gisteren verschenen
Het gesprek van een gelovige met zijn ziel
Een uitleg van Psalm 42:12 als gesprek tussen David en zijn ziel: waarom de ziel terneergeslagen en onrustig is, waarom ze op God moet hopen en hoe die hoop uitloopt…
8 dagen geleden verschenen
Het woord van Gods genade
Een uitleg van Handelingen 20:32: Paulus beveelt de oudsten van Efeze aan God en aan het woord van Zijn genade. Alleen dat woord, door de Geest toegepast, bouwt de ziel…
13 dagen geleden verschenen
Schatten in de duisternis
Uitleg van Jesaja 45:2,3 voor Gods kinderen: de Heere gaat voor hen uit, maakt kromme wegen recht, verbreekt koperen deuren en ijzeren grendels, geeft verborgen schatten en leert hen zo…
3 weken geleden verschenen
Verkrijgen en verliezen
Naar Prediker 3:6: een levende ziel verkrijgt geestelijke dingen, van kennis van God en van zichzelf tot geloof en vergeving, maar verliest ook haar eigen gerechtigheid en kracht. De preek…
Het schudden van wat gemaakt is en de vastheid van wat gegeven is
Over Hebreeën 12:27,28: wat gemaakt is, wordt geschud en weggenomen, wat God geeft blijft. Het Koninkrijk dat niet bewogen kan worden wordt door geloof ontvangen, door genade vastgehouden en draagt…
Korenaren Uit De Volle Oogst
Want Gij hebt ons beproefd, o God! Gij hebt ons gelouterd gelijk men het zilver loutert.
Psalm 66:10
De wegen des Heeren met de Zijnen in de woestijn hebben doorgaans ten doel: hen te beproeven en te weten wat in hun hart is. Heeft de Heere het leven in uw ziel ingeplant? Heeft Hij uw geweten met Zijn vinger aangeraakt? Heeft Hij een werk van genade in uw hart begonnen? Zo ja, dan zullen er van tijd tot tijd op een reis door de woestijn zaken voorkomen die de wezenlijkheid van dit werk aan uw ziel moeten bewijzen.
Gij zult verzoekingen hebben. Nu, wanneer verzoekingen komen, zal het moeten blijken of gij de vreze Gods in uw ziel hebt om de verzoeking te weerstaan, of dat gij onder de verzoeking zult bezwijken; of, zo gij onder de verzoeking valt, of gij ooit weder opgebeurd zult worden. En zo gij een levende zijt, zal de Heere steeds omstandigheid op omstandigheid, voorval op voorval, het een na het ander brengen; en al die dingen, als zij u overkomen, zullen moeten bewijzen of de vreze Gods al dan niet in uw ziel woont.
Indien nu de vreze Gods niet in het hart van een mens woont, moet hij afnemen; moet hij bezwijken. Satan is iedereen te sterk, behalve de kinderen Gods; de zonde zal een iegelijk overwinnen en verderven, behalve hen wier zonden zijn vergeven door het zoenbloed en de stervende Liefde; en de zonde zal vroeger of later een ieder overwinnen die het geloof niet heeft van Gods uitverkorenen, door hetwelk alleen de wereld overwonnen wordt. De Heere dus toont in Zijn raadselachtige wegen (en hoe raadselachtig zijn Zijn wegen niet!) de echtheid aan van het werk der genade in elk hart waarin dat werk begonnen is, en de huichelarij van allen die slechts de naam hebben dat zij leven, terwijl hun ziel dood is voor God.
Doe mij niet mee vergaan
met hen, die U weerstaan,
wier hart steeds schand’lijk misdrijf kweekt;
die trouw en plicht verachten,
en ’t recht om goud verkrachten,
als ’d onschuld om bescherming smeekt.
Ps. 26:10
Aan de lezer…
Herkent u dit? U verwondert zich over de beproevingen die op uw weg komen, omstandigheid op omstandigheid, het een na het ander. Vraagt u zich af waarom de Heere u zo door de woestijn leidt? Hij beproeft de Zijnen zoals men het zilver loutert, om te doen blijken wat in hun hart is. Heeft Hij Zijn vinger aan uw geweten gelegd en een werk van genade in u begonnen, dan zal Hij dat werk ook bewijzen, juist in de verzoeking.
Vreest u dat u bezwijken zult, omdat satan u te sterk is? Hij is ieder te sterk, behalve de kinderen Gods, wier zonden vergeven zijn door het zoenbloed en de stervende Liefde. En bent u onder de verzoeking gevallen, zie dan uit naar Hem, Die de Zijnen weder opbeurt. Hoe raadselachtig Zijn wegen ook zijn, Hij toont daarin de echtheid van Zijn werk aan. Laat de louteringsoven u dan niet doen wanhopen; het zilver wordt er niet door verteerd, maar gereinigd.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Want Gij hebt ons beproefd, o God! Gij hebt ons gelouterd gelijk men het zilver loutert.
Psalm 66:10
De wegen van de Heere met de Zijnen in de woestijn hebben meestal ten doel hen te beproeven en te weten wat er in hun hart is. Heeft de Heere het leven in uw ziel geplant? Heeft Hij uw geweten met Zijn vinger aangeraakt? Heeft Hij een werk van genade in uw hart begonnen? Zo ja, dan zullen er op de reis door de woestijn van tijd tot tijd dingen voorkomen die moeten bewijzen dat dit werk in uw ziel echt is.
U zult verzoekingen hebben. Wanneer die verzoekingen komen, zal moeten blijken of u de vreze Gods in uw ziel hebt om de verzoeking te weerstaan, of dat u onder de verzoeking zult bezwijken; en, als u onder de verzoeking valt, of u ooit weer opgericht zult worden. En als u een levende bent, zal de Heere steeds omstandigheid op omstandigheid, voorval op voorval, het een na het ander brengen. Al die dingen zullen, wanneer zij u overkomen, moeten bewijzen of de vreze Gods al dan niet in uw ziel woont.
Als de vreze Gods niet in het hart van een mens woont, moet hij afnemen en moet hij bezwijken. Satan is iedereen te sterk, behalve de kinderen van God. De zonde zal iedereen overwinnen en verderven, behalve hen van wie de zonden vergeven zijn door het verzoenend bloed en de stervende Liefde. En de zonde zal vroeg of laat iedereen overwinnen die niet het geloof van Gods uitverkorenen heeft, waardoor alleen de wereld overwonnen wordt. Zo toont de Heere dus in Zijn raadselachtige wegen (en hoe raadselachtig zijn Zijn wegen niet!) de echtheid aan van het werk van de genade in elk hart waarin dat werk begonnen is, en de huichelarij van allen die alleen de naam hebben dat zij leven, terwijl hun ziel dood is voor God.
Doe mij niet mee vergaan
met hen, die U weerstaan,
wier hart steeds schand’lijk misdrijf kweekt;
die trouw en plicht verachten,
en ’t recht om goud verkrachten,
als ’d onschuld om bescherming smeekt.
Ps. 26:10
Aan de lezer…
Herkent u dit? U verwondert zich over de beproevingen die op uw weg komen, omstandigheid op omstandigheid, het een na het ander. Vraagt u zich af waarom de Heere u zo door de woestijn leidt? Hij beproeft de Zijnen zoals men het zilver loutert, om te laten blijken wat in hun hart is. Heeft Hij Zijn vinger aan uw geweten gelegd en een werk van genade in u begonnen, dan zal Hij dat werk ook bewijzen, juist in de verzoeking.
Vreest u dat u zult bezwijken, omdat satan u te sterk is? Hij is iedereen te sterk, behalve de kinderen van God, van wie de zonden vergeven zijn door het verzoenend bloed en de stervende Liefde. En bent u onder de verzoeking gevallen, zie dan uit naar Hem Die de Zijnen weer opricht. Hoe raadselachtig Zijn wegen ook zijn, Hij toont daarin de echtheid van Zijn werk aan. Laat de louteringsoven u dan niet doen wanhopen; het zilver wordt er niet door verteerd, maar gereinigd.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
For Thou, O God, hast proved us: Thou hast tried us, as silver is tried.
Psalm 66:10
The Lord’s dealings with His people in the wilderness are very much to this purpose and to this end—to prove them, and to know what is in their hearts. Has the Lord implanted life in your soul? Has He touched your conscience with His finger? Has He begun a work of grace upon your heart? If so, in your travels through this wilderness there will be things from time to time to prove the reality of this work upon your soul.
You will have temptations; now, when temptation comes, it will prove whether you have the fear of God in your soul to stand against the temptation, or whether you fall under the temptation; or, if you fall under the temptation, whether you are ever recovered out of it. And if you are a living soul, the Lord will keep bringing circumstance upon circumstance, event upon event, one thing after another; and all these things, as they come upon you, shall be made to prove whether the fear of God be in your soul or not.
Now, if the fear of God be not in a man’s heart, he must decline, he must fall away. SATAN will be more than a match for every one except God’s own family; SIN will overcome and destroy every one but those whose sins are pardoned through atoning blood and dying love; and the WORLD, sooner or later, will overcome everyone who has not the faith of God’s elect whereby alone the world is overcome. Thus the Lord, in His mysterious dealings (and how mysterious His dealings are!) proves the reality of the work of grace in every heart where that work is begun, and proves the hypocrisy of all who have but a name to live while their soul is dead before God.
To the reader…
Do you recognise this? You wonder at the trials that come upon your path, circumstance upon circumstance, one thing after another. Do you ask yourself why the Lord leads you through the wilderness like this? He tries His own as silver is tried, to show what is in their hearts. If He has laid His finger on your conscience and begun a work of grace in you, He will also prove that work, and that in the very midst of temptation.
Do you fear that you will give way, because Satan is too strong for you? He is too strong for everyone, except the children of God, whose sins are pardoned through atoning blood and dying love. And if you have fallen under temptation, look to Him Who raises up His own again. However mysterious His ways may be, in them He proves the reality of His work. So do not let the refining furnace make you despair; the silver is not consumed in it, but purified.
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
Porque Tú nos probaste, oh Dios: ensayástenos como se afina la plata.
Salmo 66:10
Los tratos del Señor con Su pueblo en el desierto tienen mucho este propósito y este fin: probarlos y saber lo que hay en su corazón. ¿Ha implantado el Señor vida en su alma? ¿Ha tocado su conciencia con Su dedo? ¿Ha comenzado una obra de gracia en su corazón? Si es así, en su peregrinación por este desierto habrá de vez en cuando cosas que prueben la realidad de esta obra en su alma.
Usted tendrá tentaciones; y cuando venga la tentación, probará si tiene usted el temor de Dios en su alma para resistir la tentación, o si cae bajo ella; o, si cae bajo la tentación, si alguna vez es levantado de ella. Y si usted es un alma viviente, el Señor seguirá trayendo circunstancia tras circunstancia, suceso tras suceso, una cosa tras otra; y todas estas cosas, conforme vengan sobre usted, servirán para probar si el temor de Dios está en su alma o no.
Ahora bien, si el temor de Dios no está en el corazón de un hombre, este tiene que decaer, tiene que apartarse. SATANÁS será más que rival para todos, excepto para la propia familia de Dios; el PECADO vencerá y destruirá a todos, menos a aquellos cuyos pecados están perdonados por la sangre expiatoria y el amor que murió; y el MUNDO, tarde o temprano, vencerá a todo el que no tenga la fe de los escogidos de Dios, por la cual solamente se vence al mundo. Así el Señor, en Sus misteriosos tratos (¡y qué misteriosos son Sus tratos!), prueba la realidad de la obra de gracia en todo corazón donde esa obra ha comenzado, y prueba la hipocresía de todos los que solo tienen nombre de que viven mientras su alma está muerta delante de Dios.
Al lector…
¿Reconoce usted esto? Se asombra de las pruebas que vienen sobre su camino, circunstancia tras circunstancia, una cosa tras otra. ¿Se pregunta por qué el Señor le lleva así por el desierto? Él prueba a los Suyos como se afina la plata, para mostrar lo que hay en su corazón. Si ha puesto Su dedo en su conciencia y ha comenzado en usted una obra de gracia, también probará esa obra, y eso precisamente en medio de la tentación.
¿Teme usted ceder, porque Satanás es demasiado fuerte para usted? Es demasiado fuerte para todos, excepto para los hijos de Dios, cuyos pecados están perdonados por la sangre expiatoria y el amor que murió. Y si ha caído bajo la tentación, mire a Aquel que vuelve a levantar a los Suyos. Por misteriosos que sean Sus caminos, en ellos prueba la realidad de Su obra. No deje, pues, que el crisol le haga desesperar; la plata no se consume en él, sino que se purifica.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl
365 Dagen Met Philpot
Neem weg alle ongerechtigheid
Neem weg alle ongerechtigheid en geef het goede, zo zullen wij betalen de varren onzer lippen.
Hosea 14:3
„Neem weg alle ongerechtigheid.” U kunt liefkozingen met uw mond maken, terwijl uw hart gierigheid nawandelt (Ezech. 33:31). U kunt ’s morgens opstaan, op uw knieën vallen, de Heere vragen u gedurende de dag te bewaren, u te behoeden voor die verzoeking die u al eerder heeft verstrengeld of voor de belegering waardoor u bent gevallen. Maar zodra u bent opgestaan of de kamer hebt verlaten, bent u zo zwak, zo machteloos, niet op uw hoede, en zo gereed om in de verzoeking te vallen als ooit, wanneer de duivel u die verzoeking voorzet. Welnu, als u in die situatie verkeert, kunt u de woorden niet vanuit een eerlijk hart zeggen: „Neem weg al onze ongerechtigheid.”
Maar als u inziet en voelt hoe vreselijk de zonde is, hoe verachtelijk en afschuwelijk, en wat een vuil, laag, verderfelijk en slecht schepsel u bent, omdat u in deze betovering verstrengeld bent geraakt, omdat u door deze verzoeking bent overwonnen, of opzij getrokken in deze strik; als u zich op de borst kunt slaan en zeggen: „Ik ellendig mens, wie zal mij verlossen uit het lichaam dezes doods?” (Rom. 7:24) of, als u zich op uw heup kunt slaan en zeggen: „Wee mij! Is er ooit zo iemand als ik geweest, zo makkelijk neergeworpen, zo makkelijk verstrengeld, zo snel opzij getrokken; zo’n zwak en slecht schepsel? Is er ooit zo iemand als ik geweest? O, ik zou mijn hart kunnen uitrukken dat mij zo verwart!” – als iemand door de verborgen werkzaamheden van God in zijn hart op dit punt is gekomen, dan kan hij zeggen: „Neem weg al mijn ongerechtigheden.”
Hij zal niet zeggen: „Laat me die of die zonde houden. Het is toch maar een kleintje? Mag ik die begeerte niet koesteren? Mag ik niet toegeven aan dat genot, als ik verder alles opgeef? Laat me toch alleen dit houden; o, ik kan er geen afstand van doen.” Ik beweer dat als iemand op dat punt staat, dit laat zien dat hij geen oprecht besef van de zonde heeft; hij is niet diepbedroefd geworden, noch is hij werkelijk eerlijk voor God geworden.
Lezen: Hosea 14
Aan de lezer…
Deze woorden passen bij wie in de morgen bidt om bewaard te blijven, en toch valt nog voordat de dag half om is. Kent u dat? Hoe beschaamd staat u dan, en hoe zwak en machteloos ziet u uzelf! Toch is juist dat bittere gevoel van wat de zonde is, vuil, laag en afschuwelijk, een werk van God in uw hart. Wie zich op de borst slaat en roept: „Ik ellendig mens, wie zal mij verlossen?”, die kan in oprechtheid bidden: „Neem weg al mijn ongerechtigheden.”
Onderzoek dan uw hart: houdt u nog een kleine zonde achter, een begeerte die u niet wilt loslaten? Wees eerlijk voor God; Hij vraagt geen half gebed. Breng Hem niet een deel, maar alles, en vraag Hem om alles weg te nemen. Neemt Hij de ongerechtigheid weg en geeft Hij het goede, dan zult ook u de varren uwer lippen betalen.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Neem weg alle ongerechtigheid en geef het goede, zo zullen wij betalen de varren onzer lippen.
Hosea 14:3
„Neem weg alle ongerechtigheid.” U kunt met uw mond liefkozingen maken, terwijl uw hart uw gierigheid nawandelt (Ezech. 33:31). U kunt ’s morgens opstaan, op uw knieën vallen en de Heere vragen u gedurende de dag te bewaren, u te behoeden voor de verzoeking die u eerder al verstrikt heeft, of voor de aanval waardoor u gevallen bent. Maar zodra u opgestaan bent of de kamer verlaten hebt, bent u even zwak, even machteloos, even onoplettend en even gereed om in de verzoeking te vallen als ooit, wanneer de duivel u die verzoeking voorhoudt. Welnu, als het zo met u gesteld is, kunt u de woorden „Neem weg al onze ongerechtigheid” niet met een eerlijk hart uitspreken.
Maar stel dat u ziet en voelt hoe vreselijk de zonde is, hoe verachtelijk en afschuwelijk, en wat een vuil, laag, verdorven en slecht schepsel u bent, omdat u in deze betovering verstrikt bent geraakt, door deze verzoeking overwonnen bent of in deze strik opzij getrokken bent. Stel dat u zich op de borst kunt slaan en zeggen: „Ik ellendig mens, wie zal mij verlossen uit het lichaam dezes doods?” (Rom. 7:24), of dat u zich op de heup kunt slaan en zeggen: „Wee mij! Is er ooit zo iemand als ik geweest, zo makkelijk neergeworpen, zo makkelijk verstrengeld, zo snel opzij getrokken; zo’n zwak en slecht schepsel? Is er ooit zo iemand als ik geweest? O, ik zou mijn hart kunnen uitrukken dat mij zo verwart!” Wie door het verborgen werk van God in zijn hart op dit punt gekomen is, die kan zeggen: „Neem weg al mijn ongerechtigheden.”
Hij zal niet zeggen: „Laat me die of die zonde houden. Het is toch maar een kleintje? Mag ik die begeerte niet koesteren? Mag ik niet toegeven aan dat genot, als ik verder alles opgeef? Laat me toch alleen dit houden; o, ik kan er geen afstand van doen.” Ik zeg u: als iemand zo spreekt, laat dat zien dat hij geen oprecht besef van de zonde heeft. Hij is niet diep bedroefd geworden en ook niet werkelijk eerlijk voor God geworden.
Lezen: Hosea 14
Aan de lezer…
Deze woorden passen bij wie ’s morgens bidt om bewaard te blijven, en toch valt nog voordat de dag half om is. Kent u dat? Hoe beschaamd staat u dan, en hoe zwak en machteloos ziet u uzelf! Toch is juist dat bittere besef van wat de zonde is, vuil, laag en afschuwelijk, een werk van God in uw hart. Wie zich op de borst slaat en roept: „Ik ellendig mens, wie zal mij verlossen?”, die kan in oprechtheid bidden: „Neem weg al mijn ongerechtigheden.”
Onderzoek dan uw hart: houdt u nog een kleine zonde achter, een begeerte die u niet wilt loslaten? Wees eerlijk voor God; Hij vraagt geen half gebed. Breng Hem niet een deel, maar alles, en vraag Hem alles weg te nemen. Neemt Hij de ongerechtigheid weg en geeft Hij het goede, dan zult ook u de varren van uw lippen betalen.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Take away all iniquity, and receive us graciously: so will we render the calves of our lips.
Hosea 14:2
“Take away all iniquity.” With your mouth you may show much love, while your heart goes after your covetousness (Ezek. 33:31). You may rise in the morning, fall upon your knees and ask the Lord to keep you through the day, to preserve you from the temptation that has entangled you before, or from the assault by which you have fallen. But no sooner have you risen up or left the room than you are as weak, as helpless, as unwatchful and as ready to fall into the temptation as ever, when the devil sets it before you. Now, if this is your case, you cannot speak the words “Take away all our iniquity” with an honest heart.
But suppose you see and feel how dreadful sin is, how vile and abominable, and what a filthy, base, depraved and wicked creature you are for having been caught in this snare, overcome by this temptation or drawn aside into this trap. Suppose you can smite upon your breast and say, “O wretched man that I am! who shall deliver me from the body of this death?” (Rom. 7:24), or smite upon your thigh and say, “Woe is me! Was there ever such a one as I, so easily cast down, so easily entangled, so quickly drawn aside; so weak and wicked a creature? Was there ever such a one as I? O, I could tear out my heart that so perplexes me!” He who has been brought to this point by the secret work of God in his heart can say, “Take away all my iniquities.”
He will not say, “Let me keep this or that sin. It is only a little one, is it not? May I not cherish that desire? May I not indulge that pleasure, if I give up everything else? Only let me keep this; O, I cannot part with it.” I tell you, if a man speaks thus, it shows that he has no sincere sense of sin. He has not been made deeply sorry, nor has he been made truly honest before God.
Reading: Hosea 14
To the reader…
These words suit the one who prays in the morning to be kept, and yet falls before the day is half over. Do you know that? How ashamed you stand then, and how weak and helpless you see yourself! Yet that very bitter sense of what sin is, filthy, base and abominable, is a work of God in your heart. He who smites upon his breast and cries, “O wretched man that I am! who shall deliver me?” can pray in sincerity, “Take away all my iniquities.”
Search your heart, then: are you still keeping back some little sin, some desire you will not let go? Be honest before God; He asks for no half prayer. Bring Him not a part, but all, and ask Him to take it all away. If He takes away iniquity and receives you graciously, then you too will render the calves of your lips.
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
Quita toda iniquidad, y recíbenos con gracia, y daremos becerros de nuestros labios.
Oseas 14:2
“Quita toda iniquidad.” Con su boca puede mostrar mucho amor, mientras su corazón anda en pos de su avaricia (Ezequiel 33:31). Puede levantarse por la mañana, caer de rodillas y pedir al Señor que le guarde durante el día, que le preserve de la tentación que antes le ha enredado, o del asalto por el cual ha caído. Pero apenas se ha levantado o ha salido de la habitación, está tan débil, tan impotente, tan desprevenido y tan dispuesto a caer en la tentación como siempre, cuando el diablo se la pone delante. Pues bien, si este es su caso, no puede pronunciar con un corazón sincero las palabras “Quita toda nuestra iniquidad”.
Pero supongamos que ve y siente cuán terrible es el pecado, cuán vil y abominable, y qué criatura tan inmunda, baja, depravada y malvada es usted por haber sido atrapado en este lazo, vencido por esta tentación o arrastrado a esta trampa. Supongamos que puede herirse el pecho y decir: “¡Miserable hombre de mí! ¿quién me librará del cuerpo de esta muerte?” (Romanos 7:24), o herirse el muslo y decir: “¡Ay de mí! ¿Hubo jamás alguien como yo, tan fácilmente abatido, tan fácilmente enredado, tan pronto desviado; una criatura tan débil y tan mala? ¿Hubo jamás alguien como yo? ¡Oh, quisiera arrancarme el corazón que tanto me turba!” Quien ha sido llevado a este punto por la obra secreta de Dios en su corazón puede decir: “Quita todas mis iniquidades.”
No dirá: “Déjame guardar este o aquel pecado. No es más que uno pequeño, ¿verdad? ¿No puedo acariciar ese deseo? ¿No puedo permitirme ese placer, si renuncio a todo lo demás? Déjame solo guardar esto; ¡oh, no puedo separarme de ello!” Le digo que si un hombre habla así, demuestra que no tiene un sentir sincero del pecado. No ha sido hecho hondamente contrito, ni ha sido hecho verdaderamente sincero delante de Dios.
Lectura: Oseas 14
Al lector…
Estas palabras convienen a quien ora por la mañana para ser guardado, y aun así cae antes de que haya pasado medio día. ¿Conoce usted eso? ¡Qué avergonzado se queda entonces, y qué débil e impotente se ve! Sin embargo, ese sentir tan amargo de lo que es el pecado, inmundo, bajo y abominable, es una obra de Dios en su corazón. Quien se hiere el pecho y clama: “¡Miserable hombre de mí! ¿quién me librará?”, puede orar con sinceridad: “Quita todas mis iniquidades.”
Escudriñe, pues, su corazón: ¿retiene todavía algún pequeño pecado, algún deseo que no quiere soltar? Sea sincero delante de Dios; Él no pide una oración a medias. No Le traiga una parte, sino todo, y pídale que lo quite todo. Si Él quita la iniquidad y le recibe con gracia, entonces también usted dará becerros de sus labios.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl
Door Baca's Vallei
Genade en vrede zij u vermenigvuldigd door de kennis Gods en van Jezus Christus, onze Heere.
2 Petrus 1:2
Indien wij Jezus voor onszelf niet kennen door enige geestelijke ontdekking van Zijn Persoon en werk, wat getuigenis hebben wij dan van of deel in Zijn genade? Omdat er geen genade is dan die door Hem vloeit; want genade en waarheid zijn door Jezus Christus geworden. Dit is het waarnaar wij altijd moeten staan. Onze dagelijkse begeerte en ons gebed moet zijn om geestelijke ontdekkingen van Christus, om Hem te aanschouwen met een oog des geloofs; om in te gaan in Zijn heerlijke Persoon en volbracht werk, om Zijn tegenwoordigheid te genieten, Zijn liefde te proeven en Hem te kennen en de kracht Zijner opstanding. Dit was het waarnaar Paulus zo ernstig uitzag (Filipp. 3:10); en om de uitnemendheid van deze kennis wilde hij liever alles verliezen en schade en drek achten, opdat hij Christus gewinnen mocht.
Hem te kennen als onze Borg en Drager van de zonde, onze Advocaat en Tussentreder, onze Vriend, Man en Broeder; te kennen ons aandeel in Hem, onze vereniging met Hem, onze plaats in Zijn hart, onze naam op Zijn borst, ons gedenkteken in de palmen Zijner handen; wat kan de zaligheid van zulk een kennis als deze overtreffen? Door deze geestelijke, bevindelijke kennis van Hem vloeit de genade. Gelijk een waterleiding, die vanuit een rivier haar bevochtigende stroom in een dorre weide doet afvloeien, zo opent de kennis van Christus een kanaal waardoor de genade, die in Hem is, afvloeit in de onvruchtbare, dorre ziel. Dus gelijk wij door genade alleen Hem kennen kunnen, zo doet elke mededeling van genade Hem niet alleen beter kennen, maar zij vloeit in door dezelfde kennis.
De genade, die door deze kennis inkomt, brengt met zich ook „vrede”. Want Hij is onze Vrede. Hij heeft de middelmuur des afscheidsels gebroken en de vijandschap in Zijn vlees tenietgedaan, zelfs de wet der geboden, in inzettingen bestaande, opdat Hij die twee in Zichzelf tot een nieuwe mens zou scheppen, vrede makende. Hij kwam derhalve, van vrede sprekende tot degenen die veraf en die nabij waren. Zijn bloed spreekt van vrede tot een schuldige consciëntie; Zijn stem spreekt van stilte tot de winden en golven die het geslingerde hart beroeren.
Zijn laatste legaat was: „Vrede laat Ik u; Mijn vrede geef Ik u.” Zijn stervensbelofte was: „In Mij zult gij vrede hebben.” En als de Vorst des vredes aan de rechterhand Gods is Hij in staat ons te vervullen met alle blijdschap en vrede in het geloof, want Zijn Koninkrijk is rechtvaardigheid en vrede en blijdschap in de Heilige Geest. En zo worden door de kennis van Hem als onze Heere genade en vrede beide vermenigvuldigd.
Aan de lezer…
Wat een troost is dit woord, als u uw ziel soms voelt als een dorre, onvruchtbare weide, waar niets wil groeien! Dan hebt u niet in de eerste plaats meer van uzelf nodig, maar meer kennis van Christus. Er is geen genade dan die door Hem vloeit. Zoals een waterleiding de stroom uit de rivier naar het droge land voert, zo opent elke geestelijke ontdekking van Zijn Persoon en werk een kanaal, waardoor Zijn genade afvloeit in een dorre ziel.
Laat dit dan uw dagelijkse begeerte en uw gebed zijn: Hem te kennen als Borg, als Advocaat, als Vriend en Broeder, en uw naam te weten op Zijn borst en in de palmen Zijner handen. Met die kennis komt ook vrede. Zijn bloed spreekt vrede tot een schuldige consciëntie, en Zijn stem kan de winden en golven van uw geslingerde hart doen zwijgen. Hij heeft gezegd: „Mijn vrede geef Ik u.” Zoek die vrede nergens anders dan bij Hem.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Genade en vrede zij u vermenigvuldigd door de kennis Gods en van Jezus Christus, onze Heere.
2 Petrus 1:2
Als wij Jezus niet voor onszelf kennen door een geestelijke ontdekking van Zijn Persoon en werk, welk getuigenis hebben wij dan dat wij deel hebben aan Zijn genade? Er is immers geen genade dan die door Hem vloeit, want genade en waarheid zijn door Jezus Christus geworden. Daarnaar moeten wij altijd staan. Onze dagelijkse begeerte en ons gebed moet zijn om geestelijke ontdekkingen van Christus: om Hem te aanschouwen met het oog van het geloof, om in te gaan in Zijn heerlijke Persoon en volbracht werk, om Zijn tegenwoordigheid te genieten, Zijn liefde te proeven en Hem te kennen en de kracht van Zijn opstanding. Daarnaar zag Paulus zo ernstig uit (Filipp. 3:10). Om de uitnemendheid van deze kennis wilde hij liever alles verliezen en het schade en drek achten, opdat hij Christus gewinnen mocht.
Hem te kennen als onze Borg en Drager van de zonde, onze Advocaat en Tussentreder, onze Vriend, Man en Broeder; ons aandeel in Hem te kennen, onze vereniging met Hem, onze plaats in Zijn hart, onze naam op Zijn borst, ons gedenkteken in de palmen van Zijn handen: wat kan de zaligheid van zo’n kennis overtreffen? Door deze geestelijke, bevindelijke kennis van Hem vloeit de genade. Zoals een waterleiding de bevochtigende stroom vanuit een rivier naar een dorre weide laat afvloeien, zo opent de kennis van Christus een kanaal waardoor de genade die in Hem is, afvloeit in de onvruchtbare, dorre ziel. Zoals wij Hem dus alleen door genade kunnen kennen, zo doet elke mededeling van genade ons Hem niet alleen beter kennen, maar vloeit zij ook binnen door diezelfde kennis.
De genade die door deze kennis binnenkomt, brengt ook „vrede” met zich mee. Want Hij is onze Vrede. Hij heeft de middelmuur des afscheidsels gebroken en de vijandschap in Zijn vlees tenietgedaan, zelfs de wet der geboden, in inzettingen bestaande, opdat Hij die twee in Zichzelf tot een nieuwe mens zou scheppen, vrede makende. Daarom kwam Hij en sprak van vrede tot hen die ver weg en die dichtbij waren. Zijn bloed spreekt van vrede tot een schuldig geweten; Zijn stem spreekt van stilte tot de winden en golven die het geslingerde hart beroeren.
Zijn laatste erfenis was: „Vrede laat Ik u; Mijn vrede geef Ik u.” Zijn belofte bij Zijn sterven was: „In Mij zult gij vrede hebben.” En als de Vorst van de vrede aan de rechterhand van God is Hij in staat ons te vervullen met alle blijdschap en vrede in het geloven, want Zijn Koninkrijk is rechtvaardigheid en vrede en blijdschap in de Heilige Geest. Zo worden door de kennis van Hem als onze Heere zowel genade als vrede vermenigvuldigd.
Aan de lezer…
Wat een troost is dit woord, als u uw ziel soms voelt als een dorre, onvruchtbare weide waar niets wil groeien! Dan hebt u niet in de eerste plaats meer van uzelf nodig, maar meer kennis van Christus. Er is geen genade dan die door Hem vloeit. Zoals een waterleiding de stroom uit de rivier naar het droge land voert, zo opent elke geestelijke ontdekking van Zijn Persoon en werk een kanaal waardoor Zijn genade afvloeit in een dorre ziel.
Laat dit dan uw dagelijkse begeerte en uw gebed zijn: Hem te kennen als Borg, als Advocaat, als Vriend en Broeder, en te weten dat uw naam op Zijn borst staat en in de palmen van Zijn handen. Met die kennis komt ook vrede. Zijn bloed spreekt vrede tot een schuldig geweten, en Zijn stem kan de winden en golven van uw geslingerde hart tot zwijgen brengen. Hij heeft gezegd: „Mijn vrede geef Ik u.” Zoek die vrede nergens anders dan bij Hem.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Grace and peace be multiplied unto you through the knowledge of God, and of Jesus our Lord.
2 Peter 1:2
If we do not know Jesus for ourselves, by some spiritual discovery of His Person and work, what testimony have we of a saving interest in His grace? Because, there is no grace except that which flows through Him, for “grace and truth came by Jesus Christ.” This is what we should ever labor after.
Our daily, hourly desire and prayer should be, to have spiritual discoveries of Christ; to see Him by the eye of faith; to enter into His glorious Person and finished work; to realize His presence, taste His love, and know Him and the power of His resurrection. This is what Paul so earnestly labored after (Phil. 3:10); and for the excellency of this knowledge he suffered the loss of all things, and counted them but dung that he might win Christ. To know Him as our Surety and Sin-bearer, our Advocate and Intercessor, our Friend, Husband, and Brother; to know our saving interest in Him, and our union with Him; our place in His heart, our name on His breast, our memorial on the palms of His hands—what can surpass the blessedness of such a knowledge as this?
Through this spiritual, experimental knowledge of Him, grace flows. As a watercourse opening upon a river brings down its irrigating stream into the parched meadow, so a knowledge of Christ opens up a channel through which the grace that is in Him flows into the barren, parched soul. Thus, as through grace alone we know Him, so every fresh communication of grace not only makes Him better known, but flows in through that very knowledge.
The grace that comes through this knowledge of Him brings also peace; for He is “our peace.” He has “broken down the middle wall of partition, having abolished in His flesh the enmity, even the law of commandments contained in ordinances; for to make in Himself of two, one new man, so making peace.” He, therefore, came and preached peace “to those who were afar off and to those who were near.”
His blood speaks peace to a guilty conscience; His voice says peace to the winds and waves of the surging heart; His last legacy was, “Peace I leave with you, My peace I give unto you;” His dying promise was, “In Me you shall have peace;” and, as the Prince of peace at God’s right hand, He is able to fill us with “all joy and peace in believing,” for His kingdom is “righteousness, and peace, and joy in the Holy Spirit.” And thus, through a knowledge of Him as our Lord, “grace and peace” are both “multiplied.”
To the reader…
What a comfort this word is, when you sometimes feel your soul to be a dry, barren meadow where nothing will grow! Then what you need first of all is not more of yourself, but more knowledge of Christ. There is no grace except that which flows through Him. As a watercourse brings the stream from the river to the dry land, so every spiritual discovery of His Person and work opens a channel through which His grace flows down into a parched soul.
Let this, then, be your daily desire and prayer: to know Him as Surety, as Advocate, as Friend and Brother, and to know that your name is on His breast and on the palms of His hands. With that knowledge comes peace as well. His blood speaks peace to a guilty conscience, and His voice can still the winds and waves of your troubled heart. He has said, “My peace I give unto you.” Seek that peace nowhere else but in Him.
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
Gracia y paz os sea multiplicada en el conocimiento de Dios, y de nuestro Señor Jesús.
2 Pedro 1:2
Si no conocemos a Jesús por nosotros mismos, mediante algún descubrimiento espiritual de Su Persona y obra, ¿qué testimonio tenemos de una parte salvadora en Su gracia? Porque no hay gracia alguna sino la que fluye por medio de Él, pues “la gracia y la verdad por Jesucristo fue hecha.” Esto es lo que siempre deberíamos procurar con empeño.
Nuestro deseo y oración de cada día y de cada hora debería ser tener descubrimientos espirituales de Cristo; verle con el ojo de la fe; entrar en Su gloriosa Persona y Su obra consumada; darnos cuenta de Su presencia, gustar Su amor, y conocerle a Él y la virtud de Su resurrección. Esto es lo que Pablo procuraba con tanto fervor (Fil. 3:10); y por la excelencia de este conocimiento lo perdió todo, y lo tuvo por estiércol para ganar a Cristo. Conocerle como nuestro Fiador y el que llevó nuestro pecado, nuestro Abogado e Intercesor, nuestro Amigo, Esposo y Hermano; conocer nuestra parte salvadora en Él y nuestra unión con Él; nuestro lugar en Su corazón, nuestro nombre sobre Su pecho, nuestro memorial en las palmas de Sus manos: ¿qué puede superar la bienaventuranza de un conocimiento como este?
Por medio de este conocimiento espiritual y experimental de Él fluye la gracia. Así como un cauce que se abre hacia un río trae su corriente de riego al prado reseco, así el conocimiento de Cristo abre un canal por el cual la gracia que hay en Él fluye al alma estéril y sedienta. De este modo, así como solo por la gracia le conocemos, cada nueva comunicación de gracia no solo le da a conocer mejor, sino que fluye precisamente a través de ese mismo conocimiento.
La gracia que viene por este conocimiento de Él trae también paz; porque Él es “nuestra paz.” Él ha derribado “la pared intermedia de separación; dirimiendo en Su carne las enemistades, la ley de los mandamientos en orden a ritos, para edificar en Sí mismo los dos en un nuevo hombre, haciendo la paz.” Por eso vino y anunció la paz “a vosotros que estabais lejos, y a los que estaban cerca.”
Su sangre habla paz a una conciencia culpable; Su voz dice paz a los vientos y las olas del corazón agitado; Su último legado fue: “La paz os dejo, Mi paz os doy”; Su promesa al morir fue: “para que en Mí tengáis paz”; y, como el Príncipe de paz a la diestra de Dios, Él puede llenarnos “de todo gozo y paz creyendo,” porque Su reino es “justicia y paz y gozo por el Espíritu Santo.” Y así, mediante el conocimiento de Él como nuestro Señor, la “gracia y paz” son ambas “multiplicadas.”
Al lector…
¡Qué consuelo es esta palabra cuando a veces siente su alma como un prado seco y estéril donde nada quiere crecer! Lo que entonces necesita ante todo no es más de usted mismo, sino más conocimiento de Cristo. No hay gracia alguna sino la que fluye por medio de Él. Así como un cauce lleva la corriente del río a la tierra seca, así cada descubrimiento espiritual de Su Persona y obra abre un canal por el cual Su gracia desciende a un alma sedienta.
Sea, pues, este su deseo y su oración de cada día: conocerle como Fiador, como Abogado, como Amigo y Hermano, y saber que su nombre está sobre Su pecho y en las palmas de Sus manos. Con ese conocimiento viene también la paz. Su sangre habla paz a una conciencia culpable, y Su voz puede calmar los vientos y las olas de su corazón turbado. Él ha dicho: “Mi paz os doy.” No busque esa paz en ningún otro lugar sino en Él.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl