6 dagen geleden verschenen
Het woord van Gods genade
Een uitleg van Handelingen 20:32: Paulus beveelt de oudsten van Efeze aan God en aan het woord van Zijn genade. Alleen dat woord, door de Geest toegepast, bouwt de ziel…
11 dagen geleden verschenen
Schatten in de duisternis
Uitleg van Jesaja 45:2,3 voor Gods kinderen: de Heere gaat voor hen uit, maakt kromme wegen recht, verbreekt koperen deuren en ijzeren grendels, geeft verborgen schatten en leert hen zo…
2 weken geleden verschenen
Verkrijgen en verliezen
Naar Prediker 3:6: een levende ziel verkrijgt geestelijke dingen, van kennis van God en van zichzelf tot geloof en vergeving, maar verliest ook haar eigen gerechtigheid en kracht. De preek…
Het schudden van wat gemaakt is en de vastheid van wat gegeven is
Over Hebreeën 12:27,28: wat gemaakt is, wordt geschud en weggenomen, wat God geeft blijft. Het Koninkrijk dat niet bewogen kan worden wordt door geloof ontvangen, door genade vastgehouden en draagt…
Het is wenselijk de Authorised Version te behouden
Philpot pleit in 1857 tegen een herziene Bijbelvertaling. Hij vreest verminking door dwalende geleerden, onzekerheid en verwarring bij Gods kinderen, en verlies van een gezaghebbende maatstaf en van een nationaal…
Korenaren Uit De Volle Oogst
En het zwaard des Geestes, hetwelk is Gods Woord.
Efeze 6:17
Er is slechts één wapen waarmede wij de satan kunnen bestrijden, en dat is het Woord van God. Maar bedenk wel dat het niet de letter van het Woord moet zijn. Het moet zijn „het zwaard des Geestes”, en daarom een geestelijk zwaard, hetwelk alleen ter hand kan genomen worden wanneer het Woord van God met goddelijke kracht aan de ziel wordt toegepast, en gij er een levend geloof in hebt, en het zo voor uw ziel „leven en geest” geworden is. Het baat niet een tekst tevoorschijn te brengen om de verzoeking van de satan te weerstaan, tenzij ik die tekst tot de mijne kan maken; met andere woorden: tenzij ik dat zwaard kan hanteren als iemand die het weet te zwaaien.
Een tekst te gebruiken zonder er de liefelijkheid en kracht van te kennen, zou zijn als een kind dat het zwaard eens krijgsmans opneemt, zonder de hand des krijgsmans te hebben. Het kan met het zwaard spelen, maar wat is het zwaard van een reus in de hand van een kind? Te Wenen placht men het zwaard te tonen van Skanderbeg, een vermaard Albanees krijgsheld tegen de Turken. Iemand die het eens bezag en in de hand nam, zeide: „Is dit het zwaard dat zoveel overwinningen behaald heeft? Ik zie er niets in; het is maar een gewoon zwaard.” Het antwoord was: „Gij hadt de arm moeten zien die het zwaaide.” Zo is het niet het enkele nemen van een tekst, het overnemen van de taal der Schrift en het aanhalen van plaatsen, wat de vurige aanvallen des satans zal terugslaan. Dat is het zwaard van Skanderbeg te hebben, zonder de arm van Skanderbeg. Wanneer het Woord der Waarheid door de kracht Gods in onze zielen is gebracht, wanneer het geloof zo vaardig is dat wij geloven dat God Zelf het tot onze harten gesproken heeft, dan worden wij in staat gesteld het te zwaaien in de sterkte des Geestes en door de kracht des geloofs in levende oefening, om elke helse aanval te weerstaan.
In deze strijd moeten wij niet zwichten. Vluchten is overwonnen zijn. Want, gelijk Bunyan wel zegt, er is geen wapenrusting voor de rug. Zo gij in deze worsteling mocht uitglijden en vallen, blijf dan niet liggen als een overwonnen gevangene, maar sta weder op en strijd. „Wederstaat de duivel, en hij zal van u vlieden.” Hij is een overwonnen vijand; hij kan u niet doden, indien gij des Heeren zijt. Het Woord der Waarheid is daarom vol van genadige beloften en liefelijke bemoedigingen, „om als goede krijgsknechten ongemakken te verduren”, en u nooit door de zonde of de satan te laten overwinnen.
Twist met mijn twisters, Hemelheer,
ga mijn bestrijd’ren toch te keer!
Wil spies, rondas en schild gebruiken
om hun gevreesd geweld te fnuiken;
belet hun d’ optocht, treed vooruit,
zo worden z’ in hun loop gestuit.
Ps. 35:1
Aan de lezer…
Vandaag wordt u gevraagd of u ook wel eens een tekst tegen de verzoeking hebt ingebracht en gemerkt dat hij in uw hand als een speelgoedzwaard was. U kende de woorden, maar de kracht ontbrak. Verwondert u daar niet over. Het zwaard des Geestes kan alleen gehanteerd worden wanneer de Geest het Woord met kracht aan uw ziel toepast en u gelooft dat God Zelf het tot uw hart gesproken heeft. Bid dan niet alleen om teksten, maar om de hand die ze kan voeren.
En bent u in de worsteling uitgegleden en gevallen, blijf dan niet liggen als een overwonnen gevangene. Sta weer op en strijd. Vluchten is overwonnen zijn, maar vallen is nog niet verloren. De vijand is een overwonnen vijand; hij kan u niet doden, indien u des Heeren bent. Het Woord is vol van genadige beloften en liefelijke bemoedigingen, en de Heere Zelf wil uw twisters te keer gaan.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
En het zwaard des Geestes, hetwelk is Gods Woord.
Efeze 6:17
Er is maar één wapen waarmee wij de satan kunnen bestrijden, en dat is het Woord van God. Maar bedenk wel dat het niet de letter van het Woord moet zijn. Het moet „het zwaard des Geestes” zijn, en dus een geestelijk zwaard. Dat kan alleen ter hand genomen worden wanneer het Woord van God met Goddelijke kracht aan de ziel wordt toegepast, wanneer u er een levend geloof in hebt en het zo voor uw ziel „leven en geest” geworden is. Het heeft geen zin een tekst tevoorschijn te halen om de verzoeking van de satan te weerstaan tenzij ik die tekst tot de mijne kan maken; met andere woorden, tenzij ik dat zwaard kan hanteren als iemand die weet hoe hij het moet zwaaien.
Een tekst gebruiken zonder er de lieflijkheid en de kracht van te kennen, is als een kind dat het zwaard van een krijgsman opneemt zonder de hand van een krijgsman te hebben. Het kan met het zwaard spelen, maar wat is het zwaard van een reus in de hand van een kind? In Wenen werd vroeger het zwaard getoond van Skanderbeg, een beroemde Albanese krijgsheld in de strijd tegen de Turken. Iemand die het eens bekeek en in de hand nam, zei: „Is dit het zwaard dat zoveel overwinningen behaald heeft? Ik zie er niets bijzonders aan; het is maar een gewoon zwaard.” Het antwoord was: „U had de arm moeten zien die het zwaaide.” Zo is het ook niet genoeg om alleen een tekst te nemen, de taal van de Schrift over te nemen en Bijbelplaatsen aan te halen; dat slaat de vurige aanvallen van de satan niet terug. Dat is het zwaard van Skanderbeg hebben zonder de arm van Skanderbeg. Wanneer het Woord der Waarheid door de kracht van God in onze ziel gebracht is, en wanneer het geloof zo levend is dat wij geloven dat God Zelf het tot ons hart gesproken heeft, dan worden wij in staat gesteld het te zwaaien in de kracht van de Geest en door de kracht van het geloof dat levend in oefening is, om elke helse aanval te weerstaan.
In deze strijd mogen wij niet wijken. Vluchten is overwonnen zijn. Want, zoals Bunyan terecht zegt, er is geen wapenrusting voor de rug. Als u in deze worsteling zou uitglijden en vallen, blijf dan niet liggen als een overwonnen gevangene, maar sta weer op en strijd. „Wederstaat de duivel, en hij zal van u vlieden.” Hij is een overwonnen vijand; hij kan u niet doden als u van de Heere bent. Daarom is het Woord der Waarheid vol genadige beloften en lieflijke bemoedigingen, „om als goede krijgsknechten ongemakken te verduren”, en om u nooit door de zonde of de satan te laten overwinnen.
Twist met mijn twisters, Hemelheer,
ga mijn bestrijd’ren toch te keer!
Wil spies, rondas en schild gebruiken
om hun gevreesd geweld te fnuiken;
belet hun d’ optocht, treed vooruit,
zo worden z’ in hun loop gestuit.
Ps. 35:1
Aan de lezer…
Vandaag wordt u gevraagd of u ook weleens een tekst tegen de verzoeking hebt ingebracht en merkte dat hij in uw hand een speelgoedzwaard was. U kende de woorden, maar de kracht ontbrak. Wees daar niet verwonderd over. Het zwaard des Geestes kan alleen gehanteerd worden wanneer de Geest het Woord met kracht aan uw ziel toepast en u gelooft dat God Zelf het tot uw hart gesproken heeft. Bid dan niet alleen om teksten, maar om de hand die ze kan voeren.
En bent u in de worsteling uitgegleden en gevallen, blijf dan niet liggen als een overwonnen gevangene. Sta weer op en strijd. Vluchten is overwonnen zijn, maar vallen is nog niet verloren. De vijand is een overwonnen vijand; hij kan u niet doden als u van de Heere bent. Het Woord is vol genadige beloften en lieflijke bemoedigingen, en de Heere Zelf wil uw twisters te keer gaan.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
The sword of the Spirit, which is the Word of God.
Ephesians 6:17
There is only one weapon whereby we can fight Satan to any purpose, and that is the Word of God. But observe, that it must not be merely the letter of the Word. It must be the “sword of the Spirit,” and therefore a spiritual sword, which can only be taken in hand when the Word of God is applied with a divine power to your heart, and you have a living faith in it as made “life and spirit” to your soul. It is of no use my bringing forward a text to resist a temptation of Satan, unless I can make that text my own; in other words, unless I can handle that sword as one who knows how to wield it. To take up a text and not know the sweetness and power of it, would be like a child taking up a warrior’s sword without having the warrior’s hand. He might play with the sword, but what is the sword of a giant in the hand of a child?
The sword of Scanderbeg, a famous Albanian warrior against the Turks, used to be shown at Vienna. A man who once looked at and handled it said, “Is this the sword which won so many victories? I see nothing in it; it is but a common sword.” The answer was, “You should have seen the arm that wielded it.” So it is not merely taking a text, adopting scripture language, and quoting passages, which will beat back the fiery assaults of Satan. This is having Scanderbeg’s sword without having Scanderbeg’s arm. But it is having the Word of truth brought into our heart by the power of God, faith raised up to believe that God Himself speaks it to our heart, being thus enabled to wield it in the strength of the Spirit and by the power of faith in living exercise, to resist every hellish thrust.
In this battle we must not give way. To flee is to be conquered, for, as Bunyan well says, there is no armor for the back. Thus even if in this conflict you should slip and fall, lie not still as a conquered captive, but get up again and fight. “Resist Satan, and he will flee from you.” He is a conquered enemy; he cannot destroy you if you are the Lord’s. The Word of truth, therefore, is full of most gracious promises, and sweet encouragements “to endure hardness as good soldiers of Jesus Christ,” and never in heart or hand submit to be conquered by sin or Satan.
To the reader…
Today you are asked whether you have ever brought a text against temptation and found that in your hand it was a toy sword. You knew the words, but the power was missing. Do not be surprised at that. The sword of the Spirit can only be wielded when the Spirit applies the Word with power to your soul and you believe that God Himself has spoken it to your heart. So do not pray only for texts, but for the arm that can wield them.
And if you have slipped and fallen in the struggle, do not lie still as a conquered captive. Get up again and fight. To flee is to be conquered, but to fall is not yet to be lost. The enemy is a conquered enemy; he cannot destroy you if you are the Lord’s. The Word is full of gracious promises and sweet encouragements, and the Lord Himself will contend with those that contend with you.
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
La espada del Espíritu; que es la palabra de Dios.
Efesios 6:17
Solo hay un arma con la que podemos combatir a Satanás con algún provecho, y es la Palabra de Dios. Pero observe que no ha de ser meramente la letra de la Palabra. Tiene que ser “la espada del Espíritu”, y por tanto una espada espiritual, que solo puede tomarse en la mano cuando la Palabra de Dios es aplicada con poder divino a su corazón, y usted tiene una fe viva en ella como hecha “espíritu y vida” para su alma. De nada me sirve presentar un texto para resistir una tentación de Satanás, a menos que pueda hacer mío ese texto; en otras palabras, a menos que pueda manejar esa espada como quien sabe blandirla. Tomar un texto y no conocer su dulzura y su poder sería como un niño que toma la espada de un guerrero sin tener la mano del guerrero. Podría jugar con la espada, pero ¿qué es la espada de un gigante en la mano de un niño?
La espada de Skanderbeg, un famoso guerrero albanés que luchó contra los turcos, solía mostrarse en Viena. Un hombre que una vez la miró y la manejó dijo: “¿Es esta la espada que ganó tantas victorias? No veo nada en ella; no es más que una espada común”. La respuesta fue: “Debería usted haber visto el brazo que la blandía”. Así pues, no es meramente tomar un texto, adoptar el lenguaje de la Escritura y citar pasajes lo que rechazará los dardos de fuego de Satanás. Eso es tener la espada de Skanderbeg sin tener el brazo de Skanderbeg. Sino que es tener la Palabra de verdad traída a nuestro corazón por el poder de Dios, la fe suscitada para creer que Dios mismo la dice a nuestro corazón, y ser así capacitados para blandirla en la fuerza del Espíritu y por el poder de la fe en ejercicio vivo, para resistir toda estocada infernal.
En esta batalla no debemos ceder. Huir es ser vencido, porque, como bien dice Bunyan, no hay armadura para la espalda. Así, aunque en este combate usted resbale y caiga, no se quede tendido como cautivo vencido, sino levántese de nuevo y pelee. “Resistid a Satanás, y de vosotros huirá”. Es un enemigo vencido; no puede destruirle si usted es del Señor. La Palabra de verdad está, por tanto, llena de promesas llenas de gracia y de dulces ánimos para “sufrir trabajos como fieles soldados de Jesucristo”, y nunca, ni en el corazón ni en la mano, someterse a ser vencido por el pecado o por Satanás.
Al lector…
Hoy se le pregunta si alguna vez ha presentado un texto contra la tentación y ha hallado que en su mano era una espada de juguete. Conocía las palabras, pero faltaba el poder. No se extrañe de ello. La espada del Espíritu solo puede blandirse cuando el Espíritu aplica la Palabra con poder a su alma y usted cree que Dios mismo la ha dicho a su corazón. No ore, pues, solo por textos, sino por el brazo que puede blandirlos.
Y si ha resbalado y caído en la lucha, no se quede tendido como cautivo vencido. Levántese de nuevo y pelee. Huir es ser vencido, pero caer no es todavía estar perdido. El enemigo es un enemigo vencido; no puede destruirle si usted es del Señor. La Palabra está llena de promesas llenas de gracia y de dulces ánimos, y el Señor mismo pleiteará con los que pleitean con usted.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl
365 Dagen Met Philpot
Evangelische voorschriften
Ik geloof, Heere! kom mijn ongelovigheid te hulp.
Markus 9:24
Ongeloof is een verdoemende zonde waar het regeert. Het is echter geen verdoemende zonde waar het wel voorkomt, maar wordt bestreden. Met andere woorden, het is de heerschappij, niet het bestaan, van ongeloof in het hart die ons uitsluit van het koninkrijk der hemelen. De verworpenen zijn een voorbeeld van het eerste geval, want zij leven en sterven onder de macht van het ongeloof. Zoals de Heere zei: „Indien gij niet gelooft, dat Ik Die ben, gij zult in uw zonden sterven” (Joh. 8:24). „Die geloofd zal hebben, en gedoopt zal zijn, zal zalig worden; maar die niet zal geloofd hebben, zal verdoemd worden” (Mark. 16:16). En de tot leven gewekte uitverkorenen zijn een voorbeeld van het laatste geval.
Er zijn nauwelijks twee duidelijker voorbeelden te vinden van het bestaan van ongeloof in de harten van Gods kinderen dan die van Thomas en van Zacharias. Het ongeloof van Thomas, in wiens hart de geest van ontrouw zo krachtig werkzaam was dat hij pas wilde geloven dat de Heere was opgestaan uit de doden, wanneer hij in Zijn handen de littekens van de spijkers kon zien, zijn vinger in het litteken van de spijkers kon leggen en zijn hand in Zijn zijde kon steken, werd ongetwijfeld overwonnen, niet alleen ten voordele van de Kerk, maar ook ten voordele van de ongelovige discipel. Zijn ontrouw werd doeltreffend overwonnen door de kracht van de Heere, Die geloof aan zijn ziel meedeelde door de woorden: „Zijt niet ongelovig, maar gelovig.” Zijn geloof werd des te sterker, omdat het zo krachtig was aangevallen.
En zo was het ongetwijfeld ook bij Zacharias, die als straf voor zijn ongeloof negen maanden moest zwijgen. Want toen de Heere zijn tong losmaakte, „werd hij vervuld”, lezen we, „met de Heilige Geest, en profeteerde”, in dat gezegende loflied dat we aan het eind van het eerste hoofdstuk van het evangelie van Lukas vinden. De vraag is dus niet of we ongeloof in ons hart koesteren, maar of dit ongeloof wordt tegengegaan. Als er niets anders dan ongeloof is, wee ons! Maar als dit inwonende ongeloof door een beginsel van genade wordt tegengegaan, weerstaan en bestreden, dan zal de strijd uiteindelijk tot de overwinning leiden.
Lezen: Johannes 20:19-31
Aan de lezer…
Hoe bang kan het u maken als u het ongeloof in uw eigen hart ontdekt! Vreest u dat u daarom geen kind van God kunt zijn? Zie dan naar Thomas, die niet geloven wilde voordat hij de tekenen van de spijkers had gezien, en naar Zacharias, die om zijn ongeloof moest zwijgen. Beiden waren kinderen van God, en beiden werden door de Heere Zelf over hun ongeloof heen geholpen. Het is niet het bestaan van het ongeloof dat u buitensluit, maar zijn heerschappij.
Vraag u dus niet alleen af of er ongeloof in u is, want dat is er, helaas, maar of u er ook tegen strijdt en eronder zucht. Bent u daarmee bekend, dan is er een beginsel van genade in u dat het weerstaat. En de Heere, Die tot Thomas sprak: „Zijt niet ongelovig, maar gelovig,” kan met hetzelfde woord ook uw hart overwinnen. Uw geloof zal dan des te sterker worden, omdat het zo zwaar werd aangevallen.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Ik geloof, Heere! kom mijn ongelovigheid te hulp.
Markus 9:24
Ongeloof is een verdoemende zonde waar het heerst. Het is echter geen verdoemende zonde waar het wel aanwezig is, maar bestreden wordt. Met andere woorden: het is de heerschappij van het ongeloof in het hart, niet het bestaan ervan, die ons buitensluit van het koninkrijk der hemelen. De verworpenen zijn een voorbeeld van het eerste geval, want zij leven en sterven onder de macht van het ongeloof. Zoals de Heere zei: „Indien gij niet gelooft, dat Ik Die ben, gij zult in uw zonden sterven” (Joh. 8:24). „Die geloofd zal hebben, en gedoopt zal zijn, zal zalig worden; maar die niet zal geloofd hebben, zal verdoemd worden” (Mark. 16:16). En de levendgemaakte uitverkorenen zijn een voorbeeld van het tweede geval.
Er zijn nauwelijks twee duidelijker voorbeelden te vinden van het bestaan van ongeloof in het hart van Gods kinderen dan die van Thomas en van Zacharias. In het hart van Thomas werkte de geest van ongeloof zo krachtig, dat hij pas wilde geloven dat de Heere uit de doden was opgestaan wanneer hij in Zijn handen de littekens van de spijkers kon zien, zijn vinger in het litteken van de spijkers kon leggen en zijn hand in Zijn zijde kon steken. Dat ongeloof werd ongetwijfeld overwonnen, niet alleen tot voordeel van de Kerk, maar ook tot voordeel van de ongelovige discipel. Zijn ongeloof werd krachtig overwonnen door de kracht van de Heere, Die geloof aan zijn ziel meedeelde met de woorden: „Zijt niet ongelovig, maar gelovig.” Zijn geloof werd des te sterker, omdat het zo krachtig was aangevallen.
Zo was het ongetwijfeld ook bij Zacharias, die als straf voor zijn ongeloof negen maanden moest zwijgen. Want toen de Heere zijn tong losmaakte, „werd hij vervuld”, lezen we, „met de Heilige Geest, en profeteerde”, in dat gezegende loflied dat we aan het eind van het eerste hoofdstuk van het evangelie naar Lukas vinden. De vraag is dus niet of er ongeloof in ons hart huist, maar of dat ongeloof wordt tegengegaan. Als er niets anders is dan ongeloof, wee ons! Maar als dit inwonende ongeloof door een beginsel van genade wordt tegengegaan, weerstaan en bestreden, dan zal de strijd uiteindelijk tot de overwinning leiden.
Lezen: Johannes 20:19-31
Aan de lezer…
Hoe bang kan het u maken wanneer u het ongeloof in uw eigen hart ontdekt! Vreest u dat u daarom geen kind van God kunt zijn? Kijk dan naar Thomas, die niet wilde geloven voordat hij de tekenen van de spijkers had gezien, en naar Zacharias, die om zijn ongeloof moest zwijgen. Beiden waren kinderen van God, en beiden werden door de Heere Zelf over hun ongeloof heen geholpen. Het is niet het bestaan van het ongeloof dat u buitensluit, maar zijn heerschappij.
Vraag u dus niet alleen af of er ongeloof in u is, want dat is er helaas, maar of u er ook tegen strijdt en eronder zucht. Kent u dat, dan is er een beginsel van genade in u dat het weerstaat. En de Heere, Die tot Thomas sprak: „Zijt niet ongelovig, maar gelovig,” kan met hetzelfde woord ook uw hart overwinnen. Uw geloof zal dan des te sterker worden, omdat het zo zwaar werd aangevallen.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Lord, I believe; help Thou mine unbelief.
Mark 9:24
Unbelief is a damning sin where it reigns. It is not, however, a damning sin where it is present but resisted. In other words, it is the dominion of unbelief in the heart, not its existence, that shuts us out of the kingdom of heaven. The reprobate are an example of the first case, for they live and die under the power of unbelief. As the Lord said, “If ye believe not that I am He, ye shall die in your sins” (John 8:24). “He that believeth and is baptized shall be saved; but he that believeth not shall be damned” (Mark 16:16). And the quickened elect are an example of the second case.
Scarcely two clearer instances can be found of the existence of unbelief in the hearts of God’s children than those of Thomas and of Zacharias. In the heart of Thomas the spirit of unbelief worked so powerfully that he would only believe that the Lord had risen from the dead when he could see in His hands the print of the nails, put his finger into the print of the nails and thrust his hand into His side. That unbelief was no doubt overcome, not only for the profit of the Church, but also for the profit of the unbelieving disciple. His unbelief was powerfully overcome by the power of the Lord, Who communicated faith to his soul with the words, “Be not faithless, but believing.” His faith became all the stronger because it had been so powerfully assailed.
So it was no doubt with Zacharias too, who as a punishment for his unbelief had to be dumb for nine months. For when the Lord loosed his tongue, he “was filled”, we read, “with the Holy Ghost, and prophesied”, in that blessed song of praise which we find at the end of the first chapter of the Gospel according to Luke. The question therefore is not whether unbelief dwells in our heart, but whether that unbelief is opposed. If there is nothing but unbelief, woe to us! But if this indwelling unbelief is opposed, resisted and fought against by a principle of grace, then the conflict will at last end in victory.
Reading: John 20:19-31
To the reader…
How afraid it can make you when you discover unbelief in your own heart! Do you fear that for this reason you cannot be a child of God? Then look at Thomas, who would not believe until he had seen the print of the nails, and at Zacharias, who had to be dumb because of his unbelief. Both were children of God, and both were helped over their unbelief by the Lord Himself. It is not the existence of unbelief that shuts you out, but its dominion.
So do not only ask whether there is unbelief in you, for alas there is, but whether you also fight against it and sigh under it. If you know that, there is a principle of grace in you that resists it. And the Lord, Who said to Thomas, “Be not faithless, but believing,” can with the same word overcome your heart too. Your faith will then become all the stronger because it was so heavily assailed.
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
Creo, Señor; ayuda mi incredulidad.
Marcos 9:24
La incredulidad es un pecado condenatorio allí donde reina. Sin embargo, no es un pecado condenatorio allí donde está presente pero es resistida. En otras palabras, es el dominio de la incredulidad en el corazón, y no su existencia, lo que nos excluye del reino de los cielos. Los réprobos son un ejemplo del primer caso, pues viven y mueren bajo el poder de la incredulidad. Como dijo el Señor: “Si no creyereis que Yo soy, en vuestros pecados moriréis” (Juan 8:24). “El que creyere y fuere bautizado, será salvo; mas el que no creyere, será condenado” (Marcos 16:16). Y los elegidos vivificados son un ejemplo del segundo caso.
Difícilmente pueden hallarse dos ejemplos más claros de la existencia de la incredulidad en el corazón de los hijos de Dios que los de Tomás y Zacarías. En el corazón de Tomás el espíritu de incredulidad obró con tanta fuerza que solo quería creer que el Señor había resucitado de los muertos cuando pudiera ver en Sus manos la señal de los clavos, meter su dedo en el lugar de los clavos y meter su mano en Su costado. Aquella incredulidad fue vencida, sin duda, no solo para provecho de la Iglesia, sino también para provecho del discípulo incrédulo. Su incredulidad fue poderosamente vencida por el poder del Señor, Quien comunicó fe a su alma con las palabras: “No seas incrédulo, sino fiel.” Su fe llegó a ser tanto más fuerte por haber sido tan poderosamente asaltada.
Así fue sin duda también con Zacarías, quien en castigo por su incredulidad tuvo que quedar mudo durante nueve meses. Porque cuando el Señor le soltó la lengua, “fue lleno”, leemos, “de Espíritu Santo, y profetizó”, en aquel bendito cántico de alabanza que encontramos al final del primer capítulo del Evangelio según Lucas. La cuestión, por tanto, no es si la incredulidad habita en nuestro corazón, sino si esa incredulidad encuentra oposición. Si no hay más que incredulidad, ¡ay de nosotros! Pero si esta incredulidad que mora en nosotros encuentra oposición, es resistida y combatida por un principio de gracia, entonces el conflicto terminará al fin en victoria.
Lectura: Juan 20:19-31
Al lector…
¡Cuánto miedo puede dar descubrir incredulidad en el propio corazón! ¿Teme usted que por esta razón no pueda ser un hijo de Dios? Mire entonces a Tomás, que no quiso creer hasta haber visto la señal de los clavos, y a Zacarías, que tuvo que quedar mudo a causa de su incredulidad. Ambos eran hijos de Dios, y a ambos el Señor mismo los ayudó a superar su incredulidad. No es la existencia de la incredulidad lo que le excluye, sino su dominio.
Por tanto, no se pregunte solamente si hay incredulidad en usted, pues, ¡ay!, la hay, sino si además lucha contra ella y gime bajo ella. Si conoce eso, hay en usted un principio de gracia que la resiste. Y el Señor, Quien dijo a Tomás: “No seas incrédulo, sino fiel”, puede con esa misma palabra vencer también el corazón de usted. Su fe llegará a ser entonces tanto más fuerte por haber sido tan duramente asaltada.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl
Door Baca's Vallei
Doet gij u dit niet zelf, doordien gij de Heere uw God verlaat, ten tijde als Hij u op de weg leidt?
Jeremia 2:17
Ik geloof dat niemand beter weet dan ik zelf dat wij niets kunnen doen van een geestelijke natuur dat ons nabij God brengt; maar ik ben tegelijk verzekerd dat wij vele dingen kunnen doen die ons van God afvoeren. Elk drupje van genoten barmhartigheid, elk lichtstraaltje der hoop, elke zoete toepassing der waarheid aan het hart, elk gevoel van aandeel te hebben aan Hem, elk gezegend getuigenis, elke hemelse toelaching, elke tedere zucht en geestelijke gewaarwording, zij zijn alle uit God. Indien ooit mijn hart is vernederd geweest, mijn geest beïnvloed, mijn ziel bewaterd, indien Christus ooit dierbaar geworden is, het is alles door Zijn genade; het is alles geschonken uit vrije, soevereine genade, zonder geld en zonder prijs.
Maar kan het ontkend worden — ik voor mij kan het niet ontkennen — dat wij door onze vleselijkheid, onbestendigheid, wereldgelijkvormigheid, onachtzaamheid, ondankbaarheid en het vergeten en verlaten van de God onzer barmhartigheden voortdurend een magerheid, onvruchtbaarheid, dodigheid en donkerheid over onze zielen halen? Aldus worden wij genoodzaakt uit te roepen: „Schuldig, schuldig!”, onze mond in het stof te steken, onszelf als onrein te achten en in waarheid te belijden dat wij de grootste der zondaren zijn en de minste van alle heiligen.
En toch opent de Heere in Zijn verborgen handelingen juist zo een weg om Zijn soevereine genade en barmhartigheid te kunnen bewijzen. Hoe meer wij onszelf veroordeeld gevoelen, afgesneden, gekloofd en gewond door onze zonde en dwaasheid, door onze afwijkingen en omzwervingen buiten God, hoe lager wij zullen bukken, hoe meer wij onze mond in het stof zullen steken en hoe vrijer wij onze nietigheid voor Hem zullen belijden. En indien het de Heere zou behagen in deze gewichtige ogenblikken onze blinde ogen te openen om iets te zien van het dierbaar bloed des Lams, een zoete belofte aan onze ziel toe te passen, of ons hart te brengen onder een gevoel van Zijn goedertierenheid en barmhartigheden, hoe zoet en gepast is dan die genade, waar zij over alle bergen en heuvelen van zonde en schande heen komt!
Alzo wordt de goedertierenheid Gods als het ware teruggekaatst op en door onze nietigheid en onreinheid, gelijk wij somtijds de zon zien schijnen op een zwarte wolk en door haar teruggekaatst worden. De zwarte wolk van onze onreinheid dient slechts om de heerlijkheid der stralen van vrije genade en de schitterende stralen van de Zon der gerechtigheid te verhogen.
Aan de lezer…
Kent u dat? U moet bekennen dat u het uzelf hebt aangedaan: dat de magerheid, de dodigheid en de donkerheid waarover u klaagt, niet van buiten kwamen, maar uit uw eigen vleselijkheid, onachtzaamheid en het verlaten van de God uwer barmhartigheden. Dat is een bittere belijdenis, en het is goed dat u haar niet ontwijkt. Leg dan uw mond in het stof en roep: „Schuldig, schuldig!” Dat is de plaats waar de Heere Zijn volk vindt.
Want juist daar opent Hij een weg om Zijn vrije en soevereine genade te bewijzen. Hoe lager u bukt, hoe zoeter het u zal zijn wanneer Hij uw ogen opent voor het dierbaar bloed des Lams, en Zijn genade over alle bergen van zonde en schande heen komt. Gelijk de zon het helderst schijnt tegen een zwarte wolk, zo zal de Zon der gerechtigheid het heerlijkst stralen tegen de achtergrond van uw onreinheid.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Doet gij u dit niet zelf, doordien gij de Heere uw God verlaat, ten tijde als Hij u op de weg leidt?
Jeremia 2:17
Ik geloof dat niemand beter weet dan ik zelf dat wij niets van geestelijke aard kunnen doen dat ons dicht bij God brengt. Maar ik ben er tegelijk van overtuigd dat wij veel dingen kunnen doen die ons van God afvoeren. Elk druppeltje genoten barmhartigheid, elk straaltje licht van hoop, elke zoete toepassing van de waarheid aan het hart, elk besef dat wij deel aan Hem hebben, elk gezegend getuigenis, elke hemelse glimlach, elke tedere zucht en geestelijke gewaarwording: het is allemaal uit God. Als mijn hart ooit vernederd is, mijn geest beïnvloed, mijn ziel bewaterd, als Christus mij ooit dierbaar geworden is, dan is het allemaal door Zijn genade. Het is allemaal geschonken uit vrije, soevereine genade, zonder geld en zonder prijs.
Maar kan het ontkend worden — ik voor mij kan het niet ontkennen — dat wij door onze vleselijkheid, onstandvastigheid, wereldgelijkvormigheid, onachtzaamheid, ondankbaarheid en het vergeten en verlaten van de God van onze barmhartigheden voortdurend magerheid, onvruchtbaarheid, doodsheid en duisternis over onze zielen brengen? Zo worden wij gedwongen uit te roepen: „Schuldig, schuldig!”, onze mond in het stof te steken, onszelf onrein te achten en in waarheid te belijden dat wij de grootste van de zondaren zijn en de minste van alle heiligen.
En toch opent de Heere in Zijn verborgen handelingen juist zo een weg om Zijn soevereine genade en barmhartigheid te kunnen bewijzen. Hoe meer wij ons veroordeeld voelen, afgesneden, gespleten en gewond door onze zonde en dwaasheid, door onze afdwalingen en omzwervingen buiten God, hoe dieper wij zullen buigen, hoe meer wij onze mond in het stof zullen steken en hoe vrijer wij onze nietigheid voor Hem zullen belijden. En als het de Heere zou behagen op die gewichtige ogenblikken onze blinde ogen te openen om iets te zien van het dierbaar bloed van het Lam, een zoete belofte aan onze ziel toe te passen, of ons hart te brengen onder een besef van Zijn goedertierenheid en barmhartigheden, hoe zoet en passend is die genade dan, wanneer zij over alle bergen en heuvels van zonde en schande heen komt!
Zo wordt de goedertierenheid van God als het ware weerkaatst op en door onze nietigheid en onreinheid, zoals wij soms de zon zien schijnen op een zwarte wolk en door haar weerkaatst zien worden. De zwarte wolk van onze onreinheid dient alleen om de heerlijkheid van de stralen van vrije genade en de schitterende stralen van de Zon der gerechtigheid te verhogen.
Aan de lezer…
Kent u dat? U moet bekennen dat u het uzelf hebt aangedaan: dat de magerheid, de doodsheid en de duisternis waarover u klaagt, niet van buiten kwamen, maar uit uw eigen vleselijkheid, onachtzaamheid en het verlaten van de God van uw barmhartigheden. Dat is een bittere belijdenis, en het is goed dat u haar niet ontwijkt. Leg dan uw mond in het stof en roep: „Schuldig, schuldig!” Dat is de plaats waar de Heere Zijn volk vindt.
Want juist daar opent Hij een weg om Zijn vrije en soevereine genade te bewijzen. Hoe dieper u buigt, hoe zoeter het u zal zijn wanneer Hij uw ogen opent voor het dierbaar bloed van het Lam en Zijn genade over alle bergen van zonde en schande heen komt. Zoals de zon het helderst schijnt tegen een zwarte wolk, zo zal de Zon der gerechtigheid het heerlijkst stralen tegen de achtergrond van uw onreinheid.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Hast thou not procured this unto thyself, in that thou hast forsaken the LORD thy God, when He led thee by the way?
Jeremiah 2:17
No man knows better, I believe, than myself, that we cannot do anything of a spiritual nature to bring ourselves near to God, but I am equally sure that we can do many things that set us very far from Him. Let all the shame and guilt be ours; all the grace and glory are God’s. Every drop of felt mercy, every ray of gracious hope, every sweet application of truth to the heart, every sense of saving interest, every blessed testimony, every sweet indulgence, every heavenly smile, every tender desire, and every spiritual feeling, all, all are of God. If ever my heart is softened, my spirit blessed, my soul watered, if Christ is ever felt to be precious, it is all of His grace; it is all given freely, sovereignly, without money and without price.
But can it be denied—I for one cannot deny it—that by our carnality, inconsistency, worldly-mindedness, negligence, ingratitude, and forsaking and forgetting the God of our mercies, we are continually bringing leanness and barrenness, deadness and darkness into our own souls? Thus we are forced to plead “Guilty, guilty!” to put our mouth in the dust, acknowledge ourselves to be vile, and confess ourselves indeed “of sinners chief, and of saints less than the least.”
Yet thus does God, in His mysterious dealings, open up a way for His sovereign grace and mercy to visit the soul. The more we feel ourselves condemned, cut off, gashed, and wounded by a sense of sin and folly, backslidings and wanderings from God, the lower we shall lie, the more we shall put our mouth in the dust, the more freely we shall confess our baseness before Him. And if the Lord should be pleased, in these solemn moments, to open our poor blind eyes to see something of the precious blood of the Lamb, to apply some sweet promise to the soul, or to bring to the heart a sense of His goodness and mercy, how sweet and suitable is that grace, as coming over all the mountains and hills of our sin and shame.
Thus is the goodness of God, as it were, reflected on and by our baseness and vileness, as we see the sun sometimes shining on and reflected by a black cloud. The black cloud of our vileness but serves to heighten the glory of the rays of free grace and the bright beams of the Sun of righteousness.
To the reader…
Do you know this? You have to admit that you have brought it upon yourself: that the leanness, the deadness and the darkness you complain of did not come from outside, but from your own carnality, negligence and forsaking of the God of your mercies. That is a bitter confession, and it is good that you do not avoid it. Put your mouth, then, in the dust and cry, “Guilty, guilty!” That is the place where the Lord finds His people.
For it is just there that He opens a way to show His free and sovereign grace. The lower you bow, the sweeter it will be to you when He opens your eyes to the precious blood of the Lamb and His grace comes over all the mountains of sin and shame. As the sun shines brightest against a black cloud, so the Sun of righteousness will shine most gloriously against the background of your vileness.
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
¿No te acarreó esto el haber dejado a Jehová tu Dios, cuando te hacía andar por camino?
Jeremías 2:17
Nadie sabe mejor que yo, creo, que no podemos hacer nada de naturaleza espiritual para acercarnos a Dios; pero estoy igualmente seguro de que podemos hacer muchas cosas que nos alejan mucho de Él. Sea nuestra toda la vergüenza y la culpa; toda la gracia y la gloria son de Dios. Cada gota de misericordia sentida, cada rayo de esperanza llena de gracia, cada dulce aplicación de la verdad al corazón, cada sentir de una parte salvadora, cada bendito testimonio, cada dulce favor, cada sonrisa celestial, cada tierno deseo y cada sentimiento espiritual: todo, todo es de Dios. Si alguna vez mi corazón se ablanda, mi espíritu es bendecido, mi alma regada; si alguna vez siento que Cristo es precioso, todo es de Su gracia; todo es dado gratuitamente, soberanamente, sin dinero y sin precio.
Pero ¿puede negarse (yo por mi parte no puedo negarlo) que por nuestra carnalidad, inconsecuencia, mundanalidad, negligencia, ingratitud, y por dejar y olvidar al Dios de nuestras misericordias, estamos continuamente trayendo flaqueza y esterilidad, muerte y tinieblas a nuestras propias almas? Así nos vemos obligados a declarar: “¡Culpable, culpable!”, a poner nuestra boca en el polvo, reconocernos viles y confesarnos de veras “el primero de los pecadores, y menos que el más pequeño de todos los santos.”
Y sin embargo así es como Dios, en Sus misteriosos tratos, abre un camino para que Su gracia y misericordia soberanas visiten el alma. Cuanto más nos sentimos condenados, cortados, desgarrados y heridos por un sentir del pecado y la necedad, de nuestras rebeliones y extravíos lejos de Dios, tanto más abajo yaceremos, tanto más pondremos nuestra boca en el polvo, tanto más libremente confesaremos nuestra bajeza delante de Él. Y si al Señor le place, en estos momentos solemnes, abrir nuestros pobres ojos ciegos para ver algo de la preciosa sangre del Cordero, aplicar alguna dulce promesa al alma o traer al corazón un sentir de Su bondad y misericordia, ¡qué dulce y qué adecuada es esa gracia, viniendo por encima de todos los montes y collados de nuestro pecado y vergüenza!
Así la bondad de Dios se refleja, por así decirlo, sobre nuestra bajeza y vileza y por medio de ellas, como vemos a veces el sol brillar sobre una nube negra y reflejarse en ella. La nube negra de nuestra vileza no sirve sino para realzar la gloria de los rayos de la gracia gratuita y los brillantes destellos del Sol de justicia.
Al lector…
¿Conoce usted esto? Tiene que admitir que usted mismo se lo ha acarreado: que la flaqueza, la muerte y las tinieblas de que se queja no vinieron de fuera, sino de su propia carnalidad, negligencia y abandono del Dios de sus misericordias. Es una confesión amarga, y es bueno que no la evite. Ponga, pues, su boca en el polvo y clame: “¡Culpable, culpable!” Ese es el lugar donde el Señor encuentra a Su pueblo.
Porque es precisamente allí donde Él abre un camino para mostrar Su gracia libre y soberana. Cuanto más se incline, más dulce le será cuando Él abra sus ojos a la preciosa sangre del Cordero y Su gracia venga por encima de todos los montes de pecado y vergüenza. Así como el sol brilla más contra una nube negra, así el Sol de justicia brillará con más gloria sobre el fondo de su vileza.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl