November 20
Zo weet de Heere de godzaligen uit de verzoeking te verlossen.
2 Petrus 2:9
Weinigen zullen oprecht en geestelijk tot de Heere gaan en uit het diepst van hun hart roepen om van een verzoeking te worden verlost, vóórdat deze zó zwaar op hun geweten drukt en zulk een last op hun ziel doet wegen, dat God alleen die kan wegnemen. Maar als wij waarlijk de last ener verzoeking gevoelen; wanneer, ofschoon zij voor het vlees aangenaam is, onze geest haar haat; wanneer ons geweten, ofschoon er in ons vleselijk gemoed een gehechtheid eraan moge bestaan, eronder bloedt en wij er geestelijk van walgen en om haar van onszelf walgen; wanneer wij in staat zijn gesteld in ware oprechtheid van ziel en in eerlijkheid van hart tot de Heere te gaan, Hem smekende ons van die verzoeking te verlossen, dan geloof ik dat de Heere ons vroeger of later die verzoeking in Zijn voorzienigheid of door Zijn genade geheel zal wegnemen, of haar kracht zodanig verzwakken dat zij ophouden zal te zijn wat zij tevoren was, onze voeten brengende op de paden van donkerheid en kwaad.
Zolang wij echter in die staat zijn waarvan de profeet spreekt: „Hij heeft hun hart verdeeld; nu zullen zij verwoest worden” (Hosea 10:2); zolang wij in die vleselijke, twijfelende gemoedstoestand zijn welke Jacobus beschrijft: „Een dubbelhartig mens is onstandvastig in al zijn wegen”; zolang wij naar die verzoeking worden heengetrokken, verlangende, begerige blikken zijdelings erop richten, haar als een zoete bete onder onze tong rollen, en, ofschoon het geweten ertegen moge getuigen, wij haar nog ongaarne van ons zien weggenomen, is er geen welgemeend geroep uit het hart, geen zucht, geen geestelijke verzuchting onzer ziel, dat God haar van ons mocht nemen.
Maar wanneer wij als in de tegenwoordigheid Gods, Die de harten doorzoekt, ertoe gebracht worden het kwade te haten waartoe wij verzocht worden, en tot Hem roepen of Hij toch, tot Zijn eer en tot heil onzer ziel, de verzoeking mocht wegnemen, of haar kracht verstompen en doden, dan zal de Heere vroeger of later het geroep horen van hen die smeken om van die verzoekingen verlost te worden die hen zo zwaar in het stof neerdrukken.
Ps. 130:2
Aan de lezer…
U die gedrukt wordt door een verzoeking waaraan uw vlees nog gehecht is, terwijl uw geweten eronder bloedt, wees eerlijk voor Hem Die de harten doorzoekt. Zolang wij met begerige blikken zijdelings naar de zonde zien en haar als een zoete bete onder de tong rollen, kunnen wij niet van harte bidden dat God haar wegneme. Ons hart is dan verdeeld, en een dubbelhartig mens is onstandvastig in al zijn wegen.
Maar heeft de Heere u zo ver gebracht dat u de verzoeking haat en om haar van uzelf walgt? Is de last u zo zwaar geworden dat God alleen hem kan wegnemen? Roep dan tot Hem in oprechtheid van ziel, tot Zijn eer en tot heil van uw ziel. Hij weet de godzaligen uit de verzoeking te verlossen, en vroeger of later zal Hij het geroep horen van hen die zo zwaar in het stof neergedrukt liggen.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Zo weet de Heere de godzaligen uit de verzoeking te verlossen.
2 Petrus 2:9
Weinigen zullen oprecht en geestelijk tot de Heere gaan en uit het diepst van hun hart roepen om van een verzoeking verlost te worden, voordat die zo zwaar op hun geweten drukt en zo’n last op hun ziel legt dat alleen God die kan wegnemen. Maar soms voelen wij werkelijk de last van een verzoeking. Hoewel zij aangenaam is voor het vlees, haat onze geest haar. Hoewel ons vleselijke gemoed er misschien nog aan gehecht is, bloedt ons geweten eronder, en walgen wij er geestelijk van, en om haar ook van onszelf. Als wij dan in staat worden gesteld in ware oprechtheid van ziel en eerlijkheid van hart tot de Heere te gaan en Hem te smeken ons van die verzoeking te verlossen, dan geloof ik dat de Heere die verzoeking vroeg of laat in Zijn voorzienigheid of door Zijn genade geheel zal wegnemen. Of Hij zal haar kracht zo verzwakken dat zij ophoudt te zijn wat zij vroeger was: iets wat onze voeten op de paden van duisternis en kwaad bracht.
Zolang wij echter in de toestand zijn waarover de profeet spreekt: „Hij heeft hun hart verdeeld; nu zullen zij verwoest worden” (Hosea 10:2); zolang wij in die vleselijke, twijfelende gemoedstoestand zijn die Jakobus beschrijft: „Een dubbelhartig mens is onstandvastig in al zijn wegen”; zolang wij naar die verzoeking toe getrokken worden, er verlangende, begerige blikken van terzijde op werpen en haar als een zoete bete onder onze tong laten rollen, en wij het, hoewel ons geweten ertegen getuigt, nog met tegenzin zien dat zij van ons wordt weggenomen — zolang is er geen oprecht geroep uit het hart, geen zucht, geen geestelijke verzuchting van onze ziel dat God haar van ons zou wegnemen.
Maar wanneer wij als in de tegenwoordigheid van God, Die de harten doorzoekt, ertoe gebracht worden het kwaad te haten waartoe wij verzocht worden, en tot Hem roepen of Hij, tot Zijn eer en tot heil van onze ziel, de verzoeking toch wil wegnemen, of haar kracht wil afstompen en doden, dan zal de Heere vroeg of laat het geroep horen van hen die smeken om verlost te worden van de verzoekingen die hen zo zwaar in het stof neerdrukken.
Ps. 130:2
Aan de lezer…
U die gedrukt wordt door een verzoeking waaraan uw vlees nog gehecht is, terwijl uw geweten eronder bloedt: wees eerlijk voor Hem Die de harten doorzoekt. Zolang wij met begerige blikken van terzijde naar de zonde kijken en haar als een zoete bete onder de tong laten rollen, kunnen wij niet van harte bidden dat God haar wegneemt. Ons hart is dan verdeeld, en een dubbelhartig mens is onstandvastig in al zijn wegen.
Maar heeft de Heere u zover gebracht dat u de verzoeking haat en om haar van uzelf walgt? Is de last u zo zwaar geworden dat alleen God hem kan wegnemen? Roep dan tot Hem in oprechtheid van ziel, tot Zijn eer en tot heil van uw ziel. Hij weet de godzaligen uit de verzoeking te verlossen, en vroeg of laat zal Hij het geroep horen van hen die zo zwaar in het stof neergedrukt liggen.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
The Lord knoweth how to deliver the godly out of temptations.
2 Peter 2:9
Few will sincerely and spiritually go to the Lord, and cry from their hearts to be delivered from the power of a temptation, until it presses so weightily upon their conscience, and lies so heavy a burden upon their soul, that none but God can remove it. But when we really feel the burden of a temptation; when, though our flesh may love it, our spirit hates it; when, though there may be in our carnal mind a cleaving to it, our conscience bleeds under it, and we are brought spiritually to loathe it and to loathe ourselves for it; when we are enabled to go to the Lord in real sincerity of soul and honesty of heart, beseeching Him to deliver us from it, I believe, that the Lord will, sooner or later, either remove that temptation entirely in His providence or by His grace, or so weaken its power that it shall cease to be what it was before, drawing our feet into paths of darkness and evil.
As long, however, as we are in that state of which the prophet speaks, “Their heart is divided; now shall they be found faulty” (Hosea 10:2); as long as we are in that carnal, wavering mind, which James describes, “A double-minded man is unstable in all his ways;” as long as we are hankering after the temptation, casting longing, lingering side glances after it, rolling it as a sweet morsel under our tongue, and though conscience may testify against it, yet not willing to have it taken away, there is no hearty cry, nor sigh, nor spiritual breathing of our soul, that God would remove it from us.
But when we are brought, as in the presence of a heart-searching God, to hate the evil to which we are tempted, and cry to Him that He would, for His honor and for our soul’s good, take the temptation away, or dull and deaden its power; sooner or later the Lord will hear the cry of those who groan to be delivered from those temptations, which are so powerfully pressing them down to the dust.
To the reader…
You who are pressed down by a temptation to which your flesh still clings, while your conscience bleeds under it: be honest before Him Who searches the hearts. As long as we cast longing side glances at sin and roll it as a sweet morsel under the tongue, we cannot pray from the heart that God would take it away. Our heart is then divided, and a double-minded man is unstable in all his ways.
But has the Lord brought you so far that you hate the temptation and loathe yourself for it? Has the burden become so heavy that only God can remove it? Then cry to Him in sincerity of soul, for His honour and for your soul’s good. He knows how to deliver the godly out of temptations, and sooner or later He will hear the cry of those who lie pressed down so heavily in the dust.
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
Sabe el Señor librar de tentación a los píos.
2 Pedro 2:9
Pocos irán sincera y espiritualmente al Señor, y clamarán de corazón para ser librados del poder de una tentación, hasta que esta pese tanto sobre su conciencia y sea una carga tan pesada sobre su alma, que nadie sino Dios pueda quitarla. Pero cuando realmente sentimos la carga de una tentación; cuando, aunque nuestra carne la ame, nuestro espíritu la aborrece; cuando, aunque en nuestra mente carnal haya un apego a ella, nuestra conciencia sangra bajo ella, y somos llevados espiritualmente a detestarla y a detestarnos a nosotros mismos por ella; cuando somos capacitados para ir al Señor con verdadera sinceridad de alma y honradez de corazón, suplicándole que nos libre de ella, creo que el Señor, tarde o temprano, o quitará esa tentación por completo en Su providencia o por Su gracia, o debilitará de tal manera su poder que dejará de ser lo que era antes, arrastrando nuestros pies a sendas de tinieblas y de mal.
Sin embargo, mientras estemos en aquel estado del que habla el profeta: “Dividióse su corazón. Ahora serán hallados culpables” (Oseas 10:2); mientras estemos en aquella mente carnal y vacilante que describe Santiago: “El hombre de doblado ánimo es inconstante en todos sus caminos”; mientras sigamos codiciando la tentación, echándole miradas de reojo anhelantes y persistentes, saboreándola como un bocado dulce debajo de nuestra lengua, y aunque la conciencia testifique contra ella, no queramos que nos sea quitada, no habrá ningún clamor sincero, ni suspiro, ni aliento espiritual de nuestra alma para que Dios la quite de nosotros.
Pero cuando somos llevados, como en la presencia de un Dios que escudriña los corazones, a aborrecer el mal al que somos tentados, y clamamos a Él para que, por Su honra y por el bien de nuestra alma, quite la tentación o embote y amortigüe su poder, tarde o temprano el Señor oirá el clamor de los que gimen por ser librados de aquellas tentaciones que tan poderosamente los abaten hasta el polvo.
Al lector…
Usted que está abatido por una tentación a la que su carne todavía se aferra, mientras su conciencia sangra bajo ella: sea sincero delante de Aquel que escudriña los corazones. Mientras echemos miradas de reojo anhelantes al pecado y lo saboreemos como un bocado dulce debajo de la lengua, no podemos orar de corazón que Dios lo quite. Nuestro corazón está entonces dividido, y el hombre de doblado ánimo es inconstante en todos sus caminos.
Pero ¿le ha llevado el Señor tan lejos que usted aborrece la tentación y se detesta a sí mismo por ella? ¿Se ha hecho la carga tan pesada que solo Dios puede quitarla? Entonces clame a Él con sinceridad de alma, por Su honra y por el bien de su alma. Él sabe librar de tentación a los píos, y tarde o temprano oirá el clamor de los que yacen tan abatidos en el polvo.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl