June 2
Al wat de Vader Mij geeft, zal tot Mij komen; en die tot Mij komt, zal Ik geenszins uitwerpen.
Johannes 6:37
Nu, arme zondaar, op wiens hoofd de stralen van een vurige wet zich uitschieten; nu, ellendige zondaar, bedroefd in uw gemoed, schuldig in uw consciëntie, verzocht door wel duizend aanvechtingen, bezet met ontelbare twijfelingen en vrezen, kunt gij niet uw oog een weinig uit uw somberheid en droefheid opheffen en zien dat de eeuwige God uw Toevlucht is? Kleeft gij Hem niet aan met het uiterste van uw vermogen, daar elke andere toevlucht u ontvalt? Hebt gij niet Zijn sterkte aangegrepen, opdat gij vrede met Hem maken zoudt? Ziet gij niet tot Hem op? En zegt Hij niet: „Ziet op Mij en wordt behouden, alle gij einden der aarde”?
Hij beveelt u op Hem te zien, gelijk Mozes de kinderen Israëls gebood op de koperen slang te zien. Arme zondaar, smartende onder het gewicht uwer overtredingen, Hij gebiedt u op Hem te zien. Heeft de Heere, in Wiens lippen genade is uitgestort, niet gezegd: „Hij, die tot Mij komt, zal Ik geenszins uitwerpen”? Waarom zoudt gij niet op Hem zien? Waarom niet tot Hem komen? Zal Hij u uitwerpen?
Ontwaart gij niet de verborgen trekkingen Zijner genade, de bewegingen in uw hart, die u menigmaal doen komen met sterke roepingen en tranen, met smekingen en geween, met ernst en vuur, met gedurige smekingen? Wat zijn dit anders dan alleen de innerlijke onderwijzingen Gods, gelijk de Heere zegt: „Gelijk in de profeten geschreven is: En zij zullen allen van God geleerd zijn”? „Daarom zal eenieder, die het gehoord en van de Vader geleerd heeft, tot Mij komen.” En weet gij niet dat de Heere Zelf zegt dat niemand tot Hem kan komen, tenzij de Vader, Die Hem gezonden heeft, hem trekke? Dit komen derhalve met ernst en vurig verlangen der ziel komt volgens Zijn eigen getuigenis door de bijzondere trekking en onderwijzing. Zijn beminde Zoon tot een Toevlucht gesteld hebbende voor uw ziel, zo komt Hij u nu trekken, opdat gij verzoening en vrede in Hem vinden moogt.
Maar, zult gij misschien zeggen, ik ben zo zondig, zo schuldig; ik ben een zondaar, veel slechter dan gij u er enig begrip van kunt vormen, en dit doet mij zo gedrukt henen gaan. Zijt gij lager gezonken dan broeder Jona, toen hij was in de buik van de walvis en naar eigen schatting in de buik des grafs? En ja, wat riep hij uit? „Nochtans zal ik de tempel Uwer heiligheid weder aanschouwen!” Kunt gij niet opblikken tot de heilige tempel? Heeft Zijn goedertierenheid dan een einde? Zo nam David het in zijn hart waar, doch het was niet zo, want „Zijn goedertierenheid duurt in eeuwigheid”. En dit is een wijd uitgestrekt en nadrukkelijk woord. Zie en leef! Zie en leef!
Aan de lezer…
Arme, bedroefde lezer, bezet met twijfelingen en vrezen, schuldig in uw consciëntie: bent u bang dat u te slecht bent om te komen? Dan spreekt dit woord juist tot u: „Die tot Mij komt, zal Ik geenszins uitwerpen.” Hij zegt niet: wie goed genoeg is, maar: wie komt. Zou Hij, in Wiens lippen genade is uitgestort, u dan uitwerpen? Waarom zou u niet op Hem zien?
En let op wat er in uw eigen hart gebeurt. Die zuchten, die tranen, die gedurige smekingen, waar komen zij vandaan? Niemand kan tot Hem komen, tenzij de Vader hem trekke. Zijn de trekkingen dan niet al een teken dat Hij met u bezig is? Hebt u het gevoel dat u lager gezonken bent dan iemand ooit, kunt u nochtans niet opblikken naar Zijn heilige tempel? Zijn goedertierenheid duurt in eeuwigheid. Zie en leef!
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Al wat de Vader Mij geeft, zal tot Mij komen; en die tot Mij komt, zal Ik geenszins uitwerpen.
Johannes 6:37
Nu, arme zondaar, op wiens hoofd de stralen van een vurige wet neerschieten; nu, ellendige zondaar, bedroefd in uw gemoed, schuldig in uw geweten, verzocht door wel duizend aanvechtingen, omringd door ontelbare twijfels en vrezen: kunt u uw oog niet een beetje opheffen uit uw somberheid en droefheid en zien dat de eeuwige God uw Toevlucht is? Klemt u zich niet met al uw kracht aan Hem vast, nu elke andere toevlucht u ontvalt? Hebt u Zijn sterkte niet aangegrepen, opdat u vrede met Hem zou maken? Ziet u niet naar Hem op? En zegt Hij niet: „Ziet op Mij en wordt behouden, alle gij einden der aarde”?
Hij beveelt u op Hem te zien, zoals Mozes de kinderen Israëls gebood op de koperen slang te zien. Arme zondaar, die lijdt onder het gewicht van uw overtredingen, Hij gebiedt u op Hem te zien. Heeft de Heere, op Wiens lippen genade is uitgestort, niet gezegd: „Hij, die tot Mij komt, zal Ik geenszins uitwerpen”? Waarom zou u niet op Hem zien? Waarom niet tot Hem komen? Zal Hij u uitwerpen?
Merkt u niet de verborgen trekkingen van Zijn genade, de bewegingen in uw hart die u zo vaak doen komen met sterk geroep en tranen, met smeken en wenen, met ernst en vuur, met voortdurende smekingen? Wat zijn die anders dan de innerlijke onderwijzingen van God, zoals de Heere zegt: „Gelijk in de profeten geschreven is: En zij zullen allen van God geleerd zijn”? „Daarom zal eenieder, die het gehoord en van de Vader geleerd heeft, tot Mij komen.” En weet u niet dat de Heere Zelf zegt dat niemand tot Hem kan komen, tenzij de Vader, Die Hem gezonden heeft, hem trekt? Dit komen met ernst en vurig verlangen van de ziel komt daarom, volgens Zijn eigen getuigenis, voort uit de bijzondere trekking en het bijzondere onderwijs. Nu Hij Zijn geliefde Zoon tot een Toevlucht voor uw ziel gesteld heeft, komt Hij u nu trekken, opdat u verzoening en vrede in Hem mag vinden.
Maar misschien zegt u: ik ben zo zondig, zo schuldig; ik ben een zondaar, veel slechter dan u zich kunt voorstellen, en daarom ga ik zo gebukt. Bent u dieper gezonken dan broeder Jona, toen hij in de buik van de walvis was en naar zijn eigen schatting in de buik van het graf? En wat riep hij uit? „Nochtans zal ik de tempel Uwer heiligheid weder aanschouwen!” Kunt u niet opzien naar de heilige tempel? Heeft Zijn goedertierenheid dan een einde? Zo meende David het in zijn hart, maar zo was het niet, want „Zijn goedertierenheid duurt in eeuwigheid”. En dat is een wijd en nadrukkelijk woord. Zie en leef! Zie en leef!
Aan de lezer…
Arme, bedroefde lezer, omringd door twijfels en vrezen, schuldig in uw geweten: bent u bang dat u te slecht bent om te komen? Dan spreekt dit woord juist tot u: „Die tot Mij komt, zal Ik geenszins uitwerpen.” Hij zegt niet: wie goed genoeg is, maar: wie komt. Zou Hij, op Wiens lippen genade is uitgestort, u dan uitwerpen? Waarom zou u niet op Hem zien?
En let op wat er in uw eigen hart gebeurt. Die zuchten, die tranen, die voortdurende smekingen: waar komen zij vandaan? Niemand kan tot Hem komen, tenzij de Vader hem trekt. Zijn die trekkingen dan niet al een teken dat Hij met u bezig is? Hebt u het gevoel dat u dieper gezonken bent dan wie ook, kunt u dan toch niet opzien naar Zijn heilige tempel? Zijn goedertierenheid duurt in eeuwigheid. Zie en leef!
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
All that the Father giveth Me shall come to Me; and him that cometh to Me I will in no wise cast out.
John 6:37
Now, poor sinner, upon whose head the beams of a fiery law are darting; now, poor sinner, distressed in your mind, guilty in your conscience, plagued with a thousand temptations, beset by innumerable doubts and fears, can you not look up a little out of your gloom and sadness, and see that the eternal God is your refuge? Do you not cleave to Him with the utmost of your power, as being beaten out of every other refuge? Have you not taken hold of His strength that you may make peace with Him? Are you not looking to Him? And does He not say, “Look unto Me and be saved, all the ends of the earth?”
He bids you look at Him as Moses bade the Israelites look to the bronze serpent. Poor sinner, groaning under the weight of your transgression, He bids you look to Him. Has the blessed Lord, He into Whose lips grace was poured, not said, “Him that comes to Me I will never cast out?” Why should you not look? Why should you not come to Him? Will He cast you out?
Do you not feel the secret drawings of His grace, movements upon your heart which make you come often with strong crying and tears, with groans and sighs, earnest, vehement, and continual supplications? What are these but the inward teachings of God, as our Lord said, “It is written in the prophets, And they shall be all taught of God. Every man therefore that has heard, and has learned of the Father, comes unto Me.”
And do you not know that the Lord Himself said, that no man can come to Him except the Father Who has sent Him draws him? These comings, therefore, of your soul in earnest and vehement desire are, according to His own testimony, from the special teachings and gracious drawings of God in you. Having made His dear Son to be the refuge of your soul, He is now drawing you unto Him that you may find pardon and peace in Him.
But perhaps you will say, “I am so sinful, so guilty, I have been such a sinner, much worse than you can form any conception of; and it is this which sinks me so low.” Are you lower than brother Jonah when he was in the whale’s belly, and, in his own feelings, in the belly of hell? And yet what said he? “Yet will I look again toward Your holy temple.” Can you not look again toward the holy temple? Is His mercy clean gone forever? So David felt and feared, but it was not so, for “His mercy endures forever;” and that is a long and strong word. Look and live, look and live!
To the reader…
Poor, sorrowing reader, surrounded by doubts and fears, guilty in your conscience: are you afraid that you are too bad to come? Then this word speaks to you in particular: “Him that cometh to Me I will in no wise cast out.” He does not say: whoever is good enough, but: whoever comes. Would He, into Whose lips grace was poured, cast you out, then? Why should you not look to Him?
And notice what is happening in your own heart. Those sighs, those tears, those continual supplications: where do they come from? No man can come to Him, except the Father draw him. Are those drawings, then, not already a sign that He is at work with you? If you feel that you have sunk lower than anyone, can you not still look again toward His holy temple? His mercy endureth for ever. Look and live!
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
Todo lo que el Padre Me da, vendrá a Mí; y al que a Mí viene, no le echo fuera.
Juan 6:37
Ahora bien, pobre pecador, sobre cuya cabeza se disparan los rayos de una ley de fuego; pobre pecador, angustiado en su mente, culpable en su conciencia, atormentado por mil tentaciones, cercado de innumerables dudas y temores: ¿no puede usted alzar un poco la mirada desde su tristeza y pesadumbre, y ver que el Dios eterno es su refugio? ¿No se aferra usted a Él con todas sus fuerzas, como quien ha sido arrojado de todo otro refugio? ¿No ha echado mano de Su fortaleza para hacer paz con Él? ¿No está usted mirando a Él? ¿Y no dice Él: “Mirad a Mí, y sed salvos, todos los términos de la tierra”?
Él le manda mirarle a Él, como Moisés mandó a los israelitas mirar a la serpiente de bronce. Pobre pecador que gime bajo el peso de su transgresión, Él le manda mirarle a Él. ¿No ha dicho el bendito Señor, Aquel en cuyos labios se derramó la gracia: “Al que a Mí viene, no le echo fuera”? ¿Por qué no habría usted de mirar? ¿Por qué no habría de venir a Él? ¿Le echará Él fuera?
¿No siente usted las atracciones secretas de Su gracia, movimientos en su corazón que le hacen venir a menudo con gran clamor y lágrimas, con gemidos y suspiros, con súplicas fervientes, vehementes y continuas? ¿Qué son estas sino las enseñanzas interiores de Dios, como dijo nuestro Señor: “Escrito está en los profetas: Y serán todos enseñados de Dios. Así que, todo aquel que oyó del Padre, y aprendió, viene a Mí”?
¿Y no sabe usted que el Señor mismo dijo que ninguno puede venir a Él si el Padre que Le envió no le trajere? Por tanto, estos venires de su alma con deseo ferviente y vehemente proceden, según Su propio testimonio, de las enseñanzas especiales y las atracciones llenas de gracia de Dios en usted. Habiendo hecho a Su amado Hijo el refugio de su alma, Él le está atrayendo ahora a Él para que halle en Él perdón y paz.
Pero quizá diga usted: “Soy tan pecador, tan culpable, he sido un pecador tal, mucho peor de lo que usted puede imaginarse; y esto es lo que me hunde tan bajo.” ¿Está usted más abajo que el hermano Jonás cuando estaba en el vientre del pez y, según sus propios sentimientos, en el vientre del infierno? Y sin embargo, ¿qué dijo? “Mas aún veré Tu santo templo.” ¿No puede usted mirar otra vez hacia el santo templo? ¿Se ha acabado para siempre Su misericordia? Así lo sintió y temió David, pero no fue así, porque “para siempre es Su misericordia”; y esa es una palabra larga y fuerte. ¡Mire y viva, mire y viva!
Al lector…
Pobre lector afligido, rodeado de dudas y temores, culpable en su conciencia: ¿teme usted ser demasiado malo para venir? Entonces esta palabra le habla a usted en particular: “Al que a Mí viene, no le echo fuera.” No dice: el que sea lo bastante bueno, sino: el que viene. ¿Le echaría fuera, pues, Aquel en cuyos labios se derramó la gracia? ¿Por qué no habría usted de mirarle?
Y observe lo que sucede en su propio corazón. Esos suspiros, esas lágrimas, esas súplicas continuas: ¿de dónde vienen? Ninguno puede venir a Él si el Padre no le trajere. ¿No son, pues, esas atracciones ya una señal de que Él está obrando en usted? Si siente que se ha hundido más bajo que nadie, ¿no puede aún mirar otra vez hacia Su santo templo? Para siempre es Su misericordia. ¡Mire y viva!
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl