January 22
Want in Hem woont al de volheid der Godheid lichamelijk.
Kolossenzen 2:9
De tempel, gebouwd door Salomo te Jeruzalem, en de tabernakel, door Mozes opgericht in de woestijn, waren slechts zinnebeelden van de ware Tempel, de Heere van leven en heerlijkheid. De Heere Zelf zeide: „Breekt deze Tempel af en in drie dagen zal Ik haar weer oprichten.” Dit sprak Hij van Zijn eigen lichaam. Al de schoonheid en heerlijkheid van de tempel was derhalve maar figuurlijk; zij verbeeldden en schaduwden af de heerlijkheid van Immanuël, want „in Hem woont al de volheid der Godheid lichamelijk”. God de Zoon heeft een lichaam aangenomen, overeenkomstig die woorden in de veertigste psalm, door Paulus aangehaald in Hebr. 10: „Gij hebt Mij het lichaam toebereid”; een heilig lichaam, zonder zonde en zonder vlek. Volgens deze woorden: „Daarom dat Heilige, Dat uit u geboren zal worden, zal Gods Zoon genaamd worden.”
En niet slechts een heilig lichaam, maar dit verenigd met een heilige, vlekkeloze ziel. „Om de arbeid Zijner ziel zal Hij het zien en verzadigd worden.” „Mijn ziel is geheel bedroefd tot de dood toe” (Matth. 26:38). Dit heilig lichaam was verenigd met een heilige ziel, tezamen vormende Zijn vlekkeloze, menselijke natuur, waarmede de Zoon van God Zich verenigde, en alzo werd Hij de Godmens, Immanuël, God met ons. Het is deze heerlijke verborgenheid der godzaligheid, waarnaar een ziel uitziet en verlangt om ze te kennen.
Wij kunnen de zuivere Godheid niet nabijkomen; wij kunnen ze niet begrijpen; het is een verborgenheid, te hoog en te diep voor ons. „Want wie zal de onderzoekingen Gods vinden? Zij is als de hoogten der hemelen; wat kunt gij doen? dieper dan de hel; wat kunt gij weten?” (Job 11:7, 8). Doch wanneer God Zichzelf aan de kinderen der mensen bekendmaakt, dan maakt Hij Zich bekend door Zijn eniggeboren Zoon, de tweede Persoon in de heerlijke Godheid, Die in vereniging met Zichzelf het vlees en bloed der kinderen heeft aangenomen. En alzo kunnen wij, zoveel God ons het geloof schenkt, tot een onzichtbare God naderen door de zichtbare Godmens. Daarvan zegt Johannes: „Wij hebben Zijn heerlijkheid aanschouwd; de heerlijkheid als des Eniggeborenen van de Vader; vol van genade en waarheid.” „Niemand heeft ooit God gezien; de eniggeboren Zoon, Die in de schoot des Vaders is, Die heeft Hem ons verklaard.”
Wanneer derhalve Filippus tot Hem zeide: „Heere, toon ons de Vader en het is ons genoeg” (Joh. 14:8), zeide Jezus: „Ben Ik nu zo lange tijd bij ulieden en hebt gij Mij niet gekend, Filippus? Die Mij gezien heeft, die heeft de Vader gezien. En hoe zegt gij dan: Toon ons de Vader?” En waarom anders dan omdat Hij op een andere plaats zegt: „Ik en Mijn Vader zijn één”? De begeerte dan van iedere levende ziel (ik ben ervan overtuigd dat het mijn begeerte is, wanneer het de Heere behaagt het in mijn hart te werken) is om door de Geest van God geleid te worden tot een gemeenzame kennis van de Godmens; om te beschouwen de heerlijkheid Gods in Jezus Christus.
Om de Godheid te zien schijnen door de mensheid en ook de mensheid omhuld te zien met de heerlijkheid der Godheid. En alzo tot de Heere Jezus uit te gaan als een Hogepriester, Die volkomen zalig kan maken allen die door Hem tot God gaan. Om te mogen ervaren de nabijheid van toenadering tot de Vader door de Zoon Zijner liefde. En zo de zoete gemeenschap te mogen genieten met Immanuël, God met ons, God in onze natuur, God Zichzelf bekendmakende door het aannemen van ons vlees en bloed in vereniging met Zichzelf.
Aan de lezer…
Misschien voelt u zich ver van God, en is Hij voor u zo hoog en verborgen dat u niet weet hoe u Hem moet naderen. Dat is geen vreemde gewaarwording; de zuivere Godheid is te hoog en te diep voor ons: „wat kunt gij weten?” Maar zie, juist daarom heeft God Zich bekendgemaakt in Zijn eniggeboren Zoon, Die het vlees en bloed der kinderen heeft aangenomen. In Hem woont al de volheid der Godheid lichamelijk; in Hem is God met ons.
Zegt u in uw hart: „Heere, toon ons de Vader en het is ons genoeg”? Dan wijst de Heere u naar Zichzelf: „Die Mij gezien heeft, die heeft de Vader gezien.” Zoek dan geen andere weg tot God, maar ga uit tot de Heere Jezus als tot de Hogepriester, Die volkomen zalig kan maken allen die door Hem tot God gaan. Vraag de Geest dat Hij u Zijn heerlijkheid doet aanschouwen, vol van genade en waarheid. Daar vindt een verlegen ziel haar rust.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Want in Hem woont al de volheid der Godheid lichamelijk.
Kolossenzen 2:9
De tempel die Salomo in Jeruzalem bouwde, en de tabernakel die Mozes in de woestijn oprichtte, waren slechts zinnebeelden van de ware Tempel, de Heere van het leven en de heerlijkheid. De Heere Zelf zei: „Breekt deze Tempel af en in drie dagen zal Ik haar weer oprichten.” Dit zei Hij over Zijn eigen lichaam. Al de schoonheid en heerlijkheid van de tempel was dus alleen beeldspraak; zij beeldden de heerlijkheid van Immanuël uit en waren daar een schaduw van, want „in Hem woont al de volheid der Godheid lichamelijk”. God de Zoon heeft een lichaam aangenomen, overeenkomstig de woorden in de veertigste psalm, die Paulus aanhaalt in Hebr. 10: „Gij hebt Mij het lichaam toebereid”; een heilig lichaam, zonder zonde en zonder vlek. Zoals deze woorden zeggen: „Daarom dat Heilige, Dat uit u geboren zal worden, zal Gods Zoon genaamd worden.”
En niet alleen een heilig lichaam, maar dat verenigd met een heilige, vlekkeloze ziel. „Om de arbeid Zijner ziel zal Hij het zien en verzadigd worden.” „Mijn ziel is geheel bedroefd tot de dood toe” (Matth. 26:38). Dit heilig lichaam was verenigd met een heilige ziel; samen vormden zij Zijn vlekkeloze menselijke natuur, waarmee de Zoon van God Zich verenigde, en zo werd Hij de Godmens, Immanuël, God met ons. Het is deze heerlijke verborgenheid van de godzaligheid waarnaar een ziel uitziet en die zij verlangt te kennen.
Wij kunnen de zuivere Godheid niet naderen; wij kunnen haar niet begrijpen; het is een verborgenheid, te hoog en te diep voor ons. „Want wie zal de onderzoekingen Gods vinden? Zij is als de hoogten der hemelen; wat kunt gij doen? dieper dan de hel; wat kunt gij weten?” (Job 11:7, 8). Maar wanneer God Zichzelf aan de mensenkinderen bekendmaakt, dan maakt Hij Zich bekend door Zijn eniggeboren Zoon, de tweede Persoon in de heerlijke Godheid, Die het vlees en bloed van de kinderen in vereniging met Zichzelf heeft aangenomen. En zo kunnen wij, voor zover God ons het geloof schenkt, tot een onzichtbare God naderen door de zichtbare Godmens. Daarover zegt Johannes: „Wij hebben Zijn heerlijkheid aanschouwd; de heerlijkheid als des Eniggeborenen van de Vader; vol van genade en waarheid.” „Niemand heeft ooit God gezien; de eniggeboren Zoon, Die in de schoot des Vaders is, Die heeft Hem ons verklaard.”
Toen Filippus dan ook tot Hem zei: „Heere, toon ons de Vader en het is ons genoeg” (Joh. 14:8), zei Jezus: „Ben Ik nu zo lange tijd bij ulieden en hebt gij Mij niet gekend, Filippus? Die Mij gezien heeft, die heeft de Vader gezien. En hoe zegt gij dan: Toon ons de Vader?” En waarom anders dan omdat Hij op een andere plaats zegt: „Ik en Mijn Vader zijn één”? Daarom is de begeerte van iedere levende ziel (ik ben ervan overtuigd dat het mijn begeerte is, wanneer het de Heere behaagt die in mijn hart te werken) om door de Geest van God geleid te worden tot een vertrouwelijke kennis van de Godmens; om de heerlijkheid van God te aanschouwen in Jezus Christus.
Om de Godheid te zien schijnen door de mensheid heen, en ook de mensheid te zien omhuld met de heerlijkheid van de Godheid. En zo uit te gaan tot de Heere Jezus als tot een Hogepriester, Die volkomen zalig kan maken allen die door Hem tot God gaan. Om de nabijheid te mogen ervaren van het naderen tot de Vader door de Zoon van Zijn liefde. En zo de zoete gemeenschap te mogen genieten met Immanuël, God met ons, God in onze natuur, God Die Zichzelf bekendmaakt door ons vlees en bloed in vereniging met Zichzelf aan te nemen.
Aan de lezer…
Misschien voelt u zich ver van God, en is Hij voor u zo hoog en verborgen dat u niet weet hoe u Hem moet naderen. Dat is geen vreemd gevoel; de zuivere Godheid is te hoog en te diep voor ons: „wat kunt gij weten?” Maar zie, juist daarom heeft God Zich bekendgemaakt in Zijn eniggeboren Zoon, Die het vlees en bloed van de kinderen heeft aangenomen. In Hem woont al de volheid der Godheid lichamelijk; in Hem is God met ons.
Zegt u in uw hart: „Heere, toon ons de Vader en het is ons genoeg”? Dan wijst de Heere u naar Zichzelf: „Die Mij gezien heeft, die heeft de Vader gezien.” Zoek dan geen andere weg tot God, maar ga uit tot de Heere Jezus als tot de Hogepriester, Die volkomen zalig kan maken allen die door Hem tot God gaan. Vraag de Geest dat Hij u Zijn heerlijkheid laat aanschouwen, vol van genade en waarheid. Daar vindt een verlegen ziel haar rust.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
For in him dwelleth all the fulness of the Godhead bodily.
Colossians 2:9
The temple erected by Solomon in Jerusalem, and the tabernacle set up by Moses in the wilderness were but types of the true temple, the Lord of life and glory. The Lord Himself said, “Destroy this temple, and in three days I will raise it up,” speaking of His own body. All the beauty and glory of the temple were, therefore, figurative; they typified and shadowed forth the glory of Immanuel, for “in Him dwells all the fullness of the Godhead bodily.”
God the Son has taken to Himself a body, according to those words in the fortieth Psalm, as quoted by Paul (Hebrews 10:5)—“a body have you prepared Me;” a holy body, a sinless, spotless body. According to those words—“Therefore that holy one who shall be born of you shall be called the Son of God;” and not only a holy body, but united to it a holy, spotless soul. “He shall see of the travail of His soul, and be satisfied.” “My soul is exceeding sorrowful, even unto death” (Matthew 26:38). This holy body, as united with a holy soul, the two forming His spotless human nature, the Son of God took into union with Himself, and thus became the God-man, Immanuel, God with us.
It is this glorious mystery of godliness that a living soul pants to know. We cannot approach pure Godhead; we cannot understand it; it is a mystery too high and too deep for us; for who, “by searching, can find out God? It is as high as heaven; what can you do? deeper than hell; what can you know?” (Job 11:7, 8.) But when God would make Himself known to the children of men, He made Himself known by His only begotten Son, the second Person in the glorious Godhead, taking into union with Himself the flesh and blood of the children; and thus we can, so far as the Lord gives us faith, approach to an invisible God through the visible God-man; as John says, “We beheld His glory, the glory as of the only begotten of the Father, full of grace and truth.” “No man has seen God at any time—the only begotten Son Who is in the bosom of the Father, He has declared Him.”
And, therefore, when Philip said to Him (John 14:8), “Lord, show us the Father, and it suffices us;” Jesus said, “Have I been so long time with you, and yet have you not known Me, Philip? he that has seen Me has seen the Father; and how say you then, Show us the Father?” And why, but because as He says in another place, “I and My Father are one.”
The desire, then, of every living soul (I am sure it is my desire when the Lord is pleased to work it in my heart) is to be led by the Spirit of God into an acquaintance with the God-man; to behold the glory of God in Jesus Christ; to see the Godhead shining through the manhood, and yet to see the manhood veiling and yet deriving glory from the Godhead; and thus to come to Jesus as a High Priest that is able to save to the uttermost all that come unto God by Him; to feel nearness of access to the Father by approaching Him through the Son of His love; and thus to enjoy sweet communion with Immanuel, God with us, God in our nature, God making Himself known by taking our flesh and blood into union with Himself.
To the reader…
Perhaps you feel far from God, and He is to you so high and hidden that you do not know how to approach Him. That is no strange feeling; pure Godhead is too high and too deep for us: “what canst thou know?” But see, it is for this very reason that God has made Himself known in His only begotten Son, Who took on Himself the flesh and blood of the children. In Him dwells all the fullness of the Godhead bodily; in Him God is with us.
Do you say in your heart, “Lord, show us the Father, and it sufficeth us”? Then the Lord points you to Himself: “He that hath seen Me hath seen the Father.” Seek no other way to God, then, but go out to the Lord Jesus as to the High Priest Who is able to save to the uttermost all that come unto God by Him. Ask the Spirit to let you behold His glory, full of grace and truth. There a troubled soul finds its rest.
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
Porque en Él habita toda la plenitud de la divinidad corporalmente.
Colosenses 2:9
El templo que Salomón edificó en Jerusalén y el tabernáculo que Moisés levantó en el desierto no eran sino figuras del verdadero templo, el Señor de la vida y de la gloria. El Señor mismo dijo: “Destruid este templo, y en tres días lo levantaré”, hablando de Su propio cuerpo. Toda la belleza y la gloria del templo eran, por tanto, figurativas; prefiguraban y sombreaban la gloria de Emmanuel, porque “en Él habita toda la plenitud de la divinidad corporalmente”.
Dios el Hijo ha tomado para Sí un cuerpo, conforme a aquellas palabras del Salmo cuarenta, citadas por Pablo (Hebreos 10:5): “Mas Me apropiaste cuerpo”; un cuerpo santo, un cuerpo sin pecado y sin mancha. Conforme a aquellas palabras: “Por lo cual también lo Santo que nacerá, será llamado Hijo de Dios”; y no solo un cuerpo santo, sino unida a él un alma santa y sin mancha. “Del trabajo de Su alma verá y será saciado.” “Mi alma está muy triste hasta la muerte” (Mateo 26:38). Este cuerpo santo, unido a un alma santa, formando ambos Su naturaleza humana sin mancha, el Hijo de Dios lo tomó en unión consigo mismo, y así llegó a ser el Dios-hombre, Emmanuel, Dios con nosotros.
Es este glorioso misterio de la piedad lo que un alma viviente anhela conocer. No podemos acercarnos a la pura Divinidad; no podemos entenderla; es un misterio demasiado alto y demasiado profundo para nosotros; porque “¿alcanzarás tú el rastro de Dios? Es más alto que los cielos: ¿qué harás? Es más profundo que el infierno: ¿cómo lo conocerás?” (Job 11:7, 8). Pero cuando Dios quiso darse a conocer a los hijos de los hombres, se dio a conocer por Su Hijo unigénito, la segunda Persona de la gloriosa Divinidad, que tomó en unión consigo mismo la carne y la sangre de los hijos; y así podemos, en la medida en que el Señor nos da fe, acercarnos a un Dios invisible por medio del Dios-hombre visible; como dice Juan: “Vimos Su gloria, gloria como del Unigénito del Padre, lleno de gracia y de verdad.” “A Dios nadie le vio jamás: el unigénito Hijo, que está en el seno del Padre, Él le declaró.”
Y por eso, cuando Felipe Le dijo (Juan 14:8): “Señor, muéstranos el Padre, y nos basta”, Jesús le dijo: “¿Tanto tiempo ha que estoy con vosotros, y no Me has conocido, Felipe? El que Me ha visto, ha visto al Padre; ¿cómo pues dices tú: Muéstranos el Padre?” ¿Y por qué, sino porque, como dice en otro lugar, “Yo y el Padre una cosa somos”?
El deseo, pues, de toda alma viviente (estoy seguro de que es mi deseo cuando al Señor le place obrarlo en mi corazón) es ser llevada por el Espíritu de Dios a conocer al Dios-hombre; contemplar la gloria de Dios en Jesucristo; ver la Divinidad resplandeciendo a través de la humanidad, y sin embargo ver la humanidad velándola y a la vez recibiendo gloria de la Divinidad; y así venir a Jesús como a un Sumo Sacerdote que puede salvar eternamente a los que por Él se allegan a Dios; sentir cercanía de acceso al Padre acercándonos a Él por medio del Hijo de Su amor; y así gozar de dulce comunión con Emmanuel, Dios con nosotros, Dios en nuestra naturaleza, Dios que se da a conocer tomando en unión consigo mismo nuestra carne y nuestra sangre.
Al lector…
Quizá usted se siente lejos de Dios, y Él le es tan alto y escondido que no sabe cómo acercarse a Él. No es un sentimiento extraño; la pura Divinidad es demasiado alta y demasiado profunda para nosotros: “¿cómo lo conocerás?” Pero vea: precisamente por eso Dios se ha dado a conocer en Su Hijo unigénito, que tomó sobre Sí la carne y la sangre de los hijos. En Él habita toda la plenitud de la divinidad corporalmente; en Él Dios está con nosotros.
¿Dice usted en su corazón: “Señor, muéstranos el Padre, y nos basta”? Entonces el Señor le señala a Sí mismo: “El que Me ha visto, ha visto al Padre.” No busque, pues, otro camino a Dios, sino salga hacia el Señor Jesús como al Sumo Sacerdote que puede salvar eternamente a los que por Él se allegan a Dios. Pida al Espíritu que le haga contemplar Su gloria, llena de gracia y de verdad. Allí halla descanso un alma turbada.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl