6 dagen geleden verschenen
Het woord van Gods genade
Een uitleg van Handelingen 20:32: Paulus beveelt de oudsten van Efeze aan God en aan het woord van Zijn genade. Alleen dat woord, door de Geest toegepast, bouwt de ziel…
11 dagen geleden verschenen
Schatten in de duisternis
Uitleg van Jesaja 45:2,3 voor Gods kinderen: de Heere gaat voor hen uit, maakt kromme wegen recht, verbreekt koperen deuren en ijzeren grendels, geeft verborgen schatten en leert hen zo…
2 weken geleden verschenen
Verkrijgen en verliezen
Naar Prediker 3:6: een levende ziel verkrijgt geestelijke dingen, van kennis van God en van zichzelf tot geloof en vergeving, maar verliest ook haar eigen gerechtigheid en kracht. De preek…
Het schudden van wat gemaakt is en de vastheid van wat gegeven is
Over Hebreeën 12:27,28: wat gemaakt is, wordt geschud en weggenomen, wat God geeft blijft. Het Koninkrijk dat niet bewogen kan worden wordt door geloof ontvangen, door genade vastgehouden en draagt…
Het is wenselijk de Authorised Version te behouden
Philpot pleit in 1857 tegen een herziene Bijbelvertaling. Hij vreest verminking door dwalende geleerden, onzekerheid en verwarring bij Gods kinderen, en verlies van een gezaghebbende maatstaf en van een nationaal…
Korenaren Uit De Volle Oogst
Niemand dan roeme op mensen; want alles is uwe. Hetzij Paulus, hetzij Apollos, hetzij Cefas, hetzij de wereld, hetzij leven, hetzij dood, hetzij tegenwoordige, hetzij toekomende dingen; zij zijn alle uwe. Doch gij zijt van Christus, en Christus is Gods.
1 Korinthe 3:21, 22, 23
Wat er ook in de hemel zij, wat er ook op aarde zij, dat uw geestelijk goed kan zijn, alles is het uwe, zo gij een erfgenaam Gods en een mede-erfgenaam van Christus zijt. Het zilver en het goud en het vee op duizend bergen zijn alle van Christus, omdat Hem gegeven is alle macht in hemel en op aarde. Welke uw tijdelijke behoeften mogen zijn, Hij kan ze vervullen, omdat Hij is zowel de Koning der aarde als de Koning des hemels.
Welke vijanden gij moogt hebben, Hij kan ze verslaan; welke rampen u mogen drukken, Hij is in staat ze weg te nemen; welke zorgen u omringen, Hij is in staat u onder deze te troosten. Alle dingen dezes tijds, alle dingen der eeuwigheid, in deze wereld en in de toekomende, zijn alle aan uw zijde, die erfgenamen zijt van God en mede-erfgenamen van Christus.
Uw goedheid, Heer, is hemelhoog,
Uw waarheid tot de wolkenboog,
Uw recht is als Gods bergen,
Uw oordeel grond’loos. Gij behoedt
en zegent mens en beest en doet
Uw hulp nooit vrucht’loos vergen.
Hoe groot is Uw goedgunstigheid,
hoe zijn Uw vleug’len uitgebreid!
Hier wordt de rust geschonken,
hier ’t vette van Uw huis gesmaakt.
Een volle beek van wellust maakt
hier elk in liefde dronken.
Ps. 36:2
Aan de lezer…
Wie zich vandaag arm voelt, met lege handen en veel zorgen, mag horen wat de apostel zegt tot hen die van Christus zijn: „Alles is uwe.” Niet omdat u zoveel bezit, maar omdat Hij alles bezit, Hij aan Wie gegeven is alle macht in hemel en op aarde. Het zilver en het goud en het vee op duizend bergen zijn van Hem. Wat u ook ontbreekt, Hij kan het vervullen; welke vijand u ook belaagt, Hij kan hem verslaan.
Bent u een erfgenaam Gods en een mede-erfgenaam van Christus, dan staan leven en dood, tegenwoordige en toekomende dingen alle aan uw zijde, ook als het er naar het gezicht anders uitziet. Roem dan niet op mensen, en zoek uw rust niet bij hen, maar schuil onder Zijn vleugels. Daar wordt de rust geschonken; daar mag een arme ziel smaken van het vette van Zijn huis. U bent van Christus, en Christus is Gods.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Niemand dan roeme op mensen; want alles is uwe. Hetzij Paulus, hetzij Apollos, hetzij Cefas, hetzij de wereld, hetzij leven, hetzij dood, hetzij tegenwoordige, hetzij toekomende dingen; zij zijn alle uwe. Doch gij zijt van Christus, en Christus is Gods.
1 Korinthe 3:21, 22, 23
Wat er ook in de hemel is, wat er ook op aarde is dat tot uw geestelijk goed kan dienen, het is allemaal van u, als u een erfgenaam van God en een mede-erfgenaam van Christus bent. Het zilver en het goud en het vee op duizend bergen zijn allemaal van Christus, omdat Hem alle macht in hemel en op aarde gegeven is. Wat uw tijdelijke behoeften ook zijn, Hij kan erin voorzien, omdat Hij zowel de Koning van de aarde als de Koning van de hemel is.
Welke vijanden u ook hebt, Hij kan ze verslaan. Welke rampen u ook drukken, Hij is in staat ze weg te nemen. Welke zorgen u ook omringen, Hij is in staat u daarin te troosten. Alle dingen van deze tijd en alle dingen van de eeuwigheid, in deze wereld en in de toekomende, staan allemaal aan uw zijde, u die erfgenamen van God en mede-erfgenamen van Christus bent.
Uw goedheid, Heer, is hemelhoog,
Uw waarheid tot de wolkenboog,
Uw recht is als Gods bergen,
Uw oordeel grond’loos. Gij behoedt
en zegent mens en beest en doet
Uw hulp nooit vrucht’loos vergen.
Hoe groot is Uw goedgunstigheid,
hoe zijn Uw vleug’len uitgebreid!
Hier wordt de rust geschonken,
hier ’t vette van Uw huis gesmaakt.
Een volle beek van wellust maakt
hier elk in liefde dronken.
Ps. 36:2
Aan de lezer…
Wie zich vandaag arm voelt, met lege handen en veel zorgen, mag horen wat de apostel zegt tegen hen die van Christus zijn: „Alles is uwe.” Niet omdat u zoveel bezit, maar omdat Hij alles bezit, Hij aan Wie alle macht in hemel en op aarde gegeven is. Het zilver en het goud en het vee op duizend bergen zijn van Hem. Wat u ook ontbreekt, Hij kan erin voorzien; welke vijand u ook belaagt, Hij kan hem verslaan.
Bent u een erfgenaam van God en een mede-erfgenaam van Christus, dan staan leven en dood, tegenwoordige en toekomende dingen allemaal aan uw zijde, ook als het er voor het oog anders uitziet. Roem dan niet op mensen en zoek uw rust niet bij hen, maar schuil onder Zijn vleugels. Daar wordt de rust geschonken; daar mag een arme ziel smaken van het vette van Zijn huis. U bent van Christus, en Christus is van God.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Therefore let no man glory in men. For all things are yours; whether Paul, or Apollos, or Cephas, or the world, or life, or death, or things present, or things to come; all are yours; and ye are Christ’s; and Christ is God’s.
1 Corinthians 3:21-23
Whatever there be in heaven, whatever there be in earth, that can be for your spiritual good, all is yours so far as you are an heir of God and a joint-heir with Christ. The silver and the gold and the cattle upon a thousand hills are all Christ’s because all power is given to Him in heaven and in earth. Whatever your temporal needs may be, He can supply them, because He is King on earth as well as in heaven. Whatever enemies you may have, He is able to defeat them; whatever evils may press upon you, He is able to subdue them; whatever sorrows surround you, He is able to console you under them. Everything in time, everything in eternity, in this world and in the world to come, are all on your side, that are heirs of God and joint-heirs with Christ.
To the reader…
Whoever feels poor today, with empty hands and many cares, may hear what the apostle says to those who are Christ’s: “All things are yours.” Not because you possess so much, but because He possesses everything, He to Whom all power is given in heaven and in earth. The silver and the gold and the cattle upon a thousand hills are His. Whatever you lack, He can supply; whatever enemy assails you, He can defeat.
If you are an heir of God and a joint-heir with Christ, then life and death, things present and things to come, are all on your side, even when it looks otherwise to the eye. So do not glory in men and do not seek your rest with them, but shelter under His wings. There rest is given; there a poor soul may taste of the fatness of His house. You are Christ’s, and Christ is God’s.
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
Así que, ninguno se gloríe en los hombres; porque todo es vuestro, sea Pablo, sea Apolos, sea Cefas, sea el mundo, sea la vida, sea la muerte, sea lo presente, sea lo por venir; todo es vuestro; y vosotros de Cristo; y Cristo de Dios.
1 Corintios 3:21-23
Todo lo que haya en el cielo, todo lo que haya en la tierra, que pueda ser para su bien espiritual, todo es suyo en cuanto usted es heredero de Dios y coheredero con Cristo. La plata y el oro y los millares de animales en los collados son todos de Cristo, porque toda potestad Le es dada en el cielo y en la tierra. Sean cuales sean sus necesidades temporales, Él puede suplirlas, porque es Rey en la tierra así como en el cielo. Sean cuales sean los enemigos que usted tenga, Él puede derrotarlos; sean cuales sean los males que le opriman, Él puede sujetarlos; sean cuales sean las tristezas que le rodeen, Él puede consolarle en ellas. Todo en el tiempo, todo en la eternidad, en este mundo y en el venidero, todo está de su parte, ustedes que son herederos de Dios y coherederos con Cristo.
Al lector…
Quien hoy se siente pobre, con las manos vacías y muchos cuidados, puede oír lo que el apóstol dice a los que son de Cristo: “Todo es vuestro”. No porque usted posea tanto, sino porque Él lo posee todo, Él a quien toda potestad Le es dada en el cielo y en la tierra. La plata y el oro y los millares de animales en los collados son Suyos. Lo que a usted le falte, Él puede suplirlo; cualquier enemigo que le asalte, Él puede derrotarlo.
Si usted es heredero de Dios y coheredero con Cristo, entonces la vida y la muerte, lo presente y lo por venir, están todos de su parte, aun cuando a la vista parezca otra cosa. No se gloríe, pues, en los hombres ni busque en ellos su descanso, sino ampárese bajo la sombra de Sus alas. Allí se da descanso; allí un alma pobre puede gustar de la grosura de Su casa. Usted es de Cristo, y Cristo de Dios.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl
365 Dagen Met Philpot
Evangelische voorschriften
De geest is wel gewillig, maar het vlees is zwak.
Markus 14:38
Wellicht bent u ertoe geroepen een klein offer van geld te doen. Na een dappere strijd tussen een vrijgevige geest en een begerig hart wint het beste principe. Welnu, als de zege is behaald, merken we dan niet vaak dat wat is gegeven nauwelijks wordt gemist, en dat het goede dat is gedaan voor de waarheid, of voor een van de arme en behoeftige kinderen van de Heere, een ruimschootse vergoeding is voor het overwinnen van de tegenstand van een begerige geest en het geschreeuw van de oude man, alsof er een spijker in zijn gierige knuist werd gedreven? Maar al spoedig, terwijl hij moeizaam sterft en onder de folterende spijker kronkelt, roepen wij, of iemand die met ons verbonden is, uit: „Ontzie jezelf. Als je zo doorgaat, beroof je je vrouw en kinderen en breng je ze tot de bedelstaf. Er moeten rekeningen worden betaald, en je weet hoe moeilijk je aan geld komt en hoe snel het weer verdwijnt.”
Maar dan gebeurt er iets in Gods voorzienigheid, het hoofd zakt in het stof, en we verzuchten: „Heere, ik ben slecht, en Gij zijt goed. Vergeef mijn begerig, ongelovig hart. O, laat me nooit meer aan U twijfelen.” Zo ook, als we afstand moeten doen van een stukje van onze goede naam of faam, of van geliefde achtenswaardigheid, begint het vlees meteen te roepen, en het kan de schande van het kruis niet verdragen. Maar al heel gauw kan de Heere in ons hart binnenkomen met Zijn goedheid, barmhartigheid en liefde, zodat we ons zelfs onwaardig achten schande te verduren omwille van Zijn Naam, en het een eer vinden Zijn smaadheid te dragen.
Op welke andere wijze kunnen we de waarheid en werkelijkheid, het leven en de kracht van onze godsdienst kenbaar maken? Mensen zullen ons terecht oordelen naar onze werken, niet naar onze woorden; naar onze vruchten, niet naar onze bladeren; naar onze christelijke geest, nederigheid, stilheid, ootmoedigheid, oprechtheid, onbaatzuchtigheid, bereidheid te dienen in plaats van te heersen, en de algemene bereidheid te verdragen en zich in te houden, het voordeel van anderen te beogen, niet dat van onszelf, en al het goede te doen dat we maar kunnen voor de ziel en geest van onze medemensen.
Lezen: Mattheüs 12:22-37
Aan de lezer…
Er zijn dagen waarin u die strijd tussen een gewillige geest en een zwak vlees maar al te goed kent. U wilt geven, en het oude hart schreeuwt; u wilt de smaad van Christus dragen, en het vlees deinst terug voor de schande van het kruis. Schrik daar niet van, alsof het u vreemd overkwam. De geest is wel gewillig, maar het vlees is zwak; zo is het altijd geweest met de kinderen des Heeren, en zij hebben het menigmaal met het hoofd in het stof moeten belijden: „Heere, ik ben slecht, en Gij zijt goed.”
Maar ziet ook hoe Hij binnenkomt met Zijn goedheid, barmhartigheid en liefde, en hoe dan wat zwaar scheen nauwelijks gemist wordt, ja, hoe het een eer wordt Zijn smaadheid te dragen. Laat uw godsdienst dan niet in woorden en bladeren blijven steken. Vraag Hem om de vrucht van Zijn Geest: nederigheid, oprechtheid, de bereidheid te dienen in plaats van te heersen. Zo wordt de werkelijkheid van Zijn werk in u gezien.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
De geest is wel gewillig, maar het vlees is zwak.
Markus 14:38
Misschien bent u geroepen om een klein offer van geld te brengen. Na een flinke strijd tussen een vrijgevige geest en een begerig hart wint het betere beginsel. Welnu, merken we dan, als de overwinning behaald is, niet vaak dat wat gegeven is nauwelijks gemist wordt? En dat het goede dat gedaan is voor de waarheid, of voor een van de arme en behoeftige kinderen van de Heere, ruimschoots opweegt tegen het overwinnen van de tegenstand van een begerige geest en het geschreeuw van de oude mens, alsof er een spijker door zijn gierige vuist werd gedreven? Maar al spoedig, terwijl hij moeizaam sterft en onder de folterende spijker kronkelt, roepen wij, of iemand die met ons verbonden is, uit: „Ontzie jezelf. Als je zo doorgaat, beroof je je vrouw en kinderen en breng je ze tot de bedelstaf. Er moeten rekeningen worden betaald, en je weet hoe moeilijk je aan geld komt en hoe snel het weer verdwijnt.”
Maar dan gebeurt er iets in Gods voorzienigheid, het hoofd zakt in het stof, en we verzuchten: „Heere, ik ben slecht, en Gij zijt goed. Vergeef mijn begerig, ongelovig hart. O, laat me nooit meer aan U twijfelen.” Zo is het ook wanneer we afstand moeten doen van een stukje van onze goede naam of faam, of van onze geliefde achtenswaardigheid: het vlees begint meteen te roepen, en het kan de schande van het kruis niet verdragen. Maar heel spoedig kan de Heere ons hart binnenkomen met Zijn goedheid, barmhartigheid en liefde. Dan achten we ons zelfs onwaardig om ter wille van Zijn Naam schande te verdragen, en vinden we het een eer Zijn smaadheid te dragen.
Op welke andere manier kunnen we de waarheid en werkelijkheid, het leven en de kracht van onze godsdienst laten zien? Mensen zullen ons terecht beoordelen naar onze werken, niet naar onze woorden; naar onze vruchten, niet naar onze bladeren. Zij zullen letten op onze christelijke geest, nederigheid, stilheid, ootmoedigheid, oprechtheid en onbaatzuchtigheid, op onze bereidheid om te dienen in plaats van te heersen, en op de algemene bereidheid om te verdragen en ons in te houden, het voordeel van anderen te zoeken en niet dat van onszelf, en al het goede te doen dat we maar kunnen voor de ziel en de geest van onze medemensen.
Lezen: Mattheüs 12:22-37
Aan de lezer…
Er zijn dagen waarin u die strijd tussen een gewillige geest en een zwak vlees maar al te goed kent. U wilt geven, en het oude hart schreeuwt; u wilt de smaad van Christus dragen, en het vlees deinst terug voor de schande van het kruis. Schrik daar niet van, alsof u iets vreemds overkwam. De geest is wel gewillig, maar het vlees is zwak. Zo is het altijd geweest met de kinderen van de Heere, en zij hebben het vaak met het hoofd in het stof moeten belijden: „Heere, ik ben slecht, en Gij zijt goed.”
Maar zie ook hoe Hij binnenkomt met Zijn goedheid, barmhartigheid en liefde, en hoe dan wat zwaar leek nauwelijks gemist wordt, ja, hoe het een eer wordt Zijn smaadheid te dragen. Laat uw godsdienst dan niet in woorden en bladeren blijven steken. Vraag Hem om de vrucht van Zijn Geest: nederigheid, oprechtheid, de bereidheid om te dienen in plaats van te heersen. Zo wordt de werkelijkheid van Zijn werk in u gezien.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
The spirit truly is ready, but the flesh is weak.
Mark 14:38
Perhaps you are called to make some small sacrifice of money. After a sharp conflict between a liberal spirit and a covetous heart, the better principle prevails. Now, when the victory is gained, do we not often find that what was given is scarcely missed? And that the good done for the truth, or for one of the Lord’s poor and needy children, far outweighs the overcoming of the opposition of a covetous spirit and the outcry of the old man, as if a nail were being driven through his miserly fist? But soon, while he dies hard and writhes under the torturing nail, we, or someone connected with us, cry out: “Spare yourself. If you go on like this, you will rob your wife and children and bring them to beggary. There are bills to be paid, and you know how hard money is to come by and how quickly it goes again.”
But then something happens in God’s providence, the head sinks into the dust, and we sigh: “Lord, I am vile, and Thou art good. Forgive my covetous, unbelieving heart. O, let me never doubt Thee again.” So it is too when we must part with a piece of our good name or reputation, or of our beloved respectability: the flesh at once begins to cry out, and it cannot bear the shame of the cross. But very soon the Lord can come into our heart with His goodness, mercy and love. Then we count ourselves unworthy even to suffer shame for His name’s sake, and think it an honour to bear His reproach.
In what other way can we show the truth and reality, the life and power of our religion? Men will rightly judge us by our works, not by our words; by our fruits, not by our leaves. They will look at our Christian spirit, humility, quietness, meekness, uprightness and unselfishness, at our readiness to serve rather than to rule, and at a general readiness to bear and forbear, to seek the profit of others and not our own, and to do all the good we can to the souls and spirits of our fellow men.
Reading: Matthew 12:22-37
To the reader…
There are days when you know that conflict between a willing spirit and a weak flesh only too well. You want to give, and the old heart cries out; you want to bear the reproach of Christ, and the flesh shrinks back from the shame of the cross. Do not be alarmed by that, as though something strange had happened to you. The spirit truly is ready, but the flesh is weak. So it has always been with the Lord’s children, and they have often had to confess it with their heads in the dust: “Lord, I am vile, and Thou art good.”
But see also how He comes in with His goodness, mercy and love, and how what seemed heavy is then scarcely missed; yes, how it becomes an honour to bear His reproach. Do not let your religion stop short at words and leaves, then. Ask Him for the fruit of His Spirit: humility, uprightness, the readiness to serve rather than to rule. So the reality of His work in you will be seen.
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
El espíritu a la verdad está presto, mas la carne enferma.
Marcos 14:38
Quizá sea usted llamado a hacer algún pequeño sacrificio de dinero. Tras un agudo conflicto entre un espíritu generoso y un corazón avaro, prevalece el mejor principio. Pues bien, cuando se ha ganado la victoria, ¿no hallamos a menudo que lo que se dio apenas se echa de menos? ¿Y que el bien hecho a favor de la verdad, o de uno de los hijos pobres y necesitados del Señor, pesa mucho más que el vencer la oposición de un espíritu avaro y el clamor del viejo hombre, como si se le estuviera clavando un clavo en su puño tacaño? Pero pronto, mientras él muere con dificultad y se retuerce bajo el clavo que le atormenta, nosotros, o alguien relacionado con nosotros, clamamos: “Ten compasión de ti mismo. Si sigues así, robarás a tu mujer y a tus hijos y los llevarás a la mendicidad. Hay cuentas que pagar, y ya sabes cuán difícil es conseguir dinero y cuán pronto se va de nuevo.”
Pero entonces sucede algo en la providencia de Dios, la cabeza se hunde en el polvo, y suspiramos: “Señor, yo soy vil, y Tú eres bueno. Perdona mi corazón avaro e incrédulo. ¡Oh, no me dejes dudar nunca más de Ti!” Así es también cuando debemos desprendernos de una parte de nuestro buen nombre o reputación, o de nuestra querida respetabilidad: la carne en seguida comienza a clamar, y no puede soportar la vergüenza de la cruz. Pero muy pronto el Señor puede entrar en nuestro corazón con Su bondad, misericordia y amor. Entonces nos tenemos por indignos aun de padecer afrenta por causa de Su Nombre, y consideramos un honor llevar Su vituperio.
¿De qué otra manera podemos mostrar la verdad y la realidad, la vida y el poder de nuestra religión? Los hombres nos juzgarán con razón por nuestras obras, no por nuestras palabras; por nuestros frutos, no por nuestras hojas. Mirarán nuestro espíritu cristiano, nuestra humildad, quietud, mansedumbre, rectitud y desinterés, nuestra disposición a servir más que a gobernar, y una disposición general a soportar y sobrellevar, a buscar el provecho de otros y no el nuestro, y a hacer todo el bien que podamos a las almas y los espíritus de nuestros semejantes.
Lectura: Mateo 12:22-37
Al lector…
Hay días en que usted conoce demasiado bien ese conflicto entre un espíritu dispuesto y una carne débil. Quiere dar, y el viejo corazón clama; quiere llevar el vituperio de Cristo, y la carne retrocede ante la vergüenza de la cruz. No se alarme por ello, como si le hubiera sucedido algo extraño. El espíritu a la verdad está presto, mas la carne enferma. Así ha sido siempre con los hijos del Señor, y a menudo han tenido que confesarlo con la cabeza en el polvo: “Señor, yo soy vil, y Tú eres bueno.”
Pero vea también cómo Él entra con Su bondad, misericordia y amor, y cómo lo que parecía pesado apenas se echa de menos entonces; sí, cómo llega a ser un honor llevar Su vituperio. No permita, pues, que su religión se quede en palabras y hojas. Pídale el fruto de Su Espíritu: humildad, rectitud, la disposición a servir más que a gobernar. Así se verá la realidad de Su obra en usted.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl
Door Baca's Vallei
Want ziet, Ik breng een kwaad over alle vlees, spreekt de Heere.
Jeremia 45:5
De Heere kan, geestelijk gezegd, een kwaad brengen over alle vlees, wanneer Hij moeite en ellende doet komen op het vlees en op al hetgeen het vlees bemint. De slag valt op de vruchten van het vlees, wanneer Hij de vleselijke godsdienst ineenslaat en wanneer Hij de valse hoop en het valse vertrouwen ontwortelt. Het doel van deze slagen is om de ziel als arm en nooddruftig te doen komen aan de genadetroon; en wanneer de Heilige Geest de ogen verlicht om te zien, de ziel levend maakt om te gevoelen en met kracht opwekt om te vragen, dan is er een zoeken naar wezenlijke dingen, recht tegenovergesteld aan het zoeken van schaduwen. Nu komt er een zoeken naar vergeving en barmhartigheid, naar het getuigenis van God in de ziel en de verheffing van het licht Zijns aangezichts, naar de besprenging van het bloed van Jezus op de consciëntie, met alle andere geestelijke zegeningen, in het Evangelie geopenbaard.
Dit alles wordt gewaardeerd en hoog geschat. Het is nu niet genoeg dat zij gehoord worden uit de mond van een dienaar des Woords, of met het oordeel toegestemd worden, of ontvangen op het getuigenis van anderen. Zij worden alleen in zoverre genoten als zij gesmaakt, gevoeld en waargenomen worden in het hart.
Ik geloof, ik kan het voor mijzelf getuigen, dat ik, vóór het kwade mij in deze weg ontmoette – in hoofdzaak was dit een lang ziekbed, alhoewel ik, indien ik nu leven heb, het reeds bezat vóór deze bezoeking –, nooit deze dingen gezocht heb zoals ik dit naderhand gedaan heb, toen ik in een zeer ellendige toestand naar lichaam en ziel verkeerde. Misleid door satan en mijn eigen hart, zocht ik liever naar wijsheid in de letter dan naar de kracht der levende godzaligheid in mijn ziel. Doch sindsdien heb ik onder al mijn teleurstellingen en de vele veranderingen die ik ondervond, uitgezien en gezocht naar de bezoeken en de bewijzen van des Heeren gunst, meer dan ooit tevoren. Ik heb uitgezien naar de bedauwing van Zijn Geest, de toepassing van Zijn verzoenend bloed en het inwendig getuigenis van Zijn liefde en genade. Ook kan ik niet rusten ter zaligheid op iets anders. Derhalve spreek ik niet als in de lucht slaande, want ik ken de grond waarop ik gewandeld heb; ik heb hem betreden met een moeilijke gang, en daarom heb ik naar mijn bevinding uitgetekend wat ik ken, en getuigd hetgeen ik gevoel.
Als dan de Heere het kwaad brengt over ons vlees, dan is het niet om de ware godsvrucht die wij mogen bezitten om te stoten; het is om ons onze valse gronden te benemen. Deze schuddende zeef is om het kaf af te scheiden en het zuivere graan over te laten. Dit scherpe mes van de hemelse Ontleedkundige is alleen om de ontstoken uitwassen en de ongezonde gezwellen weg te nemen, en de gezonde delen onaangeroerd te laten. Wanneer de Heere ons in de ellende brengt, dan is dit niet om enige genade, door de gezegende Geest aan de ziel medegedeeld, te vernietigen, maar ter vervulling van dit Woord: „Alle plant, die Mijn hemelse Vader geplant heeft, zal niet uitgeroeid worden.”
Hij brengt Zijn vaten van goud en van zilver in de oven, om hen van hun schuim te ontdoen, opdat ze geheiligd worden tot gebruik des Heeren. Want Hij heeft Sion verkoren in de oven der verdrukking (Eng. vertaling). „En Hij zal zitten, louterende, en het zilver reinigende, en Hij zal de kinderen van Levi reinigen, en Hij zal ze doorlouteren als goud, en als zilver; dan zullen zij de Heere spijsoffer toebrengen in gerechtigheid.” Maleachi 3:3.
Aan de lezer…
Hoe dikwijls valt de slag ook op uw eigen vlees! Is er moeite en ellende gekomen over wat u liefhadt, en ziet u uw vroegere hoop en uw oude vertrouwen als een muur ineenzakken? Denk dan niet dat de Heere gekomen is om te verderven wat Hij Zelf in u gewerkt heeft. Zijn zeef schudt om het kaf te scheiden van het graan; Zijn mes snijdt alleen wat ongezond is weg. Wat de gezegende Geest in de ziel gelegd heeft, gaat in de oven niet verloren.
Het doel van al deze slagen is dat u als arm en nooddruftig aan de genadetroon komt, en niet langer schaduwen zoekt, maar het wezenlijke: vergeving, het licht van Zijn aangezicht, de besprenging van het bloed van Jezus op uw consciëntie. Het is niet genoeg die dingen te horen; zij moeten gesmaakt worden in het hart. Zit Hij als Louteraar bij de oven, dan houdt Hij het oog op Zijn zilver en goud. Hij zal u niet langer in het vuur laten dan nodig is.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Want ziet, Ik breng een kwaad over alle vlees, spreekt de Heere.
Jeremia 45:5
Geestelijk gesproken kan de Heere een kwaad brengen over alle vlees, wanneer Hij moeite en ellende laat komen over het vlees en over alles wat het vlees liefheeft. De slag valt op de vruchten van het vlees, wanneer Hij de vleselijke godsdienst neerslaat en de valse hoop en het valse vertrouwen ontwortelt. Het doel van deze slagen is dat de ziel arm en nooddruftig naar de genadetroon komt. Wanneer de Heilige Geest de ogen verlicht om te zien, de ziel levend maakt om te voelen en met kracht aanspoort om te vragen, dan is er een zoeken naar wezenlijke dingen, lijnrecht tegenover het zoeken van schaduwen. Nu komt er een zoeken naar vergeving en barmhartigheid, naar het getuigenis van God in de ziel en het opgaan van het licht van Zijn aangezicht, naar de besprenkeling van het bloed van Jezus op het geweten, met alle andere geestelijke zegeningen die in het Evangelie geopenbaard zijn.
Dit alles wordt gewaardeerd en hoog geschat. Het is nu niet genoeg dat zij gehoord worden uit de mond van een dienaar van het Woord, of met het verstand worden toegestemd, of op het getuigenis van anderen worden aangenomen. Zij worden alleen genoten voor zover zij in het hart gesmaakt, gevoeld en ervaren worden.
Ik geloof, en ik kan het voor mijzelf getuigen, dat ik vóór het kwaad mij op deze manier trof, deze dingen nooit gezocht heb zoals ik dat later gedaan heb, toen ik naar lichaam en ziel in een zeer ellendige toestand verkeerde. Dat kwaad was vooral een lang ziekbed, hoewel ik, als ik nu leven heb, dat al vóór deze bezoeking bezat. Misleid door satan en mijn eigen hart, zocht ik eerder naar wijsheid in de letter dan naar de kracht van de levende godzaligheid in mijn ziel. Maar sindsdien heb ik onder al mijn teleurstellingen en de vele veranderingen die ik meemaakte, meer dan ooit tevoren uitgezien naar en gezocht naar de bezoeken en de bewijzen van de gunst van de Heere. Ik heb uitgezien naar de bedauwing van Zijn Geest, de toepassing van Zijn verzoenend bloed en het inwendig getuigenis van Zijn liefde en genade. Ook kan ik voor mijn zaligheid op niets anders rusten. Daarom spreek ik niet als iemand die in de lucht slaat, want ik ken de grond waarop ik gewandeld heb; ik ben er moeizaam overheen gegaan, en daarom heb ik vanuit mijn bevinding beschreven wat ik ken en getuigd van wat ik voel.
Wanneer de Heere dan het kwaad over ons vlees brengt, is dat niet om de ware godsvrucht die wij mogen bezitten omver te werpen; het is om ons onze valse gronden te ontnemen. Deze schuddende zeef is er om het kaf af te scheiden en het zuivere graan over te laten. Dit scherpe mes van de hemelse Chirurg is er alleen om de ontstoken uitwassen en de ongezonde gezwellen weg te nemen en de gezonde delen onaangeroerd te laten. Wanneer de Heere ons in de ellende brengt, is dat niet om enige genade te vernietigen die de gezegende Geest aan de ziel heeft meegedeeld, maar ter vervulling van dit Woord: „Alle plant, die Mijn hemelse Vader geplant heeft, zal niet uitgeroeid worden.”
Hij brengt Zijn vaten van goud en van zilver in de oven om hen van hun schuim te ontdoen, zodat ze geheiligd worden tot gebruik van de Heere. Want Hij heeft Sion verkoren in de oven der verdrukking (Eng. vertaling). „En Hij zal zitten, louterende, en het zilver reinigende, en Hij zal de kinderen van Levi reinigen, en Hij zal ze doorlouteren als goud, en als zilver; dan zullen zij de Heere spijsoffer toebrengen in gerechtigheid.” Maleachi 3:3.
Aan de lezer…
Hoe vaak valt de slag ook op uw eigen vlees! Is er moeite en ellende gekomen over wat u liefhad, en ziet u uw vroegere hoop en uw oude vertrouwen als een muur ineenzakken? Denk dan niet dat de Heere gekomen is om te verderven wat Hij Zelf in u gewerkt heeft. Zijn zeef schudt om het kaf te scheiden van het graan; Zijn mes snijdt alleen weg wat ongezond is. Wat de gezegende Geest in de ziel gelegd heeft, gaat in de oven niet verloren.
Het doel van al deze slagen is dat u arm en nooddruftig naar de genadetroon komt, en niet langer schaduwen zoekt, maar het wezenlijke: vergeving, het licht van Zijn aangezicht, de besprenkeling van het bloed van Jezus op uw geweten. Het is niet genoeg die dingen te horen; zij moeten in het hart gesmaakt worden. Zit Hij als Louteraar bij de oven, dan houdt Hij het oog op Zijn zilver en goud. Hij zal u niet langer in het vuur laten dan nodig is.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Behold, I will bring evil upon all flesh, saith the LORD.
Jeremiah 45:5
The Lord may be said spiritually to “bring evil upon all flesh,” when He lays trouble and calamity upon the flesh, and upon all that the flesh loves. The blow falls upon the fruits of the flesh, when it cuts down fleshly religion, and roots up false hopes, vain confidence, and self-dependence. The effect of these strokes is to lay the soul poor and needy at the footstool of mercy; and as the Holy Spirit enlightens the eyes to see, quickens the soul to feel, and raises up power to ask, there is now a seeking after real things—substance as opposed to shadows. Thus pardon, mercy, the testimony of God in the soul, the lifting up of the light of His countenance, the sprinkling of the blood of Jesus upon the conscience, with all the other spiritual blessings revealed in the gospel, are sought after, valued, and prized.
It is not enough now that they are heard from a minister, assented to in the judgment, or received on the testimony of others. They are only now so far enjoyed as they are tasted, felt, and handled in the depths of the heart. I believe I can say for myself until evil came upon me in this way, chiefly through a long illness, (though if I have life now, I had it before that visitation), yet until trouble came, and I was brought low in body and soul, I was never seeking as I have done since, the visitations and manifestations of the Lord’s favor. Deceived by Satan and my own heart, I was seeking rather to make myself wise in the letter, than to feel the power of vital godliness in my soul.
But ever since then, amid many discouragements, and with many alternations and changes, I have felt led, as I never knew before, or at least not from the same pressing sense of need, to seek after the visitations and manifestations of the Lord’s favor; the dew of His Spirit, the application of His atoning blood, and the inward testimonies of His love and grace. Nor can I rest for salvation upon anything else. I am not, therefore, speaking at a peradventure; I know the ground, for I have traveled it; I have lined it with laborious footsteps; and therefore having tracked it out, I speak in my measure, that which I know; and testify that which I feel.
When the Lord, then, thus brings evil upon our flesh, it is not to sweep away any real religion that we may possess. It is to sweep away our false religion. This winnowing fan is to fan away the chaff, and leave the pure grain. This keen knife of the heavenly Surgeon is only to cut away the disease and unhealthy tumors, and leave the sound parts uninjured. When the Lord brings distress into the soul, it is not to destroy any one grace that has been communicated by the blessed Spirit, but to fulfill that word, “Every plant which My heavenly Father has not planted shall be rooted up.”
He puts His “vessels of gold and silver” into the furnace to take away their dross, that they may be “sanctified, and fit for the Master’s use.” For He has chosen His Zion in the furnace of affliction; and He “sits as a refiner and purifier of silver, that He may purify the sons of Levi, and purge them as gold and silver, that they may offer unto the Lord an offering in righteousness” (Mal. 3:3).
To the reader…
How often the blow falls on your own flesh too! Has trouble and sorrow come upon what you loved, and do you see your former hopes and your old confidence collapse like a wall? Then do not think that the Lord has come to destroy what He Himself has wrought in you. His fan winnows to separate the chaff from the grain; His knife cuts away only what is unsound. What the blessed Spirit has laid in the soul is not lost in the furnace.
The purpose of all these strokes is that you come poor and needy to the throne of grace, and no longer seek shadows, but substance: pardon, the light of His countenance, the sprinkling of the blood of Jesus on your conscience. It is not enough to hear of these things; they must be tasted in the heart. If He sits as a Refiner by the furnace, He keeps His eye on His silver and gold. He will not leave you in the fire longer than is needful.
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
He aquí que Yo traigo mal sobre toda carne, dice Jehová.
Jeremías 45:5
Puede decirse que el Señor espiritualmente “trae mal sobre toda carne” cuando pone angustia y calamidad sobre la carne y sobre todo lo que la carne ama. El golpe cae sobre los frutos de la carne cuando derriba la religión carnal y arranca de raíz las falsas esperanzas, la vana confianza y la dependencia de uno mismo. El efecto de estos golpes es poner al alma, pobre y necesitada, al pie del estrado de la misericordia; y a medida que el Espíritu Santo ilumina los ojos para ver, vivifica el alma para sentir y levanta poder para pedir, hay ahora una búsqueda de cosas reales: la sustancia en contraste con las sombras. Así el perdón, la misericordia, el testimonio de Dios en el alma, el alzamiento de la luz de Su rostro, la aspersión de la sangre de Jesús sobre la conciencia, con todas las demás bendiciones espirituales reveladas en el evangelio, son buscados, valorados y apreciados.
Ya no basta con oírlos de un ministro, asentir a ellos en el juicio o recibirlos por el testimonio de otros. Ahora solo se gozan en la medida en que se gustan, se sienten y se palpan en lo profundo del corazón. Creo poder decir de mí mismo que, hasta que el mal vino sobre mí de esta manera, principalmente por medio de una larga enfermedad (aunque, si ahora tengo vida, la tenía antes de aquella visitación), hasta que vino la angustia y fui abatido en cuerpo y alma, nunca buscaba, como lo he hecho desde entonces, las visitaciones y manifestaciones del favor del Señor. Engañado por Satanás y por mi propio corazón, buscaba más bien hacerme sabio en la letra que sentir el poder de la piedad vital en mi alma.
Pero desde entonces, en medio de muchos desalientos y con muchas alternancias y cambios, me he sentido llevado, como nunca antes lo conocí, o al menos no por el mismo apremiante sentir de necesidad, a buscar las visitaciones y manifestaciones del favor del Señor: el rocío de Su Espíritu, la aplicación de Su sangre expiatoria y los testimonios interiores de Su amor y gracia. Ni puedo descansar para la salvación en ninguna otra cosa. No hablo, pues, a la ventura; conozco el terreno, porque lo he recorrido; lo he marcado con pasos fatigosos; y por eso, habiéndolo trazado, hablo en mi medida lo que sé, y testifico lo que siento.
Cuando el Señor, pues, trae así mal sobre nuestra carne, no es para barrer ninguna religión verdadera que poseamos. Es para barrer nuestra religión falsa. Este bieldo aventador ha de aventar el tamo y dejar el grano limpio. Este afilado cuchillo del Cirujano celestial solo ha de cortar la enfermedad y los tumores malsanos, y dejar intactas las partes sanas. Cuando el Señor trae angustia al alma, no es para destruir ninguna gracia que haya sido comunicada por el bendito Espíritu, sino para cumplir aquella palabra: “Toda planta que no plantó Mi Padre celestial, será desarraigada.”
Él pone Sus “vasos de oro y de plata” en el horno para quitarles la escoria, a fin de que sean “santificados y útiles para los usos del Señor.” Porque Él ha escogido a Su Sion en horno de aflicción; y “se sentará para afinar y limpiar la plata: porque limpiará los hijos de Leví, los afinará como a oro y como a plata; y ofrecerán a Jehová ofrenda con justicia” (Mal. 3:3).
Al lector…
¡Cuántas veces el golpe cae también sobre su propia carne! ¿Ha venido angustia y dolor sobre lo que usted amaba, y ve derrumbarse como un muro sus antiguas esperanzas y su vieja confianza? Entonces no piense que el Señor ha venido a destruir lo que Él mismo ha obrado en usted. Su bieldo avienta para separar el tamo del grano; Su cuchillo corta solo lo que está enfermo. Lo que el bendito Espíritu ha puesto en el alma no se pierde en el horno.
El propósito de todos estos golpes es que usted venga pobre y necesitado al trono de la gracia, y ya no busque sombras, sino sustancia: el perdón, la luz de Su rostro, la aspersión de la sangre de Jesús sobre su conciencia. No basta con oír hablar de estas cosas; han de gustarse en el corazón. Si Él se sienta como Refinador junto al horno, no aparta Su mirada de Su plata y Su oro. No le dejará en el fuego más tiempo del necesario.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl