vandaag verschenen
Het gesprek van een gelovige met zijn ziel
Een uitleg van Psalm 42:12 als gesprek tussen David en zijn ziel: waarom de ziel terneergeslagen en onrustig is, waarom ze op God moet hopen en hoe die hoop uitloopt…
7 dagen geleden verschenen
Het woord van Gods genade
Een uitleg van Handelingen 20:32: Paulus beveelt de oudsten van Efeze aan God en aan het woord van Zijn genade. Alleen dat woord, door de Geest toegepast, bouwt de ziel…
11 dagen geleden verschenen
Schatten in de duisternis
Uitleg van Jesaja 45:2,3 voor Gods kinderen: de Heere gaat voor hen uit, maakt kromme wegen recht, verbreekt koperen deuren en ijzeren grendels, geeft verborgen schatten en leert hen zo…
2 weken geleden verschenen
Verkrijgen en verliezen
Naar Prediker 3:6: een levende ziel verkrijgt geestelijke dingen, van kennis van God en van zichzelf tot geloof en vergeving, maar verliest ook haar eigen gerechtigheid en kracht. De preek…
Het schudden van wat gemaakt is en de vastheid van wat gegeven is
Over Hebreeën 12:27,28: wat gemaakt is, wordt geschud en weggenomen, wat God geeft blijft. Het Koninkrijk dat niet bewogen kan worden wordt door geloof ontvangen, door genade vastgehouden en draagt…
Korenaren Uit De Volle Oogst
Zo weet de Heere de godzaligen uit de verzoeking te verlossen.
2 Petrus 2:9
Weinigen zullen oprecht en geestelijk tot de Heere gaan en uit het diepst van hun hart roepen om van een verzoeking te worden verlost, vóórdat deze zó zwaar op hun geweten drukt en zulk een last op hun ziel doet wegen, dat God alleen die kan wegnemen. Maar als wij waarlijk de last ener verzoeking gevoelen; wanneer, ofschoon zij voor het vlees aangenaam is, onze geest haar haat; wanneer ons geweten, ofschoon er in ons vleselijk gemoed een gehechtheid eraan moge bestaan, eronder bloedt en wij er geestelijk van walgen en om haar van onszelf walgen; wanneer wij in staat zijn gesteld in ware oprechtheid van ziel en in eerlijkheid van hart tot de Heere te gaan, Hem smekende ons van die verzoeking te verlossen, dan geloof ik dat de Heere ons vroeger of later die verzoeking in Zijn voorzienigheid of door Zijn genade geheel zal wegnemen, of haar kracht zodanig verzwakken dat zij ophouden zal te zijn wat zij tevoren was, onze voeten brengende op de paden van donkerheid en kwaad.
Zolang wij echter in die staat zijn waarvan de profeet spreekt: „Hij heeft hun hart verdeeld; nu zullen zij verwoest worden” (Hosea 10:2); zolang wij in die vleselijke, twijfelende gemoedstoestand zijn welke Jacobus beschrijft: „Een dubbelhartig mens is onstandvastig in al zijn wegen”; zolang wij naar die verzoeking worden heengetrokken, verlangende, begerige blikken zijdelings erop richten, haar als een zoete bete onder onze tong rollen, en, ofschoon het geweten ertegen moge getuigen, wij haar nog ongaarne van ons zien weggenomen, is er geen welgemeend geroep uit het hart, geen zucht, geen geestelijke verzuchting onzer ziel, dat God haar van ons mocht nemen.
Maar wanneer wij als in de tegenwoordigheid Gods, Die de harten doorzoekt, ertoe gebracht worden het kwade te haten waartoe wij verzocht worden, en tot Hem roepen of Hij toch, tot Zijn eer en tot heil onzer ziel, de verzoeking mocht wegnemen, of haar kracht verstompen en doden, dan zal de Heere vroeger of later het geroep horen van hen die smeken om van die verzoekingen verlost te worden die hen zo zwaar in het stof neerdrukken.
Ps. 130:2
Aan de lezer…
U die gedrukt wordt door een verzoeking waaraan uw vlees nog gehecht is, terwijl uw geweten eronder bloedt, wees eerlijk voor Hem Die de harten doorzoekt. Zolang wij met begerige blikken zijdelings naar de zonde zien en haar als een zoete bete onder de tong rollen, kunnen wij niet van harte bidden dat God haar wegneme. Ons hart is dan verdeeld, en een dubbelhartig mens is onstandvastig in al zijn wegen.
Maar heeft de Heere u zo ver gebracht dat u de verzoeking haat en om haar van uzelf walgt? Is de last u zo zwaar geworden dat God alleen hem kan wegnemen? Roep dan tot Hem in oprechtheid van ziel, tot Zijn eer en tot heil van uw ziel. Hij weet de godzaligen uit de verzoeking te verlossen, en vroeger of later zal Hij het geroep horen van hen die zo zwaar in het stof neergedrukt liggen.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Zo weet de Heere de godzaligen uit de verzoeking te verlossen.
2 Petrus 2:9
Weinigen zullen oprecht en geestelijk tot de Heere gaan en uit het diepst van hun hart roepen om van een verzoeking verlost te worden, voordat die zo zwaar op hun geweten drukt en zo’n last op hun ziel legt dat alleen God die kan wegnemen. Maar soms voelen wij werkelijk de last van een verzoeking. Hoewel zij aangenaam is voor het vlees, haat onze geest haar. Hoewel ons vleselijke gemoed er misschien nog aan gehecht is, bloedt ons geweten eronder, en walgen wij er geestelijk van, en om haar ook van onszelf. Als wij dan in staat worden gesteld in ware oprechtheid van ziel en eerlijkheid van hart tot de Heere te gaan en Hem te smeken ons van die verzoeking te verlossen, dan geloof ik dat de Heere die verzoeking vroeg of laat in Zijn voorzienigheid of door Zijn genade geheel zal wegnemen. Of Hij zal haar kracht zo verzwakken dat zij ophoudt te zijn wat zij vroeger was: iets wat onze voeten op de paden van duisternis en kwaad bracht.
Zolang wij echter in de toestand zijn waarover de profeet spreekt: „Hij heeft hun hart verdeeld; nu zullen zij verwoest worden” (Hosea 10:2); zolang wij in die vleselijke, twijfelende gemoedstoestand zijn die Jakobus beschrijft: „Een dubbelhartig mens is onstandvastig in al zijn wegen”; zolang wij naar die verzoeking toe getrokken worden, er verlangende, begerige blikken van terzijde op werpen en haar als een zoete bete onder onze tong laten rollen, en wij het, hoewel ons geweten ertegen getuigt, nog met tegenzin zien dat zij van ons wordt weggenomen — zolang is er geen oprecht geroep uit het hart, geen zucht, geen geestelijke verzuchting van onze ziel dat God haar van ons zou wegnemen.
Maar wanneer wij als in de tegenwoordigheid van God, Die de harten doorzoekt, ertoe gebracht worden het kwaad te haten waartoe wij verzocht worden, en tot Hem roepen of Hij, tot Zijn eer en tot heil van onze ziel, de verzoeking toch wil wegnemen, of haar kracht wil afstompen en doden, dan zal de Heere vroeg of laat het geroep horen van hen die smeken om verlost te worden van de verzoekingen die hen zo zwaar in het stof neerdrukken.
Ps. 130:2
Aan de lezer…
U die gedrukt wordt door een verzoeking waaraan uw vlees nog gehecht is, terwijl uw geweten eronder bloedt: wees eerlijk voor Hem Die de harten doorzoekt. Zolang wij met begerige blikken van terzijde naar de zonde kijken en haar als een zoete bete onder de tong laten rollen, kunnen wij niet van harte bidden dat God haar wegneemt. Ons hart is dan verdeeld, en een dubbelhartig mens is onstandvastig in al zijn wegen.
Maar heeft de Heere u zover gebracht dat u de verzoeking haat en om haar van uzelf walgt? Is de last u zo zwaar geworden dat alleen God hem kan wegnemen? Roep dan tot Hem in oprechtheid van ziel, tot Zijn eer en tot heil van uw ziel. Hij weet de godzaligen uit de verzoeking te verlossen, en vroeg of laat zal Hij het geroep horen van hen die zo zwaar in het stof neergedrukt liggen.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
The Lord knoweth how to deliver the godly out of temptations.
2 Peter 2:9
Few will sincerely and spiritually go to the Lord, and cry from their hearts to be delivered from the power of a temptation, until it presses so weightily upon their conscience, and lies so heavy a burden upon their soul, that none but God can remove it. But when we really feel the burden of a temptation; when, though our flesh may love it, our spirit hates it; when, though there may be in our carnal mind a cleaving to it, our conscience bleeds under it, and we are brought spiritually to loathe it and to loathe ourselves for it; when we are enabled to go to the Lord in real sincerity of soul and honesty of heart, beseeching Him to deliver us from it, I believe, that the Lord will, sooner or later, either remove that temptation entirely in His providence or by His grace, or so weaken its power that it shall cease to be what it was before, drawing our feet into paths of darkness and evil.
As long, however, as we are in that state of which the prophet speaks, “Their heart is divided; now shall they be found faulty” (Hosea 10:2); as long as we are in that carnal, wavering mind, which James describes, “A double-minded man is unstable in all his ways;” as long as we are hankering after the temptation, casting longing, lingering side glances after it, rolling it as a sweet morsel under our tongue, and though conscience may testify against it, yet not willing to have it taken away, there is no hearty cry, nor sigh, nor spiritual breathing of our soul, that God would remove it from us.
But when we are brought, as in the presence of a heart-searching God, to hate the evil to which we are tempted, and cry to Him that He would, for His honor and for our soul’s good, take the temptation away, or dull and deaden its power; sooner or later the Lord will hear the cry of those who groan to be delivered from those temptations, which are so powerfully pressing them down to the dust.
To the reader…
You who are pressed down by a temptation to which your flesh still clings, while your conscience bleeds under it: be honest before Him Who searches the hearts. As long as we cast longing side glances at sin and roll it as a sweet morsel under the tongue, we cannot pray from the heart that God would take it away. Our heart is then divided, and a double-minded man is unstable in all his ways.
But has the Lord brought you so far that you hate the temptation and loathe yourself for it? Has the burden become so heavy that only God can remove it? Then cry to Him in sincerity of soul, for His honour and for your soul’s good. He knows how to deliver the godly out of temptations, and sooner or later He will hear the cry of those who lie pressed down so heavily in the dust.
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
Sabe el Señor librar de tentación a los píos.
2 Pedro 2:9
Pocos irán sincera y espiritualmente al Señor, y clamarán de corazón para ser librados del poder de una tentación, hasta que esta pese tanto sobre su conciencia y sea una carga tan pesada sobre su alma, que nadie sino Dios pueda quitarla. Pero cuando realmente sentimos la carga de una tentación; cuando, aunque nuestra carne la ame, nuestro espíritu la aborrece; cuando, aunque en nuestra mente carnal haya un apego a ella, nuestra conciencia sangra bajo ella, y somos llevados espiritualmente a detestarla y a detestarnos a nosotros mismos por ella; cuando somos capacitados para ir al Señor con verdadera sinceridad de alma y honradez de corazón, suplicándole que nos libre de ella, creo que el Señor, tarde o temprano, o quitará esa tentación por completo en Su providencia o por Su gracia, o debilitará de tal manera su poder que dejará de ser lo que era antes, arrastrando nuestros pies a sendas de tinieblas y de mal.
Sin embargo, mientras estemos en aquel estado del que habla el profeta: “Dividióse su corazón. Ahora serán hallados culpables” (Oseas 10:2); mientras estemos en aquella mente carnal y vacilante que describe Santiago: “El hombre de doblado ánimo es inconstante en todos sus caminos”; mientras sigamos codiciando la tentación, echándole miradas de reojo anhelantes y persistentes, saboreándola como un bocado dulce debajo de nuestra lengua, y aunque la conciencia testifique contra ella, no queramos que nos sea quitada, no habrá ningún clamor sincero, ni suspiro, ni aliento espiritual de nuestra alma para que Dios la quite de nosotros.
Pero cuando somos llevados, como en la presencia de un Dios que escudriña los corazones, a aborrecer el mal al que somos tentados, y clamamos a Él para que, por Su honra y por el bien de nuestra alma, quite la tentación o embote y amortigüe su poder, tarde o temprano el Señor oirá el clamor de los que gimen por ser librados de aquellas tentaciones que tan poderosamente los abaten hasta el polvo.
Al lector…
Usted que está abatido por una tentación a la que su carne todavía se aferra, mientras su conciencia sangra bajo ella: sea sincero delante de Aquel que escudriña los corazones. Mientras echemos miradas de reojo anhelantes al pecado y lo saboreemos como un bocado dulce debajo de la lengua, no podemos orar de corazón que Dios lo quite. Nuestro corazón está entonces dividido, y el hombre de doblado ánimo es inconstante en todos sus caminos.
Pero ¿le ha llevado el Señor tan lejos que usted aborrece la tentación y se detesta a sí mismo por ella? ¿Se ha hecho la carga tan pesada que solo Dios puede quitarla? Entonces clame a Él con sinceridad de alma, por Su honra y por el bien de su alma. Él sabe librar de tentación a los píos, y tarde o temprano oirá el clamor de los que yacen tan abatidos en el polvo.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl
365 Dagen Met Philpot
Die Koning verhore ons
O HEERE! behoud; die Koning verhore ons, ten dage van ons roepen.
Psalm 20:10
Dit is het punt waar de Heere Zijn kinderen naartoe brengt. Als Hij naar hun verlangen naar verlossing luistert, als Hij hun uitroep hoort: „O HEERE! behoud. Ik ben een stervende ziel aan Uw voeten en kan alleen worden gered door Uw bloed en rechtvaardigheid, en door de persoonlijke toepassing ervan aan mijn ziel”; als dit gebed wordt verhoord, als de verlossing komt, als het geweten wordt gezuiverd, als de zonde wordt vergeven en de gelovige van het koninkrijk van de duisternis overgebracht wordt naar het koninkrijk van Gods geliefde Zoon, dan kijkt hij op naar, vereert hij en aanbidt hij de Zoon van God als zijn Koning.
Dit wordt bekendgemaakt in Psalm 45. „Hoor, o Dochter! en zie, en neig uw oor; en vergeet uw volk en uws vaders huis”, alsof de Geest zei: „Keer al uw oude metgezellinnen de rug toe, doe afstand van al uw vroegere banden.” „Zo zal de Koning lust hebben aan uw schoonheid; dewijl Hij uw Heere is, zo buig u voor Hem neder.” „U hebt Hem als uw Heere ontvangen; u bent daarom niet langer van uzelve; u bent gekocht. Hij is uw Hoofd, uw Echtgenoot; Hij is uw Heere; vereer Hem dan, aanbid Hem, bewonder Hem, hecht u aan Hem met heel uw hart.”
Dus als de Kerk zegt: „Die Koning verhore ons”, betekent dit dat ze met heel haar hart in het volbrachte werk van Christus gelooft; dat ze haar ziel gebogen heeft voor de Heere des levens en der heerlijkheid, en dat ze Hem in haar ziel als de Vorst van haar uitgaande gevoelens heeft opgenomen.
Lezen: Psalm 45
Aan de lezer…
Het kan zijn dat u een stervende ziel bent aan de voeten van Christus, die weet dat zij alleen door Zijn bloed en rechtvaardigheid kan worden gered. Dan is uw roepen: „O HEERE! behoud” geen ijdel woord. Hij luistert naar het verlangen van Zijn kinderen, en Hij weet de weg om de zonde te vergeven, het geweten te zuiveren en een arme zondaar uit het koninkrijk der duisternis over te brengen in het koninkrijk van Zijn geliefde Zoon.
En heeft Hij u zo verlost, vergeet dan uw volk en uws vaders huis. U bent niet langer van uzelf, u bent gekocht. Keer uw oude metgezellen de rug toe en buig u voor Hem neder, want Hij is uw Heere. Hecht u aan Hem met heel uw hart, en laat Hem de Vorst zijn van al uw genegenheden. Zo zal de Koning lust hebben aan uw schoonheid.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
O HEERE! behoud; die Koning verhore ons, ten dage van ons roepen.
Psalm 20:10
Dit is het punt waar de Heere Zijn kinderen brengt. Hij luistert naar hun verlangen naar verlossing en hoort hun roep: „O HEERE! behoud. Ik ben een stervende ziel aan Uw voeten en kan alleen worden gered door Uw bloed en rechtvaardigheid, en door de persoonlijke toepassing ervan aan mijn ziel.” Wanneer dit gebed verhoord wordt, wanneer de verlossing komt, wanneer het geweten gereinigd wordt, wanneer de zonde vergeven wordt en de gelovige uit het koninkrijk van de duisternis wordt overgebracht in het koninkrijk van Gods geliefde Zoon, dan ziet hij op naar de Zoon van God als zijn Koning, eert Hem en aanbidt Hem.
Dit wordt bekendgemaakt in Psalm 45. „Hoor, o Dochter! en zie, en neig uw oor; en vergeet uw volk en uws vaders huis”, alsof de Geest zei: „Keer al uw oude metgezellinnen de rug toe, doe afstand van al uw vroegere banden.” „Zo zal de Koning lust hebben aan uw schoonheid; dewijl Hij uw Heere is, zo buig u voor Hem neder.” „U hebt Hem als uw Heere ontvangen; u bent daarom niet langer van uzelve; u bent gekocht. Hij is uw Hoofd, uw Echtgenoot; Hij is uw Heere; vereer Hem dan, aanbid Hem, bewonder Hem, hecht u aan Hem met heel uw hart.”
Wanneer de Kerk dus zegt: „Die Koning verhore ons”, betekent dit dat zij met heel haar hart in het volbrachte werk van Christus gelooft. Zij heeft haar ziel gebogen voor de Heere van het leven en van de heerlijkheid, en zij heeft Hem in haar ziel opgenomen als de Vorst van al haar genegenheden.
Lezen: Psalm 45
Aan de lezer…
Het kan zijn dat u een stervende ziel bent aan de voeten van Christus, die weet dat zij alleen door Zijn bloed en rechtvaardigheid gered kan worden. Dan is uw roepen „O HEERE! behoud” geen ijdel woord. Hij luistert naar het verlangen van Zijn kinderen, en Hij weet de weg om de zonde te vergeven, het geweten te reinigen en een arme zondaar uit het koninkrijk van de duisternis over te brengen in het koninkrijk van Zijn geliefde Zoon.
En heeft Hij u zo verlost, vergeet dan uw volk en uws vaders huis. U bent niet langer van uzelf, u bent gekocht. Keer uw oude metgezellen de rug toe en buig u voor Hem neder, want Hij is uw Heere. Hecht u aan Hem met heel uw hart, en laat Hem de Vorst zijn van al uw genegenheden. Zo zal de Koning lust hebben aan uw schoonheid.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Save, LORD: let the king hear us when we call.
Psalm 20:9
This is the point to which the Lord brings His children. He listens to their desire for salvation and hears their cry, “Save, LORD. I am a dying soul at Thy feet and can only be saved by Thy blood and righteousness, and by the personal application of them to my soul.” When this prayer is answered, when salvation comes, when the conscience is purged, when sin is pardoned and the believer is translated out of the kingdom of darkness into the kingdom of God’s dear Son, then he looks up to the Son of God as his King, honours Him and worships Him.
This is made known in Psalm 45. “Hearken, O daughter, and consider, and incline thine ear; forget also thine own people, and thy father’s house,” as if the Spirit said, “Turn your back on all your old companions, give up all your former ties.” “So shall the King greatly desire thy beauty: for He is thy Lord; and worship thou Him.” “You have received Him as your Lord; you are therefore no longer your own; you are bought. He is your Head, your Husband; He is your Lord; honour Him, then, worship Him, admire Him, cleave to Him with all your heart.”
When the Church, then, says, “Let the King hear us,” it means that she believes with all her heart in the finished work of Christ. She has bowed her soul before the Lord of life and glory, and she has taken Him into her soul as the Sovereign of all her affections.
Reading: Psalm 45
To the reader…
It may be that you are a dying soul at the feet of Christ, knowing that you can be saved only by His blood and righteousness. Then your cry, “Save, LORD,” is no empty word. He listens to the desire of His children, and He knows the way to pardon sin, to purge the conscience and to translate a poor sinner out of the kingdom of darkness into the kingdom of His dear Son.
And if He has saved you so, forget your own people and your father’s house. You are no longer your own, you are bought. Turn your back on your old companions and bow down before Him, for He is your Lord. Cleave to Him with all your heart, and let Him be the Sovereign of all your affections. So shall the King greatly desire your beauty.
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
Salva, Jehová: que el Rey nos oiga el día que Le invocáremos.
Salmo 20:9
Este es el punto al que el Señor lleva a Sus hijos. Él escucha su deseo de salvación y oye su clamor: “Salva, Jehová. Soy un alma moribunda a Tus pies y solo puedo ser salvada por Tu sangre y Tu justicia, y por la aplicación personal de ellas a mi alma.” Cuando esta oración es contestada, cuando viene la salvación, cuando la conciencia es purificada, cuando el pecado es perdonado y el creyente es trasladado del reino de las tinieblas al reino del amado Hijo de Dios, entonces mira al Hijo de Dios como su Rey, le honra y le adora.
Esto se da a conocer en el Salmo 45. “Oye, hija, y mira, e inclina tu oído; y olvida tu pueblo, y la casa de tu padre”, como si el Espíritu dijera: “Vuelve la espalda a todos tus viejos compañeros, renuncia a todos tus lazos anteriores.” “Y deseará el Rey tu hermosura: e inclínate a Él, porque Él es tu Señor.” “Le has recibido como tu Señor; por tanto ya no eres tuyo; has sido comprado. Él es tu Cabeza, tu Esposo; Él es tu Señor; hónrale, pues, adórale, admírale, únete a Él con todo tu corazón.”
Cuando la Iglesia, pues, dice: “Que el Rey nos oiga”, quiere decir que cree de todo corazón en la obra consumada de Cristo. Ha inclinado su alma ante el Señor de la vida y de la gloria, y le ha recibido en su alma como el Soberano de todos sus afectos.
Lectura: Salmo 45
Al lector…
Puede ser que usted sea un alma moribunda a los pies de Cristo, sabiendo que solo puede ser salvado por Su sangre y Su justicia. Entonces su clamor: “Salva, Jehová”, no es una palabra vacía. Él escucha el deseo de Sus hijos, y conoce el camino para perdonar el pecado, purificar la conciencia y trasladar a un pobre pecador del reino de las tinieblas al reino de Su amado Hijo.
Y si Él le ha salvado así, olvide su pueblo y la casa de su padre. Ya no es usted suyo, ha sido comprado. Vuelva la espalda a sus viejos compañeros e inclínese ante Él, porque Él es su Señor. Únase a Él con todo su corazón, y deje que Él sea el Soberano de todos sus afectos. Así deseará el Rey su hermosura.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl
Door Baca's Vallei
Want uw Maker is uw Man; HEERE der heirscharen is Zijn Naam; en uw Verlosser is de Heilige Israëls; Hij zal de God des gansen aardbodems genaamd worden.
Jesaja 54:5
Gelijk in de huwelijksvereniging man en vrouw één vlees worden, en, waar God hen tezamen gevoegd heeft, de mens dit niet vermag te scheiden, zo werden ook, toen de Heere Jezus Christus in het eeuwigdurend verbond, dat in alles wel geordineerd en bewaard is, de kerk ondertrouwde, zij voor het aangezicht Gods met onverbrekelijke banden verbonden. Gelijk Hij in de volheid des tijds uit een vrouw wilde geboren worden, en deze één werd met Hem uit kracht van dezelfde natuur, zo wordt de kerk één met Hem in de Geest, gelijk elk persoonlijk lid daarvan in de tijd met Hem verenigd wordt door wederbarende genade. Zo is het getuigenis van het Woord der waarheid: „Wij zijn leden Zijns lichaams, van Zijn vlees en van Zijn benen.” „Die de Heere aanhangt, is één geest met Hem.”
Haar vereniging met Zijn vlees verzekert haar derhalve dat haar lichaam in de morgen der opstanding aan het heerlijk lichaam van Jezus gelijkvormig zal zijn; en haar vereniging met Zijn Geest verzekert aan haar ziel een eeuwige zaligheid in de volkomenheid der kennis, der heiligheid en der liefde. Zo begon dan ook de vereniging van de kerk met Christus reeds in de raad van eeuwige wijsheid en liefde, wordt zij bekendgemaakt op aarde door wederbarende genade, en wordt zij volmaakt in de hemel in volle heerlijkheid.
De kerk, het is waar, viel in Adam uit de staat van onnozelheid en zuiverheid waarin zij oorspronkelijk geschapen was. Maar zie hoe Adams val in al zijn ellendige gevolgen, in plaats van de band te vernietigen en het eeuwig verbond teniet te doen, slechts diende om meer ten volle en te heerlijker te openbaren en bekend te maken de liefde van Christus in al haar breedte en lengte en diepte en hoogte tot Zijn verkoren bruid! Zij viel, het is waar, in onuitsprekelijke, onpeilbare diepten van zonde en ellende, schuld en wanbedrijf, doch zij viel nooit uit Zijn hart of uit Zijn armen.
Ja, wat zou er zonder de val bekend zijn van de stervende liefde of van de verborgenheid van het kruis? Waar zou het gezang der verlosten geweest zijn: „Hem, Die ons heeft liefgehad en ons van onze zonden gewassen heeft in Zijn bloed”? Waar de overwinning over dood en hel, of de zegepraal van de meer dan overvloedige genade over de overvloedige zonde, schuld en vertwijfeling? Hoe zou de gevangenis kunnen zijn gevangen genomen, en de overheden en machten zijn uitgetogen en openlijk daarover zijn getriomfeerd? Wat zou er bekend geweest zijn van die dierbare eigenschap van God, namelijk de barmhartigheid? Wat van Zijn verdraagzaamheid en lankmoedigheid? Wat van Zijn medelijdend erbarmen over arme, verloren kinderen der mensen?
Waar nu het Hoofd en de Man der kerk niet kon en niet wilde de vereniging ontbinden en het verbond verbreken, noch ook veranderen hetgeen uit Zijn lippen gegaan was, en Hij haar niet openlijk tot Zich nemen kon in al haar onreinheid, schuld en schande, zo moest Hij haar verlossen met Zijn hartenbloed, met folteringen en lijden zoals de aarde en de hemel nooit hadden aanschouwd, met zulke sterke uitroepingen onder de verberging van Zijns Vaders aangezicht, die de aarde deden beven, de rotsen scheuren, en die de zon haar licht onttrokken. Maar Zijn liefde was sterker dan de dood, waarom Hij het kruis heeft verdragen, de schande veracht, haar zonden in Zijn lichaam gedragen heeft op het hout, en de straf geleden heeft die haar misdaden verdiend hadden.
Zo heeft Hij haar met God verzoend in het lichaam Zijns vleses, door de dood, opdat Hij haar heilig en onberispelijk en onbestraffelijk zou voor Zich stellen. Haar dus verzoend hebbende, bezoekt Hij haar, lid na lid van Zijn verborgen lichaam, in de tijd met Zijn wederbarende genade, opdat Hij haar heilige en reinige door het bad des waters door het Woord. En zo stelt Hij Zichzelf voor een gemeente die geen vlek of rimpel heeft, of iets dergelijks.
Aan de lezer…
Soms staat u verslagen over de diepte van uw val, uw onreinheid, schuld en schande. Vreest u dat zoveel zonde de band tussen u en Christus wel verbroken moet hebben? Zie dan op de kerk: zij viel in onpeilbare diepten van zonde en ellende, maar nooit viel zij uit Zijn hart of uit Zijn armen. Wat Hij in het eeuwig verbond heeft ondertrouwd, laat Hij niet los; wat uit Zijn lippen ging, verandert Hij niet.
Juist daar, waar de zonde overvloedig werd, heeft Hij de breedte en lengte en diepte en hoogte van Zijn liefde getoond. Hij kocht Zijn bruid met Zijn hartenbloed, droeg haar zonden op het hout, en bezoekt nog lid na lid met Zijn wederbarende genade. Is uw hart naar Hem uitgegaan, al is het met beven, dan is dit Zijn werk. Uw Maker is uw Man, en Hij zal u reinigen tot u zonder vlek of rimpel voor Hem staat.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Want uw Maker is uw Man; HEERE der heirscharen is Zijn Naam; en uw Verlosser is de Heilige Israëls; Hij zal de God des gansen aardbodems genaamd worden.
Jesaja 54:5
In het huwelijk worden man en vrouw één vlees, en wat God samengevoegd heeft, kan de mens niet scheiden. Zo werden ook Christus en de kerk voor het aangezicht van God met onverbrekelijke banden verbonden, toen de Heere Jezus Christus haar ondertrouwde in het eeuwigdurend verbond, dat in alles wel geordineerd en bewaard is. Zoals Hij in de volheid van de tijd uit een vrouw geboren wilde worden, en deze één met Hem werd krachtens dezelfde natuur, zo wordt de kerk één met Hem in de Geest, zoals ieder lid ervan persoonlijk in de tijd met Hem verenigd wordt door wederbarende genade. Zo luidt het getuigenis van het Woord der waarheid: „Wij zijn leden Zijns lichaams, van Zijn vlees en van Zijn benen.” „Die de Heere aanhangt, is één geest met Hem.”
Haar vereniging met Zijn vlees verzekert haar daarom dat haar lichaam op de morgen van de opstanding gelijkvormig zal zijn aan het heerlijk lichaam van Jezus. En haar vereniging met Zijn Geest verzekert haar ziel van een eeuwige zaligheid in de volmaaktheid van kennis, heiligheid en liefde. Zo begon de vereniging van de kerk met Christus al in de raad van eeuwige wijsheid en liefde; zij wordt op aarde bekendgemaakt door wederbarende genade, en zij wordt in de hemel volmaakt in volle heerlijkheid.
Het is waar dat de kerk in Adam viel uit de staat van onschuld en zuiverheid waarin zij oorspronkelijk geschapen was. Maar zie hoe Adams val met al zijn ellendige gevolgen, in plaats van de band te vernietigen en het eeuwig verbond teniet te doen, alleen maar diende om de liefde van Christus tot Zijn verkoren bruid in al haar breedte en lengte en diepte en hoogte vollediger en heerlijker te openbaren en bekend te maken! Het is waar, zij viel in onuitsprekelijke, onpeilbare diepten van zonde en ellende, schuld en misdaad, maar zij viel nooit uit Zijn hart of uit Zijn armen.
Ja, wat zou er zonder de val bekend zijn van de stervende liefde of van de verborgenheid van het kruis? Waar zou het lied van de verlosten geweest zijn: „Hem, Die ons heeft liefgehad en ons van onze zonden gewassen heeft in Zijn bloed”? Waar de overwinning over dood en hel, of de zegepraal van de meer dan overvloedige genade over de overvloedige zonde, schuld en wanhoop? Hoe zou de gevangenis gevangengenomen kunnen zijn, en hoe zouden de overheden en machten kunnen zijn uitgetogen en zou er openlijk over hen getriomfeerd kunnen zijn? Wat zou er bekend geweest zijn van die dierbare eigenschap van God, de barmhartigheid? Wat van Zijn verdraagzaamheid en lankmoedigheid? Wat van Zijn medelijdend erbarmen over arme, verloren mensenkinderen?
Omdat nu het Hoofd en de Man van de kerk de vereniging niet kon en niet wilde ontbinden en het verbond niet wilde verbreken, en ook niet wilde veranderen wat uit Zijn lippen gegaan was, en Hij haar toch niet openlijk tot Zich kon nemen in al haar onreinheid, schuld en schande, moest Hij haar verlossen met Zijn hartenbloed. Dat deed Hij met folteringen en lijden zoals aarde en hemel nooit hadden gezien, en met zulke sterke uitroepen onder de verberging van het aangezicht van Zijn Vader, dat de aarde beefde, de rotsen scheurden en de zon haar licht onttrok. Maar Zijn liefde was sterker dan de dood. Daarom heeft Hij het kruis verdragen, de schande veracht, haar zonden in Zijn lichaam op het hout gedragen en de straf geleden die haar misdaden verdiend hadden.
Zo heeft Hij haar met God verzoend in het lichaam van Zijn vlees, door de dood, om haar heilig, onberispelijk en onbestraffelijk voor Zich te stellen. Nu Hij haar zo verzoend heeft, bezoekt Hij haar in de tijd, lid na lid van Zijn verborgen lichaam, met Zijn wederbarende genade, om haar te heiligen en te reinigen door het bad des waters door het Woord. En zo stelt Hij Zich een gemeente voor die geen vlek of rimpel heeft, of iets dergelijks.
Aan de lezer…
Soms staat u verslagen over de diepte van uw val, uw onreinheid, schuld en schande. Vreest u dat zoveel zonde de band tussen u en Christus wel verbroken moet hebben? Zie dan op de kerk: zij viel in onpeilbare diepten van zonde en ellende, maar nooit viel zij uit Zijn hart of uit Zijn armen. Wat Hij in het eeuwig verbond heeft ondertrouwd, laat Hij niet los; wat uit Zijn lippen ging, verandert Hij niet.
Juist daar, waar de zonde overvloedig werd, heeft Hij de breedte en lengte en diepte en hoogte van Zijn liefde getoond. Hij kocht Zijn bruid met Zijn hartenbloed, droeg haar zonden op het hout, en bezoekt nog steeds lid na lid met Zijn wederbarende genade. Is uw hart naar Hem uitgegaan, al is het met beven, dan is dit Zijn werk. Uw Maker is uw Man, en Hij zal u reinigen totdat u zonder vlek of rimpel voor Hem staat.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
“For thy Maker is thine husband; the LORD of hosts is his name; and thy Redeemer the Holy One of Israel; The God of the whole earth shall he be called.”
Isaiah 54:5
As in the marriage union man and wife become one flesh, and, God having joined them together, no man may put them asunder, so when the Lord Jesus Christ, in “the everlasting covenant, ordered in all things and sure,” betrothed the Church unto Himself, they became before the face of heaven, one in indissoluble ties. As He undertook in “the fullness of time” to be “made of a woman,” she became one with Him in body by virtue of a common nature; and becomes one with Him in spirit when, as each individual member comes forth into a time state, the blessed Spirit unites it to Him by regenerating grace. Such is the testimony of the word of truth. “We are members of His body, of His flesh, and of His bones;” “He that is joined to the Lord is one spirit.”
Her union, therefore, with His flesh ensures to her body conformity in the resurrection morn to the glorified body of Jesus; and her union with His spirit ensures to her soul an eternity of bliss in the perfection of knowledge, holiness, and love. Thus the union of the Church with Christ commenced in the councils of eternal wisdom and love, is made known upon earth by regenerating grace, and is perfected in heaven in the fullness of glory.
The Church, it is true, fell in Adam from that state of innocence and purity in which she was originally created. But how the Adamic fall, in all its miserable consequences, instead of canceling the bond and disannulling the everlasting covenant, only served more fully and gloriously to reveal and make known the love of Christ to His chosen bride in all its breadth and length and depth and height! She fell, it is true, into unspeakable, unfathomable depths of sin and misery, guilt and crime; but she never fell out of His heart or out of His arms.
Yet what without the fall would have been known of dying love or of the mystery of the cross! Where would have been the song of the redeemed, “Unto Him that loved us, and washed us from our sins in His own blood?” Where the victory over death and hell, or the triumphs of super-abounding grace over the aboundings of sin, guilt, and despair? Where would have been the “leading captivity captive,” the “spoiling principalities and powers, and making a show of them openly, triumphing over them in Himself?” What would have been known of that most precious attribute of God, mercy? What of His forbearance and long-suffering; what of His pitiful compassion to the poor, lost children of men?
As then the Church’s Head and Husband could not and would not dissolve the union, break the covenant, or alter the thing that had gone out of His lips, and yet could not take her openly unto Himself in all her filth, and guilt, and shame, He had to redeem her with His own heart’s blood, with agonies and sufferings such as earth or heaven never before witnessed, with those dolorous cries under the hidings of His Father’s face, which made the earth to quake, the rocks to rend, and the sun to withdraw its light. But His love was strong as death, and He endured the cross, despising the shame, bearing her sins in His own body on the tree, and thus suffering the penalty due to her crimes, reconciled her unto God “in the body of His flesh, through death, to present her holy, and unblameable, and unreproveable in His sight.”
Having thus reconciled her unto God, as she comes forth from the womb of time, He visits member after member of His mystical body with His regenerating grace, that “He may sanctify and cleanse it with the washing of water by the word,” and thus eventually “present it to Himself a glorious Church, not having spot, or wrinkle, or any such thing.”
To the reader…
Sometimes you stand dismayed at the depth of your fall, your filth, guilt and shame. Do you fear that so much sin must surely have broken the bond between you and Christ? Then look at the Church: she fell into unfathomable depths of sin and misery, yet she never fell out of His heart or out of His arms. What He betrothed in the everlasting covenant He does not let go; what has gone out of His lips He does not alter.
It is just there, where sin abounded, that He has shown the breadth and length and depth and height of His love. He bought His bride with His heart’s blood, bore her sins on the tree, and still visits member after member with His regenerating grace. If your heart has gone out to Him, even with trembling, then this is His work. Your Maker is your Husband, and He will cleanse you until you stand before Him without spot or wrinkle.
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
“Porque tu marido es tu Hacedor; Jehová de los ejércitos es Su nombre: y tu Redentor, el Santo de Israel; Dios de toda la tierra será llamado.”
Isaías 54:5
Así como en la unión matrimonial el hombre y la mujer llegan a ser una sola carne, y, habiéndolos unido Dios, nadie puede separarlos, así, cuando el Señor Jesucristo, en el “pacto perpetuo, ordenado en todas las cosas, y será guardado”, desposó consigo a la Iglesia, llegaron a ser delante del cielo uno solo, con lazos indisolubles. Así como Él se comprometió, en “el cumplimiento del tiempo”, a ser “hecho de mujer”, ella llegó a ser una con Él en cuerpo en virtud de una naturaleza común; y llega a ser una con Él en espíritu cuando, a medida que cada miembro individual sale al estado del tiempo, el bendito Espíritu lo une a Él por la gracia regeneradora. Tal es el testimonio de la palabra de verdad. “Porque somos miembros de Su cuerpo, de Su carne y de Sus huesos”; “Empero el que se junta con el Señor, un espíritu es.”
Su unión, por tanto, con la carne de Él asegura a su cuerpo, en la mañana de la resurrección, la conformidad con el cuerpo glorificado de Jesús; y su unión con el espíritu de Él asegura a su alma una eternidad de bienaventuranza en la perfección del conocimiento, la santidad y el amor. Así, la unión de la Iglesia con Cristo, que comenzó en los consejos de la sabiduría y el amor eternos, se da a conocer en la tierra por la gracia regeneradora, y se perfecciona en el cielo en la plenitud de la gloria.
Es verdad que la Iglesia cayó en Adán de aquel estado de inocencia y pureza en que fue creada originalmente. ¡Pero cómo la caída de Adán, con todas sus miserables consecuencias, en lugar de cancelar el vínculo y anular el pacto perpetuo, solo sirvió para revelar y dar a conocer más plena y gloriosamente el amor de Cristo a Su esposa escogida, en toda su anchura y longura y profundidad y altura! Ella cayó, es verdad, en profundidades inefables e insondables de pecado y miseria, de culpa y crimen; pero nunca cayó fuera de Su corazón ni fuera de Sus brazos.
¡Y sin embargo, sin la caída, qué se habría conocido del amor agonizante o del misterio de la cruz! ¿Dónde habría estado el cántico de los redimidos: “Al que nos amó, y nos ha lavado de nuestros pecados con Su sangre”? ¿Dónde la victoria sobre la muerte y el infierno, o los triunfos de la gracia sobreabundante sobre la abundancia del pecado, la culpa y la desesperación? ¿Dónde habría estado el “llevó cautiva la cautividad”, el “despojando los principados y las potestades, sacólos a la vergüenza en público, triunfando de ellos en sí mismo”? ¿Qué se habría conocido de aquel preciosísimo atributo de Dios, la misericordia? ¿Qué de Su paciencia y longanimidad; qué de Su compasión llena de piedad para con los pobres y perdidos hijos de los hombres?
Así pues, como la Cabeza y el Esposo de la Iglesia no podía ni quería disolver la unión, romper el pacto ni mudar lo que había salido de Sus labios, y sin embargo no podía tomarla abiertamente consigo en toda su inmundicia, su culpa y su vergüenza, tuvo que redimirla con la sangre de Su propio corazón, con agonías y sufrimientos como la tierra o el cielo nunca antes habían presenciado, con aquellos clamores dolorosos bajo el ocultamiento del rostro de Su Padre, que hicieron temblar la tierra, hendirse las piedras y retirar el sol su luz. Pero Su amor era fuerte como la muerte, y Él sufrió la cruz, menospreciando la vergüenza, llevando los pecados de ella en Su propio cuerpo sobre el madero; y así, sufriendo la pena debida a sus crímenes, la reconcilió con Dios “en el cuerpo de Su carne por medio de muerte, para hacerla santa, y sin mancha, e irreprensible delante de Él”.
Habiéndola reconciliado así con Dios, a medida que ella sale del seno del tiempo, Él visita miembro tras miembro de Su cuerpo místico con Su gracia regeneradora, “para santificarla limpiándola en el lavacro del agua por la palabra”, y así presentársela al fin “gloriosa para Sí, una iglesia gloriosa, que no tuviese mancha ni arruga, ni cosa semejante”.
Al lector…
A veces usted queda consternado ante la profundidad de su caída, de su inmundicia, su culpa y su vergüenza. ¿Teme que tanto pecado haya roto seguramente el vínculo entre usted y Cristo? Mire entonces a la Iglesia: cayó en profundidades insondables de pecado y miseria, y sin embargo nunca cayó fuera de Su corazón ni fuera de Sus brazos. Lo que Él desposó en el pacto perpetuo no lo suelta; lo que ha salido de Sus labios no lo muda.
Es precisamente allí, donde abundó el pecado, donde Él ha mostrado la anchura y longura y profundidad y altura de Su amor. Compró a Su esposa con la sangre de Su corazón, llevó los pecados de ella sobre el madero, y todavía visita miembro tras miembro con Su gracia regeneradora. Si su corazón se ha vuelto hacia Él, aunque sea con temblor, entonces esto es obra Suya. Su Hacedor es su Marido, y Él le limpiará hasta que usted esté delante de Él sin mancha ni arruga.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl