gisteren verschenen
Het gesprek van een gelovige met zijn ziel
Een uitleg van Psalm 42:12 als gesprek tussen David en zijn ziel: waarom de ziel terneergeslagen en onrustig is, waarom ze op God moet hopen en hoe die hoop uitloopt…
8 dagen geleden verschenen
Het woord van Gods genade
Een uitleg van Handelingen 20:32: Paulus beveelt de oudsten van Efeze aan God en aan het woord van Zijn genade. Alleen dat woord, door de Geest toegepast, bouwt de ziel…
13 dagen geleden verschenen
Schatten in de duisternis
Uitleg van Jesaja 45:2,3 voor Gods kinderen: de Heere gaat voor hen uit, maakt kromme wegen recht, verbreekt koperen deuren en ijzeren grendels, geeft verborgen schatten en leert hen zo…
3 weken geleden verschenen
Verkrijgen en verliezen
Naar Prediker 3:6: een levende ziel verkrijgt geestelijke dingen, van kennis van God en van zichzelf tot geloof en vergeving, maar verliest ook haar eigen gerechtigheid en kracht. De preek…
Het schudden van wat gemaakt is en de vastheid van wat gegeven is
Over Hebreeën 12:27,28: wat gemaakt is, wordt geschud en weggenomen, wat God geeft blijft. Het Koninkrijk dat niet bewogen kan worden wordt door geloof ontvangen, door genade vastgehouden en draagt…
Korenaren Uit De Volle Oogst
Want wij zijn vreemdelingen en bijwoners voor Uw aangezicht, gelijk alle onze vaders.
1 Kronieken 29:15
Indien gij het geloof van Abraham, Izaak en Jakob bezit, belijdt gij, gelijk zij, dat gij een vreemdeling zijt, en uw belijdenis komt voort uit een gelovig hart en enige gevoelde ervaring. Gij gevoelt u een vreemdeling in deze goddeloze wereld; zij is uw element niet; gij zijt er niet thuis. Gij zijt er gedurende de door God bepaalde tijd, maar gij zwerft in deze wereld rond als een vreemdeling voor haar vrienden; een vreemdeling voor haar wetten; een vreemdeling voor haar gebruiken; een vreemdeling voor haar beginselen; een vreemdeling voor haar beweegredenen; een vreemdeling voor haar lusten, haar neigingen en voor alles waarin deze wereld zich als haar element beweegt. De genade heeft u door Gods verkiezende macht gescheiden, opdat gij, schoon in de wereld zijnde, niet van de wereld zijn zoudt.
Ik kan u vrijuit zeggen dat, zo gij in de wereld thuis zijt; zo de dingen des tijds en der zinnen uw element zijn; zo gij één zijt met de samenleving der wereld, de voorschriften der wereld, de gebruiken der wereld en de beginselen der wereld, de genade uw hart niet heeft getroffen, en dat het geloof van Gods uitverkorenen niet in uw boezem woont. De eerste uitwerking der genade is u af te scheiden. Zo was het met Abraham. Door de genade was hij geroepen het land zijner vaderen te verlaten en te gaan naar een land dat God hem wijzen zou.
En zo is ook Gods eigen woord tot Zijn volk: „Komt uit het midden van hen, en scheidt u af, zegt de Heere, en raakt het onreine niet aan; en Ik zal u aannemen, en zal u een Vader zijn, en gij zult Mij zonen en dochteren zijn, zegt de Heere de Almachtige.” Afscheiding, afscheiding, afscheiding van de wereld, ziet daar het grote onderscheidingsteken van levende godsvrucht. Er kan wel afscheiding des lichaams zijn waar geen afscheiding des harten is. Maar wat ik bedoel, is afscheiding des harten, afscheiding van beginsel, afscheiding van genegenheid, afscheiding des geestes. En zo de genade uw hart heeft aangeraakt en gij een deelgenoot zijt van het geloof van Gods uitverkorenen, dan zijt gij een vreemdeling in de wereld, en zult gij door uw leven en wandel openbaar maken dat gij zulks zijt.
Mijn hart verfoeit en haat
de werkers van het kwaad,
bij wie ik mijne voet niet zet.
Ik zit bij geen godd’lozen,
’k ontwijk de plaats der bozen:
zo word ik niet door hen besmet.
Psalm 26:5
Aan de lezer…
Wanneer u zich afvraagt waar u eigenlijk thuis bent, stelt u een eenvoudige vraag die toch diep snijdt. Zijn de dingen des tijds en der zinnen uw element, voelt u zich op uw gemak bij de vrienden, de gebruiken en de beginselen van deze wereld? Dan moet ik u eerlijk zeggen dat dit geen kenmerk van genade is. Maar misschien zucht u juist omdat u zich hier zo vreemd voelt, en vreest u dat er iets mis met u is.
Weet dan dat dit gevoel van vreemdelingschap juist de eerste uitwerking van genade kan zijn. Zo ging het Abraham, die het land zijner vaderen verliet zonder te weten waarheen. Zo spreekt de Heere tot Zijn volk: „Komt uit het midden van hen, en scheidt u af.” En Hij voegt er de belofte aan toe: „Ik zal u aannemen, en zal u een Vader zijn.” Wie hier een vreemdeling is, heeft daar een Vader en een thuis.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Want wij zijn vreemdelingen en bijwoners voor Uw aangezicht, gelijk alle onze vaders.
1 Kronieken 29:15
Als u het geloof van Abraham, Izak en Jakob bezit, belijdt u net als zij dat u een vreemdeling bent, en uw belijdenis komt voort uit een gelovig hart en uit iets van doorleefde ervaring. U voelt zich een vreemdeling in deze goddeloze wereld. Zij is niet uw element; u bent er niet thuis. U bent er voor de tijd die God heeft bepaald, maar u zwerft in deze wereld rond als een vreemdeling voor haar vrienden, voor haar wetten, voor haar gewoonten, voor haar beginselen, voor haar beweegredenen, voor haar lusten en haar neigingen, en voor alles waarin deze wereld zich als in haar element beweegt. De genade heeft u door Gods verkiezende macht afgezonderd, zodat u, hoewel u in de wereld bent, niet van de wereld zou zijn.
Ik kan u ronduit zeggen: als u in de wereld thuis bent, als de dingen van de tijd en van de zinnen uw element zijn, als u één bent met de omgang van de wereld, de voorschriften van de wereld, de gewoonten van de wereld en de beginselen van de wereld, dan heeft de genade uw hart niet getroffen en woont het geloof van Gods uitverkorenen niet in uw hart. De eerste uitwerking van de genade is dat zij u afzondert. Zo was het met Abraham. Door de genade werd hij geroepen het land van zijn vaderen te verlaten en te gaan naar een land dat God hem zou wijzen.
En zo luidt ook Gods eigen woord tot Zijn volk: „Komt uit het midden van hen, en scheidt u af, zegt de Heere, en raakt het onreine niet aan; en Ik zal u aannemen, en zal u een Vader zijn, en gij zult Mij zonen en dochteren zijn, zegt de Heere de Almachtige.” Afzondering, afzondering, afzondering van de wereld: zie daar het grote kenmerk van levende godsvrucht. Er kan wel een afzondering naar het lichaam zijn waar geen afzondering van het hart is. Maar wat ik bedoel, is afzondering van het hart, afzondering in beginselen, afzondering in genegenheden, afzondering van geest. En als de genade uw hart heeft aangeraakt en u deel hebt aan het geloof van Gods uitverkorenen, dan bent u een vreemdeling in de wereld, en zult u door uw leven en wandel laten zien dat u dat bent.
Mijn hart verfoeit en haat
de werkers van het kwaad,
bij wie ik mijne voet niet zet.
Ik zit bij geen godd’lozen,
’k ontwijk de plaats der bozen:
zo word ik niet door hen besmet.
Psalm 26:5
Aan de lezer…
Wanneer u zich afvraagt waar u eigenlijk thuis bent, stelt u een eenvoudige vraag die toch diep snijdt. Zijn de dingen van de tijd en van de zinnen uw element, voelt u zich op uw gemak bij de vrienden, de gewoonten en de beginselen van deze wereld? Dan moet ik u eerlijk zeggen dat dit geen kenmerk van genade is. Maar misschien zucht u juist omdat u zich hier zo vreemd voelt, en vreest u dat er iets mis met u is.
Weet dan dat dit gevoel van vreemdelingschap juist de eerste uitwerking van genade kan zijn. Zo ging het Abraham, die het land van zijn vaderen verliet zonder te weten waarheen. Zo spreekt de Heere tot Zijn volk: „Komt uit het midden van hen, en scheidt u af.” En Hij voegt er de belofte aan toe: „Ik zal u aannemen, en zal u een Vader zijn.” Wie hier een vreemdeling is, heeft daar een Vader en een thuis.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
For we are strangers before Thee, and sojourners, as were all our fathers: our days on the earth are as a shadow, and there is none abiding.
1 Chronicles 29:15
If you possess the faith of Abraham, Isaac, and Jacob, you, like them, confess that you are a stranger; and your confession springs out of a believing heart and a feeling experience. You feel yourself a stranger in this ungodly world; it is not your element, it is not your home. You are in it during God’s appointed time, but you wander up and down this world a stranger to its company, a stranger to its maxims, a stranger to its fashions, a stranger to its principles, a stranger to its motives, a stranger to its lusts, its inclinations, and all in which this world moves as in its native element.
Grace has separated you by God’s sovereign power, that though you are in the world, you are not of it. I can tell you plainly, if you are at home in the world; if the things of time and sense are your element; if you feel one with the company of the world, the maxims of the world, the fashions of the world, and the principles of the world, grace has not reached your heart, the faith of God’s elect does not dwell in your bosom.
The first effect of grace is to separate. It was so in the case of Abraham. He was called by grace to leave the land of his fathers, and go out into a land that God would show him. And so God’s own word to His people is now, “Come out from among them, and be separate, says the Lord, and touch not the unclean thing; and I will receive you, and will be a Father unto you, and you shall be My sons and daughters, says the Lord Almighty.”
Separation, separation, separation from the world is the grand distinguishing mark of vital godliness. There may be indeed separation of body where there is no separation of heart. But what I mean is, separation of heart, separation of principle, separation of affection, separation of spirit. And if grace has touched your heart, and you are a partaker of the faith of God’s elect, you are a stranger in the world, and will make it manifest by your life and conduct that you are such.
To the reader…
When you ask yourself where you are really at home, you are asking a simple question that nevertheless cuts deep. Are the things of time and sense your element; do you feel at ease with the company, the fashions, and the principles of this world? Then I must tell you honestly that this is no mark of grace. But perhaps you sigh precisely because you feel so much a stranger here, and you fear that something is wrong with you.
Then know that this sense of being a stranger may be the very first effect of grace. So it was with Abraham, who left the land of his fathers without knowing where he was going. So the Lord speaks to His people: “Come out from among them, and be ye separate.” And He adds the promise: “I will receive you, and will be a Father unto you.” Whoever is a stranger here has a Father and a home there.
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
Porque nosotros, extranjeros y advenedizos somos delante de ti, como todos nuestros padres; y nuestros días cual sombra sobre la tierra, y no hay estabilidad.
1 Crónicas 29:15
Si usted posee la fe de Abraham, Isaac y Jacob, confiesa, como ellos, que es extranjero; y su confesión brota de un corazón creyente y de una experiencia sentida. Se siente extranjero en este mundo impío; no es su elemento, no es su hogar. Está en él durante el tiempo señalado por Dios, pero anda de acá para allá por este mundo como extranjero a su compañía, extranjero a sus máximas, extranjero a sus modas, extranjero a sus principios, extranjero a sus motivos, extranjero a sus concupiscencias, a sus inclinaciones y a todo aquello en que este mundo se mueve como en su elemento natural.
La gracia le ha separado por el poder soberano de Dios, de modo que, aunque está en el mundo, no es del mundo. Puedo decírselo claramente: si está usted a gusto en el mundo; si las cosas del tiempo y de los sentidos son su elemento; si se siente uno con la compañía del mundo, las máximas del mundo, las modas del mundo y los principios del mundo, la gracia no ha alcanzado su corazón, la fe de los escogidos de Dios no habita en su pecho.
El primer efecto de la gracia es separar. Así fue en el caso de Abraham. Fue llamado por gracia a dejar la tierra de sus padres y salir a una tierra que Dios le mostraría. Y así la propia palabra de Dios a Su pueblo es ahora: “Salid de en medio de ellos, y apartaos, dice el Señor, y no toquéis lo inmundo; y yo os recibiré, y seré á vosotros Padre, y vosotros me seréis á mí hijos é hijas, dice el Señor Todopoderoso.”
La separación, la separación, la separación del mundo es la gran marca distintiva de la piedad vital. Puede haber, en verdad, separación del cuerpo donde no hay separación del corazón. Pero a lo que me refiero es a separación de corazón, separación de principios, separación de afectos, separación de espíritu. Y si la gracia ha tocado su corazón, y usted es partícipe de la fe de los escogidos de Dios, es extranjero en el mundo, y lo pondrá de manifiesto con su vida y conducta.
Al lector…
Cuando se pregunta dónde está realmente en su hogar, se hace una pregunta sencilla que sin embargo corta hondo. ¿Son las cosas del tiempo y de los sentidos su elemento; se siente a gusto con la compañía, las modas y los principios de este mundo? Entonces tengo que decirle con sinceridad que eso no es marca de gracia. Pero quizá suspira usted precisamente porque se siente tan extranjero aquí, y teme que algo vaya mal en usted.
Sepa entonces que este sentirse extranjero puede ser el primerísimo efecto de la gracia. Así fue con Abraham, que dejó la tierra de sus padres sin saber adónde iba. Así habla el Señor a Su pueblo: “Salid de en medio de ellos, y apartaos.” Y añade la promesa: “Yo os recibiré, y seré á vosotros Padre.” Quien es extranjero aquí tiene un Padre y un hogar allá.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl
365 Dagen Met Philpot
De treurigen Sions vertroost
Om de treurigen Sions te beschikken, dat hun gegeven worde sieraad voor as, vreugdeolie voor treurigheid, het gewaad des lofs voor een benauwde geest.
Jesaja 61:3
De Heere heeft, als Hij spreekt over de treurigen, bepaalde uitgesproken kentekenen gegeven waaraan zij duidelijker kunnen worden herkend. Hij heeft het bijvoorbeeld over „as” in verband met deze geestelijke treurigen, want Hij heeft hun beloofd „sieraad voor as” te zullen geven. Om deze verwijzing te begrijpen, moeten we inzien wat de Schriftuurlijke betekenis van dat symbool is. In vroeger tijden was as een uiterlijk teken van rouw, zoals zwarte kleren dat bij ons zijn. Maar het brengt ook een gevoel van diepe vernedering over.
Job ging in zijn beproeving in de as zitten. Zak en as gaan vaak samen in de Bijbel, als tekenen van rouw, zoals Job zegt: „Daarom verfoei ik mij, en ik heb berouw in stof en as” (Job 42:6). Toen Thamar door haar broer was onteerd, scheurde ze haar kleren en deed as op haar hoofd, als uiterlijk teken van rouw vanwege haar verlaging en vernedering. Het symbool is veelzeggend. As is slechts het verbrande, donkere overblijfsel van wat eens licht en mooi was.
Dus wijst as, zoals het gebruikt wordt in verband met de geestelijk treurige, erop dat alles wat eens mooi en schoon was in zijn ogen, in de oven is verbrand en dat er slechts een donker, armzalig overblijfsel is. Het uitstrooien van as op het hoofd lijkt te betekenen dat de geestelijk treurige zo diep wilde zinken dat hij zijn gezicht in het stof kon verbergen en de as wilde uitstrooien over zichzelf en over alles wat ooit heerlijkheid vertoonde, omdat hij in de thans gevoelde vernedering van zijn ziel voor God in zijn eigen ogen een ellendige stakker is, een echte zondaar.
Een ander kenteken dat de Heere van de geestelijk treurige in Sion geeft, is dat hij gehuld is in een benauwde stemming. Dit beeld is veelzeggend. Benauwdheid wordt vergeleken met een grote mantel of een ander kledingstuk, dat hem niet alleen geheel bedekt, maar ook op hem rust met een zwaarte die zijn stemming bedrukt tot in het stof. Wat zijn er toch veel dingen die in een gelovige ziel een benauwde stemming teweegbrengen! Sommige van Gods kinderen lijken bijna aangeboren vatbaar voor neerslachtigheid, sombere gevoelens en ellendige bezorgdheden, zowel in de voorzienigheid als in de genade.
Donkere, sombere wolken gaan voortdurend voorbij in hun gedachten, en de satan, die hun nood een handje helpt, toont hun duizend kwaden die wellicht nooit gebeuren, maar die men vreest alsof ze echt waren, en zelfs nog pijnlijker voelt. Deze geestelijke neerslachtigheid omhult hen als met een kledingstuk dat hen aan alle kanten omsluit en met zijn ogenschijnlijk hechte plooien elke beweging belemmert. Deze geestelijke treurigen zijn dus de kinderen op wie de Heere bijzondere acht slaat. Dit zijn degenen voor wie de Heere Jezus Christus door de Heilige Geest werd gezalfd om te troosten.
Lezen: Jesaja 61
Aan de lezer…
Zit u, waarde lezer, als in de as? Is alles wat eens licht en schoon was in uw ogen verbrand, zodat er slechts een donker, armzalig overblijfsel over is? Ligt de benauwdheid als een zware mantel op u, die u aan alle kanten omsluit en elke beweging belemmert? En fluistert de satan u duizend kwaden in die nog nooit gebeurd zijn? Schaam u dan niet voor uw rouw, en denk niet dat u daarom buiten Gods gedachten bent.
Want juist op zulke treurigen slaat de Heere bijzondere acht. Voor hen werd de Heere Jezus Christus door de Heilige Geest gezalfd om te troosten. Hij heeft beloofd sieraad te geven voor as, vreugdeolie voor treurigheid, het gewaad des lofs voor een benauwde geest. Wat u in het stof verliest, verliest u niet aan Hem. Breng uw as en uw zware mantel bij Hem; Hij weet ze te verwisselen op Zijn tijd.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Om de treurigen Sions te beschikken, dat hun gegeven worde sieraad voor as, vreugdeolie voor treurigheid, het gewaad des lofs voor een benauwde geest.
Jesaja 61:3
Wanneer de Heere over de treurigen spreekt, geeft Hij bepaalde duidelijke kenmerken waaraan zij beter te herkennen zijn. Zo spreekt Hij bijvoorbeeld over „as” in verband met deze geestelijk treurigen, want Hij heeft hun beloofd „sieraad voor as” te geven. Om deze verwijzing te begrijpen, moeten we zien wat de Schriftuurlijke betekenis van dat beeld is. In vroeger tijden was as een uiterlijk teken van rouw, zoals zwarte kleding dat bij ons is. Maar het drukt ook diepe vernedering uit.
Job ging in zijn beproeving in de as zitten. Zak en as gaan in de Bijbel vaak samen als tekenen van rouw, zoals Job zegt: „Daarom verfoei ik mij, en ik heb berouw in stof en as” (Job 42:6). Toen Thamar door haar broer onteerd was, scheurde ze haar kleren en deed as op haar hoofd, als uiterlijk teken van rouw over haar vernedering en schande. Het beeld zegt veel. As is niet meer dan het verbrande, donkere overblijfsel van wat eens licht en mooi was.
Zo wijst as, zoals het gebruikt wordt bij de geestelijk treurige, erop dat alles wat eens mooi en schoon was in zijn ogen, in de oven verbrand is, en dat er alleen een donker, armzalig overblijfsel over is. Het strooien van as op het hoofd lijkt te betekenen dat de geestelijk treurige zo diep wilde zinken dat hij zijn gezicht in het stof kon verbergen. Hij wilde de as uitstrooien over zichzelf en over alles wat ooit heerlijkheid vertoonde, omdat hij in de vernedering die hij nu voor God in zijn ziel voelt, in zijn eigen ogen een ellendige stakker is, een echte zondaar.
Een ander kenmerk dat de Heere van de geestelijk treurige in Sion geeft, is dat hij gehuld is in een benauwde geest. Ook dit beeld zegt veel. Benauwdheid wordt vergeleken met een grote mantel of een ander kledingstuk dat hem niet alleen helemaal bedekt, maar ook zo zwaar op hem drukt dat zijn geest tot in het stof wordt neergedrukt. Wat zijn er toch veel dingen die in een gelovige ziel een benauwde geest teweegbrengen! Sommige van Gods kinderen lijken van nature bijna vatbaar voor neerslachtigheid, sombere gevoelens en ellendige zorgen, zowel in de voorzienigheid als in de genade.
Donkere, sombere wolken trekken voortdurend door hun gedachten, en satan, die hun nood graag nog groter maakt, laat hun duizend kwaden zien die misschien nooit zullen gebeuren, maar die ze vrezen alsof ze werkelijk waren, en die ze zelfs nog pijnlijker voelen. Deze geestelijke neerslachtigheid omhult hen als een kledingstuk dat hen aan alle kanten omsluit en met zijn schijnbaar strakke plooien elke beweging belemmert. Deze geestelijk treurigen zijn dus de kinderen op wie de Heere bijzonder acht slaat. Zij zijn het voor wie de Heere Jezus Christus door de Heilige Geest werd gezalfd om hen te troosten.
Lezen: Jesaja 61
Aan de lezer…
Zit u als in de as? Is alles wat eens licht en schoon was in uw ogen verbrand, zodat er alleen een donker, armzalig overblijfsel over is? Ligt de benauwdheid als een zware mantel op u, die u aan alle kanten omsluit en elke beweging belemmert? En fluistert satan u duizend kwaden in die nog nooit gebeurd zijn? Schaam u dan niet voor uw rouw, en denk niet dat u daarom buiten Gods gedachten bent.
Want juist op zulke treurigen slaat de Heere bijzonder acht. Voor hen werd de Heere Jezus Christus door de Heilige Geest gezalfd om te troosten. Hij heeft beloofd sieraad te geven voor as, vreugdeolie voor treurigheid, het gewaad des lofs voor een benauwde geest. Wat u in het stof verliest, verliest u niet aan Hem. Breng uw as en uw zware mantel bij Hem; Hij weet ze op Zijn tijd te verwisselen.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
To appoint unto them that mourn in Zion, to give unto them beauty for ashes, the oil of joy for mourning, the garment of praise for the spirit of heaviness.
Isaiah 61:3
When the Lord speaks of the mourners, He gives certain plain marks by which they may be better known. Thus, for instance, He speaks of “ashes” in connection with these spiritual mourners, for He has promised to give them “beauty for ashes.” To understand this allusion, we must see what the Scriptural meaning of the figure is. In ancient times ashes were an outward sign of mourning, as black clothing is with us. But they also express deep humiliation.
Job in his affliction sat down among the ashes. Sackcloth and ashes often go together in the Bible as signs of mourning, as Job says, “Wherefore I abhor myself, and repent in dust and ashes” (Job 42:6). When Tamar had been dishonoured by her brother, she rent her garments and put ashes on her head, as an outward sign of mourning over her humiliation and shame. The figure says much. Ashes are no more than the burnt, dark remains of what was once bright and beautiful.
So ashes, as used of the spiritual mourner, show that all that was once fair and beautiful in his eyes has been burnt up in the furnace, and that only a dark, poor remnant is left. The sprinkling of ashes upon the head seems to signify that the spiritual mourner would sink so low that he could hide his face in the dust. He would scatter ashes over himself and over all that ever displayed glory, because in the humiliation that he now feels before God in his soul he is in his own eyes a wretched creature, a real sinner.
Another mark that the Lord gives of the spiritual mourner in Zion is that he is wrapped in the spirit of heaviness. This figure too says much. Heaviness is compared to a large mantle or other garment which not only covers him entirely, but presses so heavily upon him that his spirit is weighed down to the dust. How many things there are that produce a spirit of heaviness in a believing soul! Some of God’s children seem almost naturally prone to dejection, gloomy feelings and wretched cares, both in providence and in grace.
Dark, gloomy clouds continually pass through their minds, and Satan, who loves to make their distress greater still, shows them a thousand evils that may never come to pass, but which they fear as though they were real, and which they feel even more painfully. This spiritual dejection wraps them about like a garment that encloses them on every side and hinders every movement with its seemingly tight folds. These spiritual mourners, then, are the children to whom the Lord has special regard. They are those whom the Lord Jesus Christ was anointed by the Holy Ghost to comfort.
Reading: Isaiah 61
To the reader…
Are you sitting, as it were, in the ashes? Has all that was once bright and fair in your eyes been burnt up, so that only a dark, poor remnant is left? Does heaviness lie upon you like a heavy mantle, enclosing you on every side and hindering every movement? And does Satan whisper to you a thousand evils that have never come to pass? Then do not be ashamed of your mourning, and do not think that you are therefore outside God’s thoughts.
For it is just to such mourners that the Lord has special regard. For them the Lord Jesus Christ was anointed by the Holy Ghost to comfort. He has promised to give beauty for ashes, the oil of joy for mourning, the garment of praise for the spirit of heaviness. What you lose in the dust, you do not lose to Him. Bring your ashes and your heavy mantle to Him; He knows how to exchange them in His own time.
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
A ordenar a Sion a los enlutados, para darles gloria en lugar de ceniza, óleo de gozo en lugar de luto, manto de alegría en lugar del espíritu angustiado.
Isaías 61:3
Cuando el Señor habla de los enlutados, da ciertas señales claras por las que se les puede conocer mejor. Así, por ejemplo, habla de “ceniza” en relación con estos enlutados espirituales, porque ha prometido darles “gloria en lugar de ceniza”. Para entender esta alusión, debemos ver cuál es el sentido bíblico de la figura. En tiempos antiguos la ceniza era una señal exterior de luto, como entre nosotros la ropa negra. Pero también expresa una profunda humillación.
Job, en su aflicción, se sentó en medio de la ceniza. El cilicio y la ceniza van a menudo juntos en la Biblia como señales de luto, como dice Job: “Por tanto me aborrezco, y me arrepiento en el polvo y en la ceniza” (Job 42:6). Cuando Tamar fue deshonrada por su hermano, rasgó sus vestidos y echó ceniza sobre su cabeza, como señal exterior de luto por su humillación y su vergüenza. La figura dice mucho. La ceniza no es más que el resto quemado y oscuro de lo que una vez fue brillante y hermoso.
Así, la ceniza, aplicada al enlutado espiritual, muestra que todo lo que una vez fue bello y hermoso a sus ojos ha sido quemado en el horno, y que solo queda un resto oscuro y pobre. El esparcir ceniza sobre la cabeza parece significar que el enlutado espiritual quisiera hundirse tan bajo que pudiera esconder su rostro en el polvo. Quisiera esparcir ceniza sobre sí mismo y sobre todo lo que alguna vez ostentó gloria, porque en la humillación que ahora siente en su alma delante de Dios es a sus propios ojos una criatura miserable, un verdadero pecador.
Otra señal que el Señor da del enlutado espiritual en Sion es que está envuelto en el espíritu angustiado. También esta figura dice mucho. La angustia se compara con un gran manto u otra vestidura que no solo le cubre por entero, sino que pesa tanto sobre él que su espíritu queda abatido hasta el polvo. ¡Cuántas cosas hay que producen un espíritu angustiado en un alma creyente! Algunos hijos de Dios parecen casi por naturaleza propensos al abatimiento, a sentimientos sombríos y a cuidados miserables, tanto en la providencia como en la gracia.
Nubes oscuras y sombrías pasan continuamente por su mente, y Satanás, que se complace en agrandar aún más su aflicción, les muestra mil males que quizá nunca sucedan, pero que temen como si fueran reales, y que sienten aún más dolorosamente. Este abatimiento espiritual los envuelve como una vestidura que los encierra por todos lados y estorba cada movimiento con sus pliegues aparentemente ceñidos. Estos enlutados espirituales, pues, son los hijos a quienes el Señor mira con especial consideración. Son aquellos a quienes el Señor Jesucristo fue ungido por el Espíritu Santo para consolar.
Lectura: Isaías 61
Al lector…
¿Está usted sentado, por así decirlo, en la ceniza? ¿Ha sido quemado todo lo que una vez fue brillante y bello a sus ojos, de modo que solo queda un resto oscuro y pobre? ¿Pesa sobre usted la angustia como un manto pesado, que le encierra por todos lados y estorba cada movimiento? ¿Y le susurra Satanás mil males que nunca han sucedido? Entonces no se avergüence de su luto, ni piense que por eso está fuera de los pensamientos de Dios.
Porque es precisamente a tales enlutados a quienes el Señor mira con especial consideración. Para ellos fue ungido el Señor Jesucristo por el Espíritu Santo, para consolarlos. Él ha prometido dar gloria en lugar de ceniza, óleo de gozo en lugar de luto, manto de alegría en lugar del espíritu angustiado. Lo que usted pierde en el polvo, no se pierde para Él. Lleve a Él su ceniza y su manto pesado; Él sabe cambiarlos a Su debido tiempo.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl
Door Baca's Vallei
En de zalving, die gijlieden van Hem ontvangen hebt, blijft in u.
1 Johannes 2:27
Al de krachten van de aarde en de hemel spannen tezamen tegen deze heilige zalving, waarmede de kinderen Gods zo hogelijk begunstigd zijn. Maar indien God in de boezem van een heilige een drupje van deze Goddelijke zalving heeft geschonken, dan is dat drupje als een rots tegenover alle aanvallen van de zonde, tegenover elke aanranding van satan, tegenover alle vijandschap in eigen boezem en al de bekoorlijkheden, genoegens en vermakelijkheden van de wereld. Golven en baren van verdrukking mogen over de ziel heengaan, maar zij kunnen deze heilige drup der zalfolie niet uitwissen. De duivel moge duizend vurige pijlen afschieten om het brandbaar materiaal van ons vleselijk gemoed te doen ontvlammen, doch al deze vurige pijlen kunnen deze ene drup olie, die de Heere heeft doen druipen in de diepten van een verbroken geest, niet verbranden. De wereld met al haar genoegens en vermakelijkheden, met haar dodelijke tegenstand tegen de waarheid Gods, moge golven van goddeloosheid tegen deze heilige zalving opwekken, maar al de krachten der aarde met elkaar verenigd kunnen nooit deze ene drup vernietigen, die de Heere Zelf in de diepten van een gelovig hart gelegd heeft.
Deze drup was in de diepten van Jona’s ziel ingesloten toen hij in de buik van de walvis was; doch al de baren en golven die over zijn hoofd heengingen, noch zelfs de diepten der hel, in wier buik hij in zijn gewaarwording zich bevond, konden die drup der zalfolie, die God de Heilige Geest in zijn hart gelegd had, daaruit wegnemen. De verloren zoon ging henen in een ver land, maar ofschoon hij zijn vermogen doorbracht in een uitspattend leven, die drup der zalfolie verloor hij niet. Heman klaagt vanwege de diepte der verdrukking, doch al zijn wederwaardigheden hebben nooit de heilige zalfolie, die God in zijn ziel geschonken had, teniet kunnen doen. Toen Hiskia ogenschijnlijk op zijn doodsbed lag en hij zijn aangezicht naar de wand wendde, was hij ten zeerste bedroefd en verkeerde hij bijna in wanhoop, en toch kon al zijn verdrukking en moedeloosheid deze heilige drup der zalfolie niet doen verdrogen. En zo is het duizenden en tienduizenden van Gods lieve kinderen gegaan.
Al hun smarten, ja nog meer, al hun zonden, afwijkingen, vallen, ellenden en jammer, deze alle tezamen genomen, hebben nooit vermocht de zalving die God hun geschonken had, weg te nemen. Indien de zonde dit had kunnen doen, wij zouden onszelf voor lange tijd reeds in de hel gezondigd hebben; en indien de wereld of de satan deze drup, of ons persoonlijk, had kunnen teniet doen, wij zouden reeds lang vernietigd zijn. Indien ons vleselijk gemoed dit had kunnen doen, het zou ons weggevaagd hebben in een vloed des verderfs. Maar de zalving blijft in ons, kan niet verdorven worden, en waar zij eens in de ziel geschonken is, daar is zij beveiligd tegen al de aanslagen van de aarde, de zonde en de hel.
Gods kinderen worden het gewaar dat zij blijft, want bij tijden openbaart zij zich in gebed en in de uitgangen naar de levende God, en zij breekt uit in geloof, hoop en liefde. Zo blijft zij niet slechts als een Goddelijke werkelijkheid, maar als een levende bron, die springt tot in het eeuwige leven. Ware dit niet zo, er waren ook geen herlevingen, geen verse mededelingen, geen vernieuwde bewijzen, geen opwellingen, geen vertederingen, geen zuchten om de gemeenschap des Heeren, geen treuren over Zijn afwezigheid. Maar de zalving blijft, en dit bewaart de ziel voor de dood en houdt haar in het leven in de hongersnood.
Aan de lezer…
Vreest u, arme ziel, dat al uw afwijkingen en vallen het laatste restje genade in u hebben uitgedoofd? Gaan de golven en baren over uw hoofd, zoals over Jona in de diepte, en vindt u in uzelf niets dan brandbaar materiaal voor de vurige pijlen van de duivel? Zie dan niet op de kracht van uw vijanden, maar op Hem Die de zalving gegeven heeft. Wat de Heere Zelf in de diepten van een verbroken geest heeft doen druipen, kan geen zonde, geen wereld en geen satan wegnemen.
Waaraan zou u het merken? Aan dat zuchten om de gemeenschap des Heeren, aan dat treuren over Zijn afwezigheid, aan die kleine opwellingen van geloof, hoop en liefde. Een dode ziel zucht niet en treurt niet om Hem. Het drupje mag klein zijn; het blijft. Het is een levende bron die springt tot in het eeuwige leven, en het zal u bewaren voor de dood en in het leven houden, ook in de hongersnood.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
En de zalving, die gijlieden van Hem ontvangen hebt, blijft in u.
1 Johannes 2:27
Alle machten van aarde en hel spannen samen tegen deze heilige zalving, waarmee de kinderen van God zo bijzonder begunstigd zijn. Maar als God in het hart van een heilige een druppeltje van deze Goddelijke zalving heeft geschonken, dan is dat druppeltje als een rots tegenover alle aanvallen van de zonde, tegenover elke aanval van satan, tegenover alle vijandschap in het eigen hart en tegenover al de bekoringen, genoegens en vermaken van de wereld. Golven en baren van verdrukking mogen over de ziel heengaan, maar zij kunnen deze heilige druppel zalfolie niet uitwissen. De duivel mag duizend vurige pijlen afschieten om het brandbare materiaal van ons vleselijk gemoed in vlam te zetten, maar al die vurige pijlen kunnen deze ene druppel olie niet verbranden, die de Heere heeft laten druppelen in de diepten van een verbroken geest. De wereld mag met al haar genoegens en vermaken, met haar dodelijke tegenstand tegen de waarheid van God, golven van goddeloosheid tegen deze heilige zalving opwekken. Maar alle machten van de aarde samen kunnen deze ene druppel nooit vernietigen, die de Heere Zelf in de diepten van een gelovig hart gelegd heeft.
Deze druppel lag ingesloten in de diepten van Jona’s ziel toen hij in de buik van de vis was. Maar al de baren en golven die over zijn hoofd heengingen, en zelfs de diepten van de hel, in wier buik hij zich naar zijn gevoel bevond, konden die druppel zalfolie, die God de Heilige Geest in zijn hart gelegd had, er niet uit wegnemen. De verloren zoon trok weg naar een ver land, maar hoewel hij zijn vermogen erdoor bracht met een losbandig leven, verloor hij die druppel zalfolie niet. Heman klaagt over de diepte van zijn verdrukking, maar al zijn tegenspoed heeft de heilige zalfolie, die God in zijn ziel geschonken had, nooit teniet kunnen doen. Toen Hiskia naar het scheen op zijn sterfbed lag en zijn gezicht naar de muur keerde, was hij diep bedroefd en bijna wanhopig, en toch kon al zijn verdrukking en moedeloosheid deze heilige druppel zalfolie niet laten opdrogen. En zo is het duizenden en tienduizenden van Gods lieve kinderen gegaan.
Al hun smarten, ja meer nog, al hun zonden, afwijkingen, vallen, ellende en jammer, dat alles samen heeft nooit de zalving kunnen wegnemen die God hun geschonken had. Als de zonde dat had kunnen doen, zouden wij onszelf al lang geleden in de hel gezondigd hebben. En als de wereld of de satan deze druppel, of ons persoonlijk, teniet had kunnen doen, zouden wij al lang vernietigd zijn. Als ons vleselijk gemoed dat had kunnen doen, zou het ons weggevaagd hebben in een vloed van verderf. Maar de zalving blijft in ons en kan niet bedorven worden; waar zij eenmaal in de ziel geschonken is, daar is zij beveiligd tegen alle aanslagen van aarde, zonde en hel.
Gods kinderen merken dat zij blijft, want soms openbaart zij zich in het gebed en in de uitgangen van het hart naar de levende God, en breekt zij uit in geloof, hoop en liefde. Zo blijft zij niet alleen als een Goddelijke werkelijkheid, maar als een levende bron, die springt tot in het eeuwige leven. Als dat niet zo was, dan waren er ook geen herlevingen, geen nieuwe mededelingen, geen vernieuwde bewijzen, geen opwellingen, geen vertederingen, geen zuchten om de gemeenschap met de Heere, geen treuren over Zijn afwezigheid. Maar de zalving blijft, en dat bewaart de ziel voor de dood en houdt haar in leven in de hongersnood.
Aan de lezer…
Vreest u, arme ziel, dat al uw afwijkingen en vallen het laatste restje genade in u hebben uitgedoofd? Gaan de golven en baren over uw hoofd, zoals over Jona in de diepte, en vindt u in uzelf niets dan brandbaar materiaal voor de vurige pijlen van de duivel? Zie dan niet op de kracht van uw vijanden, maar op Hem Die de zalving gegeven heeft. Wat de Heere Zelf in de diepten van een verbroken geest heeft laten druppelen, kan geen zonde, geen wereld en geen satan wegnemen.
Waaraan zou u dat merken? Aan dat zuchten om de gemeenschap met de Heere, aan dat treuren over Zijn afwezigheid, aan die kleine opwellingen van geloof, hoop en liefde. Een dode ziel zucht niet en treurt niet om Hem. Het druppeltje mag klein zijn; het blijft. Het is een levende bron die springt tot in het eeuwige leven, en het zal u bewaren voor de dood en in leven houden, ook in de hongersnood.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
But the anointing which ye have received of Him abideth in you.
1 John 2:27
All the powers of earth and hell are combined against this holy anointing, with which the children of God are so highly favored. But if God has locked up in the bosom of a saint one drop of this divine unction, that one drop is armor against all the assaults of sin, all the attacks of Satan, all the enmity of self, and all the charms, pleasures, and amusements of the world. Waves and billows of affliction may roll over the soul; but they cannot wash away this holy drop of anointing oil. Satan may shoot a thousand fiery darts to inflame all the combustible material of our carnal mind; but all his fiery darts cannot burn up that one drop of oil which God has laid up in the depths of a broken spirit. The world, with all its charms and pleasures, and its deadly opposition to the truth of God, may stir up waves of ungodliness against this holy anointing; but all the powers of earth combined can never extinguish that one drop which God has Himself lodged in the depths of a believer’s heart.
JONAH had it locked up in the depths of his soul when he was in the whale’s belly; but not all the waves and billows that went over his head, nor even the very depths of hell itself, in whose belly he felt he was, could wash away that drop of anointing oil which God had lodged in his soul. DAVID sank deep into sin and remorse; but all his sin and misery never drank up that drop of anointing oil that God the Spirit had dropped into his heart. The PRODIGAL SON goes into a far country; but he never loses that drop of anointing oil, though he wastes his substance in riotous living. HEMAN complains out of the depths of his affliction; but all his troubles never drank up that holy anointing oil that God had put into his soul. HEZEKIAH on his apparent death-bed, when he turned his face to the wall, was severely tried, and almost in despair; yet all his affliction and despondency never drained the holy drop of anointing oil.
And so it has been with thousands and tens of thousands of the dear saints of God. Not all their sorrows, I may say more, not all their sins, backslidings, slips, falls, miseries, and wretchedness, have ever, all combined, drunk up the anointing that God has bestowed upon them. If sin could have done it, we would have sinned ourselves into hell long ago; and if the world or Satan could have destroyed it or us, they would long ago have destroyed both. If our carnal mind could have done it, it would have swept us away into floods of destruction. But the anointing abides sure, and cannot be destroyed; and where once lodged in the soul, it is secure against all the assaults of earth, sin, and hell.
The saints of God feel that it abides; for it springs up at times in prayer and desires after the living God; and it breaks forth into faith, hope, and love. Thus it not only abides as a divine reality, but as a living principle, springing up into eternal life. Were it not so, there would be no revivals, no fresh communications, no renewed testimonies, no breakings forth, no tender meltings, no breathings out of desire for the Lord’s presence, no mourning over His absence. But the anointing abides, and this preserves the soul from death, and keeps it alive in famine.
To the reader…
Poor soul, do you fear that all your wanderings and falls have quenched the last remnant of grace in you? Do the waves and billows go over your head, as over Jonah in the deep, and do you find nothing in yourself but fuel for the fiery darts of the devil? Then do not look at the strength of your enemies, but at Him Who gave the anointing. What the Lord Himself has dropped into the depths of a broken spirit, no sin, no world and no Satan can take away.
How would you notice it? By that sighing for communion with the Lord, by that mourning over His absence, by those small stirrings of faith, hope and love. A dead soul does not sigh or mourn for Him. The drop may be small; it abides. It is a living spring that springs up into eternal life, and it will preserve you from death and keep you alive, even in famine.
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
Pero la unción que vosotros habéis recibido de Él, mora en vosotros.
1 Juan 2:27
Todos los poderes de la tierra y del infierno están coligados contra esta santa unción, con la cual los hijos de Dios son tan altamente favorecidos. Pero si Dios ha guardado en el pecho de un santo una sola gota de esta divina unción, esa sola gota es armadura contra todos los asaltos del pecado, todos los ataques de Satanás, toda la enemistad del yo y todos los encantos, placeres y diversiones del mundo. Olas y oleadas de aflicción pueden pasar sobre el alma; pero no pueden lavar esta santa gota de aceite de la unción. Satanás puede disparar mil dardos de fuego para inflamar todo el material combustible de nuestra mente carnal; pero todos sus dardos de fuego no pueden consumir esa sola gota de aceite que Dios ha guardado en lo profundo de un espíritu quebrantado. El mundo, con todos sus encantos y placeres, y su oposición mortal a la verdad de Dios, puede levantar olas de impiedad contra esta santa unción; pero todos los poderes de la tierra juntos jamás podrán extinguir esa sola gota que Dios mismo ha depositado en lo profundo del corazón de un creyente.
JONÁS la tenía guardada en lo profundo de su alma cuando estaba en el vientre del pez; pero ni todas las olas y oleadas que pasaron sobre su cabeza, ni aun las mismas profundidades del infierno, en cuyo seno sentía que estaba, pudieron lavar aquella gota de aceite de la unción que Dios había depositado en su alma. DAVID se hundió profundamente en el pecado y el remordimiento; pero todo su pecado y su miseria nunca agotaron aquella gota de aceite de la unción que Dios el Espíritu había dejado caer en su corazón. El HIJO PRÓDIGO se va a una provincia apartada; pero nunca pierde aquella gota de aceite de la unción, aunque desperdicia su hacienda viviendo perdidamente. HEMÁN se queja desde las profundidades de su aflicción; pero todos sus males nunca agotaron aquel santo aceite de la unción que Dios había puesto en su alma. EZEQUÍAS, en lo que parecía su lecho de muerte, cuando volvió su rostro a la pared, fue duramente probado y estuvo casi en la desesperación; y sin embargo, toda su aflicción y abatimiento nunca agotaron la santa gota de aceite de la unción.
Y así ha sido con millares y decenas de millares de los amados santos de Dios. Ni todas sus tristezas, y aun puedo decir más, ni todos sus pecados, apartamientos, deslices, caídas, miserias y desdichas, han agotado jamás, todos juntos, la unción que Dios les ha concedido. Si el pecado hubiera podido hacerlo, hace mucho que nos habríamos hundido en el infierno pecando; y si el mundo o Satanás hubieran podido destruirla a ella o a nosotros, hace mucho que habrían destruido ambas cosas. Si nuestra mente carnal hubiera podido hacerlo, nos habría arrastrado a torrentes de destrucción. Pero la unción permanece segura y no puede ser destruida; y una vez depositada en el alma, está a salvo de todos los asaltos de la tierra, del pecado y del infierno.
Los santos de Dios sienten que permanece; porque brota a veces en oración y en deseos del Dios vivo, e irrumpe en fe, esperanza y amor. Así no solo permanece como una realidad divina, sino como un principio vivo, que brota para vida eterna. Si no fuera así, no habría avivamientos, ni comunicaciones nuevas, ni testimonios renovados, ni irrupciones, ni tiernos enternecimientos, ni suspiros de deseo por la presencia del Señor, ni duelo por Su ausencia. Pero la unción permanece, y esto preserva el alma de la muerte y la mantiene con vida en el hambre.
Al lector…
Pobre alma, ¿teme usted que todos sus extravíos y caídas hayan apagado el último resto de gracia en usted? ¿Pasan las olas y oleadas sobre su cabeza, como sobre Jonás en lo profundo, y no halla en sí mismo sino combustible para los dardos de fuego del diablo? Entonces no mire la fuerza de sus enemigos, sino a Aquel que dio la unción. Lo que el Señor mismo ha dejado caer en lo profundo de un espíritu quebrantado, ningún pecado, ningún mundo y ningún Satanás pueden quitarlo.
¿En qué lo notaría usted? En ese suspirar por la comunión con el Señor, en ese duelo por Su ausencia, en esos pequeños movimientos de fe, esperanza y amor. Un alma muerta no suspira ni llora por Él. La gota puede ser pequeña; permanece. Es una fuente viva que brota para vida eterna, y le preservará de la muerte y le mantendrá con vida, aun en el hambre.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl