5 dagen geleden verschenen
Het gesprek van een gelovige met zijn ziel
Een uitleg van Psalm 42:12 als gesprek tussen David en zijn ziel: waarom de ziel terneergeslagen en onrustig is, waarom ze op God moet hopen en hoe die hoop uitloopt…
12 dagen geleden verschenen
Het woord van Gods genade
Een uitleg van Handelingen 20:32: Paulus beveelt de oudsten van Efeze aan God en aan het woord van Zijn genade. Alleen dat woord, door de Geest toegepast, bouwt de ziel…
2 weken geleden verschenen
Schatten in de duisternis
Uitleg van Jesaja 45:2,3 voor Gods kinderen: de Heere gaat voor hen uit, maakt kromme wegen recht, verbreekt koperen deuren en ijzeren grendels, geeft verborgen schatten en leert hen zo…
Verkrijgen en verliezen
Naar Prediker 3:6: een levende ziel verkrijgt geestelijke dingen, van kennis van God en van zichzelf tot geloof en vergeving, maar verliest ook haar eigen gerechtigheid en kracht. De preek…
Het schudden van wat gemaakt is en de vastheid van wat gegeven is
Over Hebreeën 12:27,28: wat gemaakt is, wordt geschud en weggenomen, wat God geeft blijft. Het Koninkrijk dat niet bewogen kan worden wordt door geloof ontvangen, door genade vastgehouden en draagt…
Korenaren Uit De Volle Oogst
Maar uit Hem zijt gij in Christus Jezus, Die ons geworden is wijsheid van God, en rechtvaardigheid, en heiligmaking, en verlossing.
1 Korinthe 1:30
Bedenk wat een hemelse zegen er is voor hen die in een levende vereniging zijn met de Zoon van God. Alles is voor hen bereid voor hun behoud en heiliging. Niets van de zegen die moet dienen voor hun eeuwig geluk, heeft God achtergehouden. Beschouw hen als dwaas, onwetend, niet in staat de weg te zien, verlegen en terneergeslagen door duizend moeilijkheden, uitgedaagd door de zonde, verzocht door de duivel, ver afgedreven op de oceaan. Hoe zullen zij de hemelse kust bereiken?
God heeft door een daad van soevereine liefde Zijn geliefde Zoon tot „wijsheid” gemaakt, zodat niemand in een noodlottig einde zal afdwalen. Niemand zal de weg kwijtraken door gebrek aan hemelse leiding, zodat ze Hem kunnen vinden en die weg blijven bewandelen. Hun verheerlijkt Hoofd, Die in de hemel is, is hun tot wijsheid op aarde gemaakt, om hen tot hun hemelse erfenis te brengen. Hij opent Zijn Woord voor hun harten. Hij zendt een lichtstraal in hun zielen. Hij verlicht de geheiligde bladzijde en brengt hun voeten op het pad van waarheid en vrede.
Als zij afdwalen, brengt Hij hen weer op het rechte pad. Als zij struikelen, richt Hij hen op. En welke moeilijkheden zij op hun weg ook tegenkomen, vroeg of laat komt er van Zijn genadige Majesteit een vriendelijke aanwijzing of hemelse waarschuwing. Zo zal een reiziger, hoewel dwaas, niet verdwalen op de weg van het leven. Want omdat zijn genadige Heere zijn „wijsheid” is, wordt hij veilig verder geleid, door elke moeilijkheid heen, totdat Hij hem in de heerlijkheid tegenover Zich ziet.
Bemint de Heer, Gods gunstgenoten,
de Heer, die vromen hoedt
en straft het trots gemoed.
Zijt sterk, Hij zal u niet verstoten.
Hun geeft Hij moed en krachten,
die hopend op Hem wachten.
Ps. 31:19
Aan de lezer…
Dat woord, „wijsheid van God”, is voor wie zich soms een dwaas reiziger voelt, ver afgedreven op de oceaan. Voelt u zich zo? U weet de weg niet, u bent verlegen en terneergeslagen door duizend moeilijkheden, de zonde daagt u uit en de vijand verzoekt u. Hoe zult u ooit de hemelse kust bereiken? Ik ontken die dwaasheid niet. Zo is Gods volk juist: onwetend en hulpeloos in zichzelf. Maar bedenk ook dat God niets heeft achtergehouden wat nodig is voor hun behoud.
Christus is hun tot wijsheid gemaakt. Hij opent Zijn Woord voor hun harten en zendt een lichtstraal in hun zielen. Als zij afdwalen, brengt Hij hen terug; als zij struikelen, richt Hij hen op. Uw veiligheid ligt dus niet in uw eigen inzicht, maar in Hem Die u leidt. U mag uw onwetendheid bij Hem brengen en Hem om Zijn leiding vragen. Hij Die uw wijsheid, rechtvaardigheid, heiligmaking en verlossing is, zal u door elke moeilijkheid heen voeren, totdat Hij u in de heerlijkheid tegenover Zich ziet.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Maar uit Hem zijt gij in Christus Jezus, Die ons geworden is wijsheid van God, en rechtvaardigheid, en heiligmaking, en verlossing.
1 Korinthe 1:30
Bedenk wat een hemelse zegen er is voor hen die in een levende vereniging staan met de Zoon van God. Alles ligt voor hen klaar voor hun behoud en heiliging. God heeft niets achtergehouden van de zegen die moet dienen tot hun eeuwig geluk. Zie hen voor u: dwaas, onwetend, niet in staat de weg te zien, verlegen en terneergeslagen door duizend moeilijkheden, uitgedaagd door de zonde, verzocht door de duivel, ver afgedreven op de oceaan. Hoe zullen zij de hemelse kust bereiken?
God heeft door een daad van soevereine liefde Zijn geliefde Zoon tot „wijsheid” gemaakt, zodat niemand van hen zal afdwalen naar een noodlottig einde. Niemand zal de weg kwijtraken door gebrek aan hemelse leiding, zodat zij Hem kunnen vinden en die weg blijven gaan. Hun verheerlijkte Hoofd, Die in de hemel is, is hun op aarde tot wijsheid gemaakt, om hen naar hun hemelse erfenis te brengen. Hij opent Zijn Woord voor hun harten. Hij zendt een lichtstraal in hun zielen. Hij verlicht de heilige bladzijde en zet hun voeten op het pad van waarheid en vrede.
Als zij afdwalen, brengt Hij hen weer op het rechte pad. Als zij struikelen, richt Hij hen op. En welke moeilijkheden zij op hun weg ook tegenkomen, vroeg of laat komt er van Zijn genadige Majesteit een vriendelijke aanwijzing of een hemelse waarschuwing. Zo zal een reiziger, ook al is hij dwaas, niet verdwalen op de weg van het leven. Want omdat zijn genadige Heere zijn „wijsheid” is, wordt hij veilig verder geleid, door elke moeilijkheid heen, totdat Hij hem in de heerlijkheid tegenover Zich ziet.
Bemint de Heer, Gods gunstgenoten,
de Heer, die vromen hoedt
en straft het trots gemoed.
Zijt sterk, Hij zal u niet verstoten.
Hun geeft Hij moed en krachten,
die hopend op Hem wachten.
Ps. 31:19
Aan de lezer…
Dat woord, „wijsheid van God”, is voor wie zich soms een dwaze reiziger voelt, ver afgedreven op de oceaan. Voelt u zich zo? U weet de weg niet, u bent verlegen en terneergeslagen door duizend moeilijkheden, de zonde daagt u uit en de vijand verzoekt u. Hoe zult u ooit de hemelse kust bereiken? Ik ontken die dwaasheid niet; zo is Gods volk nu eenmaal: onwetend en hulpeloos in zichzelf. Maar bedenk ook dat God niets heeft achtergehouden wat nodig is voor hun behoud.
Christus is hun tot wijsheid gemaakt. Hij opent Zijn Woord voor hun harten en zendt een lichtstraal in hun zielen. Als zij afdwalen, brengt Hij hen terug; als zij struikelen, richt Hij hen op. Uw veiligheid ligt dus niet in uw eigen inzicht, maar in Hem Die u leidt. U mag uw onwetendheid bij Hem brengen en Hem om Zijn leiding vragen. Hij Die uw wijsheid, rechtvaardigheid, heiligmaking en verlossing is, zal u door elke moeilijkheid heen voeren, totdat Hij u in de heerlijkheid tegenover Zich ziet.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
But of Him are ye in Christ Jesus, Who of God is made unto us wisdom, and righteousness, and sanctification, and redemption.
1 Corinthians 1:30
Consider what heavenly blessings there are for those who have a living union with the Son of God. Everything is provided for them, that shall be for their salvation and their sanctification—not a single blessing has God withheld that shall be for their eternal good.
View them as foolish, ignorant, unable to see the way, puzzled and perplexed by a thousand difficulties, harassed by sin, tempted by Satan, far off upon the sea. How shall they reach the heavenly shore? God, by an infinite act of sovereign love, has made His dear Son to be their “wisdom,” so that none shall err so as to err fatally; none shall miss the road for lack of heavenly direction to find it or walk in it. Their glorious Head, Who is in heaven, is made of God unto them wisdom on earth, to bring them to their heavenly inheritance.
He opens up His Word to their heart; He sends down a ray of light into their bosom, illuminating the sacred page and guiding their feet into the way of truth and peace. If they wander, He brings them back; if they stumble, He raises them up; and whatever be the difficulties that beset their path, sooner or later some kind direction or heavenly admonition comes from His gracious Majesty. Thus the wayfaring man, though a fool, does not err in the way of life, for his gracious Lord being his “wisdom” leads him safely along through every difficulty until He sets him before His face in glory.
To the reader…
That word, “wisdom of God,” is for those who sometimes feel like a foolish traveller, driven far off upon the ocean. Do you feel like that? You do not know the way, you are perplexed and cast down by a thousand difficulties, sin harasses you and the enemy tempts you. How will you ever reach the heavenly shore? I do not deny that foolishness; that is simply how God’s people are: ignorant and helpless in themselves. But remember too that God has withheld nothing that is needed for their salvation.
Christ is made unto them wisdom. He opens His Word to their hearts and sends a ray of light into their souls. If they wander, He brings them back; if they stumble, He raises them up. Your safety, then, does not lie in your own insight, but in Him Who leads you. You may bring your ignorance to Him and ask Him for His guidance. He Who is your wisdom, righteousness, sanctification and redemption will carry you through every difficulty, until He sets you before His face in glory.
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
Mas de Él sois vosotros en Cristo Jesús, el cual nos ha sido hecho por Dios sabiduría, y justificación, y santificación, y redención.
1 Corintios 1:30
Considere qué bendiciones celestiales hay para los que tienen una unión viva con el Hijo de Dios. Todo está provisto para ellos, todo lo que sea para su salvación y su santificación; Dios no ha retenido ni una sola bendición que sea para su bien eterno.
Véalos necios, ignorantes, incapaces de ver el camino, confundidos y perplejos por mil dificultades, acosados por el pecado, tentados por Satanás, lejos en alta mar. ¿Cómo llegarán a la orilla celestial? Dios, por un acto infinito de amor soberano, ha hecho a Su amado Hijo su “sabiduría”, de modo que ninguno errará hasta errar fatalmente; ninguno perderá el camino por falta de dirección celestial para hallarlo o andar en él. Su gloriosa Cabeza, que está en el cielo, les ha sido hecha por Dios sabiduría en la tierra, para llevarlos a su herencia celestial.
Él les abre Su Palabra al corazón; envía un rayo de luz a su pecho, iluminando la página sagrada y guiando sus pies por el camino de la verdad y de la paz. Si se extravían, Él los hace volver; si tropiezan, Él los levanta; y cualesquiera que sean las dificultades que asedian su senda, tarde o temprano viene de Su Majestad llena de gracia alguna dirección bondadosa o amonestación celestial. Así el caminante, por torpe que sea, no se extravía en el camino de la vida, porque su Señor lleno de gracia, siendo su “sabiduría”, le conduce con seguridad a través de toda dificultad, hasta que le pone delante de Su rostro en la gloria.
Al lector…
Esa palabra, “sabiduría de Dios”, es para los que a veces se sienten como un viajero necio, arrastrado lejos en alta mar. ¿Se siente usted así? No conoce el camino, está perplejo y abatido por mil dificultades, el pecado le acosa y el enemigo le tienta. ¿Cómo llegará jamás a la orilla celestial? No niego esa necedad; así es sencillamente el pueblo de Dios: ignorante e impotente en sí mismo. Pero recuerde también que Dios no ha retenido nada de lo que es necesario para su salvación.
Cristo les ha sido hecho sabiduría. Él les abre Su Palabra al corazón y envía un rayo de luz a su alma. Si se extravían, Él los hace volver; si tropiezan, Él los levanta. Su seguridad, pues, no está en su propio entendimiento, sino en Aquel que le guía. Puede llevarle su ignorancia y pedirle Su dirección. Aquel que es su sabiduría, justificación, santificación y redención le llevará a través de toda dificultad, hasta que le ponga delante de Su rostro en la gloria.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl
365 Dagen Met Philpot
De wonderen van Christus
De blinden worden ziende, en de kreupelen wandelen; de melaatsen worden gereinigd, en de doven horen; de doden worden opgewekt, en de armen wordt het Evangelie verkondigd. En zalig is hij, die aan Mij niet zal geërgerd worden.
Mattheüs 11:5,6
„De blinden worden ziende.” Dit komt door de kracht die God in hun ziel uitoefent. Want in wat voor toestand en gesteldheid verkeren wij van nature? Zijn we niet blind voor onze slechte toestand als zondaren voor God? Blind voor de geestelijkheid en veroordelende kracht van de wet? Blind voor de heerlijkheid, grootheid, heiligheid en zuiverheid van God boven ons? Blind voor de schoonheid en dierbaarheid van Immanuël? Blind voor de Persoon en werkzaamheden van God de Heilige Geest?
En is deze blindheid geen algemeen heersend kenmerk? Zijn we niet, in geestelijke zin, blind geboren? Groeien we niet in die blindheid op? En is er enige natuurlijke kracht die haar kan wegnemen? Kan enig licht in het oordeel, kunnen enige leerstellingen die in de geest ontvangen zijn, kan enige godsdienstige belijdenis, kan iets dat de natuur heeft gedaan of kan doen, die blindheid wegnemen? Zij kan erger worden, en dat is ook gebeurd, als duisternis in de plaats van licht is gesteld, en licht in de plaats van duisternis; maar zij kan door geen enkele kracht van de mens in zichzelf of voor anderen worden weggenomen.
Het is de bijzondere taak, het grote voorrecht van de eniggeboren Zoon van God, om deze blindheid te verwijderen door geestelijk gezichtsvermogen over te brengen. En dit gebeurt in één enkel ogenblik. We kunnen dan misschien wel niet het precieze moment bespeuren waarop die bezielende genade onze ziel bezocht, ofschoon we, in de meeste gevallen, bekend zullen raken met de periode binnen bepaalde grenzen. Maar het gebeurde in één enkel ogenblik; er was een moment, ofschoon we het ons misschien niet kunnen herinneren, waarop goddelijk licht in onze donkere geest werd gebracht, en de blinden ziende werden gemaakt.
Lezen: Mattheüs 11:1-19
Aan de lezer…
Weet u nog, lezer, hoe blind u van nature was? Blind voor uw toestand als zondaar, blind voor de heiligheid van God, blind voor de schoonheid van Immanuël? Misschien bent u het nog. Geen leer in het hoofd, geen belijdenis en niets wat de natuur kan doen, neemt die blindheid weg. Dat is een hard woord, maar het is eerlijk.
En toch staat er: „De blinden worden ziende.” Dat is het grote voorrecht van de eniggeboren Zoon van God. Hij brengt goddelijk licht in een donkere geest, en Hij doet dat in één ogenblik. Misschien kunt u dat moment niet aanwijzen; dat hoeft ook niet. Maar ziet u nu iets van uw zonde en iets van Zijn dierbaarheid wat u vroeger niet zag, dan heeft Hij u aangeraakt. En is het nog donker in u, roep dan tot Hem; Hij opent blinde ogen.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
De blinden worden ziende, en de kreupelen wandelen; de melaatsen worden gereinigd, en de doven horen; de doden worden opgewekt, en de armen wordt het Evangelie verkondigd. En zalig is hij, die aan Mij niet zal geërgerd worden.
Mattheüs 11:5,6
„De blinden worden ziende.” Dit gebeurt door de kracht die God in hun ziel uitoefent. Want in welke toestand en gesteldheid verkeren wij van nature? Zijn we niet blind voor onze ellendige toestand als zondaren voor God? Blind voor de geestelijkheid en de veroordelende kracht van de wet? Blind voor de heerlijkheid, grootheid, heiligheid en reinheid van God boven ons? Blind voor de schoonheid en dierbaarheid van Immanuël? Blind voor de Persoon en de werkingen van God de Heilige Geest?
En is deze blindheid geen algemeen kenmerk? Zijn we niet in geestelijke zin blind geboren? Groeien we niet op in die blindheid? En is er enige natuurlijke kracht die haar kan wegnemen? Kan enig licht in het verstand, kunnen leerstellingen die in het hoofd zijn opgenomen, kan enige godsdienstige belijdenis, kan iets wat de natuur gedaan heeft of kan doen, die blindheid wegnemen? Zij kan erger worden, en dat is ook gebeurd, wanneer duisternis voor licht werd gesteld en licht voor duisternis; maar door geen enkele kracht van de mens kan zij worden weggenomen, in hemzelf of bij anderen.
Het is het bijzondere werk en het grote voorrecht van de eniggeboren Zoon van God om deze blindheid weg te nemen door geestelijk gezicht te schenken. En dit gebeurt in één ogenblik. Misschien kunnen we niet het precieze moment aanwijzen waarop die levendmakende genade onze ziel bezocht, al zullen we in de meeste gevallen wel ongeveer weten in welke periode het was. Maar het gebeurde in één ogenblik. Er was een moment, ook al kunnen we het ons misschien niet herinneren, waarop goddelijk licht in onze donkere geest werd gebracht en de blinden ziende werden gemaakt.
Lezen: Mattheüs 11:1-19
Aan de lezer…
Weet u nog, lezer, hoe blind u van nature was? Blind voor uw toestand als zondaar, blind voor de heiligheid van God, blind voor de schoonheid van Immanuël? Misschien bent u het nog. Geen leer in het hoofd, geen belijdenis en niets wat de natuur kan doen, neemt die blindheid weg. Dat is een hard woord, maar het is eerlijk.
En toch staat er: „De blinden worden ziende.” Dat is het grote voorrecht van de eniggeboren Zoon van God. Hij brengt goddelijk licht in een donkere geest, en Hij doet dat in één ogenblik. Misschien kunt u dat moment niet aanwijzen; dat hoeft ook niet. Maar ziet u nu iets van uw zonde en iets van Zijn dierbaarheid wat u vroeger niet zag, dan heeft Hij u aangeraakt. En is het nog donker in u, roep dan tot Hem; Hij opent blinde ogen.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
The blind receive their sight, and the lame walk, the lepers are cleansed, and the deaf hear, the dead are raised up, and the poor have the gospel preached to them. And blessed is he, whosoever shall not be offended in Me.
Matthew 11:5, 6
“The blind receive their sight.” This is done by the power which God puts forth in their soul. For what state and condition are we in by nature? Are we not blind to our wretched state as sinners before God? Blind to the spirituality and the condemning power of the law? Blind to the glory, greatness, holiness and purity of God above us? Blind to the beauty and preciousness of Immanuel? Blind to the Person and the operations of God the Holy Ghost?
And is this blindness not a universal mark? Are we not born spiritually blind? Do we not grow up in that blindness? And is there any natural power that can remove it? Can any light in the understanding, can doctrines taken into the head, can any religious profession, can anything that nature has done or can do, remove that blindness? It may be made worse, and so it has been, when darkness has been put for light and light for darkness; but by no power of man can it be removed, either in himself or in others.
It is the special work and the high prerogative of the only-begotten Son of God to remove this blindness by giving spiritual sight. And this is done in a moment. Perhaps we cannot point to the exact moment when that quickening grace visited our soul, though in most cases we shall know roughly in what period it was. But it was done in a moment. There was a moment, even though we may not be able to remember it, when divine light was brought into our dark mind and the blind were made to see.
Reading: Matthew 11:1-19
To the reader…
Do you remember, reader, how blind you were by nature? Blind to your state as a sinner, blind to the holiness of God, blind to the beauty of Immanuel? Perhaps you still are. No doctrine in the head, no profession and nothing that nature can do will take that blindness away. That is a hard word, but it is an honest one.
And yet it is written: “The blind receive their sight.” That is the high prerogative of the only-begotten Son of God. He brings divine light into a dark mind, and He does it in a moment. Perhaps you cannot point to that moment; you need not. But if you now see something of your sin and something of His preciousness that you did not see before, then He has touched you. And if it is still dark within you, cry to Him; He opens blind eyes.
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
Los ciegos ven, y los cojos andan; los leprosos son limpiados, y los sordos oyen; los muertos son resucitados, y a los pobres es anunciado el evangelio. Y bienaventurado es el que no fuere escandalizado en Mí.
Mateo 11:5, 6
“Los ciegos ven.” Esto se hace por el poder que Dios ejerce en su alma. Porque ¿en qué estado y condición estamos por naturaleza? ¿No estamos ciegos a nuestro miserable estado como pecadores delante de Dios? ¿Ciegos a la espiritualidad y al poder condenatorio de la ley? ¿Ciegos a la gloria, la grandeza, la santidad y la pureza de Dios que está sobre nosotros? ¿Ciegos a la hermosura y preciosidad de Emmanuel? ¿Ciegos a la Persona y a las operaciones de Dios el Espíritu Santo?
¿Y no es esta ceguera una marca universal? ¿No nacemos espiritualmente ciegos? ¿No crecemos en esa ceguera? ¿Y hay algún poder natural que pueda quitarla? ¿Puede alguna luz en el entendimiento, pueden doctrinas recibidas en la cabeza, puede alguna profesión religiosa, puede algo que la naturaleza haya hecho o pueda hacer, quitar esa ceguera? Puede empeorarse, y así ha sucedido, cuando se ha puesto tinieblas por luz y luz por tinieblas; pero por ningún poder del hombre puede ser quitada, ni en sí mismo ni en otros.
Es la obra especial y la alta prerrogativa del Hijo unigénito de Dios quitar esta ceguera dando vista espiritual. Y esto se hace en un momento. Quizá no podamos señalar el momento exacto en que esa gracia vivificadora visitó nuestra alma, aunque en la mayoría de los casos sabremos aproximadamente en qué período fue. Pero se hizo en un momento. Hubo un momento, aunque no podamos recordarlo, en que la luz divina fue traída a nuestra mente oscura y los ciegos fueron hechos ver.
Lectura: Mateo 11:1-19
Al lector…
¿Recuerda usted, lector, cuán ciego era por naturaleza? ¿Ciego a su estado como pecador, ciego a la santidad de Dios, ciego a la hermosura de Emmanuel? Quizá todavía lo es. Ninguna doctrina en la cabeza, ninguna profesión y nada que la naturaleza pueda hacer quitará esa ceguera. Es una palabra dura, pero es una palabra sincera.
Y, sin embargo, está escrito: “Los ciegos ven.” Esa es la alta prerrogativa del Hijo unigénito de Dios. Él trae luz divina a una mente oscura, y lo hace en un momento. Quizá usted no pueda señalar ese momento; no es necesario. Pero si ahora ve algo de su pecado y algo de Su preciosidad que antes no veía, entonces Él le ha tocado. Y si todavía está oscuro dentro de usted, clame a Él; Él abre los ojos de los ciegos.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl
Door Baca's Vallei
Gij doet Uw hand open en verzadigt al wat er leeft, naar Uw welbehagen. (Engelse vertaling: En verzadigt de begeerte van elk levend wezen)
Psalm 145:16
Dit woord is mij soms een genoegen. „Elk levend wezen.” Wat een veelomvattend woord! En hoe diep daalt het af. Het daalt af tot het zwakste, geringste en minste van het volk van God, als hij maar een „schepsel” is, in ieder geval een levend schepsel. Zelfs al vindt hij van zichzelf dat hij geen mens is in Christus, noch een kind van de Heere, ja, zelfs niet als een pasgeboren baby.
Zelfs nu, ook al hebt u niet de eigenschappen van een volwassen mens, en wordt u met bittere twijfels beproefd. U meent dat uw bevinding niet verder komt dan die van een pasgeborene, toch mag u hier binnengaan als iemand die leven heeft, hoewel uw naam niet beschreven kan worden. Dus zelfs als u iemand was die niet weet hoe hij zichzelf moet noemen. U kunt een bevinding hebben waarvan u denkt dat niemand die kan doorgronden. U denkt misschien dat u zulke oefeningen hebt dat niemand er zo moe van wordt als u, terwijl u denkt dat u een pad bewandelt waarop geen kind van God vóór u heeft gelopen.
Was het niet de uitspraak van een van de ouden (en hebben u en ik zijn woorden niet nagezegd): „Ik was een groot beest bij U”? Niet een mens, want: „ik ben onvernuftiger dan iemand, en ik heb geen mensenverstand” (Spreuken 30:2), maar toch heb ik een leven dat naar God verlangt. Er is iets in de ziel dat niet bevredigd kan worden zonder het bewijs dat God aanwezig is. Maar hier is het kenmerk van het levende verlangen. Niet het verlangen van een luiaard, want dat is niets; hij heeft niets geestelijks nodig of om antwoord op te krijgen; maar hier worden de geestelijke verlangens bedoeld, die de Heilige Geest Zelf heeft opgewekt.
Verlangens naar God, zoals een hert schreeuwt naar de waterstromen. Verlangens om Christus te kennen, door de zoete openbaring van Zijn heerlijkheid. Verlangens om aan de voet van het kruis gebracht te worden. Om Zijn beeld op onze ziel gedrukt te krijgen. Verlangens om geleid te worden in de lengte en breedte en diepte en hoogte van Zijn liefde, die alle kennis te boven gaat. Verlangens om voor God te wandelen, om aangenomen te worden in de Geliefde. Verlangens om in onze ziel de zoete overtuiging te proeven dat wij Hem voor altijd toebehoren.
Deze „levende”, hoewel onverklaarbaar in zijn eigen beoordeling, heeft iets in zich dat hem kenmerkt als een levende. En dit zijn de levende uitgangen naar de levende God, de uitgaande genegenheden naar Jezus, een rusteloos, onverzadigd hart, ongelukkig in de dingen van deze tijd, geen genoegen vindend in wat de wereld biedt, maar zuchtend tot de Heere om de openbaringen van Zijn genade en liefde.
Aan de lezer…
Weet u, lezer, niet hoe u uzelf noemen moet? Durft u zich geen kind van God te noemen, zelfs geen pasgeborene, en meent u dat niemand ooit zo’n pad gegaan is als u? Dan is dit woord voor u: „Gij doet Uw hand open en verzadigt de begeerte van elk levend wezen.” Het daalt af tot het zwakste en geringste, als er maar leven is. En dat leven verraadt zich in een rusteloos, onverzadigd hart, dat geen genoegen vindt in de wereld en zucht naar God.
Hebt u zulke verlangens? Verlangens om Christus te kennen, om aan de voet van het kruis te liggen, om Zijn beeld op uw ziel te dragen en te weten dat u Hem toebehoort? Zij zijn niet uit uzelf; de Heilige Geest heeft ze gewekt. En Hij, Die de begeerte schonk, zal Zijn hand openen en haar verzadigen naar Zijn welbehagen.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Gij doet Uw hand open en verzadigt al wat er leeft, naar Uw welbehagen. (Engelse vertaling: En verzadigt de begeerte van elk levend wezen)
Psalm 145:16
Dit woord is mij soms een vreugde. „Elk levend wezen.” Wat een veelomvattend woord! En hoe diep daalt het af. Het daalt af tot de zwakste, geringste en minste van het volk van God, als hij maar een „wezen” is, in elk geval een levend wezen. Ook al vindt hij van zichzelf dat hij geen man in Christus is, en geen kind van de Heere, ja, zelfs geen pasgeboren baby.
Zelfs nu, ook al hebt u niet de kenmerken van een volwassene en wordt u door bittere twijfels beproefd. U meent dat uw bevinding niet verder komt dan die van een pasgeborene, en toch mag u hier binnengaan als iemand die leven heeft, al kan uw naam niet omschreven worden. Dus zelfs als u iemand bent die niet weet hoe hij zichzelf moet noemen. U kunt een bevinding hebben waarvan u denkt dat niemand haar kan doorgronden. U denkt misschien dat u zulke oefeningen hebt dat niemand er zo moe van wordt als u, en dat u een pad gaat waarop nog geen kind van God vóór u heeft gelopen.
Was het niet de uitspraak van een van de ouden (en hebben u en ik zijn woorden niet nagezegd): „Ik was een groot beest bij U”? Geen mens, want: „ik ben onvernuftiger dan iemand, en ik heb geen mensenverstand” (Spreuken 30:2), en toch heb ik een leven dat naar God verlangt. Er is iets in de ziel wat niet bevredigd kan worden zonder het bewijs dat God aanwezig is. Maar hier ligt het kenmerk van het levende verlangen. Niet het verlangen van een luiaard, want dat is niets; hij heeft niets geestelijks nodig en zoekt op niets antwoord. Nee, hier zijn de geestelijke verlangens bedoeld die de Heilige Geest Zelf heeft opgewekt.
Verlangens naar God, zoals een hert schreeuwt naar de waterstromen. Verlangens om Christus te kennen door de zoete openbaring van Zijn heerlijkheid. Verlangens om aan de voet van het kruis gebracht te worden en Zijn beeld op onze ziel gedrukt te krijgen. Verlangens om geleid te worden in de lengte en breedte en diepte en hoogte van Zijn liefde, die de kennis te boven gaat. Verlangens om voor God te wandelen en aangenomen te zijn in de Geliefde. Verlangens om in onze ziel de zoete overtuiging te proeven dat wij voor altijd van Hem zijn.
Deze „levende”, hoe onverklaarbaar ook naar zijn eigen oordeel, heeft iets in zich wat hem kenmerkt als een levende. Dat zijn de levende uitgangen naar de levende God, de genegenheden die uitgaan naar Jezus, een rusteloos, onverzadigd hart dat ongelukkig is in de dingen van deze tijd en geen genoegen vindt in wat de wereld biedt, maar tot de Heere zucht om de openbaringen van Zijn genade en liefde.
Aan de lezer…
Weet u, lezer, niet hoe u uzelf moet noemen? Durft u zich geen kind van God te noemen, zelfs geen pasgeborene, en meent u dat niemand ooit zo’n pad gegaan is als u? Dan is dit woord voor u: „Gij doet Uw hand open en verzadigt de begeerte van elk levend wezen.” Het daalt af tot de zwakste en geringste, als er maar leven is. En dat leven verraadt zich in een rusteloos, onverzadigd hart, dat geen genoegen vindt in de wereld en zucht naar God.
Hebt u zulke verlangens? Verlangens om Christus te kennen, om aan de voet van het kruis te liggen, om Zijn beeld op uw ziel te dragen en te weten dat u van Hem bent? Zij komen niet uit uzelf; de Heilige Geest heeft ze gewekt. En Hij Die de begeerte schonk, zal Zijn hand openen en haar verzadigen naar Zijn welbehagen.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Thou openest thine hand, and satisfiest the desire of every living thing.
Psalm 145:16
That word has been sweet to me sometimes, “Every living thing.” How comprehensive it is! And how low it descends! How it comes down to the weakest and lowest and least of God’s family, if he is only “a thing,” only “a living thing!” if he cannot see himself “a man in Christ;” no, nor see himself a child of God; no, nor see himself a new-born babe! If he cannot see in himself the features of a child even, yet to be “a living thing!”
Now, perhaps, if you cannot trace the features of a grown-up man as stamped upon you, and are exercised with distressing doubts whether your experience even amounts to the new-born babe, you may yet come in here, as being “a living thing,” a nondescript; a sort of person that cannot make yourself out, having an experience which you think nobody can fathom, having exercises which nobody else seems to be harassed with, and walking in a path where no other child of God seems ever to have walked before you.
Did not one say of old, (and have not you and I echoed his words?) he was “as a beast before you;” not a man, for “surely I am more brutish than any man, and have not the understanding of a man” (Proverbs 30:2), but possessed of life still, breathing after God still, with that in the soul which cannot rest satisfied short of the manifestation and the presence of God.
But here is the mark of the “living thing”—the desire—“You satisfy the desire of every living thing,” not natural desires; not “the desire of the sluggard, which has nothing,” that is, nothing spiritual in the desire, or in the answer; but the spiritual desires that the Holy Spirit Himself has kindled, desires after God, “as the deer pants after the water brooks,” desires to know Christ by some sweet revelation of His glory, desires to be brought to the foot of the cross, and to have His image stamped upon our soul, desires to be led into the length and breadth and depth and height of that love of His which passes knowledge, desires to walk before God accepted in the Beloved, desires to feel that in our souls which shall sweetly satisfy us that we are eternally His.
This “living thing,” though a nondescript in his own feelings, has that which marks the existence of life in him; and that is, living desires towards the living God, breathing affections after Jesus, a restless, dissatisfied heart, discontented with the things of time and sense, feeling no pleasure in what the world presents, and sighing to the Lord for the discoveries of His grace and His love.
To the reader…
Do you not know, dear reader, what to call yourself? Do you not dare to call yourself a child of God, not even a new-born babe, and do you think that no one has ever walked such a path as yours? Then this word is for you: “Thou openest Thine hand, and satisfiest the desire of every living thing.” It comes down to the weakest and the least, if only there is life. And that life shows itself in a restless, unsatisfied heart, which finds no pleasure in the world and sighs after God.
Do you have such desires? Desires to know Christ, to lie at the foot of the cross, to bear His image upon your soul and to know that you are His? They do not come from yourself; the Holy Spirit has kindled them. And He Who gave the desire will open His hand and satisfy it according to His good pleasure.
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
Abres Tu mano, y sacias el deseo de todo ser viviente.
Salmo 145:16
Esa palabra me ha sido dulce a veces: “Todo ser viviente.” ¡Cuán amplia es! ¡Y cuán bajo desciende! ¡Cómo baja hasta el más débil, el más bajo y el más pequeño de la familia de Dios, aunque no sea más que “un ser”, solo “un ser viviente”! ¡Aunque no pueda verse a sí mismo como “un hombre en Cristo”; no, ni verse como un hijo de Dios; no, ni verse como un niño recién nacido! ¡Aunque no pueda ver en sí mismo ni siquiera los rasgos de un niño, y aun así ser “un ser viviente”!
Ahora bien, quizá, si usted no puede descubrir en sí estampados los rasgos de un hombre maduro, y está ejercitado por dudas angustiosas sobre si su experiencia llega siquiera a la de un niño recién nacido, aun así puede entrar aquí, como “un ser viviente”, alguien indefinible; una especie de persona que no logra entenderse a sí misma, que tiene una experiencia que usted cree que nadie puede sondear, que tiene ejercicios con los que nadie más parece ser acosado, y que anda por una senda por donde ningún otro hijo de Dios parece haber andado antes que usted.
¿No dijo uno en la antigüedad (y no hemos hecho eco usted y yo de sus palabras) que era “como una bestia acerca de Ti”; no un hombre, porque “ciertamente más rudo soy yo que ninguno, ni tengo entendimiento de hombre” (Proverbios 30:2), pero aun así poseedor de vida, suspirando todavía por Dios, con aquello en el alma que no puede quedar satisfecho sin la manifestación y la presencia de Dios?
Pero he aquí la señal del “ser viviente”: el deseo. “Sacias el deseo de todo ser viviente”; no los deseos naturales; no “el deseo del perezoso, que nada alcanza”, es decir, nada espiritual en el deseo ni en la respuesta; sino los deseos espirituales que el Espíritu Santo mismo ha encendido: deseos de Dios, “como el ciervo brama por las corrientes de las aguas”; deseos de conocer a Cristo por alguna dulce revelación de Su gloria; deseos de ser llevados al pie de la cruz y de tener Su imagen estampada en nuestra alma; deseos de ser conducidos a la anchura, la longitud, la profundidad y la altura de aquel amor Suyo que excede a todo conocimiento; deseos de andar delante de Dios aceptos en el Amado; deseos de sentir en nuestras almas aquello que nos asegure dulcemente que somos eternamente Suyos.
Este “ser viviente”, aunque indefinible a su propio sentir, tiene aquello que señala la existencia de vida en él; y esto es: deseos vivos hacia el Dios vivo, afectos que suspiran por Jesús, un corazón inquieto e insatisfecho, descontento con las cosas del tiempo y de los sentidos, que no halla placer en lo que el mundo ofrece y que suspira al Señor por los descubrimientos de Su gracia y de Su amor.
Al lector…
¿No sabe usted, querido lector, cómo llamarse a sí mismo? ¿No se atreve a llamarse hijo de Dios, ni siquiera niño recién nacido, y piensa que nadie ha andado jamás por una senda como la suya? Entonces esta palabra es para usted: “Abres Tu mano, y sacias el deseo de todo ser viviente.” Desciende hasta el más débil y el más pequeño, con tal que haya vida. Y esa vida se muestra en un corazón inquieto e insatisfecho, que no halla placer en el mundo y suspira por Dios.
¿Tiene usted tales deseos? ¿Deseos de conocer a Cristo, de yacer al pie de la cruz, de llevar Su imagen en su alma y de saber que es Suyo? No proceden de usted mismo; el Espíritu Santo los ha encendido. Y Aquel que dio el deseo abrirá Su mano y lo saciará según Su beneplácito.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl