2 dagen geleden verschenen
Het gesprek van een gelovige met zijn ziel
Een uitleg van Psalm 42:12 als gesprek tussen David en zijn ziel: waarom de ziel terneergeslagen en onrustig is, waarom ze op God moet hopen en hoe die hoop uitloopt…
9 dagen geleden verschenen
Het woord van Gods genade
Een uitleg van Handelingen 20:32: Paulus beveelt de oudsten van Efeze aan God en aan het woord van Zijn genade. Alleen dat woord, door de Geest toegepast, bouwt de ziel…
2 weken geleden verschenen
Schatten in de duisternis
Uitleg van Jesaja 45:2,3 voor Gods kinderen: de Heere gaat voor hen uit, maakt kromme wegen recht, verbreekt koperen deuren en ijzeren grendels, geeft verborgen schatten en leert hen zo…
3 weken geleden verschenen
Verkrijgen en verliezen
Naar Prediker 3:6: een levende ziel verkrijgt geestelijke dingen, van kennis van God en van zichzelf tot geloof en vergeving, maar verliest ook haar eigen gerechtigheid en kracht. De preek…
Het schudden van wat gemaakt is en de vastheid van wat gegeven is
Over Hebreeën 12:27,28: wat gemaakt is, wordt geschud en weggenomen, wat God geeft blijft. Het Koninkrijk dat niet bewogen kan worden wordt door geloof ontvangen, door genade vastgehouden en draagt…
Korenaren Uit De Volle Oogst
Ziet, wij houden ze gelukzalig, die verdragen. Gij hebt de verdraagzaamheid Jobs gehoord, en gij hebt het einde des Heeren gezien, dat de Heere zeer barmhartig is en een Ontfermer.
Jakobus 5:11
De woorden „verdragen” en „verdraagzaamheid” zijn dezelfde in de oorspronkelijke tekst; en inderdaad is het voorbeeld van Job gegeven als een voorbeeld van het geluk van hen die verdragen. Hetzelfde woord wordt ook gebruikt door onze gezegende Heere, wanneer Hij zegt: „maar wie zal volharden tot het einde, die zal zalig worden” (Matth. 10:22). Dus hebben wij volharding nodig. Evenals hij die in de wedloop loopt, niet zozeer snelheid als wel volhardende kracht behoeft, om het tot het einde vol te houden, het nooit op te geven, zolang hij het ene been voor het andere kan brengen; evenals een goed krijgsman nooit moet dulden verslagen te worden; zo is het ook in de christelijke wedloop: wij moeten het nooit opgeven; wij moeten nooit spreken van bezwijken; wij moeten ons nooit laten overwinnen door de zonde of satan.
Als God ons zelfs van Zijn troon schijnt te verstoten, moeten wij blijven pleiten en geen „nee” tot antwoord aannemen, zoals de weduwe bij de onrechtvaardige rechter. Wat een geduld of volharding hebben wij wel niet nodig om te blijven strijden, ofschoon de strijd tegen ons is; te blijven lopen, ofschoon wij bijna moeten vrezen de wedloop te verliezen; om voorwaarts te blijven gaan, ten koste van alle ontmoedigende omstandigheden! Maar als wij zo de wil van God doen, zoals Hij wil dat wij die doen zullen, en ons de volharding wordt gegeven die wij zo nodig hebben, laat ons dan niet vrezen, want wij zullen de belofte ontvangen. „Doch laat ons goeddoende niet vertragen; want te zijner tijd zullen wij maaien zo wij niet verslappen” (Gal. 6:9). Zo wordt ons ook geboden: „zijt standvastig, onbeweeglijk, altijd overvloedig zijnde in het werk des Heeren, als die weet, dat uw arbeid niet ijdel is in de Heere” (1 Kor. 15:58).
Wie heb ik nevens U omhoog,
wat zou mijn hart, wat zou mijn oog
op aarde nevens U toch lusten?
Ps. 73:13
Aan de lezer…
Hoe zwaar kan de strijd worden! Bent u er moe van? Hebt u lang gebeden zonder antwoord, gestreden terwijl de strijd tegen u scheen, en gelopen terwijl u vreesde de wedloop te verliezen? Dan staat u in het spoor van Job. Ook hij begreep zijn weg niet. Maar hoor wat de apostel zegt: „Gij hebt het einde des Heeren gezien, dat de Heere zeer barmhartig is en een Ontfermer.” Het einde van de weg was niet de beproeving, maar Gods ontferming.
Het gaat in deze wedloop niet om snelheid, maar om volharden, zolang u het ene been voor het andere kunt zetten. Lijkt het of de Heere u van Zijn troon verstoot, pleit dan toch, zoals de weduwe die geen „nee” tot antwoord aannam. Wie volhardt tot het einde, die zal zalig worden. Laat dan niet af, ook niet nu het zwaar is. Te zijner tijd zult u maaien, zo u niet verslapt, en u zult ondervinden dat uw arbeid niet ijdel is in de Heere.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Ziet, wij houden ze gelukzalig, die verdragen. Gij hebt de verdraagzaamheid Jobs gehoord, en gij hebt het einde des Heeren gezien, dat de Heere zeer barmhartig is en een Ontfermer.
Jakobus 5:11
De woorden „verdragen” en „verdraagzaamheid” zijn in de oorspronkelijke tekst hetzelfde woord, en het voorbeeld van Job wordt inderdaad gegeven als een voorbeeld van het geluk van hen die verdragen. Hetzelfde woord gebruikt ook onze gezegende Heere wanneer Hij zegt: „maar wie zal volharden tot het einde, die zal zalig worden” (Matth. 10:22). Wij hebben dus volharding nodig. Wie in een wedloop loopt, heeft niet zozeer snelheid nodig als wel uithoudingsvermogen, om het tot het einde vol te houden en het nooit op te geven zolang hij het ene been voor het andere kan zetten. Een goed soldaat moet nooit dulden dat hij verslagen wordt. Zo is het ook in de christelijke wedloop: wij moeten het nooit opgeven, wij moeten nooit spreken van bezwijken en wij moeten ons nooit laten overwinnen door de zonde of door satan.
Zelfs als God ons van Zijn troon lijkt te verstoten, moeten wij blijven pleiten en geen „nee” als antwoord aannemen, zoals de weduwe bij de onrechtvaardige rechter. Wat een geduld en volharding hebben wij nodig om te blijven strijden, ook al is de strijd tegen ons; om te blijven lopen, ook al moeten wij bijna vrezen de wedloop te verliezen; om vooruit te blijven gaan, ondanks alle ontmoedigende omstandigheden! Maar als wij zo de wil van God doen, zoals Hij wil dat wij die doen, en als ons de volharding gegeven wordt die wij zo nodig hebben, laten wij dan niet vrezen, want wij zullen de belofte ontvangen. „Doch laat ons goeddoende niet vertragen; want te zijner tijd zullen wij maaien zo wij niet verslappen” (Gal. 6:9). Zo wordt ons ook geboden: „zijt standvastig, onbeweeglijk, altijd overvloedig zijnde in het werk des Heeren, als die weet, dat uw arbeid niet ijdel is in de Heere” (1 Kor. 15:58).
Wie heb ik nevens U omhoog,
wat zou mijn hart, wat zou mijn oog
op aarde nevens U toch lusten?
Ps. 73:13
Aan de lezer…
Hoe zwaar kan de strijd worden! Bent u er moe van? Hebt u lang gebeden zonder antwoord, gestreden terwijl de strijd tegen u leek te zijn, en gelopen terwijl u vreesde de wedloop te verliezen? Dan gaat u in het spoor van Job. Ook hij begreep zijn weg niet. Maar luister naar wat de apostel zegt: „Gij hebt het einde des Heeren gezien, dat de Heere zeer barmhartig is en een Ontfermer.” Het einde van de weg was niet de beproeving, maar Gods ontferming.
Het gaat in deze wedloop niet om snelheid, maar om volharding, zolang u het ene been voor het andere kunt zetten. Lijkt het alsof de Heere u van Zijn troon verstoot, pleit dan toch, zoals de weduwe die geen „nee” als antwoord aannam. Wie volhardt tot het einde, die zal zalig worden. Laat dan niet los, ook niet nu het zwaar is. Te zijner tijd zult u maaien als u niet verslapt, en u zult ervaren dat uw arbeid niet ijdel is in de Heere.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Behold, we count them happy which endure. Ye have heard of the patience of Job, and have seen the end of the Lord; that the Lord is very pitiful, and of tender mercy.
James 5:11
The words translated “endure” and “patience” are the same in the original; and in fact, the example of Job is given as an instance of the happiness of those who endure. The same word is also used by our blessed Lord, where He says, “He that endureth to the end shall be saved” (Matt. 10:22). We have need then of endurance. As he that runs a race needs not so much swiftness as enduring strength to hold out to the end, never to give up as long as he can drag one limb before another; as the British soldier must never allow himself to be conquered; so it is in the Christian race—we must never give up; we must never say “die;” we must never allow ourselves to be beaten by sin or Satan.
If God Himself seem to thrust us away from His throne, we must still plead and not take “No” for an answer, like the widow with the unjust judge. O what need we have of patience or endurance still to fight, though the battle be against us; still to run, though we may almost fear to lose the race; and still to press forward, in spite of every discouraging circumstance!
But if in this way we do the will of God, as He would have us, and patience is given to us of which we have such deep need, let us not fear but that we shall receive the promise. “And let us not be weary in well doing: for in due season we shall reap, if we faint not” (Gal. 6:9). We are bidden therefore to be “stedfast, unmoveable, always abounding in the work of the Lord, forasmuch as ye know that your labour is not in vain in the Lord” (1 Cor. 15:58).
To the reader…
How heavy the fight can become! Are you weary of it? Have you prayed long without an answer, fought while the battle seemed to go against you, and run while you feared to lose the race? Then you are walking in the footsteps of Job. He did not understand his way either. But listen to what the apostle says: “Ye have seen the end of the Lord; that the Lord is very pitiful, and of tender mercy.” The end of the road was not the trial, but God’s mercy.
In this race it is not about speed, but about endurance, as long as you can put one foot in front of the other. If it seems as though the Lord is thrusting you away from His throne, plead all the same, like the widow who would not take “no” for an answer. He that endureth to the end shall be saved. So do not let go, not even now that it is hard. In due season you shall reap if you faint not, and you will find that your labour is not in vain in the Lord.
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
He aquí, tenemos por bienaventurados a los que sufren. Habéis oído la paciencia de Job, y habéis visto el fin del Señor, que el Señor es muy misericordioso y piadoso.
Santiago 5:11
Las palabras traducidas “sufren” y “paciencia” son la misma en el original; y de hecho, el ejemplo de Job se da como muestra de la dicha de los que perseveran. La misma palabra la usa también nuestro bendito Señor cuando dice: “Mas el que soportare hasta el fin, este será salvo” (Mat. 10:22). Tenemos, pues, necesidad de perseverancia. Así como el que corre una carrera no necesita tanto velocidad como una fuerza perseverante para aguantar hasta el fin, sin rendirse nunca mientras pueda arrastrar un pie delante del otro; así como el soldado británico nunca debe dejarse vencer; así es en la carrera cristiana: nunca debemos rendirnos; nunca debemos decir “me doy por vencido”; nunca debemos dejarnos derrotar por el pecado ni por Satanás.
Si Dios mismo parece apartarnos de Su trono, aun así debemos suplicar y no aceptar un “no” por respuesta, como la viuda ante el juez injusto. ¡Oh, qué necesidad tenemos de paciencia o perseverancia para seguir luchando, aunque la batalla nos sea contraria; para seguir corriendo, aunque casi temamos perder la carrera; y para seguir avanzando, a pesar de toda circunstancia desalentadora!
Pero si de este modo hacemos la voluntad de Dios, como Él quiere que la hagamos, y se nos da la paciencia de la que tenemos tan profunda necesidad, no temamos, sino estemos seguros de que recibiremos la promesa. “No nos cansemos, pues, de hacer bien; que a su tiempo segaremos, si no hubiéremos desmayado” (Gál. 6:9). Por tanto, se nos manda estar “firmes y constantes, creciendo en la obra del Señor siempre, sabiendo que vuestro trabajo en el Señor no es vano” (1 Cor. 15:58).
Al lector…
¡Cuán pesada puede llegar a ser la lucha! ¿Está usted cansado de ella? ¿Ha orado mucho tiempo sin respuesta, ha luchado mientras la batalla parecía irle en contra, y ha corrido temiendo perder la carrera? Entonces anda usted en las pisadas de Job. Él tampoco entendía su camino. Pero escuche lo que dice el apóstol: “Habéis visto el fin del Señor, que el Señor es muy misericordioso y piadoso”. El final del camino no fue la prueba, sino la misericordia de Dios.
En esta carrera no se trata de velocidad, sino de perseverancia, mientras pueda poner un pie delante del otro. Si parece que el Señor le aparta de Su trono, suplique de todos modos, como la viuda que no aceptaba un “no” por respuesta. El que soportare hasta el fin, este será salvo. No suelte, pues, ni aun ahora que es difícil. A su tiempo segará, si no desmaya, y hallará que su trabajo en el Señor no es vano.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl
365 Dagen Met Philpot
Waarheid
En [gij] zult de waarheid verstaan, en de waarheid zal u vrijmaken.
Johannes 8:32
Daar het bijzonder wenselijk is een duidelijke visie op elk onderwerp te hebben waarover we pogen na te denken wat betreft de gewichtige dingen Gods, en wel van meet af aan, opdat we het rechte pad zullen belopen, zullen we eerst eens de Schriftuurlijke betekenis van het woord „genade” onderzoeken. Ik hoef u niet te vertellen dat het telkens weer op elke bladzijde van het Nieuwe Testament opvalt. Met „genade”, als Nieuwtestamentisch begrip, wordt „de zuivere goedgunstigheid van God” bedoeld. Dit is de duidelijke en bijzondere betekenis ervan. Op welke manier die genade ook zichtbaar wordt, door welk kanaal zij ook stroomt, tot wie zij ook mag komen, welke gevolgen zij ook mag hebben, de zuivere goedgunstigheid van God wordt ermee bedoeld.
Zij kan dus worden vergeleken met de „zuivere rivier van het water des levens, klaar als kristal”, gezien door Johannes in een visioen als „voortkomende uit de troon Gods, en des Lams” (Openb. 22:1). Zij is derhalve tegengesteld aan elke vorm en kleur van menselijke verdienste. Dus staat zij in tegenstelling tot werken – in zo’n sterke tegenstelling dat het ene zogezegd het andere tenietdoet. Is dit niet het argument van de apostel: „En indien het door genade is, zo is het niet meer uit de werken; anderszins is de genade geen genade meer; en indien het is uit de werken, zo is het geen genade meer; anderszins is het werk geen werk meer”? (Rom. 11:6)
Niets is duidelijker, naar de redenering van de apostel, dan dat deze twee dingen zo lijnrecht tegenover elkaar staan, dat als iemand door werken verlost zou moeten worden, de genade geen rol zou spelen; en indien men verlost moest worden door de genade, zouden werken geen rol spelen. Als dit niet op z’n minst is wat hij bedoelt, kunnen woorden geen duidelijke of positieve betekenis hebben. We verklaren dit daarom stellig, als een fundament dat niet kan worden bewogen, dat de genade de zuivere goedgunstigheid van God betekent, zonder te letten op menselijke verdienste, zonder vermenging van wat dan ook in het schepsel, of het nu weinig of veel is, goed of slecht naar menselijk inzicht of voornemen.
Lezen: Galaten 3
Aan de lezer…
Wanneer u nog altijd in uzelf zoekt naar iets wat u aangenaam zou kunnen maken bij God, waar denkt u dan aan? Een beetje meer ernst, een beetje meer gebed, een beetje minder zonde? Hoor dan wat genade is: de zuivere goedgunstigheid van God, zonder te letten op menselijke verdienste, zonder vermenging van wat dan ook in het schepsel. Indien het door genade is, zo is het niet meer uit de werken; anderszins is de genade geen genade meer.
Dat is een harde slag voor de trots van ons hart, maar een zoete boodschap voor een arme, verloren ziel die niets heeft om mee te brengen. Want als het alles genade is, dan is uw armoede geen beletsel. Zij stroomt als de zuivere rivier van het water des levens, klaar als kristal, voortkomende uit de troon Gods en des Lams. Kom dan met lege handen, en laat u door die rivier om niet verkwikken. Hij geeft, niet omdat u het waard bent, maar omdat het Hem behaagt.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
En [gij] zult de waarheid verstaan, en de waarheid zal u vrijmaken.
Johannes 8:32
Het is van groot belang dat we vanaf het begin een helder beeld hebben van elk onderwerp uit de gewichtige dingen van God waarover we proberen na te denken, zodat we het rechte pad gaan. Daarom zullen we eerst de schriftuurlijke betekenis van het woord „genade” onderzoeken. Ik hoef u niet te vertellen dat het op bijna elke bladzijde van het Nieuwe Testament telkens weer opvalt. Met „genade” als nieuwtestamentisch begrip wordt „de zuivere goedgunstigheid van God” bedoeld. Dat is de duidelijke en eigenlijke betekenis ervan. Op welke manier die genade ook zichtbaar wordt, door welk kanaal zij ook stroomt, tot wie zij ook komt, welke gevolgen zij ook heeft: steeds wordt de zuivere goedgunstigheid van God ermee bedoeld.
Zij kan dus vergeleken worden met de „zuivere rivier van het water des levens, klaar als kristal”, die Johannes in een visioen zag, „voortkomende uit de troon Gods, en des Lams” (Openb. 22:1). Daarom staat zij tegenover elke vorm en kleur van menselijke verdienste. Zo staat zij ook tegenover de werken, en wel zo sterk dat het ene als het ware het andere tenietdoet. Is dit niet de redenering van de apostel: „En indien het door genade is, zo is het niet meer uit de werken; anderszins is de genade geen genade meer; en indien het is uit de werken, zo is het geen genade meer; anderszins is het werk geen werk meer”? (Rom. 11:6)
Volgens de redenering van de apostel is niets duidelijker dan dat deze twee dingen zo lijnrecht tegenover elkaar staan, dat als iemand door werken behouden zou moeten worden, de genade geen rol zou spelen; en als men door genade behouden moest worden, de werken geen rol zouden spelen. Als hij dit niet minstens bedoelt, kunnen woorden geen duidelijke of vaste betekenis hebben. Daarom stellen we met beslistheid, als een fundament dat niet bewogen kan worden, dat genade de zuivere goedgunstigheid van God betekent, zonder te letten op menselijke verdienste, zonder vermenging met wat dan ook in het schepsel, of het nu weinig of veel is, goed of slecht naar menselijk inzicht of voornemen.
Lezen: Galaten 3
Aan de lezer…
Wanneer u nog altijd in uzelf zoekt naar iets wat u aangenaam zou kunnen maken bij God, waar denkt u dan aan? Een beetje meer ernst, een beetje meer gebed, een beetje minder zonde? Hoor dan wat genade is: de zuivere goedgunstigheid van God, zonder te letten op menselijke verdienste, zonder vermenging met wat dan ook in het schepsel. Indien het door genade is, zo is het niet meer uit de werken; anderszins is de genade geen genade meer.
Dat is een harde slag voor de trots van ons hart, maar een zoete boodschap voor een arme, verloren ziel die niets heeft om mee te brengen. Want als het alles genade is, dan is uw armoede geen beletsel. Zij stroomt als de zuivere rivier van het water des levens, klaar als kristal, voortkomende uit de troon Gods en des Lams. Kom dan met lege handen, en laat u door die rivier om niet verkwikken. Hij geeft, niet omdat u het waard bent, maar omdat het Hem behaagt.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
And ye shall know the truth, and the truth shall make you free.
John 8:32
It is of great importance that from the outset we have a clear view of every subject from the weighty things of God which we attempt to consider, so that we may walk in the right path. We shall therefore first examine the scriptural meaning of the word “grace.” I need not tell you that it meets the eye again and again on almost every page of the New Testament. By “grace” as a New Testament term is meant “the pure favour of God.” That is its plain and proper meaning. In whatever way that grace becomes manifest, through whatever channel it flows, to whomever it comes, whatever its effects may be, it always means the pure favour of God.
It may therefore be compared to the “pure river of water of life, clear as crystal,” which John saw in vision, “proceeding out of the throne of God and of the Lamb” (Rev. 22:1). It therefore stands opposed to every shape and shade of human merit. So also it stands opposed to works, and that so strongly that the one, as it were, cancels the other. Is not this the apostle’s reasoning: “And if by grace, then is it no more of works: otherwise grace is no more grace. But if it be of works, then is it no more grace: otherwise work is no more work” (Rom. 11:6)?
According to the apostle’s reasoning nothing is clearer than that these two things stand so directly opposed to each other, that if a man had to be saved by works, grace would have no part; and if men had to be saved by grace, works would have no part. If he does not mean at least this, words can have no clear or fixed meaning. We therefore lay it down decidedly, as a foundation that cannot be moved, that grace means the pure favour of God, without regard to human merit, without mixture with anything whatever in the creature, whether little or much, good or bad in human judgment or intention.
Reading: Galatians 3
To the reader…
When you still search within yourself for something that might make you acceptable to God, what do you think of? A little more earnestness, a little more prayer, a little less sin? Then hear what grace is: the pure favour of God, without regard to human merit, without mixture with anything whatever in the creature. If it be by grace, then is it no more of works; otherwise grace is no more grace.
That is a hard blow to the pride of our heart, but a sweet message to a poor, lost soul who has nothing to bring. For if it is all grace, then your poverty is no hindrance. It flows like the pure river of water of life, clear as crystal, proceeding out of the throne of God and of the Lamb. Come then with empty hands, and let that river refresh you freely. He gives, not because you are worthy, but because it pleases Him.
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
Y conoceréis la verdad, y la verdad os libertará.
Juan 8:32
Es de gran importancia que desde el principio tengamos una visión clara de cada tema de las cosas de peso de Dios que intentamos considerar, para que andemos por el camino recto. Por eso examinaremos primero el significado bíblico de la palabra “gracia”. No necesito decirle que salta a la vista una y otra vez en casi cada página del Nuevo Testamento. Por “gracia”, como término del Nuevo Testamento, se entiende “el puro favor de Dios”. Ese es su sentido llano y propio. De cualquier modo que esa gracia se manifieste, por cualquier cauce que fluya, a quienquiera que llegue, cualesquiera que sean sus efectos, siempre significa el puro favor de Dios.
Por eso puede compararse al “río limpio de agua de vida, resplandeciente como cristal”, que Juan vio en visión, “que salía del trono de Dios y del Cordero” (Ap. 22:1). Se opone, por tanto, a toda forma y matiz de mérito humano. Así también se opone a las obras, y tan fuertemente que la una, por así decirlo, anula a la otra. ¿No es este el razonamiento del apóstol: “Y si por gracia, luego no por las obras; de otra manera la gracia ya no es gracia. Y si por las obras, ya no es gracia; de otra manera la obra ya no es obra” (Ro. 11:6)?
Según el razonamiento del apóstol, nada es más claro que estas dos cosas se oponen tan directamente la una a la otra que, si un hombre hubiera de ser salvo por obras, la gracia no tendría parte; y si los hombres hubieran de ser salvos por gracia, las obras no tendrían parte. Si no quiere decir al menos esto, las palabras no pueden tener un sentido claro ni fijo. Por tanto, lo establecemos decididamente, como un fundamento que no puede ser movido, que la gracia significa el puro favor de Dios, sin consideración del mérito humano, sin mezcla con cosa alguna de la criatura, sea poco o mucho, bueno o malo según el juicio o la intención humana.
Lectura: Gálatas 3
Al lector…
Cuando aún busca en sí mismo algo que pudiera hacerle aceptable a Dios, ¿en qué piensa? ¿Un poco más de seriedad, un poco más de oración, un poco menos de pecado? Entonces oiga lo que es la gracia: el puro favor de Dios, sin consideración del mérito humano, sin mezcla con cosa alguna de la criatura. Si por gracia, luego no por las obras; de otra manera la gracia ya no es gracia.
Ese es un duro golpe al orgullo de nuestro corazón, pero un mensaje dulce para un alma pobre y perdida que no tiene nada que traer. Porque si todo es gracia, entonces su pobreza no es estorbo. Fluye como el río limpio de agua de vida, resplandeciente como cristal, que sale del trono de Dios y del Cordero. Venga, pues, con las manos vacías, y deje que ese río le refresque gratuitamente. Él da, no porque usted sea digno, sino porque le place.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl
Door Baca's Vallei
Aan uw zijde zullen er duizend vallen, en tienduizend aan uw rechterhand; tot u zal het niet genaken.
Psalm 91:7
Toen Noach in de ark was opgesloten, en weinige beweldadigden met hem, weet gij hoe zij geslingerd is geworden, want de regens vielen uit de hemel en de fonteinen des groten afgronds hadden zich ontsloten. De sluizen des hemels werden geopend en de fonteinen des groten afgronds werden opengebroken, en terwijl zij op de wateren dobberden, hadden zij geen last, zelfs niet van een spat water. „Het zal tot u niet genaken.” Zo ziet gij: de gelovige moge omringd zijn van moeite, en toch „het zal tot hem niet genaken”.
Er is nog iets meer in de uitdrukking die gebruikt werd met betrekking tot het maken van de ark. „En gij zult ze bepekken van binnen en van buiten met pek” (Gen. 6:14). Nu is het al zeer opmerkelijk dat het woord „pek” in het Hebreeuws – het woord is gopher – ook verzoening beduidt. Merk op dat het slijk of pek, waarmede de ark van binnen en van buiten besmeerd was, elke drop water er buiten hield. Deze zelfde uitdrukking voor slijk of pek beduidt in het Hebreeuws ook verzoening; en is het niet de verzoening die het water buiten houdt?
Is er iets behalve de verzoening dat de ziel bevrijden kan van de wateren van de toorn Gods, en van de vloeden der wraak die de wereld met de goddelozen zullen wegvagen? Er is niets dan verzoening dat de ziel draagt en elke druppel regen buiten houdt. „Het zal tot u niet genaken.” Vele smarten zullen de goddelozen wedervaren, maar die op de Heere vertrouwen, zullen door de goedertierenheden omringd worden. En niet alleen dit, maar wij roemen in God door onze Heere Jezus Christus, door Welke wij ook de verzoening verkregen hebben.
„Verzoening verkregen.” Dit is het: de verzoening deelachtig te zijn. God kan geen tweemaal betaling voor de schuld eisen. Hij is bevredigd; Hij heeft verklaard dat Hij een welbehagen heeft in de gerechtigheid van Zijn beminde Zoon. Hij vordert niets meer; Zijn gerechtigheid is genoeg gedaan en derhalve is er geen grimmigheid bij Hem.
Aan de lezer…
Deze woorden, „tot u zal het niet genaken”, zijn voor wie de wateren om zich heen ziet stijgen. Ziet u ze stijgen? Moeite van buiten, schuld van binnen, en de vrees dat de toorn Gods u eens zal treffen? Denk dan aan die ark, van binnen en van buiten bestreken met pek, zodat geen druppel water erin kon dringen. Hetzelfde woord betekent in de grondtaal ook verzoening. Wat de ziel droog houdt in de vloed, is niet haar eigen sterkte, niet haar tranen of goede voornemens, maar alleen de verzoening.
Bent u met al uw zonden tot Christus gevlucht, dan mag u weten dat God geen tweemaal betaling voor de schuld eist. Zijn gerechtigheid is genoeg gedaan in Zijn beminde Zoon; daarom is er geen grimmigheid bij Hem voor wie in Hem schuilt. Het kan om u heen stormen, en duizend mogen er vallen aan uw zijde, maar het woord blijft staan: „tot u zal het niet genaken.” Laat dat uw anker zijn als de golven hoog gaan.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Aan uw zijde zullen er duizend vallen, en tienduizend aan uw rechterhand; tot u zal het niet genaken.
Psalm 91:7
Toen Noach in de ark was opgesloten, en enkele begenadigden met hem, weet u hoe de ark heen en weer geslingerd werd, want de regens vielen uit de hemel en de fonteinen van de grote afgrond waren geopend. De sluizen van de hemel werden geopend en de fonteinen van de grote afgrond werden opengebroken, en terwijl zij op de wateren dobberden, hadden zij geen last, zelfs niet van een spatje water. „Het zal tot u niet genaken.” Zo ziet u: de gelovige mag omringd zijn door moeite, en toch „het zal tot hem niet genaken”.
Er ligt nog iets meer in de uitdrukking die gebruikt werd bij het maken van de ark. „En gij zult ze bepekken van binnen en van buiten met pek” (Gen. 6:14). Het is heel opmerkelijk dat het woord „pek” in het Hebreeuws – het woord is gopher – ook verzoening betekent. Let erop dat het slijk of pek waarmee de ark van binnen en van buiten bestreken was, elke druppel water buiten hield. Dezelfde uitdrukking voor slijk of pek betekent in het Hebreeuws ook verzoening; en is het niet de verzoening die het water buiten houdt?
Is er iets anders dan de verzoening dat de ziel kan bevrijden van de wateren van Gods toorn en van de vloeden van de wraak die de wereld met de goddelozen zullen wegvagen? Er is niets dan de verzoening dat de ziel draagt en elke druppel regen buiten houdt. „Het zal tot u niet genaken.” De goddeloze zal veel smarten hebben, maar wie op de Heere vertrouwt, zal door goedertierenheden omringd worden. En niet alleen dat, maar wij roemen in God door onze Heere Jezus Christus, door Wie wij ook de verzoening ontvangen hebben.
„De verzoening ontvangen.” Dat is het: deel te hebben aan de verzoening. God kan niet tweemaal betaling voor de schuld eisen. Hij is voldaan; Hij heeft verklaard dat Hij een welbehagen heeft in de gerechtigheid van Zijn geliefde Zoon. Hij vordert niets meer; aan Zijn gerechtigheid is voldaan, en daarom is er geen grimmigheid bij Hem.
Aan de lezer…
Deze woorden, „tot u zal het niet genaken”, zijn voor wie de wateren om zich heen ziet stijgen. Ziet u ze stijgen? Moeite van buiten, schuld van binnen, en de vrees dat de toorn van God u eens zal treffen? Denk dan aan die ark, van binnen en van buiten bestreken met pek, zodat geen druppel water erin kon dringen. Hetzelfde woord betekent in de grondtaal ook verzoening. Wat de ziel droog houdt in de vloed, is niet haar eigen sterkte, niet haar tranen of goede voornemens, maar alleen de verzoening.
Bent u met al uw zonden tot Christus gevlucht, dan mag u weten dat God niet tweemaal betaling voor de schuld eist. Aan Zijn gerechtigheid is voldaan in Zijn geliefde Zoon; daarom is er geen grimmigheid bij Hem voor wie in Hem schuilt. Het kan om u heen stormen, en duizend mogen er vallen aan uw zijde, maar het woord blijft staan: „tot u zal het niet genaken.” Laat dat uw anker zijn als de golven hoog gaan.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
A thousand shall fall at thy side, and ten thousand at thy right hand; but it shall not come nigh thee.
Psalm 91:7
When Noah was shut up in the ark, Noah and the favored few, you know how they were tossed about, the rains coming down from heaven, the waters rushing and dashing below. The windows of heaven were opened and the fountains of the great deep were broken up, and while they were thus dashed upon the waters, not a drop came in unto those who were within. “It shall not come near you.” So you see the believer may be surrounded with troubles, and yet “it shall not come near him.”
And there is something more in the expression used in reference to the making of the ark—“And shall pitch it within and without with pitch” (Gen. 6:14). Now, it is a most remarkable fact that the word pitch in Hebrew signifies also atonement. Now see, the pitch with which the ark was daubed within and without kept every drop of water out. This very expression for pitch in the Hebrew signifies also atonement; and is it not the atonement that keeps out the water?
Can anything but the atonement keep the soul from the waters of God’s wrath and from the floods of vengeance that shall sweep away the world with the ungodly? There is nothing but the atonement, and that bears up the soul, and keeps out every drop of rain. “It shall not come near you.”
“Many sorrows shall be to the wicked, but he that trusts in the Lord, mercy shall compass him about.” “And not only so, but we also rejoice in God through our Lord Jesus Christ, by Whom we have now received the atonement.” “Received the atonement.” This is it, to have the “atonement.” God cannot twice exact payment for the debt. He is satisfied; He has declared that He is well pleased with the righteousness of His beloved Son. He exacts no more; His justice demands no more, and, therefore, fury is not in Him.
To the reader…
These words, “it shall not come nigh thee,” are for those who see the waters rising around them. Do you see them rising? Trouble from without, guilt from within, and the fear that the wrath of God will one day strike you? Then think of that ark, pitched within and without with pitch, so that not a drop of water could get in. The same word in the original language also means atonement. What keeps the soul dry in the flood is not its own strength, not its tears or good resolutions, but the atonement alone.
If you have fled to Christ with all your sins, you may know that God does not demand payment for the debt twice. His justice has been satisfied in His beloved Son; therefore there is no fury in Him towards those who shelter in Him. The storm may rage around you, and a thousand may fall at your side, but the word still stands: “it shall not come nigh thee.” Let that be your anchor when the waves run high.
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
Caerán a tu lado mil, y diez mil a tu diestra: mas a ti no llegará.
Salmo 91:7
Cuando Noé fue encerrado en el arca, Noé y aquellos pocos favorecidos, usted sabe cómo fueron sacudidos, mientras la lluvia caía del cielo y las aguas corrían y se estrellaban debajo. Las cataratas de los cielos fueron abiertas y las fuentes del grande abismo fueron rotas; y mientras eran así zarandeados sobre las aguas, ni una gota entró a los que estaban dentro. “A ti no llegará.” Así ve usted que el creyente puede estar rodeado de angustias, y sin embargo “a él no llegará”.
Y hay algo más en la expresión usada respecto a la construcción del arca: “Y la embetunarás con brea por dentro y por fuera” (Génesis 6:14). Ahora bien, es un hecho muy notable que la palabra brea en hebreo significa también expiación. Vea, pues: la brea con que el arca fue embetunada por dentro y por fuera impedía la entrada de toda gota de agua. Esta misma expresión para brea en hebreo significa también expiación; ¿y no es la expiación la que deja fuera el agua?
¿Puede algo sino la expiación guardar al alma de las aguas de la ira de Dios y de los diluvios de venganza que barrerán al mundo junto con los impíos? No hay nada sino la expiación, y esta sostiene al alma y deja fuera toda gota de lluvia. “A ti no llegará.”
“Muchos dolores para el impío; mas el que espera en Jehová, lo cercará misericordia.” “Y no solo esto, mas aun nos gloriamos en Dios por el Señor nuestro Jesucristo, por el cual hemos ahora recibido la reconciliación.” “Recibido la reconciliación”: esto es, tener la “expiación”. Dios no puede exigir dos veces el pago de la deuda. Está satisfecho; ha declarado que se complace en la justicia de Su amado Hijo. No exige más; Su justicia no demanda más, y por tanto no hay enojo en Él.
Al lector…
Estas palabras, “a ti no llegará”, son para los que ven las aguas subir a su alrededor. ¿Las ve usted subir? ¿Angustia por fuera, culpa por dentro, y el temor de que la ira de Dios le alcance un día? Piense entonces en aquella arca, embetunada con brea por dentro y por fuera, de modo que ni una gota de agua podía entrar. La misma palabra en la lengua original significa también expiación. Lo que mantiene seca al alma en el diluvio no es su propia fuerza, ni sus lágrimas ni sus buenos propósitos, sino solo la expiación.
Si usted ha huido a Cristo con todos sus pecados, puede saber que Dios no exige dos veces el pago de la deuda. Su justicia ha sido satisfecha en Su amado Hijo; por eso no hay enojo en Él hacia los que se refugian en Él. La tormenta puede rugir a su alrededor, y mil pueden caer a su lado, pero la palabra sigue en pie: “a ti no llegará”. Que eso sea su ancla cuando las olas se levanten.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl