, who walk not after the flesh, but after the Spirit” (Rom. 8:1). “For sin shall not have dominion over you: for ye are not under the law, but under grace” (Rom. 6:14). What a glorious path, along which faith mounts up to its ascended Lord!
When faith is in exercise and alive, the resurrection and ascension of Jesus are no dry doctrine, not merely a bone in the skeleton, but through experience they become a holy feast for the soul, full of marrow and fatness. Oh, that we could by faith see the Lord of life and glory ascending into heaven as the risen Mediator, as the great High Priest over the house of God, leading captivity captive! Then we should see how He drags along as His conquered captives the law that curses and condemns, the death that has filled us with so much fear, and the sin that has so often made us sigh and groan.
Oh, that we could by faith see the ascended Mediator, and see how He takes captive those enemies of our soul! Then the ascension would be no dry doctrine, but would fall like a shower into our heart and come down as dew and rain upon the withered soul.
Reading: Psalm 47
To the reader…
Child of God, what weighs most heavily upon you? Perhaps not the cares of life, but the daily workings of sin in your own heart. You feel how rebellion and unfaithfulness rob you of peace, and you fear that the Lord is hiding His face from you. A tender conscience that sighs under this is no sign that you are outside; it is rather a mark of one who is taught by God’s Spirit.
But look up to your ascended Lord. He has led captivity captive: the law that curses, the death that frightens and the sin that makes you sigh, He drags along as His conquered captives. “There is therefore now no condemnation to them which are in Christ Jesus.” Pray, then, that this truth may not remain a dry doctrine to you, but may come down as dew and rain upon your withered soul.
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
Subiste a lo alto, cautivaste la cautividad, tomaste dones para los hombres, y también los rebeldes, para que habite entre ellos JAH Dios.
Salmo 68:18
En los hijos de Dios, en aquellos que son de veras enseñados por el Espíritu de Dios, la conciencia se hace tierna. Conocen el cautiverio en que el pecado los tiene y las angustias que causa. Es nuestra suerte, si somos hijos de Dios, tener pruebas y dificultades; y algunos tienen pruebas suficientes para hacerles suspirar y gemir, a veces todo el día. Pero ninguna de esas pruebas nos trae a tal servidumbre ni pesa tanto sobre nuestro espíritu como los sentimientos dolorosos que despiertan en la conciencia las obras diarias del pecado en el corazón carnal. Con el sostén del Señor podemos llevar las aflicciones. Pero nuestro corazón corrompido roba a la conciencia la paz por su rebelión, inmundicia e infidelidad, porque lucha contra el Padre y contrista al Espíritu, y así hace que un Señor Trino esconda Su rostro y muestre Su desagrado.
Pero el Señor ha cautivado la cautividad. El pecado no nos condenará si tenemos parte en el Hijo de Dios. Él ha venido “para acabar la prevaricación”. ¡Oh, que la fe Le siguiera en esto! “Ahora pues, ninguna condenación hay para los que están en Cristo Jesús, los que no andan conforme a la carne, mas conforme al espíritu” (Rom. 8:1). “Porque el pecado no se enseñoreará de vosotros; porque no estáis bajo la ley, sino bajo la gracia” (Rom. 6:14). ¡Qué camino glorioso, por el cual la fe sube a su Señor ascendido!
Cuando la fe está en ejercicio y viva, la resurrección y la ascensión de Jesús no son una doctrina seca, no meramente un hueso en el esqueleto, sino que por la experiencia llegan a ser un santo banquete para el alma, lleno de tuétano y grosura. ¡Oh, si pudiéramos por la fe ver al Señor de la vida y de la gloria subiendo al cielo como el Mediador resucitado, como el gran Sumo Sacerdote sobre la casa de Dios, cautivando la cautividad! Entonces veríamos cómo arrastra como Sus cautivos vencidos a la ley que maldice y condena, a la muerte que nos ha llenado de tanto temor y al pecado que tantas veces nos ha hecho suspirar y gemir.
¡Oh, si pudiéramos por la fe ver al Mediador ascendido, y ver cómo lleva cautivos a esos enemigos de nuestra alma! Entonces la ascensión no sería una doctrina seca, sino que caería como un aguacero en nuestro corazón y descendería como rocío y lluvia sobre el alma marchita.
Lectura: Salmo 47
Al lector…
Hijo de Dios, ¿qué es lo que más le pesa? Quizá no los afanes de la vida, sino las obras diarias del pecado en su propio corazón. Usted siente cómo la rebelión y la infidelidad le roban la paz, y teme que el Señor le esconda Su rostro. Una conciencia tierna que suspira bajo esto no es señal de que usted esté fuera; es más bien la marca de quien es enseñado por el Espíritu de Dios.
Pero mire arriba, a su Señor ascendido. Él ha cautivado la cautividad: la ley que maldice, la muerte que atemoriza y el pecado que le hace suspirar, los arrastra como Sus cautivos vencidos. “Ahora pues, ninguna condenación hay para los que están en Cristo Jesús.” Ore, pues, para que esta verdad no siga siendo para usted una doctrina seca, sino que descienda como rocío y lluvia sobre su alma marchita.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl
Door Baca's Vallei
Die Hij gezworen heeft ons te geven. Dat wij, verlost zijnde uit de hand onzer vijanden, Hem dienen zouden zonder vrees, in heiligheid en gerechtigheid voor Hem, al de dagen onzes levens.
Lukas 1:73, 74, 75
De grote zaak in alle ware godsdienst is om door de gezegende Geest gebracht te worden op die gelukkige plaats waar wij de levende God kunnen dienen, vrij van schuld, dienstbaarheid, donkerheid, twijfel en vrees, die menigmaal onze geest beheersen en de ergste vijanden zijn van de vrede onzer ziel. Doch ofschoon zij zulke vijanden zijn van alle ware vrede en blijdschap, toch worden zij door genade dienstbaar gemaakt tot ons geestelijk goed, om ons te overtuigen vanwaar onze hulp komen moet, om ons geheel te doen afzien van aller schepselen hulp en verwachting en om ons te brengen op de plaats waar de Heere die ziel in genade ontmoet, Zijn liefde in ons hart uitstort en ons brengt tot een dierbare Christus. Wij hebben geen reden de dienstbaarheid, de schuld en de wet te danken, nog minder de zonde en de duivel, voor al hun werk dat zij gedaan hebben, hetwelk de Heere ons ten beste heeft doen gedijen. En toch, zonder enige bevinding van deze dode werken en van de dienstbaarheid en schuld daaruit voortvloeiende, konden wij niet weten wat het was onze consciëntie gereinigd te zien door het bloed der besprenging, om de levende God te dienen. Derhalve zijn er redenen, en wijze redenen, aan de zijde Gods waarom Zijn kinderen aldus zouden gekweld en geplaagd worden.
Het is waar dat het niet de geopenbaarde wil van God is dat Zijn kinderen zo menige van hun dagen in donkerheid, twijfel en vrees zouden doorbrengen. Hij heeft ons een heerlijk Evangelie geschonken; Hij heeft ons in Jezus alles gegeven wat ons kan vertroosten; Hij heeft beloofd Zijn Heilige Geest te zenden om van Christus te getuigen, en heeft Zijn Woord vervuld met beloften en uitnodigingen die gepast zijn voor elke toestand waarin wij ons bevinden. En toch is Zijn verborgen wil en beoging dat wij in deze weg zouden geoefend en beproefd worden, dat wij zouden wandelen in dit pad van duisterheid en bittere droefheid, opdat wij de dierbare vrijheid van het Evangelie te meer zouden waarderen, te meer zouden leren kennen wie Christus is en wat Hij gedaan heeft om ons op te halen uit de diepte van de val, en wij ons te meer schuldenaar zouden weten aan de rijkdom van vrije en soevereine genade, en meer persoonlijk zouden mogen komen in de zegeningen van de Evangelieweldaden, onze ziel door Goddelijke kracht bekendgemaakt.
Aan de lezer…
Het kan zijn dat u al zovele dagen in duisternis, twijfel en vrees hebt doorgebracht, dat u nauwelijks meer gelooft dat het ooit anders kan worden. Het is niet de geopenbaarde wil van God dat Zijn kinderen zo leven. Hij heeft een heerlijk Evangelie gegeven, vol beloften en uitnodigingen voor elke toestand. Hij heeft gezworen Zijn volk te geven dat zij, verlost uit de hand hunner vijanden, Hem zouden dienen zonder vrees, in heiligheid en gerechtigheid, al de dagen huns levens.
En toch zijn die donkere wegen niet tevergeefs. Zij leren u vanwaar uw hulp moet komen; zij doen u afzien van alle schepselen; zij brengen u op de plaats waar de Heere u in genade ontmoet. Wie de dienstbaarheid en de schuld gekend heeft, weet later te beter wat het is de consciëntie gereinigd te zien door het bloed der besprenging. Blijf dan uitzien naar Christus. Uw duisternis is niet het laatste woord; Zijn eed staat vast.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Die Hij gezworen heeft ons te geven. Dat wij, verlost zijnde uit de hand onzer vijanden, Hem dienen zouden zonder vrees, in heiligheid en gerechtigheid voor Hem, al de dagen onzes levens.
Lukas 1:73, 74, 75
De grote zaak in alle ware godsdienst is door de gezegende Geest gebracht te worden op die gelukkige plaats waar we de levende God kunnen dienen, vrij van schuld, dienstbaarheid, duisternis, twijfel en vrees. Die beheersen vaak onze geest en zijn de ergste vijanden van de vrede van onze ziel. Maar hoewel zij zulke vijanden zijn van alle ware vrede en blijdschap, worden zij door genade toch dienstbaar gemaakt aan ons geestelijk welzijn. Zij overtuigen ons waar onze hulp vandaan moet komen, doen ons helemaal afzien van de hulp en verwachting van alle schepselen, en brengen ons op de plaats waar de Heere de ziel in genade ontmoet, Zijn liefde in ons hart uitstort en ons tot een dierbare Christus brengt. We hebben geen reden de dienstbaarheid, de schuld en de wet te danken, en nog minder de zonde en de duivel, voor al het werk dat zij gedaan hebben en dat de Heere ons ten goede heeft laten uitkomen. En toch zouden we zonder enige bevinding van deze dode werken, en van de dienstbaarheid en schuld die daaruit voortvloeien, niet kunnen weten wat het is ons geweten gereinigd te zien door het bloed der besprenging, om de levende God te dienen. Daarom zijn er aan Gods kant redenen, en wijze redenen, waarom Zijn kinderen zo gekweld en geplaagd worden.
Het is waar dat het niet de geopenbaarde wil van God is dat Zijn kinderen zoveel van hun dagen in duisternis, twijfel en vrees doorbrengen. Hij heeft ons een heerlijk Evangelie geschonken. Hij heeft ons in Jezus alles gegeven wat ons kan troosten. Hij heeft beloofd Zijn Heilige Geest te zenden om van Christus te getuigen, en Hij heeft Zijn Woord vervuld met beloften en uitnodigingen die passen bij elke toestand waarin we verkeren. En toch is het Zijn verborgen wil en bedoeling dat we op deze weg geoefend en beproefd worden, en dat we dit pad van duisternis en bittere droefheid gaan. Zo zullen we de dierbare vrijheid van het Evangelie des te meer waarderen en des te meer leren kennen wie Christus is en wat Hij gedaan heeft om ons op te halen uit de diepte van de val. Zo zullen we ook des te meer weten dat we schuldenaar zijn aan de rijkdom van vrije en soevereine genade, en zullen we meer persoonlijk mogen ingaan in de zegeningen van de weldaden van het Evangelie, die door Goddelijke kracht aan onze ziel bekendgemaakt worden.
Aan de lezer…
Het kan zijn dat u al zoveel dagen in duisternis, twijfel en vrees hebt doorgebracht, dat u nauwelijks meer gelooft dat het ooit anders kan worden. Het is niet de geopenbaarde wil van God dat Zijn kinderen zo leven. Hij heeft een heerlijk Evangelie gegeven, vol beloften en uitnodigingen voor elke toestand. Hij heeft gezworen Zijn volk te geven dat zij, verlost uit de hand van hun vijanden, Hem zouden dienen zonder vrees, in heiligheid en gerechtigheid, al de dagen van hun leven.
En toch zijn die donkere wegen niet tevergeefs. Zij leren u waar uw hulp vandaan moet komen; zij doen u afzien van alle schepselen; zij brengen u op de plaats waar de Heere u in genade ontmoet. Wie de dienstbaarheid en de schuld gekend heeft, weet later des te beter wat het is het geweten gereinigd te zien door het bloed der besprenging. Blijf dan uitzien naar Christus. Uw duisternis is niet het laatste woord; Zijn eed staat vast.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
That He would grant unto us, that we being delivered out of the hand of our enemies might serve Him without fear, in holiness and righteousness before Him, all the days of our life.
Luke 1:74–75
The grand point in all true religion is to be brought by the blessed Spirit into that happy spot where we can serve the living God free from that guilt, bondage, darkness, doubt, and fear which often possess our mind, and are the worst enemies of our soul’s peace. But though they are such enemies to all true peace and happiness, yet are they mercifully overruled for our spiritual good, to convince us from whence our help must come, to strip us thoroughly of all creature help and hope, and bring us to the spot where the Lord meets the soul in mercy, sheds abroad His love, and brings near a precious Christ.
We have no reason to thank bondage, guilt and the law, still less sin and Satan, for any work they have done which God has overruled for our good. And yet without some experience of these dead works and the bondage and guilt produced by them, we could not know what it was to have our conscience purged by the blood of sprinkling to serve the living God. There are reasons, therefore, and wise reasons on the part of God, why His children should be thus vexed and plagued.
It is not the ‘revealed’ will of God that His children should spend so many of their days in darkness, doubt, and fear. He has given us a glorious gospel; He has set before us in Jesus everything for our comfort and relief; He has promised to send His Holy Spirit to testify of Christ, and has filled His Word with promises and invitations suited to every case. And yet His ‘secret will and purpose’ are that we should be thus exercised and tried, and walk in this path of darkness and desolation, that we might value more the precious liberty of the gospel, know more of what Christ is, and what He has done to save us from the depths of the fall, be more deeply indebted to the riches of free and sovereign grace, and come more personally into the blessedness of gospel mercies as made known to our soul by a divine power.
To the reader…
It may be that you have already spent so many days in darkness, doubt and fear that you hardly believe any longer that it could ever be different. It is not the revealed will of God that His children should live like this. He has given a glorious gospel, full of promises and invitations for every condition. He has sworn to grant His people that they, being delivered out of the hand of their enemies, should serve Him without fear, in holiness and righteousness, all the days of their life.
And yet those dark ways are not in vain. They teach you where your help must come from; they make you look away from all creatures; they bring you to the place where the Lord meets you in mercy. Whoever has known bondage and guilt knows all the better afterwards what it is to have the conscience purged by the blood of sprinkling. Keep looking out for Christ, then. Your darkness is not the last word; His oath stands firm.
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
Que sin temor librados de nuestros enemigos, Le serviríamos en santidad y en justicia delante de Él, todos los días nuestros.
Lucas 1:74–75
El gran punto en toda religión verdadera es ser llevados por el bendito Espíritu a ese lugar feliz donde podemos servir al Dios vivo libres de esa culpa, servidumbre, oscuridad, duda y temor que a menudo se apoderan de nuestra mente y son los peores enemigos de la paz de nuestra alma. Pero aunque son tales enemigos de toda verdadera paz y felicidad, son sin embargo misericordiosamente dirigidos para nuestro bien espiritual: para convencernos de dónde ha de venir nuestra ayuda, para despojarnos por completo de toda ayuda y esperanza en la criatura, y para llevarnos al lugar donde el Señor sale al encuentro del alma en misericordia, derrama Su amor y acerca a un Cristo precioso.
No tenemos razón para agradecer a la servidumbre, la culpa y la ley, y menos aún al pecado y a Satanás, ninguna obra que hayan hecho y que Dios haya dirigido para nuestro bien. Y sin embargo, sin alguna experiencia de estas obras muertas y de la servidumbre y la culpa que producen, no podríamos saber lo que es tener la conciencia limpiada por la sangre del esparcimiento para servir al Dios vivo. Hay, pues, razones, y razones sabias por parte de Dios, por las cuales Sus hijos son así afligidos y atormentados.
No es la voluntad “revelada” de Dios que Sus hijos pasen tantos de sus días en oscuridad, duda y temor. Él nos ha dado un evangelio glorioso; ha puesto delante de nosotros en Jesús todo lo necesario para nuestro consuelo y alivio; ha prometido enviar Su Espíritu Santo para dar testimonio de Cristo, y ha llenado Su Palabra de promesas e invitaciones adecuadas a cada caso. Y sin embargo Su “voluntad y propósito secretos” son que seamos así ejercitados y probados, y andemos por esta senda de oscuridad y desolación, para que valoremos más la preciosa libertad del evangelio, conozcamos mejor lo que Cristo es y lo que ha hecho para salvarnos de las profundidades de la caída, estemos más profundamente endeudados con las riquezas de la gracia libre y soberana, y entremos más personalmente en la bienaventuranza de las misericordias del evangelio, tal como son dadas a conocer a nuestra alma por un poder divino.
Al lector…
Puede que haya pasado usted ya tantos días en oscuridad, duda y temor que apenas cree que alguna vez pueda ser distinto. No es la voluntad revelada de Dios que Sus hijos vivan así. Él ha dado un evangelio glorioso, lleno de promesas e invitaciones para toda condición. Ha jurado conceder a Su pueblo que, librados de la mano de sus enemigos, Le sirvan sin temor, en santidad y en justicia, todos los días de su vida.
Y sin embargo, esos caminos oscuros no son en vano. Le enseñan de dónde ha de venir su ayuda; le hacen apartar la mirada de toda criatura; le llevan al lugar donde el Señor le sale al encuentro en misericordia. Quien ha conocido la servidumbre y la culpa sabe tanto mejor después lo que es tener la conciencia limpiada por la sangre del esparcimiento. Siga, pues, buscando con la mirada a Cristo. Su oscuridad no es la última palabra; Su juramento permanece firme.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl