September 21
En de zalving, die gijlieden van Hem ontvangen hebt, blijft in u.
1 Johannes 2:27
Al de krachten van de aarde en de hemel spannen tezamen tegen deze heilige zalving, waarmede de kinderen Gods zo hogelijk begunstigd zijn. Maar indien God in de boezem van een heilige een drupje van deze Goddelijke zalving heeft geschonken, dan is dat drupje als een rots tegenover alle aanvallen van de zonde, tegenover elke aanranding van satan, tegenover alle vijandschap in eigen boezem en al de bekoorlijkheden, genoegens en vermakelijkheden van de wereld. Golven en baren van verdrukking mogen over de ziel heengaan, maar zij kunnen deze heilige drup der zalfolie niet uitwissen. De duivel moge duizend vurige pijlen afschieten om het brandbaar materiaal van ons vleselijk gemoed te doen ontvlammen, doch al deze vurige pijlen kunnen deze ene drup olie, die de Heere heeft doen druipen in de diepten van een verbroken geest, niet verbranden. De wereld met al haar genoegens en vermakelijkheden, met haar dodelijke tegenstand tegen de waarheid Gods, moge golven van goddeloosheid tegen deze heilige zalving opwekken, maar al de krachten der aarde met elkaar verenigd kunnen nooit deze ene drup vernietigen, die de Heere Zelf in de diepten van een gelovig hart gelegd heeft.
Deze drup was in de diepten van Jona’s ziel ingesloten toen hij in de buik van de walvis was; doch al de baren en golven die over zijn hoofd heengingen, noch zelfs de diepten der hel, in wier buik hij in zijn gewaarwording zich bevond, konden die drup der zalfolie, die God de Heilige Geest in zijn hart gelegd had, daaruit wegnemen. De verloren zoon ging henen in een ver land, maar ofschoon hij zijn vermogen doorbracht in een uitspattend leven, die drup der zalfolie verloor hij niet. Heman klaagt vanwege de diepte der verdrukking, doch al zijn wederwaardigheden hebben nooit de heilige zalfolie, die God in zijn ziel geschonken had, teniet kunnen doen. Toen Hiskia ogenschijnlijk op zijn doodsbed lag en hij zijn aangezicht naar de wand wendde, was hij ten zeerste bedroefd en verkeerde hij bijna in wanhoop, en toch kon al zijn verdrukking en moedeloosheid deze heilige drup der zalfolie niet doen verdrogen. En zo is het duizenden en tienduizenden van Gods lieve kinderen gegaan.
Al hun smarten, ja nog meer, al hun zonden, afwijkingen, vallen, ellenden en jammer, deze alle tezamen genomen, hebben nooit vermocht de zalving die God hun geschonken had, weg te nemen. Indien de zonde dit had kunnen doen, wij zouden onszelf voor lange tijd reeds in de hel gezondigd hebben; en indien de wereld of de satan deze drup, of ons persoonlijk, had kunnen teniet doen, wij zouden reeds lang vernietigd zijn. Indien ons vleselijk gemoed dit had kunnen doen, het zou ons weggevaagd hebben in een vloed des verderfs. Maar de zalving blijft in ons, kan niet verdorven worden, en waar zij eens in de ziel geschonken is, daar is zij beveiligd tegen al de aanslagen van de aarde, de zonde en de hel.
Gods kinderen worden het gewaar dat zij blijft, want bij tijden openbaart zij zich in gebed en in de uitgangen naar de levende God, en zij breekt uit in geloof, hoop en liefde. Zo blijft zij niet slechts als een Goddelijke werkelijkheid, maar als een levende bron, die springt tot in het eeuwige leven. Ware dit niet zo, er waren ook geen herlevingen, geen verse mededelingen, geen vernieuwde bewijzen, geen opwellingen, geen vertederingen, geen zuchten om de gemeenschap des Heeren, geen treuren over Zijn afwezigheid. Maar de zalving blijft, en dit bewaart de ziel voor de dood en houdt haar in het leven in de hongersnood.
Aan de lezer…
Vreest u, arme ziel, dat al uw afwijkingen en vallen het laatste restje genade in u hebben uitgedoofd? Gaan de golven en baren over uw hoofd, zoals over Jona in de diepte, en vindt u in uzelf niets dan brandbaar materiaal voor de vurige pijlen van de duivel? Zie dan niet op de kracht van uw vijanden, maar op Hem Die de zalving gegeven heeft. Wat de Heere Zelf in de diepten van een verbroken geest heeft doen druipen, kan geen zonde, geen wereld en geen satan wegnemen.
Waaraan zou u het merken? Aan dat zuchten om de gemeenschap des Heeren, aan dat treuren over Zijn afwezigheid, aan die kleine opwellingen van geloof, hoop en liefde. Een dode ziel zucht niet en treurt niet om Hem. Het drupje mag klein zijn; het blijft. Het is een levende bron die springt tot in het eeuwige leven, en het zal u bewaren voor de dood en in het leven houden, ook in de hongersnood.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
En de zalving, die gijlieden van Hem ontvangen hebt, blijft in u.
1 Johannes 2:27
Alle machten van aarde en hel spannen samen tegen deze heilige zalving, waarmee de kinderen van God zo bijzonder begunstigd zijn. Maar als God in het hart van een heilige een druppeltje van deze Goddelijke zalving heeft geschonken, dan is dat druppeltje als een rots tegenover alle aanvallen van de zonde, tegenover elke aanval van satan, tegenover alle vijandschap in het eigen hart en tegenover al de bekoringen, genoegens en vermaken van de wereld. Golven en baren van verdrukking mogen over de ziel heengaan, maar zij kunnen deze heilige druppel zalfolie niet uitwissen. De duivel mag duizend vurige pijlen afschieten om het brandbare materiaal van ons vleselijk gemoed in vlam te zetten, maar al die vurige pijlen kunnen deze ene druppel olie niet verbranden, die de Heere heeft laten druppelen in de diepten van een verbroken geest. De wereld mag met al haar genoegens en vermaken, met haar dodelijke tegenstand tegen de waarheid van God, golven van goddeloosheid tegen deze heilige zalving opwekken. Maar alle machten van de aarde samen kunnen deze ene druppel nooit vernietigen, die de Heere Zelf in de diepten van een gelovig hart gelegd heeft.
Deze druppel lag ingesloten in de diepten van Jona’s ziel toen hij in de buik van de vis was. Maar al de baren en golven die over zijn hoofd heengingen, en zelfs de diepten van de hel, in wier buik hij zich naar zijn gevoel bevond, konden die druppel zalfolie, die God de Heilige Geest in zijn hart gelegd had, er niet uit wegnemen. De verloren zoon trok weg naar een ver land, maar hoewel hij zijn vermogen erdoor bracht met een losbandig leven, verloor hij die druppel zalfolie niet. Heman klaagt over de diepte van zijn verdrukking, maar al zijn tegenspoed heeft de heilige zalfolie, die God in zijn ziel geschonken had, nooit teniet kunnen doen. Toen Hiskia naar het scheen op zijn sterfbed lag en zijn gezicht naar de muur keerde, was hij diep bedroefd en bijna wanhopig, en toch kon al zijn verdrukking en moedeloosheid deze heilige druppel zalfolie niet laten opdrogen. En zo is het duizenden en tienduizenden van Gods lieve kinderen gegaan.
Al hun smarten, ja meer nog, al hun zonden, afwijkingen, vallen, ellende en jammer, dat alles samen heeft nooit de zalving kunnen wegnemen die God hun geschonken had. Als de zonde dat had kunnen doen, zouden wij onszelf al lang geleden in de hel gezondigd hebben. En als de wereld of de satan deze druppel, of ons persoonlijk, teniet had kunnen doen, zouden wij al lang vernietigd zijn. Als ons vleselijk gemoed dat had kunnen doen, zou het ons weggevaagd hebben in een vloed van verderf. Maar de zalving blijft in ons en kan niet bedorven worden; waar zij eenmaal in de ziel geschonken is, daar is zij beveiligd tegen alle aanslagen van aarde, zonde en hel.
Gods kinderen merken dat zij blijft, want soms openbaart zij zich in het gebed en in de uitgangen van het hart naar de levende God, en breekt zij uit in geloof, hoop en liefde. Zo blijft zij niet alleen als een Goddelijke werkelijkheid, maar als een levende bron, die springt tot in het eeuwige leven. Als dat niet zo was, dan waren er ook geen herlevingen, geen nieuwe mededelingen, geen vernieuwde bewijzen, geen opwellingen, geen vertederingen, geen zuchten om de gemeenschap met de Heere, geen treuren over Zijn afwezigheid. Maar de zalving blijft, en dat bewaart de ziel voor de dood en houdt haar in leven in de hongersnood.
Aan de lezer…
Vreest u, arme ziel, dat al uw afwijkingen en vallen het laatste restje genade in u hebben uitgedoofd? Gaan de golven en baren over uw hoofd, zoals over Jona in de diepte, en vindt u in uzelf niets dan brandbaar materiaal voor de vurige pijlen van de duivel? Zie dan niet op de kracht van uw vijanden, maar op Hem Die de zalving gegeven heeft. Wat de Heere Zelf in de diepten van een verbroken geest heeft laten druppelen, kan geen zonde, geen wereld en geen satan wegnemen.
Waaraan zou u dat merken? Aan dat zuchten om de gemeenschap met de Heere, aan dat treuren over Zijn afwezigheid, aan die kleine opwellingen van geloof, hoop en liefde. Een dode ziel zucht niet en treurt niet om Hem. Het druppeltje mag klein zijn; het blijft. Het is een levende bron die springt tot in het eeuwige leven, en het zal u bewaren voor de dood en in leven houden, ook in de hongersnood.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
But the anointing which ye have received of Him abideth in you.
1 John 2:27
All the powers of earth and hell are combined against this holy anointing, with which the children of God are so highly favored. But if God has locked up in the bosom of a saint one drop of this divine unction, that one drop is armor against all the assaults of sin, all the attacks of Satan, all the enmity of self, and all the charms, pleasures, and amusements of the world. Waves and billows of affliction may roll over the soul; but they cannot wash away this holy drop of anointing oil. Satan may shoot a thousand fiery darts to inflame all the combustible material of our carnal mind; but all his fiery darts cannot burn up that one drop of oil which God has laid up in the depths of a broken spirit. The world, with all its charms and pleasures, and its deadly opposition to the truth of God, may stir up waves of ungodliness against this holy anointing; but all the powers of earth combined can never extinguish that one drop which God has Himself lodged in the depths of a believer’s heart.
JONAH had it locked up in the depths of his soul when he was in the whale’s belly; but not all the waves and billows that went over his head, nor even the very depths of hell itself, in whose belly he felt he was, could wash away that drop of anointing oil which God had lodged in his soul. DAVID sank deep into sin and remorse; but all his sin and misery never drank up that drop of anointing oil that God the Spirit had dropped into his heart. The PRODIGAL SON goes into a far country; but he never loses that drop of anointing oil, though he wastes his substance in riotous living. HEMAN complains out of the depths of his affliction; but all his troubles never drank up that holy anointing oil that God had put into his soul. HEZEKIAH on his apparent death-bed, when he turned his face to the wall, was severely tried, and almost in despair; yet all his affliction and despondency never drained the holy drop of anointing oil.
And so it has been with thousands and tens of thousands of the dear saints of God. Not all their sorrows, I may say more, not all their sins, backslidings, slips, falls, miseries, and wretchedness, have ever, all combined, drunk up the anointing that God has bestowed upon them. If sin could have done it, we would have sinned ourselves into hell long ago; and if the world or Satan could have destroyed it or us, they would long ago have destroyed both. If our carnal mind could have done it, it would have swept us away into floods of destruction. But the anointing abides sure, and cannot be destroyed; and where once lodged in the soul, it is secure against all the assaults of earth, sin, and hell.
The saints of God feel that it abides; for it springs up at times in prayer and desires after the living God; and it breaks forth into faith, hope, and love. Thus it not only abides as a divine reality, but as a living principle, springing up into eternal life. Were it not so, there would be no revivals, no fresh communications, no renewed testimonies, no breakings forth, no tender meltings, no breathings out of desire for the Lord’s presence, no mourning over His absence. But the anointing abides, and this preserves the soul from death, and keeps it alive in famine.
To the reader…
Poor soul, do you fear that all your wanderings and falls have quenched the last remnant of grace in you? Do the waves and billows go over your head, as over Jonah in the deep, and do you find nothing in yourself but fuel for the fiery darts of the devil? Then do not look at the strength of your enemies, but at Him Who gave the anointing. What the Lord Himself has dropped into the depths of a broken spirit, no sin, no world and no Satan can take away.
How would you notice it? By that sighing for communion with the Lord, by that mourning over His absence, by those small stirrings of faith, hope and love. A dead soul does not sigh or mourn for Him. The drop may be small; it abides. It is a living spring that springs up into eternal life, and it will preserve you from death and keep you alive, even in famine.
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
Pero la unción que vosotros habéis recibido de Él, mora en vosotros.
1 Juan 2:27
Todos los poderes de la tierra y del infierno están coligados contra esta santa unción, con la cual los hijos de Dios son tan altamente favorecidos. Pero si Dios ha guardado en el pecho de un santo una sola gota de esta divina unción, esa sola gota es armadura contra todos los asaltos del pecado, todos los ataques de Satanás, toda la enemistad del yo y todos los encantos, placeres y diversiones del mundo. Olas y oleadas de aflicción pueden pasar sobre el alma; pero no pueden lavar esta santa gota de aceite de la unción. Satanás puede disparar mil dardos de fuego para inflamar todo el material combustible de nuestra mente carnal; pero todos sus dardos de fuego no pueden consumir esa sola gota de aceite que Dios ha guardado en lo profundo de un espíritu quebrantado. El mundo, con todos sus encantos y placeres, y su oposición mortal a la verdad de Dios, puede levantar olas de impiedad contra esta santa unción; pero todos los poderes de la tierra juntos jamás podrán extinguir esa sola gota que Dios mismo ha depositado en lo profundo del corazón de un creyente.
JONÁS la tenía guardada en lo profundo de su alma cuando estaba en el vientre del pez; pero ni todas las olas y oleadas que pasaron sobre su cabeza, ni aun las mismas profundidades del infierno, en cuyo seno sentía que estaba, pudieron lavar aquella gota de aceite de la unción que Dios había depositado en su alma. DAVID se hundió profundamente en el pecado y el remordimiento; pero todo su pecado y su miseria nunca agotaron aquella gota de aceite de la unción que Dios el Espíritu había dejado caer en su corazón. El HIJO PRÓDIGO se va a una provincia apartada; pero nunca pierde aquella gota de aceite de la unción, aunque desperdicia su hacienda viviendo perdidamente. HEMÁN se queja desde las profundidades de su aflicción; pero todos sus males nunca agotaron aquel santo aceite de la unción que Dios había puesto en su alma. EZEQUÍAS, en lo que parecía su lecho de muerte, cuando volvió su rostro a la pared, fue duramente probado y estuvo casi en la desesperación; y sin embargo, toda su aflicción y abatimiento nunca agotaron la santa gota de aceite de la unción.
Y así ha sido con millares y decenas de millares de los amados santos de Dios. Ni todas sus tristezas, y aun puedo decir más, ni todos sus pecados, apartamientos, deslices, caídas, miserias y desdichas, han agotado jamás, todos juntos, la unción que Dios les ha concedido. Si el pecado hubiera podido hacerlo, hace mucho que nos habríamos hundido en el infierno pecando; y si el mundo o Satanás hubieran podido destruirla a ella o a nosotros, hace mucho que habrían destruido ambas cosas. Si nuestra mente carnal hubiera podido hacerlo, nos habría arrastrado a torrentes de destrucción. Pero la unción permanece segura y no puede ser destruida; y una vez depositada en el alma, está a salvo de todos los asaltos de la tierra, del pecado y del infierno.
Los santos de Dios sienten que permanece; porque brota a veces en oración y en deseos del Dios vivo, e irrumpe en fe, esperanza y amor. Así no solo permanece como una realidad divina, sino como un principio vivo, que brota para vida eterna. Si no fuera así, no habría avivamientos, ni comunicaciones nuevas, ni testimonios renovados, ni irrupciones, ni tiernos enternecimientos, ni suspiros de deseo por la presencia del Señor, ni duelo por Su ausencia. Pero la unción permanece, y esto preserva el alma de la muerte y la mantiene con vida en el hambre.
Al lector…
Pobre alma, ¿teme usted que todos sus extravíos y caídas hayan apagado el último resto de gracia en usted? ¿Pasan las olas y oleadas sobre su cabeza, como sobre Jonás en lo profundo, y no halla en sí mismo sino combustible para los dardos de fuego del diablo? Entonces no mire la fuerza de sus enemigos, sino a Aquel que dio la unción. Lo que el Señor mismo ha dejado caer en lo profundo de un espíritu quebrantado, ningún pecado, ningún mundo y ningún Satanás pueden quitarlo.
¿En qué lo notaría usted? En ese suspirar por la comunión con el Señor, en ese duelo por Su ausencia, en esos pequeños movimientos de fe, esperanza y amor. Un alma muerta no suspira ni llora por Él. La gota puede ser pequeña; permanece. Es una fuente viva que brota para vida eterna, y le preservará de la muerte y le mantendrá con vida, aun en el hambre.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl