4 dagen geleden verschenen
Het gesprek van een gelovige met zijn ziel
Een uitleg van Psalm 42:12 als gesprek tussen David en zijn ziel: waarom de ziel terneergeslagen en onrustig is, waarom ze op God moet hopen en hoe die hoop uitloopt…
11 dagen geleden verschenen
Het woord van Gods genade
Een uitleg van Handelingen 20:32: Paulus beveelt de oudsten van Efeze aan God en aan het woord van Zijn genade. Alleen dat woord, door de Geest toegepast, bouwt de ziel…
2 weken geleden verschenen
Schatten in de duisternis
Uitleg van Jesaja 45:2,3 voor Gods kinderen: de Heere gaat voor hen uit, maakt kromme wegen recht, verbreekt koperen deuren en ijzeren grendels, geeft verborgen schatten en leert hen zo…
Verkrijgen en verliezen
Naar Prediker 3:6: een levende ziel verkrijgt geestelijke dingen, van kennis van God en van zichzelf tot geloof en vergeving, maar verliest ook haar eigen gerechtigheid en kracht. De preek…
Het schudden van wat gemaakt is en de vastheid van wat gegeven is
Over Hebreeën 12:27,28: wat gemaakt is, wordt geschud en weggenomen, wat God geeft blijft. Het Koninkrijk dat niet bewogen kan worden wordt door geloof ontvangen, door genade vastgehouden en draagt…
Korenaren Uit De Volle Oogst
En de zalving die gijlieden van Hem ontvangen hebt, blijft in u, en gij hebt niet van node, dat iemand u lere: maar gelijk dezelve u leert van alle dingen, zo is zij ook waarachtig, en is geen leugen: en gelijk zij u geleerd heeft, zo zult gij in Hem blijven.
1 Joh. 2:27
Hebt u ooit een enkele druppel van die heilige zalfolie op uw hart gehad? Een druppel, al is het er ook maar één, zal u voor altijd tot de dienst aan God wijden. Er werd niet veel van de heilige zalfolie voor de dienst van de tabernakel gebruikt, wanneer wij bedenken de omvang en de hoeveelheid die moest gewijd worden, want Mozes moest daarmee de hele tabernakel van de samenkomst, zowel als de heilige vaten met al hun toebehoren zalven. Wanneer hij dit heilige werk volbracht, raakte hij het ene vat na het andere met een druppel olie aan; want één druppel heiligde het vat voor de dienst van de tabernakel. De wijding behoefde niet herhaald te worden, zij was blijvende.
Als u dus ooit één druppel van Gods liefde in uw hart hebt voelen vallen — één druppel van de zalving om u de Waarheid te leren, zoals zij in Jezus is, één druppel om door te dringen, te verzachten, te helen, te voeden en licht, leven en kracht aan uw ziel te geven — dan hebt u de zalving van de Heilige Geest ontvangen; dan kent u de dingen die u voor uw zaligheid nodig zijn, en door diezelfde heilige olie bent u geheiligd en toebereid tot een eeuwige erfenis.
Die liefdegeur moet elk tot liefde nopen,
als d’olie, die van Arons hoofd gedropen
zijn baard en klederzoom doortrekt.
Z’ is als de dauw, die Hermons kruin bedekt,
die Sions top met vruchtbaar vocht besproeit
en op zijn bergen nedervloeit.
Waar liefde woont, gebiedt de Heer de zegen:
daar woont Hij zelf, daar wordt zijn heil verkregen
en ’t leven tot in eeuwigheid.
Ps. 133:2 en 3
Aan de lezer…
U die van die heilige zalving hoort, hebt u ooit één druppel ervan op uw hart gevoeld? Misschien durft u het nauwelijks te zeggen. U vergelijkt uzelf met anderen die zoveel schijnen te bezitten, en uw eigen ervaring lijkt u zo klein. Maar bedenk hoe Mozes het ene vat na het andere aanraakte met een druppel olie, en hoe die ene druppel genoeg was om het voor altijd aan de dienst des Heeren te wijden. De wijding hoefde niet herhaald te worden; zij bleef.
Zo is het met de zalving van de Heilige Geest. Was er ooit één druppel van Gods liefde die uw hart verzachtte en heelde, één druppel die u de waarheid leerde zoals zij in Jezus is, dan is dat geen voorbijgaande aandoening geweest. „De zalving die gijlieden van Hem ontvangen hebt, blijft in u.” Ziet u er nu weinig van, de olie is daarom niet weggevloeid. Die u eenmaal zalfde, heeft u ook geheiligd en toebereid voor een eeuwige erfenis.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
En de zalving die gijlieden van Hem ontvangen hebt, blijft in u, en gij hebt niet van node, dat iemand u lere: maar gelijk dezelve u leert van alle dingen, zo is zij ook waarachtig, en is geen leugen: en gelijk zij u geleerd heeft, zo zult gij in Hem blijven.
1 Joh. 2:27
Hebt u ooit een enkele druppel van die heilige zalfolie op uw hart gehad? Eén druppel, al is het er maar één, zal u voor altijd aan de dienst van God wijden. Voor de dienst van de tabernakel werd niet veel van de heilige zalfolie gebruikt, als wij bedenken hoe groot de omvang en de hoeveelheid was die gewijd moest worden. Mozes moest daarmee immers de hele tabernakel van de samenkomst zalven, en ook de heilige vaten met al hun toebehoren. Toen hij dit heilige werk volbracht, raakte hij het ene vat na het andere met een druppel olie aan, want één druppel heiligde het vat voor de dienst van de tabernakel. De wijding hoefde niet herhaald te worden; zij was blijvend.
Als u dus ooit één druppel van Gods liefde in uw hart hebt voelen vallen — één druppel van de zalving om u de Waarheid te leren zoals zij in Jezus is, één druppel om door te dringen, te verzachten, te helen, te voeden en licht, leven en kracht aan uw ziel te geven — dan hebt u de zalving van de Heilige Geest ontvangen. Dan kent u de dingen die u voor uw zaligheid nodig hebt, en door diezelfde heilige olie bent u geheiligd en toebereid voor een eeuwige erfenis.
Die liefdegeur moet elk tot liefde nopen,
als d’olie, die van Arons hoofd gedropen
zijn baard en klederzoom doortrekt.
Z’ is als de dauw, die Hermons kruin bedekt,
die Sions top met vruchtbaar vocht besproeit
en op zijn bergen nedervloeit.
Waar liefde woont, gebiedt de Heer de zegen:
daar woont Hij zelf, daar wordt zijn heil verkregen
en ’t leven tot in eeuwigheid.
Ps. 133:2 en 3
Aan de lezer…
U die van die heilige zalving hoort, hebt u ooit één druppel ervan op uw hart gevoeld? Misschien durft u het nauwelijks te zeggen. U vergelijkt uzelf met anderen die zoveel lijken te bezitten, en uw eigen ervaring lijkt u zo klein. Maar bedenk hoe Mozes het ene vat na het andere aanraakte met een druppel olie, en hoe die ene druppel genoeg was om het voor altijd aan de dienst van de Heere te wijden. De wijding hoefde niet herhaald te worden; zij bleef.
Zo is het met de zalving van de Heilige Geest. Was er ooit één druppel van Gods liefde die uw hart verzachtte en heelde, één druppel die u de waarheid leerde zoals zij in Jezus is, dan is dat geen voorbijgaande ontroering geweest. „De zalving die gijlieden van Hem ontvangen hebt, blijft in u.” Merkt u er nu weinig van, dan is de olie daarom niet weggevloeid. Hij Die u eenmaal zalfde, heeft u ook geheiligd en toebereid voor een eeuwige erfenis.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
But the anointing which ye have received of Him abideth in you, and ye need not that any man teach you: but as the same anointing teacheth you of all things, and is truth, and is no lie, and even as it hath taught you, ye shall abide in Him.
1 John 2:27
Have you ever had a solitary drop of this holy anointing oil fall upon your heart? One drop, if it be but a drop, will sanctify you forever to the service of God. There was not much of the holy anointing oil used for the service of the tabernacle, when we consider the size and quantity of what had to be consecrated, for Moses had to anoint therewith the whole of the tabernacle of the congregation, as well as all the vessels, with all their various accessories. When he went through the sacred work, he touched one vessel after another with a drop of oil; for one drop sanctified the vessel to the service of the tabernacle. There was no repetition of the consecration needed; it abode.
So if you ever had a drop of God’s love shed abroad in your heart—a drop of the anointing to teach you the truth as it is in Jesus; a drop to penetrate, to soften, to heal, to feed and give light, life, and power to your soul—you have the unction from the Holy One; you know all things which are for your salvation, and by that same holy oil you have been sanctified and made meet for an eternal inheritance.
To the reader…
You who hear of that holy anointing, have you ever felt a single drop of it upon your heart? Perhaps you hardly dare to say so. You compare yourself with others who seem to possess so much, and your own experience seems so small to you. But remember how Moses touched one vessel after another with a drop of oil, and how that one drop was enough to consecrate it forever to the service of the Lord. The consecration did not need to be repeated; it abode.
So it is with the anointing of the Holy Spirit. If there was ever one drop of God’s love that softened and healed your heart, one drop that taught you the truth as it is in Jesus, then that was no passing emotion. “The anointing which ye have received of Him abideth in you.” If you notice little of it now, the oil has not therefore drained away. He Who once anointed you has also sanctified you and made you meet for an eternal inheritance.
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
Pero la unción que vosotros habéis recibido de Él, mora en vosotros, y no tenéis necesidad que ninguno os enseñe; mas como la unción misma os enseña de todas cosas, y es verdadera, y no es mentira, así como os ha enseñado, perseveraréis en Él.
1 Juan 2:27
¿Ha caído alguna vez sobre su corazón una sola gota de este santo aceite de la unción? Una gota, aunque no sea más que una gota, le santificará para siempre al servicio de Dios. No se usaba mucho del santo aceite de la unción para el servicio del tabernáculo, si consideramos el tamaño y la cantidad de lo que había de ser consagrado, pues Moisés tenía que ungir con él todo el tabernáculo del testimonio, así como todos los vasos con todos sus diversos accesorios. Cuando llevaba a cabo la obra sagrada, tocaba un vaso tras otro con una gota de aceite; porque una gota santificaba el vaso para el servicio del tabernáculo. No se necesitaba repetir la consagración; permanecía.
Así, si alguna vez ha tenido usted una gota del amor de Dios derramada en su corazón, una gota de la unción para enseñarle la verdad tal como es en Jesús, una gota para penetrar, ablandar, sanar, alimentar y dar luz, vida y poder a su alma, tiene usted la unción del Santo; conoce todas las cosas que son para su salvación, y por ese mismo aceite santo ha sido santificado y hecho apto para una herencia eterna.
Al lector…
Usted que oye hablar de esa santa unción, ¿ha sentido alguna vez una sola gota de ella sobre su corazón? Quizá apenas se atreve a decirlo. Se compara con otros que parecen poseer tanto, y su propia experiencia le parece tan pequeña. Pero recuerde cómo Moisés tocaba un vaso tras otro con una gota de aceite, y cómo esa sola gota bastaba para consagrarlo para siempre al servicio del Señor. No hacía falta repetir la consagración; permanecía.
Así sucede con la unción del Espíritu Santo. Si hubo alguna vez una gota del amor de Dios que ablandó y sanó su corazón, una gota que le enseñó la verdad tal como es en Jesús, eso no fue una emoción pasajera. “La unción que vosotros habéis recibido de Él, mora en vosotros.” Si ahora nota poco de ella, no por eso se ha escurrido el aceite. Aquel que una vez le ungió también le ha santificado y le ha hecho apto para una herencia eterna.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl
365 Dagen Met Philpot
De loopbaan lopen
Daarom dan ook, alzo wij zo groot een wolk der getuigen rondom ons hebben liggende, laat ons afleggen alle last, en de zonde, die ons lichtelijk omringt, en laat ons met lijdzaamheid lopen de loopbaan, die ons voorgesteld is.
Hebreeën 12:1
Wat kan het verschil tussen een loper die faalt en een loper die wint anders zijn dan dat de ene in zijn eigen kracht loopt en de andere in de kracht van de Heere; dat de ene loopt door werken en de andere door het geloof; dat de ene door de vrije wil loopt en de andere door de vrije genade? Maar na een tijdje merkt hij dat hij heel makkelijk door een bepaalde zonde wordt omringd; en ook al kan hij verscheidene lasten afleggen, deze zonde kan hij niet zo makkelijk afleggen. Maar wat is die omringende zonde die de apostel ons hier vraagt af te leggen? Het is niet, zoals velen de woorden uitleggen, de zonde waaraan deze of gene vooral verslaafd is, zoals hoogmoed, begeerte of vleselijkheid. Het is absoluut waar dat we allemaal door bijzondere zonden worden omringd, maar over die spreekt de apostel hier niet.
De zonde die al degenen die lopen moeten afleggen, omringt alle lopers evenzeer, wat niet het geval zou zijn met ieders persoonlijke verleiding. Maar dé zonde die ons allen zo makkelijk omringt, is de zonde van ongeloof. Het is van oorsprong een veelzeggend woord, want het betekent een gewaad dat losjes om de voeten hangt en waarover de loper, als hij voorwaarts gaat, struikelt. We kunnen ons een loper die zo gekleed gaat voorstellen, en we zouden al gauw zien dat hij, als hij dit loshangende gewaad ontdekt dat hem voortdurend in zijn bewegingen hindert, waardoor hij niet goed verder kan lopen, het opzij zou werpen, opdat hij de kans krijgt ongehinderd door te gaan.
Maar hoe waar en levendig geeft dit beeld de aard van het ongeloof weer! Welke geestelijke loper ontdekt niet, terwijl hij de loopbaan loopt, dat ongeloof deze omringende zonde is die meer dan enige andere zijn vooruitgang bemoeilijkt en zich rond elk ledemaat wikkelt? Het is een zonde die zich het sterkst hecht en het langdurigst elke geestelijke beweging belemmert. Als u de Heere zoekt met oprechtheid in de ziel, wat komt dan het ongeloof razendsnel als een kille windvlaag binnen, en beschadigt dan bijna onmiddellijk de tere knoppen van het geestelijke verlangen en het zich openende leven van de ziel! Wat werden de kinderen Israëls erdoor gehinderd bij het lopen van hun loopbaan naar het beloofde land, zodat „zij niet konden ingaan vanwege hun ongeloof” (Hebr. 3:19).
Lezen: Hebreeën 3:7-19
Aan de lezer…
Het kan zijn dat u, als u zich afvraagt wat u het meest hindert op de weg, denkt aan een bepaalde zonde waartoe u zo geneigd bent. Maar ik wijs u op iets dat alle lopers evenzeer omringt: het ongeloof. Het hangt als een los gewaad om de voeten en doet ons struikelen. Zodra u de Heere met oprechtheid zoekt, komt het als een kille windvlaag binnen en beschadigt het de tere knoppen van uw verlangen.
Wees niet verbaasd dat u die strijd kent; het is de strijd van allen die lopen. Israël kon niet ingaan vanwege het ongeloof, en die waarschuwing is ernstig. Maar zij is gegeven om u te doen vluchten tot Hem in Wiens kracht de winnende loper loopt. Niet door werken en vrije wil, maar door geloof en vrije genade. Vraag Hem dan dagelijks dat Hij dit gewaad van uw voeten wegneemt, opdat u Hem zou vertrouwen waar uw hart twijfelt.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Daarom dan ook, alzo wij zo groot een wolk der getuigen rondom ons hebben liggende, laat ons afleggen alle last, en de zonde, die ons lichtelijk omringt, en laat ons met lijdzaamheid lopen de loopbaan, die ons voorgesteld is.
Hebreeën 12:1
Wat kan het verschil tussen een loper die faalt en een loper die wint anders zijn, dan dat de een in zijn eigen kracht loopt en de ander in de kracht van de Heere; dat de een loopt door werken en de ander door het geloof; dat de een loopt door de vrije wil en de ander door de vrije genade? Maar na een tijd merkt hij dat hij heel gemakkelijk door een bepaalde zonde wordt omringd. Al kan hij verschillende lasten afleggen, deze zonde kan hij niet zo gemakkelijk afleggen. Maar wat is die omringende zonde die de apostel ons hier vraagt af te leggen? Het is niet, zoals velen de woorden uitleggen, de zonde waaraan de een of de ander in het bijzonder verslaafd is, zoals hoogmoed, begeerte of vleselijkheid. Het is zeker waar dat we allemaal door bijzondere zonden worden omringd, maar daarover spreekt de apostel hier niet.
De zonde die allen die lopen moeten afleggen, omringt alle lopers evenzeer; dat zou niet zo zijn met ieders persoonlijke verzoeking. De zonde die ons allen zo gemakkelijk omringt, is de zonde van het ongeloof. Het woord is van oorsprong veelzeggend, want het betekent een gewaad dat los om de voeten hangt en waarover de loper struikelt als hij vooruit wil. We kunnen ons een loper voorstellen die zo gekleed is. We zouden al gauw zien dat hij, zodra hij merkt dat dit loshangende gewaad hem voortdurend in zijn bewegingen hindert en hem belet goed verder te lopen, het opzij zou werpen, om ongehinderd verder te kunnen.
Hoe waar en levendig geeft dit beeld de aard van het ongeloof weer! Welke geestelijke loper ontdekt niet, terwijl hij de loopbaan loopt, dat het ongeloof die omringende zonde is die meer dan enige andere zijn voortgang bemoeilijkt en zich om al zijn leden wikkelt? Het is een zonde die zich het vastst hecht en het langst elke geestelijke beweging belemmert. Als u de Heere met oprechtheid van ziel zoekt, hoe snel komt dan het ongeloof als een kille windvlaag binnen, en hoe snel beschadigt het dan de tere knoppen van het geestelijke verlangen en van het ontluikende leven van de ziel! Hoezeer werden de kinderen van Israël erdoor gehinderd bij het lopen van hun loopbaan naar het beloofde land, zodat „zij niet konden ingaan vanwege hun ongeloof” (Hebr. 3:19).
Lezen: Hebreeën 3:7-19
Aan de lezer…
Het kan zijn dat u, als u zich afvraagt wat u het meest hindert op de weg, denkt aan een bepaalde zonde waartoe u zo geneigd bent. Maar ik wijs u op iets dat alle lopers evenzeer omringt: het ongeloof. Het hangt als een los gewaad om de voeten en doet ons struikelen. Zodra u de Heere met oprechtheid zoekt, komt het als een kille windvlaag binnen en beschadigt het de tere knoppen van uw verlangen.
Wees niet verbaasd dat u die strijd kent; het is de strijd van allen die lopen. Israël kon niet ingaan vanwege het ongeloof, en die waarschuwing is ernstig. Maar zij is gegeven om u te laten vluchten naar Hem in Wiens kracht de winnende loper loopt: niet door werken en vrije wil, maar door geloof en vrije genade. Vraag Hem dan dagelijks dat Hij dit gewaad van uw voeten wegneemt, zodat u Hem vertrouwt waar uw hart twijfelt.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Wherefore seeing we also are compassed about with so great a cloud of witnesses, let us lay aside every weight, and the sin which doth so easily beset us, and let us run with patience the race that is set before us.
Hebrews 12:1
What can the difference between a runner who fails and a runner who wins be, but that the one runs in his own strength and the other in the strength of the Lord; that the one runs by works and the other by faith; that the one runs by free will and the other by free grace? But after a time he finds that he is very easily beset by a certain sin. Though he can lay aside various weights, this sin he cannot so easily lay aside. But what is this besetting sin which the apostle here bids us lay aside? It is not, as many explain the words, the sin to which this or that person is particularly addicted, such as pride, covetousness or carnality. It is certainly true that we are all beset by particular sins, but of these the apostle is not speaking here.
The sin which all who run must lay aside besets all runners alike; that would not be so with each man’s personal temptation. The sin which so easily besets us all is the sin of unbelief. The word in the original is very expressive, for it signifies a garment hanging loosely about the feet, over which the runner stumbles as he tries to move forward. We may picture to ourselves a runner so clothed. We should soon see that, as soon as he found that this loose garment was continually hampering his movements and keeping him from running well, he would throw it aside, that he might go on unhindered.
How truly and vividly does this figure set forth the nature of unbelief! What spiritual runner does not find, as he runs the race, that unbelief is that besetting sin which more than any other hinders his progress and wraps itself about all his limbs? It is a sin which clings the closest and hampers every spiritual movement the longest. When you seek the Lord with sincerity of soul, how soon does unbelief come in like a chilling blast, and how soon does it nip the tender buds of spiritual desire and of the opening life of the soul! How greatly were the children of Israel hindered by it in running their race to the promised land, so that “they could not enter in because of unbelief” (Hebrews 3:19).
Reading: Hebrews 3:7-19
To the reader…
It may be that when you ask yourself what hinders you most on the way, you think of some particular sin to which you are so inclined. But I would point you to something that besets all runners alike: unbelief. It hangs like a loose garment about the feet and makes us stumble. As soon as you seek the Lord in sincerity, it comes in like a chilling blast and nips the tender buds of your longing.
Do not be surprised that you know this struggle; it is the struggle of all who run. Israel could not enter in because of unbelief, and that warning is solemn. But it is given to make you flee to Him in Whose strength the winning runner runs: not by works and free will, but by faith and free grace. Ask Him, then, day by day to take this garment from your feet, so that you may trust Him where your heart doubts.
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
Por tanto nosotros también, teniendo en derredor nuestro una tan grande nube de testigos, dejando todo el peso del pecado que nos rodea, corramos con paciencia la carrera que nos es propuesta.
Hebreos 12:1
¿Cuál puede ser la diferencia entre un corredor que fracasa y un corredor que vence, sino que el uno corre en su propia fuerza y el otro en la fuerza del Señor; que el uno corre por obras y el otro por fe; que el uno corre por libre albedrío y el otro por gracia soberana? Pero después de un tiempo halla que es muy fácilmente asediado por cierto pecado. Aunque puede dejar diversos pesos, este pecado no lo puede dejar tan fácilmente. Pero ¿cuál es este pecado que nos asedia, que el apóstol aquí nos manda dejar? No es, como muchos explican las palabras, el pecado al que esta o aquella persona es particularmente dada, como el orgullo, la avaricia o la carnalidad. Es ciertamente verdad que todos somos asediados por pecados particulares, pero de estos no habla aquí el apóstol.
El pecado que todos los que corren deben dejar asedia por igual a todos los corredores; eso no sería así con la tentación personal de cada uno. El pecado que tan fácilmente nos asedia a todos es el pecado de la incredulidad. La palabra en el original es muy expresiva, porque significa una vestidura que cuelga suelta alrededor de los pies, sobre la cual tropieza el corredor al intentar avanzar. Podemos imaginarnos a un corredor así vestido. Pronto veríamos que, tan pronto como hallara que esta vestidura suelta estorbaba continuamente sus movimientos y le impedía correr bien, la echaría a un lado, para poder seguir sin estorbo.
¡Cuán verdadera y vivamente expone esta figura la naturaleza de la incredulidad! ¿Qué corredor espiritual no halla, mientras corre la carrera, que la incredulidad es aquel pecado que le asedia, que más que ningún otro estorba su avance y se enrolla alrededor de todos sus miembros? Es un pecado que se adhiere más estrechamente y estorba por más tiempo todo movimiento espiritual. Cuando usted busca al Señor con sinceridad de alma, ¡cuán pronto entra la incredulidad como una ráfaga helada, y cuán pronto quema los tiernos brotes del deseo espiritual y de la vida naciente del alma! ¡Cuánto fueron estorbados por ella los hijos de Israel al correr su carrera hacia la tierra prometida, de modo que “no pudieron entrar a causa de incredulidad” (Hebreos 3:19)!
Lectura: Hebreos 3:7-19
Al lector…
Puede ser que, cuando se pregunta qué le estorba más en el camino, piense en algún pecado particular al que está tan inclinado. Pero quisiera señalarle algo que asedia por igual a todos los corredores: la incredulidad. Cuelga como una vestidura suelta alrededor de los pies y nos hace tropezar. Tan pronto como busca al Señor con sinceridad, entra como una ráfaga helada y quema los tiernos brotes de su anhelo.
No se extrañe de conocer esta lucha; es la lucha de todos los que corren. Israel no pudo entrar a causa de incredulidad, y esa advertencia es solemne. Pero se da para que huya a Aquel en cuya fuerza corre el corredor que vence: no por obras y libre albedrío, sino por fe y gracia soberana. Pídale, pues, día tras día que quite esta vestidura de sus pies, para que pueda confiar en Él donde su corazón duda.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl
Door Baca's Vallei
Zij zullen naar Sion vragen; op de weg herwaarts zullen hun aangezichten zijn.
Jeremia 50:5
Sion is de zetel van alle Evangelie-zegeningen. Daarin is gelegd de dierbare hoeksteen, Jesaja 28:16, daarin ligt Israëls heil, Jes. 46:13, daar staat het Lam Gods op de berg, Openb. 14:1. Genade, verlossing, vergeving, troost, sterkte, redding en heerlijkheid komen eruit voort. In het aangezicht naar Sion te wenden ligt het zoeken van Evangelie-zegeningen ingesloten. Daarom wordt er van de verlosten gezegd, dat zij de Heere hun God zoeken. Hij wordt alleen in Sion gevonden; het is Zijn woonplaats en daar „zal Hem de gelofte betaald worden”, Psalm 65:1.
Maar zij vragen naar Sion, met hun aangezichten derwaarts gekeerd, met geen lichtzinnige en beuzelachtige geest, en ook met geen stellige verzekering, dat zij er ooit zullen aankomen. Daarom moeten zij de weg vragen, stap voor stap, dikwijls twijfelend en vrezend of zij wel op de goede weg zijn. Zo menigmaal hebben zij zichzelf bedrogen en teleurstelling bezorgd, dat zij hun eigen hart niet meer durven te vertrouwen; daarom moeten zij de Heere vragen om hun elk ogenblik de weg aan te wijzen. Zij kunnen niet blindelings iedere vermetele gids volgen, maar moeten de Heere bidden, dat Hijzelf hen onderwijze en leide en verlevendige in de weg.
En als zij daarheen gaan, dan wenen zij. Zij rouwklagen over hun diepe afwijkingen, over de vele boosheden, die zij bedreven hebben; over de lichtzinnigheid van geest, waaraan zij zich hebben overgegeven; over de wereldsgezindheid van hun hart, de hoogmoed en de onbeschaamdheid, huichelarij, vleselijkheid, zorgeloosheid en boosheid van hun hart. Zij gaan en wenen met een verbroken en verslagen geest, geen vertrouwen stellende in hun tranen als bewijzen van genade, doch zoekende de Heere, hun God; zoekende de verborgen openbaringen van Zijn genade, de bezoeken van Zijn gunstrijke tegenwoordigheid; het verheffen van het licht Zijns aangezichts. Zij zoeken naar een openbaring van Jezus’ liefde, om Hem te mogen kennen door een geestelijke ontdekking van Zichzelf.
Op dit alles lettende, zoeken zij niet hun eigen gerechtigheid op te richten, zoeken zij niet de toejuiching van de wereld, zoeken zij niet de goedkeuring van de belijders, noch de toelachingen dergenen, die God vrezen, noch ook zoeken zij zichzelf christenen te maken door eigen inspanning. Maar zij zoeken de Heere, hun God; zoeken Zijn aangezicht dag en nacht; zoeken Zijn gunst, barmhartigheid, genade, liefde en heerlijkheid; zoeken de aangename bezoeken van Zijn tegenwoordigheid en kracht; zoeken de worstelingen met Hem, tot zij bevinden, dat Hij hun Verbondsgod is, Die al hun afkeringen geneest.
Aan de lezer…
Soms vraagt u naar de weg, stap voor stap, en durft u uw eigen hart niet meer te vertrouwen. Hebt u uzelf zo menigmaal bedrogen, dat u twijfelt of u wel op de goede weg bent? Dan bent u misschien niet zo ver van Sion als u vreest. Het zijn juist de verlosten die hun aangezichten derwaarts wenden, niet met een lichtzinnige geest of een zelfverzekerd hart, maar vragend en wenend.
U weent over uw afwijkingen, uw wereldsgezindheid, uw zorgeloze en hoogmoedige hart. Stel echter ook in die tranen uw vertrouwen niet. Zoek de Heere uw God Zelf: Zijn aangezicht, Zijn gunst, het licht van Zijn tegenwoordigheid. In Sion ligt de dierbare hoeksteen; daar is genade, vergeving, troost en sterkte. Blijf dan vragen en zoeken, dag en nacht, totdat u bevindt dat Hij uw Verbondsgod is, Die al uw afkeringen geneest.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Zij zullen naar Sion vragen; op de weg herwaarts zullen hun aangezichten zijn.
Jeremia 50:5
Sion is de zetel van alle zegeningen van het Evangelie. Daarin is de dierbare hoeksteen gelegd, Jesaja 28:16; daarin ligt Israëls heil, Jes. 46:13; daar staat het Lam Gods op de berg, Openb. 14:1. Genade, verlossing, vergeving, troost, sterkte, redding en heerlijkheid komen eruit voort. Wie zijn aangezicht naar Sion wendt, zoekt daarmee de zegeningen van het Evangelie. Daarom wordt van de verlosten gezegd dat zij de Heere hun God zoeken. Hij wordt alleen in Sion gevonden; het is Zijn woonplaats en daar „zal Hem de gelofte betaald worden”, Psalm 65:1.
Maar zij vragen naar Sion, met hun aangezichten daarheen gekeerd, niet met een lichtzinnige en beuzelachtige geest, en ook niet met een stellige zekerheid dat zij er ooit zullen aankomen. Daarom moeten zij de weg vragen, stap voor stap, vaak twijfelend en vrezend of zij wel op de goede weg zijn. Zo vaak hebben zij zichzelf bedrogen en zich teleurstelling bezorgd, dat zij hun eigen hart niet meer durven te vertrouwen. Daarom moeten zij de Heere vragen hun elk ogenblik de weg te wijzen. Zij kunnen niet blindelings iedere vermetele gids volgen, maar moeten de Heere bidden dat Hijzelf hen onderwijst, leidt en verlevendigt op de weg.
En terwijl zij daarheen gaan, wenen zij. Zij rouwklagen over hun diepe afwijkingen, over de vele boosheden die zij bedreven hebben, over de lichtzinnigheid van geest waaraan zij zich hebben overgegeven, over de wereldsgezindheid van hun hart, en over de hoogmoed en onbeschaamdheid, de huichelarij, vleselijkheid, zorgeloosheid en boosheid van hun hart. Zij gaan en wenen met een verbroken en verslagen geest. Zij stellen geen vertrouwen in hun tranen als bewijzen van genade, maar zoeken de Heere, hun God. Zij zoeken de verborgen openbaringen van Zijn genade, de bezoeken van Zijn gunstrijke tegenwoordigheid, het verheffen van het licht van Zijn aangezicht. Zij zoeken een openbaring van Jezus’ liefde, om Hem te mogen kennen door een geestelijke ontdekking van Zichzelf.
Met dit alles voor ogen zoeken zij niet hun eigen gerechtigheid op te richten. Zij zoeken niet de toejuiching van de wereld, niet de goedkeuring van de belijders, ook niet de toelachingen van hen die God vrezen, en evenmin zoeken zij zichzelf christenen te maken door eigen inspanning. Maar zij zoeken de Heere, hun God. Zij zoeken Zijn aangezicht dag en nacht; zij zoeken Zijn gunst, barmhartigheid, genade, liefde en heerlijkheid; zij zoeken de aangename bezoeken van Zijn tegenwoordigheid en kracht. Zij zoeken het worstelen met Hem, totdat zij ervaren dat Hij hun Verbondsgod is, Die al hun afkeringen geneest.
Aan de lezer…
Soms vraagt u naar de weg, stap voor stap, en durft u uw eigen hart niet meer te vertrouwen. Hebt u uzelf zo vaak bedrogen dat u twijfelt of u wel op de goede weg bent? Dan bent u misschien niet zo ver van Sion als u vreest. Het zijn juist de verlosten die hun aangezicht daarheen wenden, niet met een lichtzinnige geest of een zelfverzekerd hart, maar vragend en wenend.
U weent over uw afwijkingen, uw wereldsgezindheid, uw zorgeloze en hoogmoedige hart. Stel echter ook in die tranen uw vertrouwen niet. Zoek de Heere uw God Zelf: Zijn aangezicht, Zijn gunst, het licht van Zijn tegenwoordigheid. In Sion ligt de dierbare hoeksteen; daar is genade, vergeving, troost en sterkte. Blijf dan vragen en zoeken, dag en nacht, totdat u ervaart dat Hij uw Verbondsgod is, Die al uw afkeringen geneest.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
They shall ask the way to Zion with their faces thitherward, saying, Come, and let us join ourselves to the LORD in a perpetual covenant that shall not be forgotten.
Jeremiah 50:5
Zion is the seat of all gospel blessings. In it is laid “the precious corner-stone” (Isaiah 28:16); in it is “placed salvation for Israel” (Isaiah 46:13); the Lamb of God stands upon it (Rev. 14:1); mercy, redemption, pardon, comfort, strength, deliverance, and glory come out of it. In turning the face then Zionwards, is implied the seeking of gospel blessings. The redeemed are therefore said “to seek the Lord their God,” Who is only to be found in Zion, His dwelling-place, and where praise waits for Him (Psalm 65:1).
But they ask the way to Zion with their faces there in no light and trifling spirit, and in no presumption that they shall ever arrive there. They have to ask the way step by step, often doubting and fearing whether they be in the way. Having been so often deceived and deluded, they dare no more trust their own hearts; but have to beg of the Lord to show them every inch of the road. They can no longer blindly follow every presumptuous guide, but have to cry to the Lord Himself to teach and lead and quicken them in the way.
And as they go, they weep. They mourn over their base backslidings, over the many evils they have committed, over the levity of mind which they have indulged, over the worldliness of spirit, the pride, presumption, hypocrisy, carnality, carelessness, and obstinacy of their heart. They go and weep with a broken heart and softened spirit; not resting in their tears as evidences, but seeking the Lord their God; seeking the secret manifestations of His mercy, the visitations of His favor, the “lifting up of the light of His countenance;” seeking after a revelation of the love of Jesus; to know Him by a spiritual discovery of Himself.
Being thus minded, they seek not to establish their own righteousness; they seek not the applause of the world; they seek not the good opinion of professors; they seek not the smiles of saints; they seek not to make themselves Christians by their own exertions. But “they seek the Lord their God,” seek His face day and night, seek His favor, seek His mercy, seek His grace, seek His love, seek His glory, seek the sweet visitations of His presence and power, seek Him wrestling with Him until they find Him to be their covenant God, Who heals all their backslidings.
To the reader…
Sometimes you ask the way, step by step, and you no longer dare to trust your own heart. Have you deceived yourself so often that you doubt whether you are on the right road at all? Then perhaps you are not as far from Zion as you fear. It is precisely the redeemed who turn their faces that way, not with a light spirit or a self-assured heart, but asking and weeping.
You weep over your backslidings, your worldliness, your careless and proud heart. Yet do not put your trust in those tears either. Seek the Lord your God Himself: His face, His favour, the light of His presence. In Zion lies the precious corner-stone; there is grace, pardon, comfort and strength. Keep asking and seeking, then, day and night, until you find that He is your covenant God, Who heals all your backslidings.
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
Preguntarán por el camino de Sión, hacia donde volverán sus rostros, diciendo: Venid, y juntaos a Jehová con pacto eterno, que jamás se ponga en olvido.
Jeremías 50:5
Sión es la sede de todas las bendiciones del evangelio. En ella está puesta “la piedra de esquina, de precio” (Isaías 28:16); en ella “pondré salud en Sión” para Israel (Isaías 46:13); el Cordero de Dios está sobre ella (Ap. 14:1); de ella salen la misericordia, la redención, el perdón, el consuelo, la fortaleza, la liberación y la gloria. Volver, pues, el rostro hacia Sión implica buscar las bendiciones del evangelio. Por eso se dice de los redimidos que “buscarán a Jehová su Dios”, el Cual solo ha de hallarse en Sión, Su morada, donde la alabanza le espera (Salmo 65:1).
Pero preguntan por el camino de Sión, con el rostro vuelto hacia allá, no con un espíritu ligero y frívolo, ni con la presunción de que llegarán allí con seguridad. Tienen que preguntar por el camino paso a paso, dudando y temiendo a menudo si están en él. Habiendo sido engañados y extraviados tantas veces, ya no se atreven a fiarse de su propio corazón, sino que tienen que rogar al Señor que les muestre cada palmo del camino. Ya no pueden seguir ciegamente a cualquier guía presuntuoso, sino que tienen que clamar al Señor mismo para que les enseñe, los guíe y los vivifique en el camino.
Y mientras van, lloran. Se lamentan por sus viles rebeliones, por los muchos males que han cometido, por la ligereza de mente a la que se han entregado, por la mundanalidad de espíritu, el orgullo, la presunción, la hipocresía, la carnalidad, el descuido y la obstinación de su corazón. Van y lloran con el corazón quebrantado y el espíritu ablandado; no descansando en sus lágrimas como evidencias, sino buscando al Señor su Dios; buscando las manifestaciones secretas de Su misericordia, las visitaciones de Su favor, el “alzar la luz de Su rostro”; buscando una revelación del amor de Jesús; anhelando conocerle por un descubrimiento espiritual de Sí mismo.
Siendo de este ánimo, no procuran establecer su propia justicia; no buscan el aplauso del mundo; no buscan la buena opinión de los que profesan religión; no buscan las sonrisas de los santos; no procuran hacerse cristianos por sus propios esfuerzos. Sino que “buscan a Jehová su Dios”, buscan Su rostro de día y de noche, buscan Su favor, buscan Su misericordia, buscan Su gracia, buscan Su amor, buscan Su gloria, buscan las dulces visitaciones de Su presencia y poder; le buscan luchando con Él hasta hallar que es su Dios del pacto, el Cual sana todas sus rebeliones.
Al lector…
A veces usted pregunta por el camino, paso a paso, y ya no se atreve a fiarse de su propio corazón. ¿Se ha engañado tantas veces que duda si está siquiera en el buen camino? Entonces quizá no esté tan lejos de Sión como teme. Son precisamente los redimidos quienes vuelven su rostro hacia allá, no con un espíritu ligero ni con un corazón seguro de sí, sino preguntando y llorando.
Usted llora por sus rebeliones, su mundanalidad, su corazón descuidado y orgulloso. Pero tampoco ponga su confianza en esas lágrimas. Busque al Señor su Dios mismo: Su rostro, Su favor, la luz de Su presencia. En Sión está la piedra de esquina, de precio; allí hay gracia, perdón, consuelo y fortaleza. Siga, pues, preguntando y buscando de día y de noche, hasta que halle que Él es su Dios del pacto, el Cual sana todas sus rebeliones.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl