6 dagen geleden verschenen
Het gesprek van een gelovige met zijn ziel
Een uitleg van Psalm 42:12 als gesprek tussen David en zijn ziel: waarom de ziel terneergeslagen en onrustig is, waarom ze op God moet hopen en hoe die hoop uitloopt…
12 dagen geleden verschenen
Het woord van Gods genade
Een uitleg van Handelingen 20:32: Paulus beveelt de oudsten van Efeze aan God en aan het woord van Zijn genade. Alleen dat woord, door de Geest toegepast, bouwt de ziel…
2 weken geleden verschenen
Schatten in de duisternis
Uitleg van Jesaja 45:2,3 voor Gods kinderen: de Heere gaat voor hen uit, maakt kromme wegen recht, verbreekt koperen deuren en ijzeren grendels, geeft verborgen schatten en leert hen zo…
Verkrijgen en verliezen
Naar Prediker 3:6: een levende ziel verkrijgt geestelijke dingen, van kennis van God en van zichzelf tot geloof en vergeving, maar verliest ook haar eigen gerechtigheid en kracht. De preek…
Het schudden van wat gemaakt is en de vastheid van wat gegeven is
Over Hebreeën 12:27,28: wat gemaakt is, wordt geschud en weggenomen, wat God geeft blijft. Het Koninkrijk dat niet bewogen kan worden wordt door geloof ontvangen, door genade vastgehouden en draagt…
Korenaren Uit De Volle Oogst
Strijd de goede strijd des geloofs, grijp naar het eeuwige leven.
1 Timotheüs 6:12
Het is door het geloof dat de macht waardoor God Zijn volk steunt, werkt en bekendgemaakt wordt, en het is zeer leerrijk en bemoedigend in staat te zijn in onze eigen harten de gemeenschap tussen de macht van God en de werking des geloofs na te gaan. Wij worden naar de hemel gebracht als passagiers vervoerd worden per exprestrein naar de een of andere plaats, zodat men, als men eens in het rijtuig zit, kan gaan slapen, uit het portier kijken of de courant lezen, zonder gevaar te lopen te verdwalen of zijn bestemming te bereiken. Ofschoon door de macht Gods gesteund, moeten wij toch op elke schrede van de weg strijden.
Het is dit levend, strijdend, worstelend en toch nu en dan zegevierend geloof dat het beproefde en geoefende kind van God op zulk een afstand plaatst van de loszinnige en onbezorgde godsdienstleraar, die verhard en verstout is te beweren, terwijl hij zelfs het pad der zonde en des doods bewandelt, dat hij de leer die hij verkondigt, door de kracht Gods ontvangen heeft, zonder iets te weten van de geheime weg langs welke deze macht werkt en ondersteunt. Tot zodanigen mogen wij de woorden van Jakobus richten: „Gij gelooft”, dat de uitverkorenen Gods door Zijn almacht tot de zaligheid worden geleid, „en gij doet wel; de duivelen geloven het ook en sidderen”, hetgeen gij niet doet, zo gij een dier loszinnige geleerden zijt.
Maar wordt gij door God geleid? Houdt Hij u af van het kwade, opdat het u niet benadele? Houdt Hij uw oog eenvoudig, uw geweten teder, uw hart vol des gebeds, uw leven en wandel omzichtig? Houdt Hij uw oog af van overspel, uw tong van dwaasheid, uw handen van begeerlijkheid en uw voeten van de weg der hovaardij en wereldsgezindheid? Gij hebt geen bewijs dat gij een erfgenaam Gods zijt en door Zijn macht geleid wordt tot zaligheid, tenzij gij enige ervaring hebt hoe Hij u leidt, en dat het, zo het door kracht van Zijn zijde is, ook door geloof van uw kant is. Wanneer wij uitglijden, struikelen of verdwalen, is het door de macht des ongeloofs, en zo wij staan, strijden of overwinnen, is het door de kracht des geloofs.
Die in onze lage stand
ons genadig bood de hand,
want Zijn gunst, alom verspreid,
zal bestaan in eeuwigheid.
Ps. 136:23
Aan de lezer…
Hier staat een woord voor wie soms verlangt naar een weg waarop hij maar stil kan zitten tot hij aankomt. Het is een begrijpelijke wens voor een vermoeide ziel. Maar de Heere leidt Zijn volk niet zonder strijd. Al steunt Zijn macht u, u moet toch op elke schrede van de weg strijden, en dat strijdend, worstelend geloof is geen teken dat u verloren gaat, maar juist een kenmerk van het beproefde kind van God.
Vraag u daarom niet alleen af of u de waarheid kent, maar of Hij u leidt. Houdt Hij uw geweten teder en uw hart vol des gebeds? Weerhoudt Hij u van het kwade, ook als uw voeten bijna uitgleden? Dan is Zijn kracht aan het werk, al voelt u vooral uw zwakheid. Struikelt u door ongeloof, keer dan terug tot Hem; en staat u, schrijf het dan toe aan Zijn genade, Die u in uw lage stand de hand geboden heeft.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Strijd de goede strijd des geloofs, grijp naar het eeuwige leven.
1 Timotheüs 6:12
Het is door het geloof dat de macht waarmee God Zijn volk ondersteunt, werkt en bekend wordt. Het is heel leerzaam en bemoedigend als we in ons eigen hart de gemeenschap kunnen nagaan tussen de macht van God en de werking van het geloof. We worden naar de hemel gebracht zoals passagiers met een sneltrein naar de een of andere plaats vervoerd worden, zodat men, eenmaal in de coupé, kan gaan slapen, uit het raam kan kijken of de krant kan lezen, zonder het gevaar te lopen te verdwalen of zijn bestemming te bereiken. Ook al worden we door de macht van God ondersteund, toch moeten we bij elke stap van de weg strijden.
Het is dit levende, strijdende, worstelende en toch af en toe zegevierende geloof dat het beproefde en geoefende kind van God zo ver doet afstaan van de lichtzinnige en onbezorgde godsdienstleraar. Zo iemand is verhard en brutaal genoeg om te beweren, terwijl hij zelfs het pad van de zonde en de dood gaat, dat hij de leer die hij verkondigt door de kracht van God ontvangen heeft, zonder iets te weten van de verborgen weg waarlangs die macht werkt en ondersteunt. Tot zulke mensen mogen we de woorden van Jakobus richten: „Gij gelooft” dat de uitverkorenen van God door Zijn almacht tot de zaligheid geleid worden, „en gij doet wel; de duivelen geloven het ook en sidderen”, en dat doet u niet, als u een van die lichtzinnige leraars bent.
Maar wordt u door God geleid? Bewaart Hij u voor het kwade, zodat het u niet schaadt? Houdt Hij uw oog eenvoudig, uw geweten teder, uw hart vol gebed, uw leven en wandel behoedzaam? Houdt Hij uw oog af van overspel, uw tong van dwaasheid, uw handen van begeerlijkheid en uw voeten van de weg van de hoogmoed en de wereldsgezindheid? U hebt geen bewijs dat u een erfgenaam van God bent en door Zijn macht tot de zaligheid geleid wordt, tenzij u enige ervaring hebt van de manier waarop Hij u leidt, en weet dat het, als het van Zijn kant door kracht gebeurt, van uw kant ook door geloof gaat. Wanneer we uitglijden, struikelen of verdwalen, is dat door de macht van het ongeloof; en als we staan, strijden of overwinnen, is dat door de kracht van het geloof.
Die in onze lage stand
ons genadig bood de hand,
want Zijn gunst, alom verspreid,
zal bestaan in eeuwigheid.
Ps. 136:23
Aan de lezer…
Hier staat een woord voor wie soms verlangt naar een weg waarop hij maar stil kan blijven zitten tot hij aankomt. Het is een begrijpelijke wens voor een vermoeide ziel. Maar de Heere leidt Zijn volk niet zonder strijd. Al ondersteunt Zijn macht u, toch moet u bij elke stap van de weg strijden, en dat strijdende, worstelende geloof is geen teken dat u verloren gaat, maar juist een kenmerk van het beproefde kind van God.
Vraag u daarom niet alleen af of u de waarheid kent, maar of Hij u leidt. Houdt Hij uw geweten teder en uw hart vol gebed? Weerhoudt Hij u van het kwade, ook als uw voeten bijna uitgleden? Dan is Zijn kracht aan het werk, al voelt u vooral uw zwakheid. Struikelt u door ongeloof, keer dan terug tot Hem; en staat u, schrijf het dan toe aan Zijn genade, Die u in uw lage stand de hand geboden heeft.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Fight the good fight of faith, lay hold on eternal life.
1 Timothy 6:12
It is through faith that the power whereby God keeps His people, acts and is made known, and it is very instructive and encouraging to be able to trace in our own hearts the connection between the power of God and the actings of faith. We are not carried to heaven as passengers are carried by the express train, so that if once in the carriage they may go to sleep, look out of the window, or read the newspaper without fear of losing their way, or not reaching their destination. Though kept by the power of God, we have to fight every step of the way.
It is this living, fighting, struggling, and yet eventually conquering faith, which sets the tried and exercised child of God at such a distance from the loose and careless doctrinal professor, who is hardened and emboldened to presume, and even walk in ways of sin and death by holding the doctrine of being kept by the power of God, without knowing anything of the secret way by which this power works and keeps. To such we may adapt the language of James. You believe that the elect of God are kept by His Almighty power unto salvation. “You do well; the devils also believe and tremble”—which you do not if you be one of these loose professors.
But does God keep you? Does He keep you from evil, that it may not grieve you? Does He keep your eye single, your conscience tender, your heart prayerful, your life and walk circumspect, your eye from adultery, your tongue from folly, your hands from covetousness, and your feet from the ways of pride and worldliness? You have no evidence that you are an heir of God and are being kept by His power unto salvation, unless you have some experience how He keeps, and that as it is by power on His part, so it is through faith on yours. Whenever we slip, stumble, or go astray, it is through the power of unbelief; and whenever we stand, fight, or prevail, it is by faith.
To the reader…
Here is a word for anyone who sometimes longs for a way on which he can simply sit still until he arrives. It is an understandable wish for a weary soul. But the Lord does not lead His people without conflict. Though His power upholds you, you still have to fight every step of the way, and that fighting, struggling faith is no sign that you are lost, but rather a mark of the tried child of God.
So do not only ask yourself whether you know the truth, but whether He is keeping you. Does He keep your conscience tender and your heart prayerful? Does He hold you back from evil, even when your feet had almost slipped? Then His power is at work, even though what you feel most is your weakness. If you stumble through unbelief, return to Him; and if you stand, ascribe it to His grace, which has held out a hand to you in your low estate.
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
Pelea la buena batalla de la fe, echa mano de la vida eterna.
1 Timoteo 6:12
Es por medio de la fe como actúa y se da a conocer el poder con que Dios guarda a Su pueblo, y es muy instructivo y alentador poder trazar en nuestro propio corazón la conexión entre el poder de Dios y las actuaciones de la fe. No somos llevados al cielo como los pasajeros son llevados por el tren expreso, de modo que, una vez en el vagón, pueden dormirse, mirar por la ventanilla o leer el periódico sin temor de perder el camino o de no llegar a su destino. Aunque guardados por el poder de Dios, tenemos que pelear cada paso del camino.
Es esta fe viva, que pelea, que lucha y que, sin embargo, al final vence, la que pone al hijo de Dios probado y ejercitado a tanta distancia del profesante doctrinal suelto y descuidado, que se endurece y se envalentona para presumir, y aun para andar en caminos de pecado y de muerte, sosteniendo la doctrina de ser guardado por el poder de Dios sin saber nada del camino secreto por el cual este poder obra y guarda. A tales podemos aplicar el lenguaje de Santiago. Usted cree que los escogidos de Dios son guardados por Su poder omnipotente para salvación. “Bien hace: también los demonios creen, y tiemblan”, cosa que usted no hace si es uno de esos profesantes sueltos.
Pero ¿le guarda Dios a usted? ¿Le guarda del mal, para que no le aflija? ¿Guarda sencillo su ojo, tierna su conciencia, su corazón en oración, su vida y su andar circunspectos, sus ojos del adulterio, su lengua de la necedad, sus manos de la avaricia y sus pies de los caminos del orgullo y de la mundanalidad? No tiene evidencia de que es heredero de Dios y de que está siendo guardado por Su poder para salvación, a menos que tenga alguna experiencia de cómo Él guarda, y de que, así como es por poder de parte de Él, así es por fe de parte suya. Siempre que resbalamos, tropezamos o nos descarriamos, es por el poder de la incredulidad; y siempre que nos mantenemos firmes, peleamos o prevalecemos, es por la fe.
Al lector…
He aquí una palabra para quien a veces anhela un camino en el que pueda simplemente quedarse sentado hasta llegar. Es un deseo comprensible para un alma cansada. Pero el Señor no conduce a Su pueblo sin lucha. Aunque Su poder le sostiene, usted aún tiene que pelear cada paso del camino, y esa fe que pelea y lucha no es señal de que esté perdido, sino más bien una marca del hijo de Dios probado.
No se pregunte, pues, solamente si conoce la verdad, sino si Él le está guardando. ¿Guarda tierna su conciencia y su corazón en oración? ¿Le retiene del mal, aun cuando casi se deslizaban sus pies? Entonces Su poder está obrando, aunque lo que más siente sea su debilidad. Si tropieza por incredulidad, vuélvase a Él; y si se mantiene firme, atribúyalo a Su gracia, que le ha tendido la mano en su bajeza.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl
365 Dagen Met Philpot
Mozes’ zegen over Israël
Welgelukzalig zijt gij, o Israël, wie is u gelijk? Gij zijt een volk, verlost door de Heere.
Deuteronomium 33:29
Kunt u de volgende kenmerken ontdekken die door Gods hand op uw ziel zijn gestempeld? Vereert u ooit God in de Geest? Weet u, ziet u in, voelt u aan, door een straal innerlijk licht en door een beweging van innerlijk leven, dat God een Geest is? En terwijl u Hem als zodanig benadert, biedt u dan een geestelijk offer aan als u bij de genadetroon komt? Bent u geestelijk en bevindelijk bekend met de betekenis van de woorden: „De Geest Zelf bidt voor ons met onuitsprekelijke zuchtingen” (Rom. 8:26)?
Zijn de woorden van de Heere op uw geweten gedrukt met Zijn eigen kracht: „God is een Geest, en die Hem aanbidden, moeten Hem aanbidden in geest en waarheid” (Joh. 4:24)? Kunt u in uw hart kijken en treft u er — ik zeg niet altijd, maar soms, op gunstige momenten — geestelijke verering aan? Dan bezit u een kenmerk dat u behoort tot de ware besnijdenis — dat u iemand bent van dat Israël over wie zulke zegeningen zijn uitgesproken.
Treft u ook dit goedgunstige kenmerk op uw hart gestempeld aan, zoals neergelegd in het Woord: roemt u in Christus Jezus (Filip. 3:3)? Hebt u ooit in Hem geroemd als de van God Gekomene en voor u tot wijsheid en rechtschapenheid, en loutering en verlossing gemaakt; of bent u in uw ziel op het punt gekomen waarop er niets anders is om u in te verheugen? Betekent Hij meer voor u dan man, vrouw, kind, huis of land? Is Hij u ooit dierbaar geworden door een goedgunstige openbaring van Zijn schoonheid en gezegendheid, geschiktheid en algehele genoegzaamheid?
Hebt u Hem ooit door het oog van het geloof gezien, Zijn aanwezigheid geproefd, Zijn liefde gevoeld en behagen in Hem geschept als Degene Die de banier draagt over tienduizenden en Die „gans begeerlijk” is (Hoogl. 5:10)? Dan bezit u nog een kenmerk van een ware Israëliet.
Lezen: 1 Korinthe 1:18-31
Aan de lezer…
Schrikt u terug voor zulke vragen, waarde lezer, omdat u vreest dat u de kenmerken niet bij uzelf zult vinden? Let dan op hoe zorgvuldig ze gesteld worden: niet altijd, maar soms, op gunstige momenten. De Heere vraagt niet of u nooit koud en dor bent, maar of u ooit, al was het maar even, in de Geest tot Hem bent genaderd, of de Geest Zelf in u gezucht heeft toen u zelf geen woorden had.
En is Christus u ooit dierbaar geweest, dierbaarder dan man, vrouw, kind, huis of land? Hebt u, al was het met een zwak oog, iets van Zijn schoonheid gezien en behagen in Hem geschept? Werp dat dan niet weg om de duisternis van vandaag. Wie in Christus Jezus leert roemen en niet in zichzelf, die draagt het stempel van de ware Israëliet, en over zulk een volk spreekt de Heere: „Welgelukzalig zijt gij.”
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Welgelukzalig zijt gij, o Israël, wie is u gelijk? Gij zijt een volk, verlost door de Heere.
Deuteronomium 33:29
Kunt u de volgende kenmerken ontdekken, door Gods hand op uw ziel gestempeld? Aanbidt u God ooit in de Geest? Weet u, ziet u in en voelt u, door een straal van innerlijk licht en een beweging van innerlijk leven, dat God een Geest is? En wanneer u Hem als zodanig nadert, brengt u Hem dan een geestelijk offer wanneer u bij de genadetroon komt? Bent u geestelijk en bevindelijk bekend met de betekenis van de woorden: „De Geest Zelf bidt voor ons met onuitsprekelijke zuchtingen” (Rom. 8:26)?
Zijn deze woorden van de Heere met Zijn eigen kracht op uw geweten gedrukt: „God is een Geest, en die Hem aanbidden, moeten Hem aanbidden in geest en waarheid” (Joh. 4:24)? Kunt u in uw hart kijken en vindt u daar — ik zeg niet altijd, maar soms, op gunstige ogenblikken — geestelijke aanbidding? Dan bezit u een kenmerk dat u tot de ware besnijdenis behoort — dat u bij dat Israël hoort over wie zulke zegeningen zijn uitgesproken.
Vindt u ook dit genadige kenmerk in uw hart gestempeld, zoals het in het Woord beschreven staat: roemt u in Christus Jezus (Filip. 3:3)? Hebt u ooit in Hem geroemd als Degene Die u van God geworden is tot wijsheid en rechtvaardigheid, en heiligmaking en verlossing? Of bent u in uw ziel op het punt gekomen waarop er niets anders is om u in te verheugen? Betekent Hij meer voor u dan man, vrouw, kind, huis of land? Is Hij u ooit dierbaar geworden door een genadige openbaring van Zijn schoonheid en gezegendheid, Zijn geschiktheid en Zijn algenoegzaamheid?
Hebt u Hem ooit met het oog van het geloof gezien, Zijn tegenwoordigheid gesmaakt, Zijn liefde gevoeld en behagen in Hem geschept als Degene Die de banier draagt boven tienduizend en Die „gans begeerlijk” is (Hoogl. 5:10)? Dan bezit u nog een kenmerk van een ware Israëliet.
Lezen: 1 Korinthe 1:18-31
Aan de lezer…
Schrikt u terug voor zulke vragen, omdat u vreest dat u de kenmerken niet bij uzelf zult vinden? Let dan op hoe zorgvuldig ze gesteld worden: niet altijd, maar soms, op gunstige ogenblikken. De Heere vraagt niet of u nooit koud en dor bent, maar of u ooit, al was het maar even, in de Geest tot Hem genaderd bent, of de Geest Zelf in u gezucht heeft toen u zelf geen woorden had.
En is Christus u ooit dierbaar geweest, dierbaarder dan man, vrouw, kind, huis of land? Hebt u, al was het met een zwak oog, iets van Zijn schoonheid gezien en behagen in Hem geschept? Werp dat dan niet weg vanwege de duisternis van vandaag. Wie in Christus Jezus leert roemen en niet in zichzelf, die draagt het stempel van de ware Israëliet, en over zo’n volk spreekt de Heere: „Welgelukzalig zijt gij.”
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Happy art thou, O Israel: who is like unto thee, O people saved by the LORD.
Deuteronomy 33:29
Can you find the following marks stamped by God’s hand upon your soul? Do you ever worship God in the Spirit? Do you know, see and feel, by a ray of inward light and a movement of inward life, that God is a Spirit? And when you approach Him as such, do you bring Him a spiritual sacrifice as you come to the throne of grace? Are you spiritually and experimentally acquainted with the meaning of the words, “The Spirit itself maketh intercession for us with groanings which cannot be uttered” (Rom. 8:26)?
Have these words of the Lord been pressed with His own power upon your conscience: “God is a Spirit: and they that worship Him must worship Him in spirit and in truth” (John 4:24)? Can you look into your heart and find there—I do not say always, but sometimes, in favoured moments—spiritual worship? Then you possess a mark that you belong to the true circumcision—that you are of that Israel over whom such blessings are pronounced.
Do you also find this gracious mark stamped upon your heart, as it is described in the Word: do you rejoice in Christ Jesus (Phil. 3:3)? Have you ever rejoiced in Him as the One Who of God is made unto you wisdom, and righteousness, and sanctification, and redemption? Or have you come in your soul to the point where there is nothing else to rejoice in? Is He more to you than husband, wife, child, house or land? Has He ever become precious to you by a gracious discovery of His beauty and blessedness, His suitability and His all-sufficiency?
Have you ever seen Him with the eye of faith, tasted His presence, felt His love, and delighted in Him as the One Who is the chiefest among ten thousand, Who is “altogether lovely” (Song 5:10)? Then you possess another mark of a true Israelite.
Reading: 1 Corinthians 1:18-31
To the reader…
Do you shrink back from such questions, because you fear you will not find these marks in yourself? Then notice how carefully they are put: not always, but sometimes, in favoured moments. The Lord does not ask whether you are never cold and dry, but whether you have ever, if only for a moment, drawn near to Him in the Spirit, or whether the Spirit Himself has groaned within you when you had no words of your own.
And has Christ ever been precious to you, more precious than husband, wife, child, house or land? Have you, even with a feeble eye, seen something of His beauty and delighted in Him? Then do not cast that away because of today’s darkness. Whoever learns to rejoice in Christ Jesus and not in himself bears the stamp of the true Israelite, and over such a people the Lord says, “Happy art thou.”
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
Bienaventurado tú, oh Israel, ¿quién como tú, pueblo salvo por Jehová?
Deuteronomio 33:29
¿Puede usted hallar las siguientes señales estampadas por la mano de Dios en su alma? ¿Adora usted alguna vez a Dios en el Espíritu? ¿Sabe, ve y siente, por un rayo de luz interior y un movimiento de vida interior, que Dios es Espíritu? Y cuando se acerca a Él como tal, ¿le trae un sacrificio espiritual al venir al trono de la gracia? ¿Conoce espiritual y experimentalmente el sentido de las palabras: “El mismo Espíritu pide por nosotros con gemidos indecibles” (Romanos 8:26)?
¿Han sido estas palabras del Señor impresas con Su propio poder en su conciencia: “Dios es Espíritu; y los que le adoran, en espíritu y en verdad es necesario que adoren” (Juan 4:24)? ¿Puede mirar en su corazón y hallar allí —no digo siempre, sino a veces, en momentos favorecidos— adoración espiritual? Entonces posee una señal de que pertenece a la verdadera circuncisión, de que es de aquel Israel sobre el cual se pronuncian tales bendiciones.
¿Halla también esta señal de gracia estampada en su corazón, tal como se describe en la Palabra: se gloría usted en Cristo Jesús (Filipenses 3:3)? ¿Se ha regocijado alguna vez en Él como Aquel que le ha sido hecho por Dios sabiduría, y justificación, y santificación, y redención? ¿O ha llegado en su alma al punto en que no hay ninguna otra cosa en qué regocijarse? ¿Es Él más para usted que marido, esposa, hijo, casa o tierra? ¿Ha llegado alguna vez a serle precioso por un descubrimiento lleno de gracia de Su hermosura y bienaventuranza, de Su idoneidad y de Su plena suficiencia?
¿Lo ha visto alguna vez con el ojo de la fe, ha gustado Su presencia, sentido Su amor, y se ha deleitado en Él como Aquel que es señalado entre diez mil, que es “todo Él codiciable” (Cantares 5:10)? Entonces posee otra señal de un verdadero israelita.
Lectura: 1 Corintios 1:18-31
Al lector…
¿Retrocede usted ante tales preguntas, porque teme no hallar estas señales en sí mismo? Entonces observe con cuánto cuidado están planteadas: no siempre, sino a veces, en momentos favorecidos. El Señor no pregunta si usted nunca está frío y seco, sino si alguna vez, aunque solo fuera por un momento, se ha acercado a Él en el Espíritu, o si el Espíritu mismo ha gemido dentro de usted cuando no tenía palabras propias.
¿Y le ha sido Cristo alguna vez precioso, más precioso que marido, esposa, hijo, casa o tierra? ¿Ha visto, aunque sea con un ojo débil, algo de Su hermosura y se ha deleitado en Él? Entonces no lo deseche por las tinieblas de hoy. Quien aprende a gloriarse en Cristo Jesús y no en sí mismo lleva el sello del verdadero israelita, y sobre tal pueblo dice el Señor: “Bienaventurado tú”.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl
Door Baca's Vallei
En van onder eeuwige armen.
Deuteronomium 33:27
Ziet hoe Mozes het volk de eeuwigheid van God voor ogen stelt. Hij wil van de tijd niet spreken. Wat is de tijd? Een stukje, of als het schuim der zee vergeleken met de machtige oceaan. De oceaan is de eeuwigheid; de tijd is slechts het schuim op de golven. „En van onder eeuwige armen.” En gelooft het: indien de eeuwige armen onder Gods kinderen zijn — want het is van hen en tot hen dat deze woorden gesproken zijn — dan zijn ze daar niet doelloos.
God brengt droefheid op droefheid over de ziel om haar omlaag te krijgen, opdat zij in en op de eeuwige armen vallen zal en ervaren hoe sterk en krachtig deze zijn. En hebt gij het niet menigmaal alzo bevonden? Liegt niet tegen uw recht. Door hoeveel beproevingen in de weg der voorzienigheid zijt gij heengeholpen? Hoe klaarblijkelijk is de Heere in deze en gene toestand verschenen, zodat uw ongeloof en wantrouwen, voor die tijd althans, de mond geheel gesloten werd en het geloof Gods hand zo klaar bemerkte, dat u het gevoelde alsof u er nooit meer aan kon twijfelen.
Hebt ge niet menige zoete ondersteuning gehad toen u op uw bed van smart, pijn en droefenis lag? En kon u God danken dat Hij Zijn drukkende hand op u gelegd had? En hebt ge niet bevonden dat u sterkte en kracht gegeven werd overeenkomstig uw dagen; dat bij elke beproeving u kracht verleend werd om ze te kunnen dragen; en dat uit uw grootste verdrukkingen uw grootste zegeningen zijn voortgekomen?
Waarom zijt ge nog niet in de hel? Verdiende u het niet om daar te zijn? Waarom bevindt gij u nog in een staat dat ge bidden moogt, vergezeld van een goede hoop door genade, en is uw ziel nog wachtende op de Heere, meer dan de wachters op de morgen? Indien deze armen u eens ondersteund hebben, zouden zij u dan voortaan niet ondersteunen? Zouden het eeuwige armen zijn als zij zich vaneen zouden scheiden en u lieten vallen? Rust erop, en gij zult bevinden hoe sterk zij zijn.
Aan de lezer…
Kent u dat? U voelt zich omlaaggebracht, droefheid op droefheid, totdat er niets meer onder u schijnt te zijn. Denk dan niet dat de Heere u heeft losgelaten. Juist zo brengt Hij Zijn kinderen omlaag, opdat zij in en op de eeuwige armen vallen en ervaren hoe sterk die zijn. Wat u als een val voelt, is in Zijn hand het neerleggen op een fundament dat niet wankelt.
Zie eens terug, en liegt niet tegen uw recht. Hebt u niet, op uw bed van smart of in uw zwaarste beproeving, ondersteuning gekend die niet van uzelf kwam? Waarom bent u nog niet in de hel, die u verdiend hebt? Waarom mag u nog bidden en wachten op de Heere, meer dan de wachters op de morgen? Zouden het eeuwige armen zijn als zij u nu zouden laten vallen? Rust er dan op; niet op uw gevoel, maar op die armen, en u zult bevinden hoe sterk zij zijn.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
En van onder eeuwige armen.
Deuteronomium 33:27
Zie hoe Mozes het volk de eeuwigheid van God voor ogen stelt. Over de tijd wil hij niet spreken. Wat is de tijd? Een stukje, of als het schuim van de zee vergeleken met de machtige oceaan. De oceaan is de eeuwigheid; de tijd is slechts het schuim op de golven. „En van onder eeuwige armen.” En geloof het: als de eeuwige armen onder Gods kinderen zijn — want het is over hen en tot hen dat deze woorden gesproken zijn — dan zijn ze daar niet zonder doel.
God brengt droefheid op droefheid over de ziel om haar omlaag te brengen, zodat zij in en op de eeuwige armen zal vallen en zal ervaren hoe sterk en krachtig die zijn. En hebt u het niet vaak zo ervaren? Lieg niet tegen uw recht. Door hoeveel beproevingen op de weg van de voorzienigheid bent u heen geholpen? Hoe duidelijk is de Heere in deze en die omstandigheid verschenen, zodat uw ongeloof en wantrouwen, in elk geval voor die tijd, helemaal de mond werd gesloten. Het geloof zag Gods hand toen zo duidelijk, dat u voelde alsof u er nooit meer aan zou kunnen twijfelen.
Hebt u niet menige zoete ondersteuning gehad toen u op uw bed van smart, pijn en droefheid lag? En kon u God danken dat Hij Zijn drukkende hand op u had gelegd? En hebt u niet ervaren dat u sterkte en kracht kreeg naar uw dagen; dat u bij elke beproeving kracht ontving om die te kunnen dragen; en dat uit uw grootste verdrukkingen uw grootste zegeningen zijn voortgekomen?
Waarom bent u nog niet in de hel? Verdiende u het niet om daar te zijn? Waarom bent u nog in een staat dat u mag bidden, met een goede hoop door genade, en waarom wacht uw ziel nog op de Heere, meer dan de wachters op de morgen? Als deze armen u eens ondersteund hebben, zouden zij u dan voortaan niet ondersteunen? Zouden het eeuwige armen zijn als zij van elkaar zouden gaan en u lieten vallen? Rust erop, en u zult ervaren hoe sterk zij zijn.
Aan de lezer…
Kent u dat? U voelt zich omlaaggebracht, droefheid op droefheid, totdat er niets meer onder u lijkt te zijn. Denk dan niet dat de Heere u heeft losgelaten. Juist zo brengt Hij Zijn kinderen omlaag, zodat zij in en op de eeuwige armen vallen en ervaren hoe sterk die zijn. Wat voor u voelt als een val, is in Zijn hand het neerleggen op een fundament dat niet wankelt.
Kijk eens terug, en lieg niet tegen uw recht. Hebt u niet, op uw bed van smart of in uw zwaarste beproeving, ondersteuning gekend die niet uit uzelf kwam? Waarom bent u nog niet in de hel, die u verdiend hebt? Waarom mag u nog bidden en wachten op de Heere, meer dan de wachters op de morgen? Zouden het eeuwige armen zijn als zij u nu zouden laten vallen? Rust er dan op; niet op uw gevoel, maar op die armen, en u zult ervaren hoe sterk zij zijn.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
“Underneath are the everlasting arms.”
Deuteronomy 33:27
How Moses brought before the people the eternity of God! He will have nothing to do with time. What is time? A fragment, merely like the foam of the sea compared with the mighty ocean. The ocean is eternity; time is merely the foam upon the wave. “Underneath are the everlasting arms.” And depend upon it, if the everlasting arms are underneath the saints of God, for it is of and to those whom the words are spoken, they are there for some purpose. God puts affliction upon affliction to bring the soul down, that it may fall into and upon the everlasting arms, and find how firm and strong they are.
And have you not often found it so? Do not lie against your right. How many trials in providence you have been brought through. How conspicuously the Lord has appeared in this and that instance, so that your unbelief and infidelity were, for the time at least, thoroughly silenced, and faith saw the hand of God so clearly that you felt as if you could never doubt again. Have you not had many sweet supports on your bed of languishing, many precious seasons when you could bless God for laying upon you His afflicting hand? And have you not found that strength was always given to you according to your day, that with every trial power was given you to bear it, and that out of your deepest afflictions came your greatest blessings?
Why are you not in hell? Do you not deserve to be there? Why still upon praying ground, with a good hope through grace, and your soul waiting for the Lord to appear, more than those that watch for the morning? If these arms have once supported you, will they not support you again? Would they be everlasting if they could part asunder and let you fall through? Rest upon them and you will find how strong they are.
To the reader…
Do you know this? You feel brought low, sorrow upon sorrow, until there seems to be nothing left beneath you. Do not think, then, that the Lord has let you go. It is precisely in this way that He brings His children down, so that they fall into and upon the everlasting arms and find how strong they are. What feels to you like a fall is, in His hand, a laying down upon a foundation that does not give way.
Look back for a moment, and do not lie against your right. Have you not, on your bed of languishing or in your heaviest trial, known support that did not come from yourself? Why are you not yet in hell, which you have deserved? Why may you still pray and wait for the Lord, more than they that watch for the morning? Would they be everlasting arms if they let you fall now? Rest upon them, then; not upon your feelings, but upon those arms, and you will find how strong they are.
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
“Y acá abajo los brazos eternos.”
Deuteronomio 33:27
¡Cómo puso Moisés ante el pueblo la eternidad de Dios! No quiere tener nada que ver con el tiempo. ¿Qué es el tiempo? Un fragmento, como la mera espuma del mar comparada con el poderoso océano. El océano es la eternidad; el tiempo es solo la espuma sobre la ola. “Y acá abajo los brazos eternos.” Y téngalo por seguro: si los brazos eternos están debajo de los santos de Dios —pues es de ellos y a ellos de quienes se dicen estas palabras—, están allí con algún propósito. Dios pone aflicción sobre aflicción para abatir al alma, para que caiga en los brazos eternos y sobre ellos, y descubra cuán firmes y fuertes son.
¿Y no lo ha hallado usted así muchas veces? No mienta contra su derecho. ¡Por cuántas pruebas en la providencia ha sido llevado! ¡Cuán notablemente ha aparecido el Señor en este y en aquel caso, de modo que su incredulidad y su infidelidad quedaron, al menos por un tiempo, del todo acalladas, y la fe vio la mano de Dios tan claramente que usted sintió como si nunca más pudiera dudar! ¿No ha tenido muchos dulces sostenes en su lecho de dolor, muchos momentos preciosos en que podía bendecir a Dios por poner sobre usted Su mano afligidora? ¿Y no ha hallado que siempre se le dio fuerza conforme a sus días, que con cada prueba se le dio poder para llevarla, y que de sus más hondas aflicciones salieron sus mayores bendiciones?
¿Por qué no está usted en el infierno? ¿No merece estar allí? ¿Por qué sigue aún en terreno de oración, con una buena esperanza por gracia, y su alma esperando que el Señor aparezca, más que los centinelas a la mañana? Si estos brazos le han sostenido una vez, ¿no le sostendrán otra vez? ¿Serían eternos si pudieran separarse y dejarle caer a través de ellos? Descanse sobre ellos y hallará cuán fuertes son.
Al lector…
¿Conoce usted esto? Se siente abatido, dolor sobre dolor, hasta que parece no quedar nada debajo de usted. No piense, entonces, que el Señor le ha soltado. Es precisamente así como Él abate a Sus hijos, para que caigan en los brazos eternos y sobre ellos, y descubran cuán fuertes son. Lo que a usted le parece una caída es, en Su mano, un ser depositado sobre un fundamento que no cede.
Mire atrás un momento, y no mienta contra su derecho. ¿No ha conocido, en su lecho de dolor o en su prueba más pesada, un sostén que no venía de usted mismo? ¿Por qué no está aún en el infierno, que ha merecido? ¿Por qué puede todavía orar y esperar al Señor, más que los centinelas a la mañana? ¿Serían brazos eternos si ahora le dejaran caer? Descanse, pues, sobre ellos; no sobre sus sentimientos, sino sobre esos brazos, y hallará cuán fuertes son.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl