5 dagen geleden verschenen
Het gesprek van een gelovige met zijn ziel
Een uitleg van Psalm 42:12 als gesprek tussen David en zijn ziel: waarom de ziel terneergeslagen en onrustig is, waarom ze op God moet hopen en hoe die hoop uitloopt…
12 dagen geleden verschenen
Het woord van Gods genade
Een uitleg van Handelingen 20:32: Paulus beveelt de oudsten van Efeze aan God en aan het woord van Zijn genade. Alleen dat woord, door de Geest toegepast, bouwt de ziel…
2 weken geleden verschenen
Schatten in de duisternis
Uitleg van Jesaja 45:2,3 voor Gods kinderen: de Heere gaat voor hen uit, maakt kromme wegen recht, verbreekt koperen deuren en ijzeren grendels, geeft verborgen schatten en leert hen zo…
Verkrijgen en verliezen
Naar Prediker 3:6: een levende ziel verkrijgt geestelijke dingen, van kennis van God en van zichzelf tot geloof en vergeving, maar verliest ook haar eigen gerechtigheid en kracht. De preek…
Het schudden van wat gemaakt is en de vastheid van wat gegeven is
Over Hebreeën 12:27,28: wat gemaakt is, wordt geschud en weggenomen, wat God geeft blijft. Het Koninkrijk dat niet bewogen kan worden wordt door geloof ontvangen, door genade vastgehouden en draagt…
Korenaren Uit De Volle Oogst
En wordt deze wereld niet gelijkvormig, maar wordt veranderd door de vernieuwing uws gemoeds, opdat gij moogt beproeven welke de goede en welbehagelijke, en volmaakte wil van God zij.
Romeinen 12:2
Hoe zullen wij de wil Gods aannemelijk vinden? Alleen als wij veranderd zijn door de vernieuwing van ons gemoed, en veranderd en gemaakt zijn naar het beeld van de lijdende Zoon van God. Hoe vreselijk dus, hoe gevaarlijk en toch hoe verlokkelijk is die gelijkvormigheid aan de wereld, die ons geheel in strijd brengt met de goede en volmaakte wil van God, welke „welbehagelijk” was en is aan Zijn lieve Zoon, aan al de heilige engelen rondom Zijn troon, aan de geesten der volmaakt rechtvaardigen, aan Zijn geestelijk gezind volk op de aarde, en gehaat door duivelen, vleselijke en ongodsdienstige mensen.
En hoe zalig is het, ontvoerd te zijn aan de macht en de overheersende invloed van de geest dezer wereld, en, vervormd zijnde in de vorm van het Evangelie en vernieuwd in de geest, te tonen dat de wil van God niet alleen „goed, zuiver en volmaakt” is, Zijner heerlijke volmaaktheden waardig, maar welbehagelijk voor ons hart en onze liefde, die hem daarom aannemen en als het ware overbrengen in onze wil, zodat die twee één willen worden. Ons zover te brengen is het hoofddoel van de ganse tucht van het Evangelie; en men kan zeggen dat de grootste gehoorzaamheid des Evangelies is: geduldig zich in Zijn hand te stellen en geen andere wil te kennen dan de Zijne. Hier dus kunnen wij geheel ingaan in de schoonheid en de zaligheid van de waarheid van het Evangelie; hier alleen kunnen wij ons onderwerpen aan de last van een dagelijks kruis, roemen in de verdrukking, wandelen in gehoorzaamheid aan de voorschriften, en het pad bewandelen dat leidt tot eindeloze heerlijkheid.
Welzalig hij, die in der bozen raad
niet wandelt, noch op ’t pad der zondaars staat,
noch nederzit, waar zulken samenrotten,
die roekeloos met God en godsdienst spotten,
maar ’s Heeren wet blijmoedig dag en nacht
herdenkt, bepeinst en ijverig betracht.
Ps. 1:1
Aan de lezer…
Ziet u ook hoe verlokkelijk de wereld is, en hoe ongemerkt haar geest zich in ons hart nestelt? Zij trekt ons af van de wil van God en maakt ons Zijn weg zwaar en onaangenaam. Wij hoeven daarover niet te liegen: menigmaal willen wij liever onze eigen wil dan de Zijne. Daarom hebben wij niets minder nodig dan te worden veranderd door de vernieuwing van ons gemoed, en gemaakt naar het beeld van de lijdende Zoon van God.
Wat een zaligheid is het dan, als Zijn wil niet alleen goed en volmaakt in onze ogen is, maar ook welbehagelijk voor ons hart; als onze wil en de Zijne één worden. Dan wordt een dagelijks kruis draaglijk, en kan men zelfs roemen in de verdrukking. Zucht u daarnaar? Stel u dan geduldig in Zijn hand. Die het werk begonnen is, kan u leren geen andere wil te kennen dan de Zijne.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
En wordt deze wereld niet gelijkvormig, maar wordt veranderd door de vernieuwing uws gemoeds, opdat gij moogt beproeven welke de goede en welbehagelijke, en volmaakte wil van God zij.
Romeinen 12:2
Hoe zullen wij de wil van God aannemelijk vinden? Alleen als wij veranderd zijn door de vernieuwing van ons gemoed, en vernieuwd en gevormd zijn naar het beeld van de lijdende Zoon van God. Hoe vreselijk, hoe gevaarlijk en toch hoe verleidelijk is daarom die gelijkvormigheid aan de wereld. Zij brengt ons volledig in strijd met de goede en volmaakte wil van God. Die wil was en is „welbehagelijk” voor Zijn geliefde Zoon, voor alle heilige engelen rondom Zijn troon, voor de geesten van de volmaakte rechtvaardigen en voor Zijn geestelijk gezinde volk op aarde, maar hij wordt gehaat door duivels en door vleselijke en goddeloze mensen.
En hoe zalig is het om aan de macht en de overheersende invloed van de geest van deze wereld ontrukt te zijn! Hoe zalig om, naar het Evangelie omgevormd en in de geest vernieuwd, te laten zien dat de wil van God niet alleen „goed, zuiver en volmaakt” is en Zijn heerlijke volmaaktheden waardig, maar ook welbehagelijk voor ons hart en onze liefde. Die nemen hem daarom aan en brengen hem als het ware over in onze wil, zodat die twee één willen worden. Ons zover te brengen is het hoofddoel van heel de tucht van het Evangelie. Men kan zeggen dat de grootste gehoorzaamheid van het Evangelie is: zich geduldig in Zijn hand te stellen en geen andere wil te kennen dan de Zijne. Alleen hier kunnen wij dus volledig doordringen in de schoonheid en de zaligheid van de waarheid van het Evangelie. Alleen hier kunnen wij ons onderwerpen aan de last van een dagelijks kruis, roemen in de verdrukking, wandelen in gehoorzaamheid aan de geboden en het pad gaan dat leidt naar eindeloze heerlijkheid.
Welzalig hij, die in der bozen raad
niet wandelt, noch op ’t pad der zondaars staat,
noch nederzit, waar zulken samenrotten,
die roekeloos met God en godsdienst spotten,
maar ’s Heeren wet blijmoedig dag en nacht
herdenkt, bepeinst en ijverig betracht.
Ps. 1:1
Aan de lezer…
Ziet u ook hoe verleidelijk de wereld is, en hoe ongemerkt haar geest zich in ons hart nestelt? Zij trekt ons weg van de wil van God en maakt ons Zijn weg zwaar en onaangenaam. Wij hoeven daar niet over te liegen: vaak willen wij liever onze eigen wil dan de Zijne. Daarom hebben wij niets minder nodig dan veranderd te worden door de vernieuwing van ons gemoed, en gevormd te worden naar het beeld van de lijdende Zoon van God.
Wat een zaligheid is het dan als Zijn wil niet alleen goed en volmaakt is in onze ogen, maar ook welbehagelijk voor ons hart; als onze wil en de Zijne één worden. Dan wordt een dagelijks kruis draaglijk, en kunnen wij zelfs roemen in de verdrukking. Verlangt u daarnaar? Stel u dan geduldig in Zijn hand. Hij Die het werk begonnen is, kan u leren geen andere wil te kennen dan de Zijne.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
And be not conformed to this world: but be ye transformed by the renewing of your mind, that ye may prove what is that good, and acceptable, and perfect, will of God.
Romans 12:2
How shall we find the will of God acceptable? Only as we are renewed in the spirit of our mind, and are transformed and conformed to the suffering image of the sorrowing Son of God. How fearful, then, how dangerous, and yet how ensnaring is that worldly conformity which sets us in deadly opposition to that good and perfect will of God which was, and is “acceptable” to His dear Son, to all the holy angels round the throne, to the spirits of just men made perfect, to His spiritually-minded people on earth, and hateful to none but devils and carnal, ungodly men.
And how truly blessed to be brought out of the power and prevailing influence of this worldly spirit, and to be cast into the gospel mold, where, being renewed in the spirit of our mind, we prove that the will of God is not only “good,”—pure goodness; and “perfect,”—worthy of all His glorious perfections; but “acceptable”—to our heart and affections, which therefore tenderly embrace it, and thus, as it were, incorporate it into our will, making the two wills one. To bring us to this point is the grand object of all gospel discipline; and one may say that the ultimatum of gospel obedience is, “to lie passive in His hand, and know no will but His.”
Here then only can we fully enter into the beauty and blessedness of gospel truth; here only can we submit to the weight of a daily cross, glory in tribulation, patiently endure afflictions, feel the sweetness of the promises, walk in obedience to the precepts, and tread the path that leads to endless glory.
To the reader…
Do you also see how alluring the world is, and how unnoticed its spirit settles into our hearts? It draws us away from the will of God and makes His way heavy and unpleasant to us. We need not lie about it: often we would rather have our own will than His. That is why we need nothing less than to be transformed by the renewing of our mind, and to be conformed to the image of the suffering Son of God.
What blessedness it is, then, when His will is not only good and perfect in our eyes, but also acceptable to our heart; when our will and His become one. Then a daily cross becomes bearable, and we can even glory in tribulation. Do you long for that? Then place yourself patiently in His hand. He Who has begun the work can teach you to know no will but His.
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
No os conforméis a este siglo; mas reformaos por la renovación de vuestro entendimiento, para que experimentéis cuál sea la buena voluntad de Dios, agradable y perfecta.
Romanos 12:2
¿Cómo hallaremos agradable la voluntad de Dios? Solo a medida que somos renovados en el espíritu de nuestra mente, y transformados y conformados a la imagen sufriente del afligido Hijo de Dios. ¡Cuán temible, pues, cuán peligrosa y a la vez cuán engañosa es esa conformidad con el mundo que nos pone en oposición mortal a aquella buena y perfecta voluntad de Dios que era, y es, “agradable” a Su amado Hijo, a todos los santos ángeles alrededor del trono, a los espíritus de los justos hechos perfectos, a Su pueblo de mente espiritual en la tierra, y aborrecible solo para los demonios y para los hombres carnales e impíos!
¡Y cuán verdaderamente bienaventurado es ser sacado del poder y de la influencia dominante de este espíritu mundano, y ser vaciado en el molde del evangelio, donde, renovados en el espíritu de nuestra mente, experimentamos que la voluntad de Dios no solo es “buena”, pura bondad, y “perfecta”, digna de todas Sus gloriosas perfecciones, sino también “agradable” a nuestro corazón y a nuestros afectos, que por eso la abrazan con ternura y así, por decirlo así, la incorporan a nuestra voluntad, haciendo de las dos voluntades una sola! Llevarnos a este punto es el gran objetivo de toda la disciplina del evangelio; y se puede decir que la meta suprema de la obediencia evangélica es “yacer pasivos en Su mano, y no conocer otra voluntad que la Suya”.
Solo aquí, pues, podemos entrar plenamente en la belleza y la bienaventuranza de la verdad del evangelio; solo aquí podemos someternos al peso de una cruz diaria, gloriarnos en la tribulación, soportar con paciencia las aflicciones, sentir la dulzura de las promesas, andar en obediencia a los preceptos y recorrer la senda que conduce a la gloria sin fin.
Al lector…
¿Ve usted también cuán seductor es el mundo, y cuán inadvertidamente se asienta su espíritu en nuestro corazón? Nos aparta de la voluntad de Dios y nos hace pesado y desagradable Su camino. No necesitamos mentir al respecto: a menudo preferimos nuestra propia voluntad a la Suya. Por eso no necesitamos nada menos que ser transformados por la renovación de nuestro entendimiento y ser conformados a la imagen del Hijo de Dios que sufrió.
¡Qué bienaventuranza es, entonces, cuando Su voluntad no solo es buena y perfecta a nuestros ojos, sino también agradable a nuestro corazón; cuando nuestra voluntad y la Suya llegan a ser una sola! Entonces una cruz diaria se vuelve llevadera, y aun podemos gloriarnos en la tribulación. ¿Anhela usted eso? Póngase entonces con paciencia en Su mano. Aquel que ha comenzado la obra puede enseñarle a no conocer otra voluntad que la Suya.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl
365 Dagen Met Philpot
De gave van Christus
Onze Heere Jezus Christus, Die Zichzelf gegeven heeft voor onze zonden, opdat Hij ons trekken zou uit deze tegenwoordige boze wereld, naar de wil van onze God en Vader; Dewelke zij de heerlijkheid in alle eeuwigheid. Amen.
Galaten 1:3-5
Is Jezus Christus niet alle eer waardig? O, wat een heerlijk plan om de schuldige mens te redden zoals dat in de hemel werd bedacht en op aarde tot stand werd gebracht! O, wat een heerlijk plan van oneindige wijsheid om alle schijnbaar tegenstrijdige volmaaktheden van God bijeen te brengen in de redding van zulke ellendige, verdwaalde zondaars! O, heerlijke mogelijkheid, dat genade en waarheid elkaar ontmoeten in een lijdende Immanuël, dat vrede en gerechtigheid elkaar kussen boven het kruis op Golgotha; dat God rechtvaardig is en nochtans de mens van schuld vrijspreekt die in Jezus gelooft; en dit alles opdat de genade mag regeren door middel van rechtvaardigheid tot het eeuwige leven door Christus Jezus onze Heere; dat de zonde wordt vergeven en de zondaar vrijuit mag gaan, en dat nochtans Gods rechtvaardigheid niet wordt bezoedeld, maar eerder met dubbele luister voorwaarts straalt.
Is de Drie-enige HEERE alle eer dan niet waard die menigten geredde zondaren Zijn heilige Naam kunnen verlenen? Kan dat hart ooit Zijn genade hebben gesmaakt – kan die ziel ooit Zijn heerlijkheid hebben gezien – die met deze zegepralende toon niet instemt en, terwijl hij Hem de eer die Zijn Naam toekomt ontzegt, zegt: „Ere zij mijzelf; ere zij mijn eigen wijsheid, mijn eigen gerechtigheid en mijn eigen inspanningen”? Is dat een toon die in de hemel gehoord zal worden? Zal zelfgenoegzaamheid ooit haar dissonanten in het hemelse koor laten klinken?
Nee; zoals in de tempel: „Het geschiedde dan, als zij eenpariglijk trompetten en zongen, om een eenparige stem te laten horen, prijzende en lovende de Heere” (2 Kron. 5:13), zo zal het in de heilige voorhoven zijn als verloste zielen zich rond de troon verzamelen en uitroepen: „Ere, ere, ere, in alle eeuwigheid, zij de Vader, de Zoon en de Heilige Geest”; en de hemelgewelven zullen weerklinken met de overal gehoorde roep „Amen”.
Lezen: Openbaring 5
Aan de lezer…
Hier wordt u gevraagd wie de eer krijgt in uw hart. Het is zo gemakkelijk om in stilte iets voor onszelf te houden: een stukje eigen wijsheid, eigen gerechtigheid, eigen inspanning. Maar zou die toon in de hemel gehoord worden? Zou zelfgenoegzaamheid haar valse klanken in het hemelse koor laten horen? Nee, daar zal alleen de lof klinken van Hem Die zondaren redde.
En is Hij die lof niet waard? Bij het kruis op Golgotha hebben genade en waarheid elkaar ontmoet en hebben vrede en gerechtigheid elkaar gekust. Daar is God rechtvaardig gebleven en spreekt Hij toch de zondaar vrij die in Jezus gelooft. Kunt u daarbij stilstaan zonder dat uw hart begint te zingen? Leg dan vandaag uw eigen eer af, en stem in met de verlosten rondom de troon: „Ere zij de Vader, de Zoon en de Heilige Geest.” Op zulk een lofzang zegt de hemel „Amen”.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Onze Heere Jezus Christus, Die Zichzelf gegeven heeft voor onze zonden, opdat Hij ons trekken zou uit deze tegenwoordige boze wereld, naar de wil van onze God en Vader; Dewelke zij de heerlijkheid in alle eeuwigheid. Amen.
Galaten 1:3-5
Is Jezus Christus niet alle eer waardig? O, wat een heerlijk plan om de schuldige mens te redden, in de hemel bedacht en op aarde volbracht! O, wat een heerlijk plan van oneindige wijsheid, waarin alle schijnbaar tegenstrijdige deugden van God samenkomen in de redding van zulke ellendige, verdwaalde zondaars! O, heerlijke weg: dat genade en waarheid elkaar ontmoeten in een lijdende Immanuël, en vrede en gerechtigheid elkaar kussen boven het kruis op Golgotha; dat God rechtvaardig is en toch de mens die in Jezus gelooft van schuld vrijspreekt. En dat alles opdat de genade zou heersen door rechtvaardigheid tot het eeuwige leven door Christus Jezus, onze Heere; opdat de zonde vergeven wordt en de zondaar vrijuit gaat, en Gods gerechtigheid toch niet bezoedeld wordt, maar veeleer met dubbele luister naar voren straalt.
Is de Drie-enige HEERE dan niet alle eer waard die menigten verloste zondaren aan Zijn heilige Naam kunnen geven? Kan het hart ooit Zijn genade geproefd hebben, kan de ziel ooit Zijn heerlijkheid gezien hebben, die niet instemt met deze triomfantelijke toon, maar Hem de eer van Zijn Naam ontzegt en zegt: „Ere zij mijzelf; ere zij mijn eigen wijsheid, mijn eigen gerechtigheid en mijn eigen inspanningen”? Is dat een toon die in de hemel gehoord zal worden? Zal zelfgenoegzaamheid ooit haar valse klanken laten horen in het hemelse koor?
Nee. Zoals het in de tempel was: „Het geschiedde dan, als zij eenpariglijk trompetten en zongen, om een eenparige stem te laten horen, prijzende en lovende de Heere” (2 Kron. 5:13), zo zal het zijn in de heilige voorhoven, wanneer verloste zielen zich rondom de troon verzamelen en uitroepen: „Ere, ere, ere, in alle eeuwigheid, zij de Vader, de Zoon en de Heilige Geest”; en de hemelgewelven zullen weerklinken van het alom gehoorde „Amen”.
Lezen: Openbaring 5
Aan de lezer…
Hier wordt u gevraagd wie de eer krijgt in uw hart. Het is zo gemakkelijk om in stilte iets voor onszelf te houden: een stukje eigen wijsheid, eigen gerechtigheid, eigen inspanning. Maar zou die toon in de hemel gehoord worden? Zou zelfgenoegzaamheid haar valse klanken in het hemelse koor laten horen? Nee, daar zal alleen de lof klinken van Hem Die zondaren redde.
En is Hij die lof niet waard? Bij het kruis op Golgotha hebben genade en waarheid elkaar ontmoet en hebben vrede en gerechtigheid elkaar gekust. Daar is God rechtvaardig gebleven en spreekt Hij toch de zondaar vrij die in Jezus gelooft. Kunt u daarbij stilstaan zonder dat uw hart begint te zingen? Leg dan vandaag uw eigen eer af, en stem in met de verlosten rondom de troon: „Ere zij de Vader, de Zoon en de Heilige Geest.” Op zo’n lofzang zegt de hemel „Amen”.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Our Lord Jesus Christ, Who gave Himself for our sins, that He might deliver us from this present evil world, according to the will of God and our Father: to Whom be glory for ever and ever. Amen.
Galatians 1:3-5
Is not Jesus Christ worthy of all glory? Oh, what a glorious plan for saving guilty man, devised in heaven and accomplished on earth! Oh, what a glorious plan of infinite wisdom, in which all the seemingly conflicting attributes of God meet together in the salvation of such wretched, wandering sinners! Oh, glorious way: that mercy and truth meet together in a suffering Immanuel, and peace and righteousness kiss each other over the cross on Calvary; that God is just and yet the justifier of him who believes in Jesus.
And all this that grace might reign through righteousness unto eternal life by Jesus Christ our Lord; that sin may be pardoned and the sinner go free, and yet God’s justice not be tarnished, but rather shine forth with double lustre.
Is not the Triune JEHOVAH, then, worthy of all the glory that multitudes of redeemed sinners can give to His holy Name? Can the heart ever have tasted His grace, can the soul ever have seen His glory, that does not join in this triumphant strain, but denies Him the glory of His Name and says: “Glory be to myself; glory be to my own wisdom, my own righteousness and my own exertions”? Is that a note that will be heard in heaven? Will self-sufficiency ever sound its false notes in the heavenly choir?
No. As it was in the temple: “It came even to pass, as the trumpeters and singers were as one, to make one sound to be heard in praising and thanking the Lord” (2 Chron. 5:13), so it will be in the holy courts, when redeemed souls gather round the throne and cry out: “Glory, glory, glory, for ever and ever, to the Father, the Son and the Holy Ghost”; and the arches of heaven will ring with the universal “Amen.”
Reading: Revelation 5
To the reader…
Here you are asked who receives the glory in your heart. It is so easy to keep something back quietly for ourselves: a little of our own wisdom, our own righteousness, our own exertion. But would that note be heard in heaven? Would self-sufficiency sound its false notes in the heavenly choir? No, there only the praise of Him Who saved sinners will be heard.
And is He not worthy of that praise? At the cross on Calvary mercy and truth met together and peace and righteousness kissed each other. There God remained just and yet justifies the sinner who believes in Jesus. Can you dwell on that without your heart beginning to sing? Then lay aside your own glory today, and join with the redeemed around the throne: “Glory be to the Father, the Son and the Holy Ghost.” To such a song of praise heaven says “Amen.”
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
Nuestro Señor Jesucristo, el Cual se dio a Sí mismo por nuestros pecados para librarnos de este presente siglo malo, conforme a la voluntad de Dios y Padre nuestro; al Cual sea la gloria por siglos de siglos. Amén.
Gálatas 1:3-5
¿No es Jesucristo digno de toda gloria? ¡Oh, qué plan tan glorioso para salvar al hombre culpable, ideado en el cielo y realizado en la tierra! ¡Oh, qué plan tan glorioso de infinita sabiduría, en el que todos los atributos de Dios, en apariencia opuestos, se encuentran en la salvación de pecadores tan miserables y extraviados! ¡Oh, camino glorioso: que la misericordia y la verdad se encuentren en un Emanuel que padece, y que la justicia y la paz se besen sobre la cruz del Calvario; que Dios sea justo, y el que justifica al que es de la fe de Jesús!
Y todo esto para que la gracia reine por la justicia para vida eterna por Jesucristo Señor nuestro; para que el pecado sea perdonado y el pecador quede libre, y sin embargo la justicia de Dios no quede empañada, sino que más bien resplandezca con doble brillo.
¿No es, pues, el Trino JEHOVÁ digno de toda la gloria que multitudes de pecadores redimidos puedan dar a Su santo Nombre? ¿Puede el corazón haber gustado jamás Su gracia, puede el alma haber visto jamás Su gloria, y no unirse a este canto triunfal, sino negarle la gloria de Su Nombre y decir: “Gloria a mí mismo; gloria a mi propia sabiduría, a mi propia justicia y a mis propios esfuerzos”? ¿Es esa una nota que se oirá en el cielo? ¿Hará sonar jamás la suficiencia propia sus notas falsas en el coro celestial?
No. Como fue en el templo: “Sonaban, pues, las trompetas, y cantaban con la voz todos a una, para alabar y confesar a Jehová” (2 Crón. 5:13), así será en los atrios santos, cuando las almas redimidas se reúnan alrededor del trono y clamen: “Gloria, gloria, gloria, por siglos de siglos, al Padre, al Hijo y al Espíritu Santo”; y las bóvedas del cielo resonarán con el “Amén” universal.
Lectura: Apocalipsis 5
Al lector…
Aquí se le pregunta quién recibe la gloria en su corazón. Es tan fácil guardarnos algo en silencio para nosotros mismos: un poco de nuestra propia sabiduría, de nuestra propia justicia, de nuestro propio esfuerzo. Pero ¿se oiría esa nota en el cielo? ¿Haría sonar la suficiencia propia sus notas falsas en el coro celestial? No; allí solo se oirá la alabanza de Aquel que salvó a pecadores.
¿Y no es Él digno de esa alabanza? En la cruz del Calvario la misericordia y la verdad se encontraron, y la justicia y la paz se besaron. Allí Dios permaneció justo y, sin embargo, justifica al pecador que cree en Jesús. ¿Puede usted detenerse en ello sin que su corazón empiece a cantar? Deje hoy, pues, a un lado su propia gloria, y únase a los redimidos alrededor del trono: “Gloria al Padre, al Hijo y al Espíritu Santo”. A tal canto de alabanza el cielo dice “Amén”.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl
Door Baca's Vallei
De Heere zal genade en eer geven.
Psalm 84:12
Waar de Heere genade geeft, daar geeft Hij met de genade heerlijkheid. Daarom lezen wij: „En die Hij tevoren verordineerd heeft, dezen heeft Hij ook geroepen; en die Hij geroepen heeft, dezen heeft Hij ook gerechtvaardigd; en die Hij gerechtvaardigd heeft, dezen heeft Hij ook verheerlijkt.” Dus heeft Hij hen alreeds, zelfs terwijl zij hier op aarde zijn, deelgenoten gemaakt van Zijn heerlijkheid, en dit door hen deelgenoten te maken van Zijn genade. Want gelijk in de knop de bloesem is en in de bloesem de vrucht, zo is in de genade de bloesem der heerlijkheid in de knop. Want genade is begonnen heerlijkheid, en de heerlijkheid volgt op de genade.
Maar wat is heerlijkheid? Gezien als toekomende, in haar volle voltooiing, is het met Jezus te zijn in het Koninkrijk van eeuwige zegeningen, waar de tranen van alle aangezichten zullen afgewist zijn. Het is Hem te zien gelijk Hij is; Zijn heerlijk beeld gelijkvormig te zijn en verlost te zijn van alle zonde en smart; volkomen bevrijd van alle verzoekingen, beproevingen, lasten en ongemakken, en voor eeuwig te wonen in dat zalig land, waar geen inwoner zal zeggen: „Ik ben ziek.” Aldaar wordt niet gevonden een vermoeid lichaam, een belaste consciëntie, een ontrust gemoed, een uitgeputte en vermoeide geest. In één woord, daar zal men hebben een verheerlijkt lichaam, verenigd met een verheerlijkte ziel, en voor beide, ziel en lichaam, een volkomen blijdschap en heiligheid en zaligheid, zoveel als een onsterfelijke geest zal kunnen bevatten en een onsterfelijk lichaam zal kunnen verdragen. Daar zal men ten volle verzadigd worden met liefelijkheden aan Gods rechterhand.
Maar geen mens kan zich een gedachte vormen, noch een tong het uitspreken, waarin de natuur en volkomenheid van deze heerlijkheid bestaat; want geen oog heeft het gezien, noch een oor gehoord, noch in eens mensen hart is het opgeklommen, hetgeen God bereid heeft dien die Hem liefhebben. Zie, al deze heerlijkheid zal de Heere geven aan degenen die Hij hier bereids Zijn genade geschonken heeft. Hij geeft hun nu genade om hen door deze woeste wereld heen te helpen, door dit tranendal, dit toneel van verzoeking, zonde en smart; en wanneer Hij hen zal doen aanlanden op het hemels strand, dan zal Hij daar de volheid der heerlijkheid schenken. Dan zal ten volle des Verlossers bede en wil de vervulling krijgen: „Vader! Ik wil, dat waar Ik ben, ook die bij Mij zijn, die Gij Mij gegeven hebt; opdat zij Mijn heerlijkheid mogen aanschouwen, die Gij Mij gegeven hebt; want Gij hebt Mij liefgehad vóór de grondlegging der wereld” (Joh. 17:24).
Hun recht en aanspraak tot de genieting van deze gepredestineerde erfenis zijn en worden vast bewaard in de handen van hun Verbondshoofd, en Hij zal, zittende aan Gods rechterhand, hen in alle weg bewaren, zodat al hun verzoekingen, vijanden, zonden en droefenissen hen niet zullen kunnen verhinderen het strand te bereiken waar God bepaald heeft dat zij veilig zullen landen. Satan moge duizend strikken spannen om hen te verstrikken; er moge geen dag, nauwelijks een uur passeren dat zij niet gekweld worden door de inwonende zonde; duizenden begeerten mogen vanuit de diepte van hun vleselijk gemoed de kop opsteken en menige benauwing over schuld en beroering van vertwijfeling moge hen bij tijden geheel van het eeuwige leven schijnen af te snijden, nochtans zal de Heere, waar Hij genade gegeven heeft, de heerlijkheid schenken.
Want als Hij genade geeft met de linkerhand, geeft Hij heerlijkheid met de rechter. Ja, wij mogen zeggen dat Hij met beide handen op hetzelfde ogenblik genade en heerlijkheid geeft, want waar genade en heerlijkheid uit hetzelfde liefdevolle hart stromen en geschonken worden door dezelfde liefdragende Jehova, daar mag gezegd worden dat ze door beide handen en op één en dezelfde tijd geschonken worden. Een voorproefje van deze heerlijkheid wordt op aarde geschonken in elke ontdekking van Christus, gelijk de Heere spreekt: „En Ik heb hun de heerlijkheid gegeven, die Gij Mij gegeven hebt.” Alreeds gegeven. En dit deed Hij toen Hij Zijn heerlijkheid openbaarde; „en Zijn discipelen geloofden in Hem” (Joh. 17:22 en 2:11).
Aan de lezer…
Misschien gaat er nauwelijks een uur voorbij dat u niet gekweld wordt door de inwonende zonde, en schijnt menige benauwing u bij tijden geheel van het eeuwige leven af te snijden. Waarde lezer, hoor dan wat hier geschreven staat: de Heere zal genade en eer geven. Waar Hij genade geeft, daar geeft Hij ook heerlijkheid. Gelijk in de knop de bloesem is en in de bloesem de vrucht, zo ligt in de geringste genade al de heerlijkheid besloten.
Hij geeft u nu genade om door dit tranendal heen te komen, door dit toneel van verzoeking, zonde en smart. Uw recht op de erfenis ligt niet in uw eigen hand, maar wordt vast bewaard in de handen van uw Verbondshoofd aan Gods rechterhand. Satan moge strikken spannen, begeerten mogen de kop opsteken, maar zij zullen u niet verhinderen het strand te bereiken. Wat Zijn linkerhand begon, zal Zijn rechterhand voltooien.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
De Heere zal genade en eer geven.
Psalm 84:12
Waar de Heere genade geeft, daar geeft Hij met de genade heerlijkheid. Daarom lezen wij: „En die Hij tevoren verordineerd heeft, dezen heeft Hij ook geroepen; en die Hij geroepen heeft, dezen heeft Hij ook gerechtvaardigd; en die Hij gerechtvaardigd heeft, dezen heeft Hij ook verheerlijkt.” Zo heeft Hij hen al, zelfs terwijl zij hier op aarde zijn, deelgenoten gemaakt van Zijn heerlijkheid, en dat doordat Hij hen deelgenoten maakte van Zijn genade. Want zoals in de knop de bloesem zit en in de bloesem de vrucht, zo zit in de genade de bloesem van de heerlijkheid in de knop. Want genade is begonnen heerlijkheid, en de heerlijkheid volgt op de genade.
Maar wat is heerlijkheid? Gezien als iets toekomstigs, in haar volle voltooiing, is het met Jezus te zijn in het Koninkrijk van eeuwige zegeningen, waar de tranen van alle aangezichten afgewist zullen zijn. Het is Hem te zien zoals Hij is, gelijkvormig te zijn aan Zijn heerlijk beeld en verlost te zijn van alle zonde en smart. Het is volkomen bevrijd te zijn van alle verzoekingen, beproevingen, lasten en ongemakken, en voor eeuwig te wonen in dat zalige land waar geen inwoner zal zeggen: „Ik ben ziek.” Daar wordt niet gevonden: een vermoeid lichaam, een belast geweten, een onrustig gemoed, een uitgeputte en vermoeide geest. Kortom, daar zal men een verheerlijkt lichaam hebben, verenigd met een verheerlijkte ziel, en voor beide, ziel en lichaam, een volkomen blijdschap, heiligheid en zaligheid, zoveel als een onsterfelijke geest kan bevatten en een onsterfelijk lichaam kan verdragen. Daar zal men ten volle verzadigd worden met de liefelijkheden aan Gods rechterhand.
Maar geen mens kan zich voorstellen, en geen tong kan uitspreken, waarin de aard en volkomenheid van deze heerlijkheid bestaat; want geen oog heeft het gezien, geen oor gehoord, en in geen mensenhart is het opgekomen wat God bereid heeft voor hen die Hem liefhebben. Zie, al deze heerlijkheid zal de Heere geven aan hen aan wie Hij hier Zijn genade al geschonken heeft. Hij geeft hun nu genade om hen door deze woeste wereld heen te helpen, door dit tranendal, dit toneel van verzoeking, zonde en smart. En wanneer Hij hen laat aanlanden op het hemelse strand, dan zal Hij hun daar de volheid van de heerlijkheid schenken. Dan zal het gebed en de wil van de Verlosser ten volle vervuld worden: „Vader! Ik wil, dat waar Ik ben, ook die bij Mij zijn, die Gij Mij gegeven hebt; opdat zij Mijn heerlijkheid mogen aanschouwen, die Gij Mij gegeven hebt; want Gij hebt Mij liefgehad vóór de grondlegging der wereld” (Joh. 17:24).
Hun recht op en hun aanspraak op het genieten van deze voorbeschikte erfenis zijn en worden veilig bewaard in de handen van hun Verbondshoofd. Hij zit aan Gods rechterhand en zal hen op hun hele weg bewaren, zodat al hun verzoekingen, vijanden, zonden en droefheden hen niet kunnen verhinderen het strand te bereiken waar zij volgens Gods bepaling veilig zullen landen. Satan mag duizend strikken spannen om hen te vangen; er mag geen dag, nauwelijks een uur voorbijgaan zonder dat zij gekweld worden door de inwonende zonde; duizenden begeerten mogen uit de diepte van hun vleselijk gemoed de kop opsteken, en menige benauwdheid over schuld en onrust door wanhoop mag hen soms helemaal van het eeuwige leven lijken af te snijden; toch zal de Heere, waar Hij genade gegeven heeft, de heerlijkheid schenken.
Want als Hij genade geeft met de linkerhand, geeft Hij heerlijkheid met de rechter. Ja, wij mogen zeggen dat Hij met beide handen op hetzelfde ogenblik genade en heerlijkheid geeft. Want waar genade en heerlijkheid uit hetzelfde liefdevolle hart stromen en geschonken worden door dezelfde liefhebbende Jehovah, daar mag gezegd worden dat ze met beide handen en op één en dezelfde tijd geschonken worden. Een voorproefje van deze heerlijkheid wordt op aarde geschonken in elke ontdekking van Christus, zoals de Heere zegt: „En Ik heb hun de heerlijkheid gegeven, die Gij Mij gegeven hebt.” Al gegeven. En dat deed Hij toen Hij Zijn heerlijkheid openbaarde; „en Zijn discipelen geloofden in Hem” (Joh. 17:22 en 2:11).
Aan de lezer…
Misschien gaat er nauwelijks een uur voorbij zonder dat u gekweld wordt door de inwonende zonde, en lijkt menige benauwdheid u soms helemaal van het eeuwige leven af te snijden. Hoor dan wat hier geschreven staat: de Heere zal genade en eer geven. Waar Hij genade geeft, daar geeft Hij ook heerlijkheid. Zoals in de knop de bloesem zit en in de bloesem de vrucht, zo ligt in de geringste genade al de heerlijkheid besloten.
Hij geeft u nu genade om door dit tranendal heen te komen, door dit toneel van verzoeking, zonde en smart. Uw recht op de erfenis ligt niet in uw eigen hand, maar wordt veilig bewaard in de handen van uw Verbondshoofd aan Gods rechterhand. Satan mag strikken spannen en begeerten mogen de kop opsteken, maar zij zullen u niet verhinderen het strand te bereiken. Wat Zijn linkerhand begon, zal Zijn rechterhand voltooien.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
“The Lord will give grace and glory.”
Psalm 84:11
Wherever the Lord gives grace, He in and with that grace gives glory. We, therefore, read, “Moreover whom He did predestinate, them He also called; and whom He called, them He also justified; and whom He justified, them He also glorified.” Thus He has already made them, even while on earth, partakers of His glory; and this by making them partakers of His grace; for as in the bud is the bloom, and in the bloom the fruit, so in budding grace is blooming glory—grace being but glory begun, and glory being but grace finished.
But what is “glory?” Viewed as future, in its full consummation, it is to be with Jesus in realms of eternal bliss, where tears are wiped from off all faces; it is to see Him as He is; to be conformed to His glorious likeness; to be delivered from all sin and sorrow; to be perfectly free from all temptations, trials, burdens, and exercises, and to dwell forever in that happy land, “the inhabitants of which shall not say, I am sick;” where a weary body, a burdened conscience, a troubled heart, a faint and weary mind, are utterly and forever unknown.
In a word, it is to have a glorified body re-united to a glorified soul, and for both to be as full of happiness and holiness, bliss and blessedness, as an immortal spirit can hold, and an immortal frame can endure, drinking in to the full, with unutterable satisfaction but without satiety, the pleasures that are at God’s right hand for evermore.
But no human heart can conceive, nor human tongue unfold in what the nature and fullness of this glory consist; for “eye has not seen, nor ear heard, neither have entered into the heart of man, the things which God has prepared for those who love Him.” Yet all this glory will the Lord give to those upon whom He has already bestowed His grace. He gives them grace now, to bring them through this wilderness world, this valley of tears, this scene of temptation, sin, and sorrow; and when He lands them on that happy shore, He gives them there the fullness of His glory. Then will be fully accomplished the Redeemer’s prayer and will—“Father, I will that they also, whom Thou hast given Me, be with Me where I am; that they may behold My glory, which Thou hast given Me: for Thou lovedst Me before the foundation of the world” (John 17:24).
Their right and title to the enjoyment of this predestinated inheritance are securely lodged in the hands of their covenant Head; and He living at God’s right hand to save them to the uttermost, all their temptations, enemies, sins, and sorrows can never hinder them from reaching the shore on which God has decreed they shall safely land. Satan may spread a thousand snares to entangle their feet; not a day or scarcely an hour may pass that they are not burdened with indwelling sin; a myriad of lusts may start up in arms from the depths of their carnal mind; and many a pang of guilt and chill of despair may seem at times wholly to cut them off from eternal life.
But yet, where the Lord has given grace He will give glory; for when He gives grace with the left hand, He gives glory with the right; yes, we may say that with both hands He gives at once both grace and glory; for as grace and glory flow out of the same loving heart, and are given by the same loving God, they may be said to be given by both hands at one and the same time. A portion or foretaste of this glory is given on earth in every discovery of the glory of Christ; as the Lord speaks, “And the glory which Thou gavest Me I have given them”—already given them; and this He did when “He manifested forth His glory, and His disciples believed on Him” (John 17:22; 2:11).
To the reader…
Perhaps hardly an hour goes by without your being troubled by indwelling sin, and many a distress seems at times to cut you off altogether from eternal life. Then hear what is written here: the Lord will give grace and glory. Where He gives grace, He also gives glory. Just as the blossom lies in the bud and the fruit in the blossom, so the glory already lies enfolded in the least grace.
He gives you grace now to come through this valley of tears, through this scene of temptation, sin and sorrow. Your right to the inheritance does not lie in your own hand, but is kept safely in the hands of your covenant Head at God’s right hand. Satan may spread his snares and lusts may raise their heads, but they will not hinder you from reaching the shore. What His left hand began, His right hand will complete.
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
“Gracia y gloria dará Jehová.”
Salmo 84:11
Dondequiera que el Señor da gracia, en esa gracia y con ella da gloria. Por eso leemos: “Y a los que predestinó, a estos también llamó; y a los que llamó, a estos también justificó; y a los que justificó, a estos también glorificó.” Así Él ya los ha hecho, aun estando en la tierra, partícipes de Su gloria; y esto haciéndolos partícipes de Su gracia; porque así como en el capullo está la flor, y en la flor el fruto, así en la gracia que brota está la gloria que florece: la gracia no es sino gloria comenzada, y la gloria no es sino gracia acabada.
Pero ¿qué es la “gloria”? Considerada como futura, en su plena consumación, es estar con Jesús en las regiones de la dicha eterna, donde se enjugan las lágrimas de todos los rostros; es verle como Él es; ser conformados a Su gloriosa semejanza; ser librados de todo pecado y tristeza; estar perfectamente libres de todas las tentaciones, pruebas, cargas y ejercicios, y morar para siempre en aquella tierra dichosa, donde “no dirá el morador: Estoy enfermo”; donde un cuerpo cansado, una conciencia cargada, un corazón turbado, una mente desfallecida y fatigada son del todo y para siempre desconocidos.
En una palabra, es tener un cuerpo glorificado reunido con un alma glorificada, y que ambos estén tan llenos de felicidad y santidad, dicha y bienaventuranza, como un espíritu inmortal puede contener y un cuerpo inmortal puede soportar, bebiendo hasta la plenitud, con satisfacción indecible pero sin hastío, los deleites que hay a la diestra de Dios para siempre.
Pero ningún corazón humano puede concebir, ni lengua humana desplegar, en qué consisten la naturaleza y la plenitud de esta gloria; porque “cosas que ojo no vio, ni oreja oyó, ni han subido en corazón de hombre, son las que ha Dios preparado para aquellos que Le aman”. Sin embargo, toda esta gloria la dará el Señor a aquellos a quienes ya ha otorgado Su gracia. Les da gracia ahora para llevarlos a través de este mundo desierto, este valle de lágrimas, este escenario de tentación, pecado y tristeza; y cuando los deja en aquella orilla dichosa, les da allí la plenitud de Su gloria. Entonces se cumplirán plenamente la oración y la voluntad del Redentor: “Padre, aquellos que Me has dado, quiero que donde Yo estoy, ellos estén también conmigo; para que vean Mi gloria que Me has dado: por cuanto Me has amado desde antes de la constitución del mundo” (Juan 17:24).
Su derecho y título al goce de esta herencia predestinada están guardados con seguridad en las manos de su Cabeza del pacto; y viviendo Él a la diestra de Dios para salvarlos eternamente, todas sus tentaciones, enemigos, pecados y tristezas nunca podrán impedirles llegar a la orilla en la que Dios ha decretado que desembarcarán a salvo. Satanás puede tender mil lazos para enredar sus pies; quizá no pase un día, apenas una hora, sin que estén cargados con el pecado que mora en ellos; una miríada de concupiscencias puede alzarse en armas desde las profundidades de su mente carnal; y muchas punzadas de culpa y escalofríos de desesperación pueden parecer a veces cortarlos por completo de la vida eterna.
Pero aun así, donde el Señor ha dado gracia, dará gloria; porque cuando da gracia con la mano izquierda, da gloria con la derecha; sí, podemos decir que con ambas manos da a la vez gracia y gloria; porque, como la gracia y la gloria fluyen del mismo corazón amante y son dadas por el mismo Dios amante, puede decirse que son dadas con ambas manos al mismo tiempo. Una porción o anticipo de esta gloria se da en la tierra en cada descubrimiento de la gloria de Cristo; como dice el Señor: “Y Yo, la gloria que Me diste les he dado”, ya se la ha dado; y esto lo hizo cuando “manifestó Su gloria; y Sus discípulos creyeron en Él” (Juan 17:22; 2:11).
Al lector…
Quizá apenas pase una hora sin que le turbe el pecado que mora en usted, y muchas angustias parecen a veces cortarle por completo de la vida eterna. Escuche entonces lo que aquí está escrito: gracia y gloria dará Jehová. Donde Él da gracia, da también gloria. Así como la flor está en el capullo y el fruto en la flor, así la gloria está ya envuelta en la más pequeña gracia.
Él le da gracia ahora para atravesar este valle de lágrimas, este escenario de tentación, pecado y tristeza. Su derecho a la herencia no está en su propia mano, sino guardado con seguridad en las manos de su Cabeza del pacto, a la diestra de Dios. Satanás puede tender sus lazos y las concupiscencias pueden levantar la cabeza, pero no le impedirán llegar a la orilla. Lo que Su mano izquierda comenzó, Su mano derecha lo completará.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl