6 dagen geleden verschenen
Het gesprek van een gelovige met zijn ziel
Een uitleg van Psalm 42:12 als gesprek tussen David en zijn ziel: waarom de ziel terneergeslagen en onrustig is, waarom ze op God moet hopen en hoe die hoop uitloopt…
13 dagen geleden verschenen
Het woord van Gods genade
Een uitleg van Handelingen 20:32: Paulus beveelt de oudsten van Efeze aan God en aan het woord van Zijn genade. Alleen dat woord, door de Geest toegepast, bouwt de ziel…
2 weken geleden verschenen
Schatten in de duisternis
Uitleg van Jesaja 45:2,3 voor Gods kinderen: de Heere gaat voor hen uit, maakt kromme wegen recht, verbreekt koperen deuren en ijzeren grendels, geeft verborgen schatten en leert hen zo…
Verkrijgen en verliezen
Naar Prediker 3:6: een levende ziel verkrijgt geestelijke dingen, van kennis van God en van zichzelf tot geloof en vergeving, maar verliest ook haar eigen gerechtigheid en kracht. De preek…
Het schudden van wat gemaakt is en de vastheid van wat gegeven is
Over Hebreeën 12:27,28: wat gemaakt is, wordt geschud en weggenomen, wat God geeft blijft. Het Koninkrijk dat niet bewogen kan worden wordt door geloof ontvangen, door genade vastgehouden en draagt…
Korenaren Uit De Volle Oogst
Dewelke wel voorgekend is geweest vóór de grondlegging der wereld, maar geopenbaard is in deze laatste tijden om uwentwil.
1 Petrus 1:20
Door „deze laatste tijden” wordt bedoeld deze tegenwoordige bedeling, de bedeling der genade, onder welke wij leven; en zij worden de laatste tijden genoemd om de twee volgende redenen. 1°. Omdat Christus in de laatste dagen van de bedeling onder het Oude Verbond is geopenbaard, welk Verbond, als verouderd en oud gemaakt, nabij de verdwijning is (Hebr. 8:13); wat dan ook geschiedde toen bij de verwoesting van de tempel de gehele tempeldienst, benevens de offers daar gebracht, ophield te bestaan. Maar 2°. een andere reden waarom de bedeling onder welke wij leven „de laatste tijden” wordt genoemd, is omdat het de laatste openbaring Gods is. Het is „de aangename tijd”, „de dag der zaligheid”, waarvan al de profeten gesproken hebben (2 Kor. 6:2; Hand. 3:24).
Christus is nu op Zijn troon der genade; de grote, de heerlijke, de enige Middelaar tussen God en de mensen zit nu aan de rechterhand des Vaders; de Voorspraak, Die allen die door Hem tot God komen, kan zaligen. Die altijd leeft om voor hen tussenbeide te komen. Die altijd leeft om te pleiten, als een Voorspraak bij de Vader, Jezus Christus de Rechtvaardige; als de grote Hogepriester over het huis Gods. Maar Hij zal de troon der genade verlaten om plaats te nemen op de rechterstoel, en dan zullen „die laatste tijden” besluiten met de heerlijkheid der zaliging Zijner vrienden en al de afgrijselijkheid des verderfs Zijner vijanden.
Let toch en zie op vromen en oprechten,
want wat men denk’ van d’uitkomst hunner paan,
God kroont met vreê het einde Zijner knechten,
maar durft men stout des Heeren wet versmaan,
dan zal Gods wraak de berg van hoogmoed slechten
en ’t boos geslacht ten grond toe doen vergaan.
Ps. 37:19
Aan de lezer…
U die nu leeft in „de aangename tijd”, in „de dag der zaligheid”, hebt een rijk voorrecht. Christus zit nog op Zijn troon der genade, de enige Middelaar tussen God en de mensen, Die altijd leeft om te pleiten voor allen die door Hem tot God komen. Hij werd voorgekend vóór de grondlegging der wereld en is geopenbaard om uwentwil, om de wil van zulken die niets in zichzelf hebben om op te steunen.
Maar deze laatste tijden zullen niet altijd duren. Eens verlaat Hij de troon der genade om plaats te nemen op de rechterstoel. Laat dat u niet van Hem doen vluchten, maar u juist tot Hem drijven, nu het nog de dag der genade is. Bent u arm, schuldig en beladen? Hij kan zaligen allen die door Hem tot God komen. Kom dan met uw nood tot deze Voorspraak bij de Vader, Jezus Christus de Rechtvaardige; dan zal die laatste dag voor u niet de dag des verderfs zijn, maar de heerlijkheid van Zijn vrienden.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Dewelke wel voorgekend is geweest vóór de grondlegging der wereld, maar geopenbaard is in deze laatste tijden om uwentwil.
1 Petrus 1:20
Met „deze laatste tijden” wordt deze tegenwoordige bedeling bedoeld, de bedeling van de genade waaronder wij leven. Zij worden om de volgende twee redenen de laatste tijden genoemd. 1°. Omdat Christus geopenbaard is in de laatste dagen van de bedeling onder het Oude Verbond, een Verbond dat, als verouderd en oud geworden, dicht bij zijn verdwijnen is (Hebr. 8:13). Dat gebeurde ook toen bij de verwoesting van de tempel de hele tempeldienst, samen met de offers die daar gebracht werden, ophield te bestaan. Maar 2°. een andere reden waarom de bedeling waaronder wij leven „de laatste tijden” wordt genoemd, is dat het de laatste openbaring van God is. Het is „de aangename tijd”, „de dag der zaligheid”, waarover alle profeten gesproken hebben (2 Kor. 6:2; Hand. 3:24).
Christus is nu op Zijn troon van genade. De grote, de heerlijke, de enige Middelaar tussen God en de mensen zit nu aan de rechterhand van de Vader: de Voorspraak, Die allen kan zaligen die door Hem tot God komen; Die altijd leeft om voor hen tussenbeide te komen; Die altijd leeft om te pleiten, als een Voorspraak bij de Vader, Jezus Christus de Rechtvaardige, als de grote Hogepriester over het huis van God. Maar Hij zal de troon van genade verlaten om plaats te nemen op de rechterstoel. Dan zullen „die laatste tijden” besloten worden met de heerlijkheid van de zaligheid van Zijn vrienden en met al de verschrikking van het verderf van Zijn vijanden.
Let toch en zie op vromen en oprechten,
want wat men denk’ van d’uitkomst hunner paan,
God kroont met vreê het einde Zijner knechten,
maar durft men stout des Heeren wet versmaan,
dan zal Gods wraak de berg van hoogmoed slechten
en ’t boos geslacht ten grond toe doen vergaan.
Ps. 37:19
Aan de lezer…
U die nu leeft in „de aangename tijd”, in „de dag der zaligheid”, hebt een rijk voorrecht. Christus zit nog op Zijn troon van genade, de enige Middelaar tussen God en de mensen, Die altijd leeft om te pleiten voor allen die door Hem tot God komen. Hij werd voorgekend vóór de grondlegging van de wereld en is geopenbaard om uwentwil, ter wille van zulken die niets in zichzelf hebben om op te steunen.
Maar deze laatste tijden zullen niet altijd duren. Eens verlaat Hij de troon van genade om plaats te nemen op de rechterstoel. Laat dat u niet van Hem doen vluchten, maar u juist naar Hem toe drijven, nu het nog de dag van de genade is. Bent u arm, schuldig en beladen? Hij kan allen zaligen die door Hem tot God komen. Kom dan met uw nood tot deze Voorspraak bij de Vader, Jezus Christus de Rechtvaardige; dan zal die laatste dag voor u niet de dag van het verderf zijn, maar de heerlijkheid van Zijn vrienden.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Who verily was foreordained before the foundation of the world, but was manifest in these last times for you.
1 Peter 1:20
By “these last times” is meant this present dispensation, the dispensation of grace under which we live, and they are called the last times chiefly for two reasons–
1. Because Christ was manifested in the last days of the legal dispensation of the old covenant, which now, as decaying and waxing old, was ready to vanish away (Heb. 8:13), which it did when at the destruction of Jerusalem the whole of the temple service, including the sacrifices offered there, was brought to an end.
2. Another reason why the dispensation under which we live is called “the last days” is because it is the final revelation of God. It is “the time accepted,” “the day of salvation,” of which all the prophets have spoken (2 Cor. 6:2; Acts 3:24).
Christ is now upon His throne of grace; the great, the glorious, the only Mediator between God and men is now at the right hand of the Father; the Intercessor Who is able to save to the uttermost all who come unto God by Him, seeing He ever lives to make intercession for them, still lives to plead, as an Advocate with the Father, Jesus Christ the righteous, as the great High Priest over the house of God. But He will leave the throne of grace to take His seat on the throne of judgment; and then “these last days” will close in all the glories of salvation to His friends, in all the horrors of destruction to His foes.
To the reader…
You who now live in “the accepted time,” in “the day of salvation,” have a rich privilege. Christ still sits upon His throne of grace, the only Mediator between God and men, who ever lives to plead for all who come unto God by Him. He was foreordained before the foundation of the world and was manifested for your sakes, for the sake of such as have nothing in themselves to lean upon.
But these last times will not last for ever. One day He will leave the throne of grace to take His seat on the throne of judgment. Do not let that make you flee from Him, but let it drive you to Him, now that it is still the day of grace. Are you poor, guilty and burdened? He is able to save all who come unto God by Him. Come, then, with your need to this Advocate with the Father, Jesus Christ the righteous; then that last day will not be for you the day of destruction, but the glory of His friends.
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
Ya ordenado de antes de la fundación del mundo, pero manifestado en los postrimeros tiempos por amor de vosotros.
1 Pedro 1:20
Por “los postrimeros tiempos” se entiende esta dispensación presente, la dispensación de la gracia bajo la cual vivimos, y se les llama los postrimeros tiempos principalmente por dos razones:
1. Porque Cristo fue manifestado en los últimos días de la dispensación legal del antiguo pacto, que ahora, como lo que es dado por viejo y se envejece, estaba cerca de desvanecerse (Hebreos 8:13), lo cual sucedió cuando, en la destrucción de Jerusalén, todo el servicio del templo, incluidos los sacrificios que allí se ofrecían, llegó a su fin.
2. Otra razón por la que la dispensación bajo la cual vivimos se llama “los postreros días” es porque es la revelación final de Dios. Es “el tiempo aceptable”, “el día de salud”, del cual han hablado todos los profetas (2 Corintios 6:2; Hechos 3:24).
Cristo está ahora sobre Su trono de gracia; el grande, el glorioso, el único Mediador entre Dios y los hombres está ahora a la diestra del Padre; el Intercesor, que puede salvar eternamente a los que por Él se allegan a Dios, viviendo siempre para interceder por ellos, vive todavía para abogar, como Abogado para con el Padre, Jesucristo el Justo, como el gran Sumo Sacerdote sobre la casa de Dios. Pero dejará el trono de la gracia para sentarse en el trono del juicio; y entonces “estos postreros días” se cerrarán con todas las glorias de la salvación para Sus amigos, y con todos los horrores de la destrucción para Sus enemigos.
Al lector…
Usted que vive ahora en “el tiempo aceptable”, en “el día de salud”, tiene un rico privilegio. Cristo sigue sentado en Su trono de gracia, el único Mediador entre Dios y los hombres, que vive siempre para abogar por todos los que por Él se allegan a Dios. Él fue ordenado antes de la fundación del mundo y fue manifestado por amor de ustedes, por amor de los que no tienen en sí mismos nada en qué apoyarse.
Pero estos postrimeros tiempos no durarán para siempre. Un día Él dejará el trono de la gracia para sentarse en el trono del juicio. No deje que eso le haga huir de Él, sino que le empuje hacia Él, ahora que todavía es el día de la gracia. ¿Es usted pobre, culpable y cargado? Él puede salvar a todos los que por Él se allegan a Dios. Venga, pues, con su necesidad a este Abogado para con el Padre, Jesucristo el Justo; entonces aquel último día no será para usted el día de la destrucción, sino la gloria de Sus amigos.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl
365 Dagen Met Philpot
Christus’ zitten ter rechterhand Gods
Op een verse en levende weg, welke Hij ons ingewijd heeft door het voorhangsel, dat is, door Zijn vlees.
Hebreeën 10:20
Onze gezegende Hogepriester stond op uit de doden, nadat Hij Zijn heilige lichaam en ziel als zondoffer had geofferd, en voer op ten hemel in Zijn zuivere en heilige mensheid, gesymboliseerd door het heilige linnen gewaad dat Aaron droeg toen hij binnen het voorhangsel trad, om daar dat onderdeel van zijn priesterambt te vervullen, namelijk voor ons te bidden. Dit was prachtig gesymboliseerd, zoals hiervoor reeds aangegeven, door de hogepriester die de fijn gestoten wierook binnen het voorhangsel brengt, samen met het verzoenende bloed. De wierook was fijn gestoten, verbrijzeld, niet gesneden, niet alleen opdat de geur zich dan vrijer zou verspreiden als hij door de kolen was aangestoken, maar om het leed en de smart van onze vreselijk lijdende Hogepriester te symboliseren. „Doch het behaagde de HEERE Hem te verbrijzelen” (Jes. 53:10). „Hij is om onze overtredingen verwond, om onze ongerechtigheden is Hij verbrijzeld” (Jes. 53:5).
De kolen van het altaar stonden voor de toorn Gods, want het vuur op het altaar, als eerste aangestoken door de Heere Zelf (Lev. 9:24), werd nooit uitgemaakt. Er werden niet alleen alle hele brandoffers op verbrand, maar elk deel van de andere offers, zoals het vet van het zondoffer, dat er voor dat bijzondere doel op werd gelegd. De wolk wierook die het heiligdom vulde en de genadezetel bedekte, vertegenwoordigde de geuren van de huidige voorspraak van onze grote en roemrijke Hogepriester in de hemel.
En het bloed, op en voor de genadezetel gesprenkeld, symboliseerde „het bloed der besprenging, dat betere dingen spreekt dan Abel” (Hebr. 12:24), zelfs dat kostbare bloed „dat reinigt van alle zonde”, dat Hij met Zich meenam naar de hemel toen Hij daar in Zijn heilige mensheid naar binnen ging; en de doeltreffendheid ervan om een schuldig geweten te reinigen van vuil, schuld en dode werken, om een levende God te dienen, maakt Hij nog steeds kenbaar wanneer de Heilige Geest de dingen van Christus neemt en ze aan de ziel met Zijn eigen goddelijke kracht openbaart.
Lezen: Exodus 30:22-38
Aan de lezer…
Is uw geweten bezwaard met schuld en dode werken, zodat u niet weet hoe u voor God kunt verschijnen? Waarde lezer, zie dan naar wat hier van de Hogepriester gezegd wordt. De wierook was fijn gestoten, verbrijzeld, en zo werd Hij verbrijzeld om onze ongerechtigheden. Hij heeft het vuur van Gods toorn doorstaan, en nu stijgt Zijn voorspraak als een welriekende wolk op voor de genadezetel.
En het bloed spreekt betere dingen dan Abel. Het is het kostbare bloed dat reinigt van alle zonde. Hij heeft het als het ware meegenomen in de hemel, en de kracht ervan maakt Hij nog steeds kenbaar wanneer de Heilige Geest de dingen van Christus aan de ziel openbaart. Wacht daar dan op, en vraag erom. Wat u niet kunt wegwassen, kan Zijn bloed wel reinigen, zodat u met een gereinigd geweten de levende God mag dienen.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Op een verse en levende weg, welke Hij ons ingewijd heeft door het voorhangsel, dat is, door Zijn vlees.
Hebreeën 10:20
Nadat onze gezegende Hogepriester Zijn heilig lichaam en Zijn ziel als zondoffer had geofferd, stond Hij op uit de doden. Hij voer op naar de hemel in Zijn reine en heilige mensheid, afgebeeld door de heilige linnen kleding die Aäron droeg wanneer hij binnen het voorhangsel ging. Daar vervult Hij dat deel van Zijn priesterambt: voor ons bidden. Dit werd prachtig afgebeeld, zoals al eerder gezegd, doordat de hogepriester de fijngestoten wierook samen met het verzoenend bloed binnen het voorhangsel bracht. De wierook was fijngestoten, verbrijzeld, niet gesneden. Dat was niet alleen zodat de geur zich vrijer zou verspreiden wanneer hij op de kolen werd ontstoken, maar ook om het leed en de smart van onze zo verschrikkelijk lijdende Hogepriester af te beelden. „Doch het behaagde de HEERE Hem te verbrijzelen” (Jes. 53:10). „Hij is om onze overtredingen verwond, om onze ongerechtigheden is Hij verbrijzeld” (Jes. 53:5).
De kolen van het altaar waren een beeld van de toorn van God, want het vuur op het altaar, dat in het begin door de Heere Zelf was ontstoken (Lev. 9:24), werd nooit gedoofd. Niet alleen werden alle brandoffers er in hun geheel op verbrand, maar ook elk deel van de andere offers dat er voor dat bijzondere doel op werd gelegd, zoals het vet van het zondoffer. De wolk van wierook die het heiligdom vulde en het verzoendeksel bedekte, was een beeld van de welriekende voorspraak die onze grote en heerlijke Hogepriester nu in de hemel doet.
En het bloed dat op en voor het verzoendeksel werd gesprenkeld, beeldde „het bloed der besprenging, dat betere dingen spreekt dan Abel” (Hebr. 12:24) af, ja, dat kostbare bloed „dat reinigt van alle zonde”. Dat bloed nam Hij met Zich mee naar de hemel toen Hij daar in Zijn heilige mensheid binnenging. En de kracht ervan om een schuldig geweten te reinigen van vuil, schuld en dode werken, om de levende God te dienen, maakt Hij nog steeds bekend wanneer de Heilige Geest de dingen van Christus neemt en ze met Zijn eigen goddelijke kracht aan de ziel openbaart.
Lezen: Exodus 30:22-38
Aan de lezer…
Is uw geweten bezwaard met schuld en dode werken, zodat u niet weet hoe u voor God kunt verschijnen? Kijk dan, lezer, naar wat hier van de Hogepriester gezegd wordt. De wierook was fijngestoten, verbrijzeld, en zo werd Hij verbrijzeld om onze ongerechtigheden. Hij heeft het vuur van Gods toorn doorstaan, en nu stijgt Zijn voorspraak als een welriekende wolk op voor het verzoendeksel.
En het bloed spreekt betere dingen dan Abel. Het is het kostbare bloed dat reinigt van alle zonde. Hij heeft het als het ware meegenomen naar de hemel, en de kracht ervan maakt Hij nog steeds bekend wanneer de Heilige Geest de dingen van Christus aan de ziel openbaart. Wacht daar dan op, en vraag erom. Wat u niet kunt wegwassen, kan Zijn bloed wel reinigen, zodat u met een gereinigd geweten de levende God mag dienen.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
By a new and living way, which He hath consecrated for us, through the veil, that is to say, His flesh.
Hebrews 10:20
After our blessed High Priest had offered His holy body and His soul as a sin offering, He rose from the dead. He ascended into heaven in His pure and holy humanity, figured by the holy linen garments which Aaron wore when he went within the veil. There He fulfils that part of His priestly office: to intercede for us. This was beautifully figured, as has already been said, by the high priest bringing the incense beaten small within the veil together with the atoning blood. The incense was beaten small, bruised, not cut. That was not only that the fragrance might spread more freely when it was kindled upon the coals, but also to set forth the grief and sorrow of our so dreadfully suffering High Priest.
“Yet it pleased the LORD to bruise Him” (Isa. 53:10). “He was wounded for our transgressions, He was bruised for our iniquities” (Isa. 53:5).
The coals of the altar were a figure of the wrath of God, for the fire upon the altar, which at the beginning had been kindled by the Lord Himself (Lev. 9:24), was never put out. Not only were all the burnt offerings consumed upon it whole, but also every part of the other sacrifices which was laid upon it for that special purpose, such as the fat of the sin offering. The cloud of incense which filled the sanctuary and covered the mercy seat was a figure of the fragrant intercession which our great and glorious High Priest now makes in heaven.
And the blood sprinkled upon and before the mercy seat set forth “the blood of sprinkling, that speaketh better things than that of Abel” (Heb. 12:24), yea, that precious blood which “cleanseth from all sin.” That blood He took with Him into heaven when He entered there in His holy humanity. And its power to purge a guilty conscience from filth, guilt and dead works, to serve the living God, He still makes known when the Holy Spirit takes of the things of Christ and reveals them with His own divine power to the soul.
Reading: Exodus 30:22-38
To the reader…
Is your conscience burdened with guilt and dead works, so that you do not know how you can appear before God? Then look, dear reader, at what is said here of the High Priest. The incense was beaten small, bruised, and so He was bruised for our iniquities. He has endured the fire of God’s wrath, and now His intercession rises as a fragrant cloud before the mercy seat.
And the blood speaks better things than that of Abel. It is the precious blood that cleanses from all sin. He has, as it were, taken it with Him into heaven, and He still makes its power known when the Holy Spirit reveals the things of Christ to the soul. Wait for that, then, and ask for it. What you cannot wash away, His blood can cleanse, so that with a purged conscience you may serve the living God.
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
Por el camino que Él nos consagró nuevo y vivo, por el velo, esto es, por Su carne.
Hebreos 10:20
Después de que nuestro bendito Sumo Sacerdote hubo ofrecido Su santo cuerpo y Su alma como expiación por el pecado, resucitó de los muertos. Subió al cielo en Su humanidad pura y santa, figurada por las santas vestiduras de lino que Aarón llevaba cuando entraba dentro del velo. Allí cumple aquella parte de Su oficio sacerdotal: interceder por nosotros. Esto estaba bellamente figurado, como ya se ha dicho, por el sumo sacerdote que llevaba el perfume molido dentro del velo junto con la sangre expiatoria. El perfume era molido, triturado, no cortado. Eso no era solo para que la fragancia se esparciera con más libertad al encenderse sobre las brasas, sino también para representar la aflicción y el dolor de nuestro Sumo Sacerdote, que tan terriblemente padeció.
“Con todo eso Jehová quiso quebrantarle” (Is. 53:10). “Mas Él herido fue por nuestras rebeliones, molido por nuestros pecados” (Is. 53:5).
Las brasas del altar eran figura de la ira de Dios, porque el fuego sobre el altar, que al principio había sido encendido por el Señor mismo (Lev. 9:24), nunca se apagaba. No solo se consumían enteros sobre él todos los holocaustos, sino también toda parte de los demás sacrificios que se ponía sobre él con ese fin especial, como la grosura de la expiación. La nube del perfume que llenaba el santuario y cubría el propiciatorio era figura de la fragante intercesión que nuestro grande y glorioso Sumo Sacerdote hace ahora en el cielo.
Y la sangre rociada sobre el propiciatorio y delante de él representaba “la sangre del esparcimiento que habla mejor que la de Abel” (Heb. 12:24), sí, aquella preciosa sangre que “nos limpia de todo pecado”. Esa sangre la llevó consigo al cielo cuando entró allí en Su santa humanidad. Y su poder para purificar una conciencia culpable de inmundicia, culpa y obras muertas, para servir al Dios vivo, Él lo sigue dando a conocer cuando el Espíritu Santo toma de lo de Cristo y lo revela con Su propio poder divino al alma.
Lectura: Éxodo 30:22-38
Al lector…
¿Está su conciencia cargada de culpa y de obras muertas, de modo que no sabe cómo podrá presentarse delante de Dios? Entonces mire, querido lector, lo que aquí se dice del Sumo Sacerdote. El perfume era molido, triturado, y así fue Él molido por nuestros pecados. Él ha soportado el fuego de la ira de Dios, y ahora Su intercesión sube como una nube fragante delante del propiciatorio.
Y la sangre habla mejor que la de Abel. Es la preciosa sangre que limpia de todo pecado. Él la ha llevado, por así decirlo, consigo al cielo, y sigue dando a conocer su poder cuando el Espíritu Santo revela al alma lo de Cristo. Espere eso, pues, y pídalo. Lo que usted no puede lavar, Su sangre puede limpiarlo, para que con una conciencia purificada sirva al Dios vivo.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl
Door Baca's Vallei
Al wat de Vader Mij geeft, zal tot Mij komen; en die tot Mij komt, zal Ik geenszins uitwerpen.
Johannes 6:37
Nu, arme zondaar, op wiens hoofd de stralen van een vurige wet zich uitschieten; nu, ellendige zondaar, bedroefd in uw gemoed, schuldig in uw consciëntie, verzocht door wel duizend aanvechtingen, bezet met ontelbare twijfelingen en vrezen, kunt gij niet uw oog een weinig uit uw somberheid en droefheid opheffen en zien dat de eeuwige God uw Toevlucht is? Kleeft gij Hem niet aan met het uiterste van uw vermogen, daar elke andere toevlucht u ontvalt? Hebt gij niet Zijn sterkte aangegrepen, opdat gij vrede met Hem maken zoudt? Ziet gij niet tot Hem op? En zegt Hij niet: „Ziet op Mij en wordt behouden, alle gij einden der aarde”?
Hij beveelt u op Hem te zien, gelijk Mozes de kinderen Israëls gebood op de koperen slang te zien. Arme zondaar, smartende onder het gewicht uwer overtredingen, Hij gebiedt u op Hem te zien. Heeft de Heere, in Wiens lippen genade is uitgestort, niet gezegd: „Hij, die tot Mij komt, zal Ik geenszins uitwerpen”? Waarom zoudt gij niet op Hem zien? Waarom niet tot Hem komen? Zal Hij u uitwerpen?
Ontwaart gij niet de verborgen trekkingen Zijner genade, de bewegingen in uw hart, die u menigmaal doen komen met sterke roepingen en tranen, met smekingen en geween, met ernst en vuur, met gedurige smekingen? Wat zijn dit anders dan alleen de innerlijke onderwijzingen Gods, gelijk de Heere zegt: „Gelijk in de profeten geschreven is: En zij zullen allen van God geleerd zijn”? „Daarom zal eenieder, die het gehoord en van de Vader geleerd heeft, tot Mij komen.” En weet gij niet dat de Heere Zelf zegt dat niemand tot Hem kan komen, tenzij de Vader, Die Hem gezonden heeft, hem trekke? Dit komen derhalve met ernst en vurig verlangen der ziel komt volgens Zijn eigen getuigenis door de bijzondere trekking en onderwijzing. Zijn beminde Zoon tot een Toevlucht gesteld hebbende voor uw ziel, zo komt Hij u nu trekken, opdat gij verzoening en vrede in Hem vinden moogt.
Maar, zult gij misschien zeggen, ik ben zo zondig, zo schuldig; ik ben een zondaar, veel slechter dan gij u er enig begrip van kunt vormen, en dit doet mij zo gedrukt henen gaan. Zijt gij lager gezonken dan broeder Jona, toen hij was in de buik van de walvis en naar eigen schatting in de buik des grafs? En ja, wat riep hij uit? „Nochtans zal ik de tempel Uwer heiligheid weder aanschouwen!” Kunt gij niet opblikken tot de heilige tempel? Heeft Zijn goedertierenheid dan een einde? Zo nam David het in zijn hart waar, doch het was niet zo, want „Zijn goedertierenheid duurt in eeuwigheid”. En dit is een wijd uitgestrekt en nadrukkelijk woord. Zie en leef! Zie en leef!
Aan de lezer…
Arme, bedroefde lezer, bezet met twijfelingen en vrezen, schuldig in uw consciëntie: bent u bang dat u te slecht bent om te komen? Dan spreekt dit woord juist tot u: „Die tot Mij komt, zal Ik geenszins uitwerpen.” Hij zegt niet: wie goed genoeg is, maar: wie komt. Zou Hij, in Wiens lippen genade is uitgestort, u dan uitwerpen? Waarom zou u niet op Hem zien?
En let op wat er in uw eigen hart gebeurt. Die zuchten, die tranen, die gedurige smekingen, waar komen zij vandaan? Niemand kan tot Hem komen, tenzij de Vader hem trekke. Zijn de trekkingen dan niet al een teken dat Hij met u bezig is? Hebt u het gevoel dat u lager gezonken bent dan iemand ooit, kunt u nochtans niet opblikken naar Zijn heilige tempel? Zijn goedertierenheid duurt in eeuwigheid. Zie en leef!
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Al wat de Vader Mij geeft, zal tot Mij komen; en die tot Mij komt, zal Ik geenszins uitwerpen.
Johannes 6:37
Nu, arme zondaar, op wiens hoofd de stralen van een vurige wet neerschieten; nu, ellendige zondaar, bedroefd in uw gemoed, schuldig in uw geweten, verzocht door wel duizend aanvechtingen, omringd door ontelbare twijfels en vrezen: kunt u uw oog niet een beetje opheffen uit uw somberheid en droefheid en zien dat de eeuwige God uw Toevlucht is? Klemt u zich niet met al uw kracht aan Hem vast, nu elke andere toevlucht u ontvalt? Hebt u Zijn sterkte niet aangegrepen, opdat u vrede met Hem zou maken? Ziet u niet naar Hem op? En zegt Hij niet: „Ziet op Mij en wordt behouden, alle gij einden der aarde”?
Hij beveelt u op Hem te zien, zoals Mozes de kinderen Israëls gebood op de koperen slang te zien. Arme zondaar, die lijdt onder het gewicht van uw overtredingen, Hij gebiedt u op Hem te zien. Heeft de Heere, op Wiens lippen genade is uitgestort, niet gezegd: „Hij, die tot Mij komt, zal Ik geenszins uitwerpen”? Waarom zou u niet op Hem zien? Waarom niet tot Hem komen? Zal Hij u uitwerpen?
Merkt u niet de verborgen trekkingen van Zijn genade, de bewegingen in uw hart die u zo vaak doen komen met sterk geroep en tranen, met smeken en wenen, met ernst en vuur, met voortdurende smekingen? Wat zijn die anders dan de innerlijke onderwijzingen van God, zoals de Heere zegt: „Gelijk in de profeten geschreven is: En zij zullen allen van God geleerd zijn”? „Daarom zal eenieder, die het gehoord en van de Vader geleerd heeft, tot Mij komen.” En weet u niet dat de Heere Zelf zegt dat niemand tot Hem kan komen, tenzij de Vader, Die Hem gezonden heeft, hem trekt? Dit komen met ernst en vurig verlangen van de ziel komt daarom, volgens Zijn eigen getuigenis, voort uit de bijzondere trekking en het bijzondere onderwijs. Nu Hij Zijn geliefde Zoon tot een Toevlucht voor uw ziel gesteld heeft, komt Hij u nu trekken, opdat u verzoening en vrede in Hem mag vinden.
Maar misschien zegt u: ik ben zo zondig, zo schuldig; ik ben een zondaar, veel slechter dan u zich kunt voorstellen, en daarom ga ik zo gebukt. Bent u dieper gezonken dan broeder Jona, toen hij in de buik van de walvis was en naar zijn eigen schatting in de buik van het graf? En wat riep hij uit? „Nochtans zal ik de tempel Uwer heiligheid weder aanschouwen!” Kunt u niet opzien naar de heilige tempel? Heeft Zijn goedertierenheid dan een einde? Zo meende David het in zijn hart, maar zo was het niet, want „Zijn goedertierenheid duurt in eeuwigheid”. En dat is een wijd en nadrukkelijk woord. Zie en leef! Zie en leef!
Aan de lezer…
Arme, bedroefde lezer, omringd door twijfels en vrezen, schuldig in uw geweten: bent u bang dat u te slecht bent om te komen? Dan spreekt dit woord juist tot u: „Die tot Mij komt, zal Ik geenszins uitwerpen.” Hij zegt niet: wie goed genoeg is, maar: wie komt. Zou Hij, op Wiens lippen genade is uitgestort, u dan uitwerpen? Waarom zou u niet op Hem zien?
En let op wat er in uw eigen hart gebeurt. Die zuchten, die tranen, die voortdurende smekingen: waar komen zij vandaan? Niemand kan tot Hem komen, tenzij de Vader hem trekt. Zijn die trekkingen dan niet al een teken dat Hij met u bezig is? Hebt u het gevoel dat u dieper gezonken bent dan wie ook, kunt u dan toch niet opzien naar Zijn heilige tempel? Zijn goedertierenheid duurt in eeuwigheid. Zie en leef!
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
All that the Father giveth Me shall come to Me; and him that cometh to Me I will in no wise cast out.
John 6:37
Now, poor sinner, upon whose head the beams of a fiery law are darting; now, poor sinner, distressed in your mind, guilty in your conscience, plagued with a thousand temptations, beset by innumerable doubts and fears, can you not look up a little out of your gloom and sadness, and see that the eternal God is your refuge? Do you not cleave to Him with the utmost of your power, as being beaten out of every other refuge? Have you not taken hold of His strength that you may make peace with Him? Are you not looking to Him? And does He not say, “Look unto Me and be saved, all the ends of the earth?”
He bids you look at Him as Moses bade the Israelites look to the bronze serpent. Poor sinner, groaning under the weight of your transgression, He bids you look to Him. Has the blessed Lord, He into Whose lips grace was poured, not said, “Him that comes to Me I will never cast out?” Why should you not look? Why should you not come to Him? Will He cast you out?
Do you not feel the secret drawings of His grace, movements upon your heart which make you come often with strong crying and tears, with groans and sighs, earnest, vehement, and continual supplications? What are these but the inward teachings of God, as our Lord said, “It is written in the prophets, And they shall be all taught of God. Every man therefore that has heard, and has learned of the Father, comes unto Me.”
And do you not know that the Lord Himself said, that no man can come to Him except the Father Who has sent Him draws him? These comings, therefore, of your soul in earnest and vehement desire are, according to His own testimony, from the special teachings and gracious drawings of God in you. Having made His dear Son to be the refuge of your soul, He is now drawing you unto Him that you may find pardon and peace in Him.
But perhaps you will say, “I am so sinful, so guilty, I have been such a sinner, much worse than you can form any conception of; and it is this which sinks me so low.” Are you lower than brother Jonah when he was in the whale’s belly, and, in his own feelings, in the belly of hell? And yet what said he? “Yet will I look again toward Your holy temple.” Can you not look again toward the holy temple? Is His mercy clean gone forever? So David felt and feared, but it was not so, for “His mercy endures forever;” and that is a long and strong word. Look and live, look and live!
To the reader…
Poor, sorrowing reader, surrounded by doubts and fears, guilty in your conscience: are you afraid that you are too bad to come? Then this word speaks to you in particular: “Him that cometh to Me I will in no wise cast out.” He does not say: whoever is good enough, but: whoever comes. Would He, into Whose lips grace was poured, cast you out, then? Why should you not look to Him?
And notice what is happening in your own heart. Those sighs, those tears, those continual supplications: where do they come from? No man can come to Him, except the Father draw him. Are those drawings, then, not already a sign that He is at work with you? If you feel that you have sunk lower than anyone, can you not still look again toward His holy temple? His mercy endureth for ever. Look and live!
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
Todo lo que el Padre Me da, vendrá a Mí; y al que a Mí viene, no le echo fuera.
Juan 6:37
Ahora bien, pobre pecador, sobre cuya cabeza se disparan los rayos de una ley de fuego; pobre pecador, angustiado en su mente, culpable en su conciencia, atormentado por mil tentaciones, cercado de innumerables dudas y temores: ¿no puede usted alzar un poco la mirada desde su tristeza y pesadumbre, y ver que el Dios eterno es su refugio? ¿No se aferra usted a Él con todas sus fuerzas, como quien ha sido arrojado de todo otro refugio? ¿No ha echado mano de Su fortaleza para hacer paz con Él? ¿No está usted mirando a Él? ¿Y no dice Él: “Mirad a Mí, y sed salvos, todos los términos de la tierra”?
Él le manda mirarle a Él, como Moisés mandó a los israelitas mirar a la serpiente de bronce. Pobre pecador que gime bajo el peso de su transgresión, Él le manda mirarle a Él. ¿No ha dicho el bendito Señor, Aquel en cuyos labios se derramó la gracia: “Al que a Mí viene, no le echo fuera”? ¿Por qué no habría usted de mirar? ¿Por qué no habría de venir a Él? ¿Le echará Él fuera?
¿No siente usted las atracciones secretas de Su gracia, movimientos en su corazón que le hacen venir a menudo con gran clamor y lágrimas, con gemidos y suspiros, con súplicas fervientes, vehementes y continuas? ¿Qué son estas sino las enseñanzas interiores de Dios, como dijo nuestro Señor: “Escrito está en los profetas: Y serán todos enseñados de Dios. Así que, todo aquel que oyó del Padre, y aprendió, viene a Mí”?
¿Y no sabe usted que el Señor mismo dijo que ninguno puede venir a Él si el Padre que Le envió no le trajere? Por tanto, estos venires de su alma con deseo ferviente y vehemente proceden, según Su propio testimonio, de las enseñanzas especiales y las atracciones llenas de gracia de Dios en usted. Habiendo hecho a Su amado Hijo el refugio de su alma, Él le está atrayendo ahora a Él para que halle en Él perdón y paz.
Pero quizá diga usted: “Soy tan pecador, tan culpable, he sido un pecador tal, mucho peor de lo que usted puede imaginarse; y esto es lo que me hunde tan bajo.” ¿Está usted más abajo que el hermano Jonás cuando estaba en el vientre del pez y, según sus propios sentimientos, en el vientre del infierno? Y sin embargo, ¿qué dijo? “Mas aún veré Tu santo templo.” ¿No puede usted mirar otra vez hacia el santo templo? ¿Se ha acabado para siempre Su misericordia? Así lo sintió y temió David, pero no fue así, porque “para siempre es Su misericordia”; y esa es una palabra larga y fuerte. ¡Mire y viva, mire y viva!
Al lector…
Pobre lector afligido, rodeado de dudas y temores, culpable en su conciencia: ¿teme usted ser demasiado malo para venir? Entonces esta palabra le habla a usted en particular: “Al que a Mí viene, no le echo fuera.” No dice: el que sea lo bastante bueno, sino: el que viene. ¿Le echaría fuera, pues, Aquel en cuyos labios se derramó la gracia? ¿Por qué no habría usted de mirarle?
Y observe lo que sucede en su propio corazón. Esos suspiros, esas lágrimas, esas súplicas continuas: ¿de dónde vienen? Ninguno puede venir a Él si el Padre no le trajere. ¿No son, pues, esas atracciones ya una señal de que Él está obrando en usted? Si siente que se ha hundido más bajo que nadie, ¿no puede aún mirar otra vez hacia Su santo templo? Para siempre es Su misericordia. ¡Mire y viva!
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl