2 dagen geleden verschenen
Het gesprek van een gelovige met zijn ziel
Een uitleg van Psalm 42:12 als gesprek tussen David en zijn ziel: waarom de ziel terneergeslagen en onrustig is, waarom ze op God moet hopen en hoe die hoop uitloopt…
9 dagen geleden verschenen
Het woord van Gods genade
Een uitleg van Handelingen 20:32: Paulus beveelt de oudsten van Efeze aan God en aan het woord van Zijn genade. Alleen dat woord, door de Geest toegepast, bouwt de ziel…
2 weken geleden verschenen
Schatten in de duisternis
Uitleg van Jesaja 45:2,3 voor Gods kinderen: de Heere gaat voor hen uit, maakt kromme wegen recht, verbreekt koperen deuren en ijzeren grendels, geeft verborgen schatten en leert hen zo…
3 weken geleden verschenen
Verkrijgen en verliezen
Naar Prediker 3:6: een levende ziel verkrijgt geestelijke dingen, van kennis van God en van zichzelf tot geloof en vergeving, maar verliest ook haar eigen gerechtigheid en kracht. De preek…
Het schudden van wat gemaakt is en de vastheid van wat gegeven is
Over Hebreeën 12:27,28: wat gemaakt is, wordt geschud en weggenomen, wat God geeft blijft. Het Koninkrijk dat niet bewogen kan worden wordt door geloof ontvangen, door genade vastgehouden en draagt…
Korenaren Uit De Volle Oogst
Ik de Heere behoede die, alle ogenblik zal Ik hem bevochtigen, opdat de vijand hem niet bezoeke, zal Ik hem bewaren nacht en dag.
Jesaja 27:3
De Heere Jezus Christus, Die leeft aan Gods rechterhand, moet steeds Zijn overvloedige genade schenken, om uw ziel voor Hem levend te houden. Wanneer dat leven niet onderhouden wordt zonder die voortdurende toevloed van Zijn genade, kunt u niet bidden, of het Woord lezen of horen of bepeinzen met enig gevoel of enige vrucht. U kunt de Heere niet liefhebben en Zijn gezegende wegen; u kunt u aan Zijn rechtvaardige handelingen niet onderwerpen, of de roede horen en Hem, Die haar besteld heeft.
U kunt de troon naderen, maar uw hart is koud, beneveld en ongevoelig; uw geest bezwijkt onder het gewicht en de last van de beproevingen en moeilijkheden die u op uw weg ondervindt; ook bent u niet in staat iets te doen dat uzelf voldoet, of dat u denkt Gode te kunnen voldoen. Door deze smartelijke, maar heilzame lessen doet u de ervaring op dat u het leven van Christus zowel nodig hebt als de dood van Christus, zowel de opstanding van Christus als de kruisiging van Christus; zowel Christus als een altijd levende, altijd genadige, altijd verheerlijkte Middelaar, Die de volheid van Zijn liefde en kracht in uw ziel uitstort, als u Hem nodig had om aan het kruis ter verlossing te sterven.
Gewis, hoe hoog de nood mag gaan,
God zal zijns vijands kop verslaan;
die haar’ge schedel vellen,
die trots wat heilig is onteert
en, daar hij schuld met schuld vermeert,
zich tegen Hem durft stellen.
De Heer heeft zelf ons toegezeid:
„’k Zal u door macht en wijs beleid
uit Bazan weer doen komen.
U zullen, als op Mozes’ beê,
wanneer uw pad loopt door de zee,
geen golven overstromen.”
Ps. 68:11
Aan de lezer…
Hier is een woord voor de dagen waarin u niet kunt bidden, waarin het Woord u niets zegt en uw hart koud en beneveld is aan de troon der genade. U doet wat u kunt, en toch voldoet niets, uzelf niet en, zo meent u, God evenmin. Dat is een smartelijke les, maar een heilzame. Zij leert u dat u niet alleen Christus nodig hebt Die eens aan het kruis stierf, maar ook Christus Die nu leeft aan Gods rechterhand en u ieder ogenblik Zijn genade moet toevoeren.
Hoor dan wat Hij Zelf belooft: „Ik de Heere behoede die, alle ogenblik zal Ik hem bevochtigen, opdat de vijand hem niet bezoeke, zal Ik hem bewaren nacht en dag.” Uw leven hangt niet aan uw eigen vermogen, maar aan Zijn trouw. Bent u droog, Hij is de Bron. Bent u zwak, Hij bewaart nacht en dag. Kom dan met uw koude hart tot Hem, de altijd levende en altijd genadige Middelaar, en vraag of Hij de volheid van Zijn liefde in uw ziel wil uitstorten.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Ik de Heere behoede die, alle ogenblik zal Ik hem bevochtigen, opdat de vijand hem niet bezoeke, zal Ik hem bewaren nacht en dag.
Jesaja 27:3
De Heere Jezus Christus, Die leeft aan Gods rechterhand, moet steeds Zijn overvloedige genade schenken om uw ziel voor Hem levend te houden. Wanneer dat leven niet in stand gehouden wordt door die voortdurende toevoer van Zijn genade, kunt u niet bidden, of het Woord lezen, horen of overdenken met enig gevoel of enige vrucht. U kunt de Heere en Zijn gezegende wegen niet liefhebben. U kunt zich niet onderwerpen aan Zijn rechtvaardige handelingen, of de roede horen en Hem Die haar besteld heeft.
U kunt wel naar de troon gaan, maar uw hart is koud, beneveld en ongevoelig. Uw geest bezwijkt onder het gewicht en de last van de beproevingen en moeilijkheden die u op uw weg tegenkomt. Ook bent u niet in staat iets te doen waarmee u uzelf tevredenstelt, of waarvan u denkt dat het God kan behagen. Door deze smartelijke maar heilzame lessen leert u uit ervaring dat u het leven van Christus evenzeer nodig hebt als de dood van Christus, de opstanding van Christus evenzeer als de kruisiging van Christus. U hebt Christus nodig als een altijd levende, altijd genadige, altijd verheerlijkte Middelaar, Die de volheid van Zijn liefde en kracht in uw ziel uitstort, net zoals u Hem nodig had om aan het kruis te sterven tot uw verlossing.
Gewis, hoe hoog de nood mag gaan,
God zal zijns vijands kop verslaan;
die haar’ge schedel vellen,
die trots wat heilig is onteert
en, daar hij schuld met schuld vermeert,
zich tegen Hem durft stellen.
De Heer heeft zelf ons toegezeid:
„’k Zal u door macht en wijs beleid
uit Bazan weer doen komen.
U zullen, als op Mozes’ beê,
wanneer uw pad loopt door de zee,
geen golven overstromen.”
Ps. 68:11
Aan de lezer…
Hier is een woord voor de dagen waarin u niet kunt bidden, waarin het Woord u niets zegt en uw hart koud en beneveld is aan de troon der genade. U doet wat u kunt, en toch voldoet niets: uzelf niet en, zo meent u, God evenmin. Dat is een smartelijke les, maar een heilzame. Zij leert u dat u niet alleen Christus nodig hebt Die eens aan het kruis stierf, maar ook Christus Die nu leeft aan Gods rechterhand en u ieder ogenblik Zijn genade moet toevoeren.
Luister dan naar wat Hij Zelf belooft: „Ik de Heere behoede die, alle ogenblik zal Ik hem bevochtigen, opdat de vijand hem niet bezoeke, zal Ik hem bewaren nacht en dag.” Uw leven hangt niet af van uw eigen vermogen, maar van Zijn trouw. Bent u droog, Hij is de Bron. Bent u zwak, Hij bewaart nacht en dag. Kom dan met uw koude hart tot Hem, de altijd levende en altijd genadige Middelaar, en vraag of Hij de volheid van Zijn liefde in uw ziel wil uitstorten.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
I the Lord do keep it; I will water it every moment: lest any hurt it, I will keep it night and day.
Isaiah 27:3
The Lord Jesus Christ, Who lives at God’s right hand, has to send down supplies of His grace continually to keep your soul alive unto Himself. Without this life being kept up and maintained by these continual supplies of His grace, you cannot pray, or read, or hear the Word, or meditate with any feeling or profit. You cannot love the Lord and His blessed ways; you cannot submit to His righteous dealings; or hear the rod and Him Who appointed it. You may approach His throne, but your heart is cold, clouded, and unfeeling; your spirit sinks under the weight and burden of the trials and difficulties that are spread in your path; nor are you able to do anything that satisfies yourself, or that you think can satisfy God.
By these painful but profitable lessons, you are experimentally taught that you need the life of Christ as well as the death of Christ, the resurrection of Christ as much as the crucifixion of Christ; Christ as an ever-living, ever-gracious, ever-glorious Mediator, to send down supplies of His love and power into your soul, as much as you needed Him to die upon the cross for your redemption.
To the reader…
Here is a word for the days when you cannot pray, when the Word says nothing to you and your heart is cold and clouded at the throne of grace. You do what you can, and yet nothing satisfies: not yourself, and, so you think, not God either. That is a painful lesson, but a profitable one. It teaches you that you need not only Christ Who once died on the cross, but also Christ Who now lives at God’s right hand and must supply you with His grace every moment.
Listen, then, to what He Himself promises: “I the Lord do keep it; I will water it every moment: lest any hurt it, I will keep it night and day.” Your life does not depend on your own ability, but on His faithfulness. If you are dry, He is the Fountain. If you are weak, He keeps you night and day. Come to Him, then, with your cold heart, the ever-living and ever-gracious Mediator, and ask Him to pour the fullness of His love into your soul.
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
Yo Jehová la guardo, cada momento la regaré; guardaréla de noche y de día, porque nadie la visite.
Isaías 27:3
El Señor Jesucristo, que vive a la diestra de Dios, tiene que enviar continuamente provisiones de Su gracia para mantener viva su alma para Él. Sin que esta vida sea sostenida y mantenida por estas continuas provisiones de Su gracia, usted no puede orar, ni leer, ni oír la Palabra, ni meditar con algún sentimiento o provecho. No puede amar al Señor y Sus benditos caminos; no puede someterse a Sus justos tratos, ni oír la vara y a Aquel que la estableció. Puede acercarse a Su trono, pero su corazón está frío, nublado e insensible; su espíritu se hunde bajo el peso y la carga de las pruebas y dificultades que se extienden en su camino; y no puede hacer nada que le satisfaga a usted mismo, o que crea que pueda satisfacer a Dios.
Por estas lecciones dolorosas pero provechosas se le enseña por experiencia que necesita la vida de Cristo tanto como la muerte de Cristo, la resurrección de Cristo tanto como la crucifixión de Cristo; a Cristo como Mediador siempre vivo, siempre lleno de gracia, siempre glorioso, para enviar provisiones de Su amor y poder a su alma, tanto como necesitó que Él muriera en la cruz para su redención.
Al lector…
He aquí una palabra para los días en que no puede orar, en que la Palabra no le dice nada y su corazón está frío y nublado ante el trono de la gracia. Hace lo que puede, y sin embargo nada satisface: ni a usted mismo, ni, según piensa, tampoco a Dios. Es una lección dolorosa, pero provechosa. Le enseña que no solo necesita a Cristo que una vez murió en la cruz, sino también a Cristo que ahora vive a la diestra de Dios y debe proveerle de Su gracia en cada momento.
Escuche, pues, lo que Él mismo promete: “Yo Jehová la guardo, cada momento la regaré; guardaréla de noche y de día, porque nadie la visite”. Su vida no depende de su propia capacidad, sino de Su fidelidad. Si usted está seco, Él es la Fuente. Si está débil, Él le guarda de noche y de día. Venga, pues, con su corazón frío a Él, el Mediador siempre vivo y siempre lleno de gracia, y pídale que derrame la plenitud de Su amor en su alma.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl
365 Dagen Met Philpot
De zegen van Jozef
Jozef is een vruchtbare tak, een vruchtbare tak aan een fontein.
Genesis 49:22
Er zijn veel vruchten die waardeloos kunnen zijn, ja, erger nog, giftig. Een paar jaar geleden stond een man op een drukbelopen brug in een grote stad met een mand met vruchten in zijn handen die er erg verleidelijk uitzagen. Velen kochten ervan, en sommigen gingen naar huis en stierven. Wat had die man in zijn mand? De vruchten van de wolfskers, ofwel de „dodelijke nachtschade”, waarvan de bessen er als prachtige vruchten uitzien, maar ervan te eten betekent een wisse dood. Dus het is niet hoe de vruchten eruitzien (want het oog, tenzij deskundig, kan het goede niet van het kwade onderscheiden), wat ze tot goed en zuiver maakt. Er kunnen veel zogenaamde vruchten zijn die toch niet geschikt zijn om op de tafel van de koning te zetten.
Als dus de gezegende Geest over vruchten spreekt, en Jozef een „vruchtbare tak” noemt, bedoelt Hij vruchten die zijn voortgebracht door de genade Gods; vruchten die, gewogen op de weegschaal van het heiligdom, en beoordeeld door het nauwkeurig onderzoek van een onfeilbaar oog, die naam opeisen en ook verdienen. De enige vruchten die dus de naam waardig zijn, zijn die vruchten die door de Heilige Geest zijn voortgebracht, en die voortspruiten uit een levende verbintenis met Gods Zoon. En al de zogenaamde vruchten die niet voortkomen uit deze levende verbintenis, en die niet zijn voortgebracht door de werkingen en invloeden van de Heilige Geest in het hart – men mag ze noemen zoals men wil, maar God zal ze nooit op Zijn tafel leggen. Maar Jozef was „een vruchtbare tak”, aangezien de vruchten die hij droeg Gods eigen voortbrengselen waren.
Lezen: Genesis 49:22-26
Aan de lezer…
Kent u dat? U vraagt zich af hoe het staat met de vruchten in uw leven. Het is een ernstige vraag, want niet alles wat er mooi uitziet, is goed. De bessen van de wolfskers lokten velen, en wie ervan at, stierf. Zo kan er veel godsdienstigheid zijn die er voor mensenogen schoon uitziet, maar die God nooit op Zijn tafel zal leggen, omdat zij niet uit Hem is voortgekomen.
Laat dat u niet tot wanhoop drijven, maar tot de Bron. Jozef was een vruchtbare tak aan een fontein, en zijn vruchten waren Gods eigen voortbrengselen. Alleen wat de Heilige Geest werkt en wat voortspruit uit een levende verbintenis met Gods Zoon, houdt stand op de weegschaal van het heiligdom. Zoek dan niet in de eerste plaats meer vruchten, maar meer gemeenschap met Christus. Wie aan de fontein geplant staat, zal vrucht dragen; niet tot eigen eer, maar tot eer van Hem Die alles in hem werkt.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Jozef is een vruchtbare tak, een vruchtbare tak aan een fontein.
Genesis 49:22
Er zijn veel vruchten die waardeloos kunnen zijn, ja, erger nog, giftig. Een paar jaar geleden stond een man op een drukke brug in een grote stad met een mand vruchten in zijn handen die er heel verleidelijk uitzagen. Velen kochten ervan, en sommigen gingen naar huis en stierven. Wat had die man in zijn mand? De vruchten van de wolfskers, de „dodelijke nachtschade”, waarvan de bessen eruitzien als prachtige vruchten, maar wie ervan eet, gaat een zekere dood tegemoet. Het is dus niet het uiterlijk van de vruchten dat ze goed en zuiver maakt, want het oog kan, tenzij het deskundig is, het goede niet van het kwade onderscheiden. Er kunnen veel zogenaamde vruchten zijn die toch niet geschikt zijn om op de tafel van de koning te zetten.
Als de gezegende Geest dus over vruchten spreekt en Jozef een „vruchtbare tak” noemt, bedoelt Hij vruchten die door de genade van God zijn voortgebracht: vruchten die, gewogen op de weegschaal van het heiligdom en beoordeeld door het nauwkeurig onderzoek van een onfeilbaar oog, die naam opeisen en ook verdienen. De enige vruchten die die naam waard zijn, zijn dus de vruchten die door de Heilige Geest zijn voortgebracht en die voortspruiten uit een levende vereniging met Gods Zoon. En alle zogenaamde vruchten die niet uit deze levende vereniging voortkomen, en die niet voortgebracht zijn door de werkingen en invloeden van de Heilige Geest in het hart, mag men noemen zoals men wil, maar God zal ze nooit op Zijn tafel leggen. Maar Jozef was „een vruchtbare tak”, omdat de vruchten die hij droeg Gods eigen voortbrengselen waren.
Lezen: Genesis 49:22-26
Aan de lezer…
Kent u dat? U vraagt zich af hoe het staat met de vruchten in uw leven. Het is een ernstige vraag, want niet alles wat er mooi uitziet, is goed. De bessen van de wolfskers lokten velen, en wie ervan at, stierf. Zo kan er veel godsdienstigheid zijn die er voor mensenogen mooi uitziet, maar die God nooit op Zijn tafel zal leggen, omdat zij niet uit Hem is voortgekomen.
Laat dat u niet tot wanhoop drijven, maar naar de Bron. Jozef was een vruchtbare tak aan een fontein, en zijn vruchten waren Gods eigen voortbrengselen. Alleen wat de Heilige Geest werkt en wat voortspruit uit een levende vereniging met Gods Zoon, houdt stand op de weegschaal van het heiligdom. Zoek dan niet in de eerste plaats meer vruchten, maar meer gemeenschap met Christus. Wie aan de fontein geplant staat, zal vrucht dragen; niet tot eigen eer, maar tot eer van Hem Die alles in hem werkt.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Joseph is a fruitful bough, even a fruitful bough by a well.
Genesis 49:22
There are many fruits which may be worthless, yes, worse still, poisonous. A few years ago a man stood on a busy bridge in a great city with a basket of very tempting-looking fruit in his hands. Many bought of it, and some went home and died. What had that man in his basket? The fruit of the belladonna, the “deadly nightshade,” whose berries look like beautiful fruit, but whoever eats of them goes to certain death. It is therefore not the appearance of fruits that makes them good and wholesome, for the eye, unless it is skilled, cannot distinguish the good from the bad. There may be many so-called fruits which are yet not fit to be set upon the King’s table.
When, then, the blessed Spirit speaks of fruit and calls Joseph “a fruitful bough,” He means fruits brought forth by the grace of God: fruits which, weighed in the balance of the sanctuary and judged by the close scrutiny of an unerring eye, claim and also deserve that name. The only fruits worthy of the name, then, are those brought forth by the Holy Ghost and springing out of a living union with the Son of God. And all so-called fruits that do not come out of this living union, and that are not brought forth by the operations and influences of the Holy Ghost in the heart, men may call what they please, but God will never lay them upon His table. But Joseph was “a fruitful bough,” because the fruits he bore were God’s own productions.
Reading: Genesis 49:22-26
To the reader…
Do you know this? You ask yourself how it stands with the fruits in your life. It is a serious question, for not everything that looks fair is good. The berries of the deadly nightshade tempted many, and whoever ate of them died. So there may be much religiousness that looks fair in the eyes of men, but which God will never lay upon His table, because it did not come forth from Him.
Do not let that drive you to despair, but to the Source. Joseph was a fruitful bough by a well, and his fruits were God’s own productions. Only what the Holy Ghost works, and what springs from a living union with the Son of God, will stand in the balance of the sanctuary. Do not seek first of all more fruits, then, but more communion with Christ. Whoever is planted by the well will bear fruit; not to his own honour, but to the honour of Him Who works all in him.
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
Ramo fructífero José, ramo fructífero junto a fuente.
Génesis 49:22
Hay muchos frutos que pueden ser sin valor, sí, peor aún, venenosos. Hace algunos años un hombre estaba de pie en un puente concurrido de una gran ciudad con una cesta de frutos de aspecto muy tentador en las manos. Muchos le compraron, y algunos se fueron a casa y murieron. ¿Qué tenía aquel hombre en su cesta? El fruto de la belladona, la “hierba mortal”, cuyas bayas parecen hermosa fruta, pero quien come de ellas va a una muerte segura. Por tanto, no es la apariencia de los frutos lo que los hace buenos y sanos, porque el ojo, a menos que sea experto, no puede distinguir lo bueno de lo malo. Puede haber muchos llamados frutos que, sin embargo, no son dignos de ser puestos en la mesa del Rey.
Cuando, pues, el bendito Espíritu habla de fruto y llama a José “ramo fructífero”, se refiere a frutos producidos por la gracia de Dios: frutos que, pesados en la balanza del santuario y juzgados por el escrutinio minucioso de un ojo infalible, reclaman y también merecen ese nombre. Los únicos frutos dignos del nombre son, pues, los que produce el Espíritu Santo y que brotan de una unión viva con el Hijo de Dios. Y a todos los llamados frutos que no proceden de esta unión viva, y que no son producidos por las operaciones e influencias del Espíritu Santo en el corazón, los hombres pueden llamarlos como quieran, pero Dios nunca los pondrá en Su mesa. Mas José era “ramo fructífero”, porque los frutos que llevaba eran producción de Dios mismo.
Lectura: Génesis 49:22-26
Al lector…
¿Conoce usted esto? Se pregunta cómo están los frutos en su vida. Es una pregunta seria, porque no todo lo que parece hermoso es bueno. Las bayas de la belladona tentaron a muchos, y quien comió de ellas murió. Así puede haber mucha religiosidad que parece hermosa a los ojos de los hombres, pero que Dios nunca pondrá en Su mesa, porque no procedió de Él.
No deje que eso le lleve a la desesperación, sino a la Fuente. José era ramo fructífero junto a fuente, y sus frutos eran producción de Dios mismo. Solo lo que obra el Espíritu Santo, y lo que brota de una unión viva con el Hijo de Dios, resistirá en la balanza del santuario. No busque, pues, ante todo más frutos, sino más comunión con Cristo. Quien está plantado junto a la fuente dará fruto; no para su propia honra, sino para la honra de Aquel que lo obra todo en él.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl
Door Baca's Vallei
Want in Hem woont al de volheid der Godheid lichamelijk.
Kolossenzen 2:9
De tempel, gebouwd door Salomo te Jeruzalem, en de tabernakel, door Mozes opgericht in de woestijn, waren slechts zinnebeelden van de ware Tempel, de Heere van leven en heerlijkheid. De Heere Zelf zeide: „Breekt deze Tempel af en in drie dagen zal Ik haar weer oprichten.” Dit sprak Hij van Zijn eigen lichaam. Al de schoonheid en heerlijkheid van de tempel was derhalve maar figuurlijk; zij verbeeldden en schaduwden af de heerlijkheid van Immanuël, want „in Hem woont al de volheid der Godheid lichamelijk”. God de Zoon heeft een lichaam aangenomen, overeenkomstig die woorden in de veertigste psalm, door Paulus aangehaald in Hebr. 10: „Gij hebt Mij het lichaam toebereid”; een heilig lichaam, zonder zonde en zonder vlek. Volgens deze woorden: „Daarom dat Heilige, Dat uit u geboren zal worden, zal Gods Zoon genaamd worden.”
En niet slechts een heilig lichaam, maar dit verenigd met een heilige, vlekkeloze ziel. „Om de arbeid Zijner ziel zal Hij het zien en verzadigd worden.” „Mijn ziel is geheel bedroefd tot de dood toe” (Matth. 26:38). Dit heilig lichaam was verenigd met een heilige ziel, tezamen vormende Zijn vlekkeloze, menselijke natuur, waarmede de Zoon van God Zich verenigde, en alzo werd Hij de Godmens, Immanuël, God met ons. Het is deze heerlijke verborgenheid der godzaligheid, waarnaar een ziel uitziet en verlangt om ze te kennen.
Wij kunnen de zuivere Godheid niet nabijkomen; wij kunnen ze niet begrijpen; het is een verborgenheid, te hoog en te diep voor ons. „Want wie zal de onderzoekingen Gods vinden? Zij is als de hoogten der hemelen; wat kunt gij doen? dieper dan de hel; wat kunt gij weten?” (Job 11:7, 8). Doch wanneer God Zichzelf aan de kinderen der mensen bekendmaakt, dan maakt Hij Zich bekend door Zijn eniggeboren Zoon, de tweede Persoon in de heerlijke Godheid, Die in vereniging met Zichzelf het vlees en bloed der kinderen heeft aangenomen. En alzo kunnen wij, zoveel God ons het geloof schenkt, tot een onzichtbare God naderen door de zichtbare Godmens. Daarvan zegt Johannes: „Wij hebben Zijn heerlijkheid aanschouwd; de heerlijkheid als des Eniggeborenen van de Vader; vol van genade en waarheid.” „Niemand heeft ooit God gezien; de eniggeboren Zoon, Die in de schoot des Vaders is, Die heeft Hem ons verklaard.”
Wanneer derhalve Filippus tot Hem zeide: „Heere, toon ons de Vader en het is ons genoeg” (Joh. 14:8), zeide Jezus: „Ben Ik nu zo lange tijd bij ulieden en hebt gij Mij niet gekend, Filippus? Die Mij gezien heeft, die heeft de Vader gezien. En hoe zegt gij dan: Toon ons de Vader?” En waarom anders dan omdat Hij op een andere plaats zegt: „Ik en Mijn Vader zijn één”? De begeerte dan van iedere levende ziel (ik ben ervan overtuigd dat het mijn begeerte is, wanneer het de Heere behaagt het in mijn hart te werken) is om door de Geest van God geleid te worden tot een gemeenzame kennis van de Godmens; om te beschouwen de heerlijkheid Gods in Jezus Christus.
Om de Godheid te zien schijnen door de mensheid en ook de mensheid omhuld te zien met de heerlijkheid der Godheid. En alzo tot de Heere Jezus uit te gaan als een Hogepriester, Die volkomen zalig kan maken allen die door Hem tot God gaan. Om te mogen ervaren de nabijheid van toenadering tot de Vader door de Zoon Zijner liefde. En zo de zoete gemeenschap te mogen genieten met Immanuël, God met ons, God in onze natuur, God Zichzelf bekendmakende door het aannemen van ons vlees en bloed in vereniging met Zichzelf.
Aan de lezer…
Misschien voelt u zich ver van God, en is Hij voor u zo hoog en verborgen dat u niet weet hoe u Hem moet naderen. Dat is geen vreemde gewaarwording; de zuivere Godheid is te hoog en te diep voor ons: „wat kunt gij weten?” Maar zie, juist daarom heeft God Zich bekendgemaakt in Zijn eniggeboren Zoon, Die het vlees en bloed der kinderen heeft aangenomen. In Hem woont al de volheid der Godheid lichamelijk; in Hem is God met ons.
Zegt u in uw hart: „Heere, toon ons de Vader en het is ons genoeg”? Dan wijst de Heere u naar Zichzelf: „Die Mij gezien heeft, die heeft de Vader gezien.” Zoek dan geen andere weg tot God, maar ga uit tot de Heere Jezus als tot de Hogepriester, Die volkomen zalig kan maken allen die door Hem tot God gaan. Vraag de Geest dat Hij u Zijn heerlijkheid doet aanschouwen, vol van genade en waarheid. Daar vindt een verlegen ziel haar rust.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Want in Hem woont al de volheid der Godheid lichamelijk.
Kolossenzen 2:9
De tempel die Salomo in Jeruzalem bouwde, en de tabernakel die Mozes in de woestijn oprichtte, waren slechts zinnebeelden van de ware Tempel, de Heere van het leven en de heerlijkheid. De Heere Zelf zei: „Breekt deze Tempel af en in drie dagen zal Ik haar weer oprichten.” Dit zei Hij over Zijn eigen lichaam. Al de schoonheid en heerlijkheid van de tempel was dus alleen beeldspraak; zij beeldden de heerlijkheid van Immanuël uit en waren daar een schaduw van, want „in Hem woont al de volheid der Godheid lichamelijk”. God de Zoon heeft een lichaam aangenomen, overeenkomstig de woorden in de veertigste psalm, die Paulus aanhaalt in Hebr. 10: „Gij hebt Mij het lichaam toebereid”; een heilig lichaam, zonder zonde en zonder vlek. Zoals deze woorden zeggen: „Daarom dat Heilige, Dat uit u geboren zal worden, zal Gods Zoon genaamd worden.”
En niet alleen een heilig lichaam, maar dat verenigd met een heilige, vlekkeloze ziel. „Om de arbeid Zijner ziel zal Hij het zien en verzadigd worden.” „Mijn ziel is geheel bedroefd tot de dood toe” (Matth. 26:38). Dit heilig lichaam was verenigd met een heilige ziel; samen vormden zij Zijn vlekkeloze menselijke natuur, waarmee de Zoon van God Zich verenigde, en zo werd Hij de Godmens, Immanuël, God met ons. Het is deze heerlijke verborgenheid van de godzaligheid waarnaar een ziel uitziet en die zij verlangt te kennen.
Wij kunnen de zuivere Godheid niet naderen; wij kunnen haar niet begrijpen; het is een verborgenheid, te hoog en te diep voor ons. „Want wie zal de onderzoekingen Gods vinden? Zij is als de hoogten der hemelen; wat kunt gij doen? dieper dan de hel; wat kunt gij weten?” (Job 11:7, 8). Maar wanneer God Zichzelf aan de mensenkinderen bekendmaakt, dan maakt Hij Zich bekend door Zijn eniggeboren Zoon, de tweede Persoon in de heerlijke Godheid, Die het vlees en bloed van de kinderen in vereniging met Zichzelf heeft aangenomen. En zo kunnen wij, voor zover God ons het geloof schenkt, tot een onzichtbare God naderen door de zichtbare Godmens. Daarover zegt Johannes: „Wij hebben Zijn heerlijkheid aanschouwd; de heerlijkheid als des Eniggeborenen van de Vader; vol van genade en waarheid.” „Niemand heeft ooit God gezien; de eniggeboren Zoon, Die in de schoot des Vaders is, Die heeft Hem ons verklaard.”
Toen Filippus dan ook tot Hem zei: „Heere, toon ons de Vader en het is ons genoeg” (Joh. 14:8), zei Jezus: „Ben Ik nu zo lange tijd bij ulieden en hebt gij Mij niet gekend, Filippus? Die Mij gezien heeft, die heeft de Vader gezien. En hoe zegt gij dan: Toon ons de Vader?” En waarom anders dan omdat Hij op een andere plaats zegt: „Ik en Mijn Vader zijn één”? Daarom is de begeerte van iedere levende ziel (ik ben ervan overtuigd dat het mijn begeerte is, wanneer het de Heere behaagt die in mijn hart te werken) om door de Geest van God geleid te worden tot een vertrouwelijke kennis van de Godmens; om de heerlijkheid van God te aanschouwen in Jezus Christus.
Om de Godheid te zien schijnen door de mensheid heen, en ook de mensheid te zien omhuld met de heerlijkheid van de Godheid. En zo uit te gaan tot de Heere Jezus als tot een Hogepriester, Die volkomen zalig kan maken allen die door Hem tot God gaan. Om de nabijheid te mogen ervaren van het naderen tot de Vader door de Zoon van Zijn liefde. En zo de zoete gemeenschap te mogen genieten met Immanuël, God met ons, God in onze natuur, God Die Zichzelf bekendmaakt door ons vlees en bloed in vereniging met Zichzelf aan te nemen.
Aan de lezer…
Misschien voelt u zich ver van God, en is Hij voor u zo hoog en verborgen dat u niet weet hoe u Hem moet naderen. Dat is geen vreemd gevoel; de zuivere Godheid is te hoog en te diep voor ons: „wat kunt gij weten?” Maar zie, juist daarom heeft God Zich bekendgemaakt in Zijn eniggeboren Zoon, Die het vlees en bloed van de kinderen heeft aangenomen. In Hem woont al de volheid der Godheid lichamelijk; in Hem is God met ons.
Zegt u in uw hart: „Heere, toon ons de Vader en het is ons genoeg”? Dan wijst de Heere u naar Zichzelf: „Die Mij gezien heeft, die heeft de Vader gezien.” Zoek dan geen andere weg tot God, maar ga uit tot de Heere Jezus als tot de Hogepriester, Die volkomen zalig kan maken allen die door Hem tot God gaan. Vraag de Geest dat Hij u Zijn heerlijkheid laat aanschouwen, vol van genade en waarheid. Daar vindt een verlegen ziel haar rust.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
For in him dwelleth all the fulness of the Godhead bodily.
Colossians 2:9
The temple erected by Solomon in Jerusalem, and the tabernacle set up by Moses in the wilderness were but types of the true temple, the Lord of life and glory. The Lord Himself said, “Destroy this temple, and in three days I will raise it up,” speaking of His own body. All the beauty and glory of the temple were, therefore, figurative; they typified and shadowed forth the glory of Immanuel, for “in Him dwells all the fullness of the Godhead bodily.”
God the Son has taken to Himself a body, according to those words in the fortieth Psalm, as quoted by Paul (Hebrews 10:5)—“a body have you prepared Me;” a holy body, a sinless, spotless body. According to those words—“Therefore that holy one who shall be born of you shall be called the Son of God;” and not only a holy body, but united to it a holy, spotless soul. “He shall see of the travail of His soul, and be satisfied.” “My soul is exceeding sorrowful, even unto death” (Matthew 26:38). This holy body, as united with a holy soul, the two forming His spotless human nature, the Son of God took into union with Himself, and thus became the God-man, Immanuel, God with us.
It is this glorious mystery of godliness that a living soul pants to know. We cannot approach pure Godhead; we cannot understand it; it is a mystery too high and too deep for us; for who, “by searching, can find out God? It is as high as heaven; what can you do? deeper than hell; what can you know?” (Job 11:7, 8.) But when God would make Himself known to the children of men, He made Himself known by His only begotten Son, the second Person in the glorious Godhead, taking into union with Himself the flesh and blood of the children; and thus we can, so far as the Lord gives us faith, approach to an invisible God through the visible God-man; as John says, “We beheld His glory, the glory as of the only begotten of the Father, full of grace and truth.” “No man has seen God at any time—the only begotten Son Who is in the bosom of the Father, He has declared Him.”
And, therefore, when Philip said to Him (John 14:8), “Lord, show us the Father, and it suffices us;” Jesus said, “Have I been so long time with you, and yet have you not known Me, Philip? he that has seen Me has seen the Father; and how say you then, Show us the Father?” And why, but because as He says in another place, “I and My Father are one.”
The desire, then, of every living soul (I am sure it is my desire when the Lord is pleased to work it in my heart) is to be led by the Spirit of God into an acquaintance with the God-man; to behold the glory of God in Jesus Christ; to see the Godhead shining through the manhood, and yet to see the manhood veiling and yet deriving glory from the Godhead; and thus to come to Jesus as a High Priest that is able to save to the uttermost all that come unto God by Him; to feel nearness of access to the Father by approaching Him through the Son of His love; and thus to enjoy sweet communion with Immanuel, God with us, God in our nature, God making Himself known by taking our flesh and blood into union with Himself.
To the reader…
Perhaps you feel far from God, and He is to you so high and hidden that you do not know how to approach Him. That is no strange feeling; pure Godhead is too high and too deep for us: “what canst thou know?” But see, it is for this very reason that God has made Himself known in His only begotten Son, Who took on Himself the flesh and blood of the children. In Him dwells all the fullness of the Godhead bodily; in Him God is with us.
Do you say in your heart, “Lord, show us the Father, and it sufficeth us”? Then the Lord points you to Himself: “He that hath seen Me hath seen the Father.” Seek no other way to God, then, but go out to the Lord Jesus as to the High Priest Who is able to save to the uttermost all that come unto God by Him. Ask the Spirit to let you behold His glory, full of grace and truth. There a troubled soul finds its rest.
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
Porque en Él habita toda la plenitud de la divinidad corporalmente.
Colosenses 2:9
El templo que Salomón edificó en Jerusalén y el tabernáculo que Moisés levantó en el desierto no eran sino figuras del verdadero templo, el Señor de la vida y de la gloria. El Señor mismo dijo: “Destruid este templo, y en tres días lo levantaré”, hablando de Su propio cuerpo. Toda la belleza y la gloria del templo eran, por tanto, figurativas; prefiguraban y sombreaban la gloria de Emmanuel, porque “en Él habita toda la plenitud de la divinidad corporalmente”.
Dios el Hijo ha tomado para Sí un cuerpo, conforme a aquellas palabras del Salmo cuarenta, citadas por Pablo (Hebreos 10:5): “Mas Me apropiaste cuerpo”; un cuerpo santo, un cuerpo sin pecado y sin mancha. Conforme a aquellas palabras: “Por lo cual también lo Santo que nacerá, será llamado Hijo de Dios”; y no solo un cuerpo santo, sino unida a él un alma santa y sin mancha. “Del trabajo de Su alma verá y será saciado.” “Mi alma está muy triste hasta la muerte” (Mateo 26:38). Este cuerpo santo, unido a un alma santa, formando ambos Su naturaleza humana sin mancha, el Hijo de Dios lo tomó en unión consigo mismo, y así llegó a ser el Dios-hombre, Emmanuel, Dios con nosotros.
Es este glorioso misterio de la piedad lo que un alma viviente anhela conocer. No podemos acercarnos a la pura Divinidad; no podemos entenderla; es un misterio demasiado alto y demasiado profundo para nosotros; porque “¿alcanzarás tú el rastro de Dios? Es más alto que los cielos: ¿qué harás? Es más profundo que el infierno: ¿cómo lo conocerás?” (Job 11:7, 8). Pero cuando Dios quiso darse a conocer a los hijos de los hombres, se dio a conocer por Su Hijo unigénito, la segunda Persona de la gloriosa Divinidad, que tomó en unión consigo mismo la carne y la sangre de los hijos; y así podemos, en la medida en que el Señor nos da fe, acercarnos a un Dios invisible por medio del Dios-hombre visible; como dice Juan: “Vimos Su gloria, gloria como del Unigénito del Padre, lleno de gracia y de verdad.” “A Dios nadie le vio jamás: el unigénito Hijo, que está en el seno del Padre, Él le declaró.”
Y por eso, cuando Felipe Le dijo (Juan 14:8): “Señor, muéstranos el Padre, y nos basta”, Jesús le dijo: “¿Tanto tiempo ha que estoy con vosotros, y no Me has conocido, Felipe? El que Me ha visto, ha visto al Padre; ¿cómo pues dices tú: Muéstranos el Padre?” ¿Y por qué, sino porque, como dice en otro lugar, “Yo y el Padre una cosa somos”?
El deseo, pues, de toda alma viviente (estoy seguro de que es mi deseo cuando al Señor le place obrarlo en mi corazón) es ser llevada por el Espíritu de Dios a conocer al Dios-hombre; contemplar la gloria de Dios en Jesucristo; ver la Divinidad resplandeciendo a través de la humanidad, y sin embargo ver la humanidad velándola y a la vez recibiendo gloria de la Divinidad; y así venir a Jesús como a un Sumo Sacerdote que puede salvar eternamente a los que por Él se allegan a Dios; sentir cercanía de acceso al Padre acercándonos a Él por medio del Hijo de Su amor; y así gozar de dulce comunión con Emmanuel, Dios con nosotros, Dios en nuestra naturaleza, Dios que se da a conocer tomando en unión consigo mismo nuestra carne y nuestra sangre.
Al lector…
Quizá usted se siente lejos de Dios, y Él le es tan alto y escondido que no sabe cómo acercarse a Él. No es un sentimiento extraño; la pura Divinidad es demasiado alta y demasiado profunda para nosotros: “¿cómo lo conocerás?” Pero vea: precisamente por eso Dios se ha dado a conocer en Su Hijo unigénito, que tomó sobre Sí la carne y la sangre de los hijos. En Él habita toda la plenitud de la divinidad corporalmente; en Él Dios está con nosotros.
¿Dice usted en su corazón: “Señor, muéstranos el Padre, y nos basta”? Entonces el Señor le señala a Sí mismo: “El que Me ha visto, ha visto al Padre.” No busque, pues, otro camino a Dios, sino salga hacia el Señor Jesús como al Sumo Sacerdote que puede salvar eternamente a los que por Él se allegan a Dios. Pida al Espíritu que le haga contemplar Su gloria, llena de gracia y de verdad. Allí halla descanso un alma turbada.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl