5 dagen geleden verschenen
Het gesprek van een gelovige met zijn ziel
Een uitleg van Psalm 42:12 als gesprek tussen David en zijn ziel: waarom de ziel terneergeslagen en onrustig is, waarom ze op God moet hopen en hoe die hoop uitloopt…
12 dagen geleden verschenen
Het woord van Gods genade
Een uitleg van Handelingen 20:32: Paulus beveelt de oudsten van Efeze aan God en aan het woord van Zijn genade. Alleen dat woord, door de Geest toegepast, bouwt de ziel…
2 weken geleden verschenen
Schatten in de duisternis
Uitleg van Jesaja 45:2,3 voor Gods kinderen: de Heere gaat voor hen uit, maakt kromme wegen recht, verbreekt koperen deuren en ijzeren grendels, geeft verborgen schatten en leert hen zo…
Verkrijgen en verliezen
Naar Prediker 3:6: een levende ziel verkrijgt geestelijke dingen, van kennis van God en van zichzelf tot geloof en vergeving, maar verliest ook haar eigen gerechtigheid en kracht. De preek…
Het schudden van wat gemaakt is en de vastheid van wat gegeven is
Over Hebreeën 12:27,28: wat gemaakt is, wordt geschud en weggenomen, wat God geeft blijft. Het Koninkrijk dat niet bewogen kan worden wordt door geloof ontvangen, door genade vastgehouden en draagt…
Korenaren Uit De Volle Oogst
En dit is het getuigenis, namelijk dat ons God het eeuwige leven gegeven heeft, en ditzelve leven is in Zijn Zoon.
1 Johannes 5:11
Hoe dikwijls zien wij, en zien wij te vergeefs, naar leven in onszelf. Waar is het dat, als God onze zielen heeft levend gemaakt, wij deelgenoten zijn van het goddelijke leven, het geestelijke leven, het eeuwige leven, het leven dat in Christus is en van Christus komt; en toch, hoe dikwijls zoeken wij te vergeefs het warm en gloeiend in onze ziel te vinden! Is het eenmaal gegeven, dan sterft het nimmer; maar het is dikwijls onder de as verborgen, en al brandt het langzaam en gloeit het flauw, toch verbergt de as het voor het gezicht, en door een overblijfsel van warmte weten wij slechts dat het daar is.
„Uw leven is met Christus verborgen in God” (Kol. 3:3), en daarom niet alleen verborgen als weggelegd en bewaard in God, maar verborgen voor de wereld, en zelfs verborgen voor de ogen van hem die het bezit. Christus is ons leven. Er is geen ander. Wanneer wij dus naar het leven in onszelf zoeken, onafhankelijk en onderscheiden van de Bron des levens, zoekt men in het schepsel wat in de goddelijke Schepper is; zoekt men in de mens wat in de Godmens is; zoekt men in zichzelf wat buiten onszelf is, besloten in de volheid van de Zoon Gods.
En het is niet alleen dat het leven in Hem is, maar Hij is het Leven Zelf. Evenals de zon niet alleen licht en warmte heeft, maar zelf licht en warmte is, zo geeft niet alleen de gezegende Heere het leven, maar Hij Zelf is wat Hij geeft. Evenals een fontein niet alleen water geeft, maar zelf geheel water is, zo geeft Christus niet alleen wat Hij is, maar is alles wat Hij geeft. Daarom is Hij niet alleen „de Opstanding”, alles, zo voor tijd als eeuwigheid, in Zich verenigende wat de opstanding bevat, maar is Hij „het Leven”, zijnde in Zichzelf een Fontein des levens, waaruit Hij van Zijn eigen volheid geeft aan de leden van Zijn geestelijk lichaam.
U heeft de Heer, wie ’t nooit berouwt, gezworen:
„’k Heb u, mijn volk tot heil, mijn naam ten prijs,
in mijne raad het priesterambt beschoren,
dat eeuwig duurt naar Melchizedeks wijs.”
Ps. 110:4
Aan de lezer…
Wanneer u zo dikwijls te vergeefs naar warmte in uw eigen hart zoekt, naar binnen ziet en slechts as vindt, wordt u wellicht bang dat het leven er nooit geweest is. Bedenk dan dat het leven dat God geeft, nimmer sterft. Het kan onder de as verborgen liggen en flauw gloeien, zodat u het zelf nauwelijks bespeurt, maar het is met Christus verborgen in God.
Daarom moet u uw leven niet in uzelf zoeken, maar in Hem. Christus is ons leven; er is geen ander. Hij geeft niet alleen het leven, Hij is het Leven Zelf, een Fontein waaruit Hij van Zijn eigen volheid geeft aan de leden van Zijn lichaam. Wend dan uw ogen af van de koude as in uw boezem en zie op Hem, in Wie al de volheid woont. Het getuigenis staat vast: God heeft ons het eeuwige leven gegeven, en ditzelve leven is in Zijn Zoon.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
En dit is het getuigenis, namelijk dat ons God het eeuwige leven gegeven heeft, en ditzelve leven is in Zijn Zoon.
1 Johannes 5:11
Hoe vaak zoeken wij leven in onszelf, en zoeken wij tevergeefs! Het is waar: als God onze ziel levend heeft gemaakt, hebben wij deel aan het Goddelijke leven, het geestelijke leven, het eeuwige leven, het leven dat in Christus is en van Christus komt. En toch, hoe vaak proberen wij tevergeefs het warm en gloeiend in onze ziel te vinden! Is het eenmaal gegeven, dan sterft het nooit; maar het ligt vaak onder de as verborgen. Al brandt het langzaam en gloeit het flauw, de as onttrekt het aan het oog, en alleen door een restje warmte weten wij dat het er is.
„Uw leven is met Christus verborgen in God” (Kol. 3:3). Het is dus niet alleen verborgen in de zin van weggelegd en bewaard in God, maar ook verborgen voor de wereld, en zelfs verborgen voor de ogen van wie het bezit. Christus is ons leven. Er is geen ander. Wanneer wij dus het leven in onszelf zoeken, los van en onderscheiden van de Bron van het leven, dan zoeken wij in het schepsel wat in de Goddelijke Schepper is; dan zoeken wij in de mens wat in de Godmens is; dan zoeken wij in onszelf wat buiten onszelf ligt, besloten in de volheid van de Zoon van God.
En het is niet alleen zo dat het leven in Hem is, maar Hij is Zelf het Leven. Zoals de zon niet alleen licht en warmte heeft, maar zelf licht en warmte is, zo geeft de gezegende Heere niet alleen het leven, maar is Hij Zelf wat Hij geeft. Zoals een fontein niet alleen water geeft, maar zelf helemaal water is, zo geeft Christus niet alleen wat Hij is, maar is Hij ook alles wat Hij geeft. Daarom is Hij niet alleen „de Opstanding”, Die alles wat de opstanding inhoudt, voor tijd en eeuwigheid, in Zichzelf verenigt, maar is Hij ook „het Leven”. Hij is in Zichzelf een Fontein van het leven, waaruit Hij van Zijn eigen volheid geeft aan de leden van Zijn geestelijk lichaam.
U heeft de Heer, wie ’t nooit berouwt, gezworen:
„’k Heb u, mijn volk tot heil, mijn naam ten prijs,
in mijne raad het priesterambt beschoren,
dat eeuwig duurt naar Melchizedeks wijs.”
Ps. 110:4
Aan de lezer…
Wanneer u zo vaak tevergeefs naar warmte in uw eigen hart zoekt, naar binnen kijkt en alleen as vindt, wordt u misschien bang dat het leven er nooit geweest is. Bedenk dan dat het leven dat God geeft, nooit sterft. Het kan onder de as verborgen liggen en flauw gloeien, zodat u het zelf nauwelijks bespeurt, maar het is met Christus verborgen in God.
Zoek uw leven daarom niet in uzelf, maar in Hem. Christus is ons leven; er is geen ander. Hij geeft niet alleen het leven, Hij is Zelf het Leven, een Fontein waaruit Hij van Zijn eigen volheid geeft aan de leden van Zijn lichaam. Wend uw ogen dan af van de koude as in uw binnenste en zie op Hem, in Wie al de volheid woont. Het getuigenis staat vast: God heeft ons het eeuwige leven gegeven, en dat leven is in Zijn Zoon.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
And this is the record, that God hath given to us eternal life, and this life is in His Son.
1 John 5:11
How often we are looking and looking in vain for life in ourselves. True it is that if God has quickened our souls we are partakers of life divine, of life spiritual, of life eternal, of the life that is in Christ and comes from Christ; and yet how often we vainly seek to find it warm and glowing in our breasts. If once given it never dies; but it is often hidden beneath the ashes, and thus though it slowly burns and dimly glows, yet the ashes hide it from view, and we only know it is there by some remains of warmth. “Your life is hidden with Christ in God” (Col. 3:3); and therefore not only hidden as treasured and stored up safely in God, but hidden from the world, and even hidden from the eyes of its possessor.
Christ is our life. There is no other. To look, then, for life in ourselves independent of and distinct from the fountain of life is to look for that in the creature which is lodged in the divine Creator, is to look for that in man which dwells in the God-man; to look for that in self which is out of self, embosomed in the fullness of the Son of God. And it is not merely that life is in Him, but He is the life itself.
As the sun not only has light and heat, but is light itself and heat itself, so the blessed Lord not only grants life, but He Himself is what He grants. As a fountain not only gives water, but is itself all water, so Christ not only gives what He is, but is all that He gives. Not only, therefore, is He the “resurrection,” centering in Himself everything, both for time and eternity, which resurrection contains and resurrection implies, but He is “the life,” being in Himself a fountain of life, out of which He gives from His own fullness to the members of His mystical body.
To the reader…
When you so often look in vain for warmth in your own heart, look within and find only ashes, you may become afraid that the life was never there. Remember, then, that the life God gives never dies. It may lie hidden beneath the ashes and glow only dimly, so that you yourself can hardly perceive it, but it is hidden with Christ in God.
So do not seek your life in yourself, but in Him. Christ is our life; there is no other. He does not only give life, He Himself is the Life, a Fountain out of which He gives from His own fulness to the members of His body. Turn your eyes away, then, from the cold ashes within you and look to Him, in Whom all fulness dwells. The record stands firm: God hath given to us eternal life, and this life is in His Son.
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
Y este es el testimonio: Que Dios nos ha dado vida eterna; y esta vida está en Su Hijo.
1 Juan 5:11
¡Cuántas veces buscamos y buscamos en vano la vida en nosotros mismos! Es verdad que, si Dios ha vivificado nuestras almas, somos partícipes de la vida divina, de la vida espiritual, de la vida eterna, de la vida que está en Cristo y viene de Cristo; y sin embargo, ¡cuántas veces procuramos en vano hallarla cálida y ardiente en nuestro pecho! Una vez dada, nunca muere; pero a menudo está escondida bajo las cenizas, y así, aunque arde lentamente y brilla débilmente, las cenizas la ocultan a la vista, y solo sabemos que está ahí por algún resto de calor. “Vuestra vida está escondida con Cristo en Dios” (Colosenses 3:3); y por tanto no solo escondida como un tesoro guardado con seguridad en Dios, sino escondida del mundo, y aun escondida de los ojos de quien la posee.
Cristo es nuestra vida. No hay otra. Buscar, pues, vida en nosotros mismos, independiente y distinta de la fuente de la vida, es buscar en la criatura lo que está depositado en el divino Creador; es buscar en el hombre lo que mora en el Dios-Hombre; buscar en el yo lo que está fuera del yo, encerrado en la plenitud del Hijo de Dios. Y no es meramente que la vida esté en Él, sino que Él es la vida misma.
Así como el sol no solo tiene luz y calor, sino que es la luz misma y el calor mismo, así el bendito Señor no solo concede vida, sino que Él mismo es lo que concede. Así como una fuente no solo da agua, sino que ella misma es toda agua, así Cristo no solo da lo que Él es, sino que es todo lo que da. Por tanto, no solo es Él “la resurrección”, que concentra en Sí mismo todo lo que la resurrección contiene e implica, tanto para el tiempo como para la eternidad, sino que es “la vida”, siendo en Sí mismo una fuente de vida, de la cual da de Su propia plenitud a los miembros de Su cuerpo místico.
Al lector…
Cuando tantas veces busca en vano calor en su propio corazón, mira dentro y no halla más que cenizas, puede llegar a temer que la vida nunca estuvo allí. Recuerde entonces que la vida que Dios da nunca muere. Puede estar escondida bajo las cenizas y brillar solo débilmente, de modo que usted mismo apenas pueda percibirla, pero está escondida con Cristo en Dios.
No busque, pues, su vida en sí mismo, sino en Él. Cristo es nuestra vida; no hay otra. Él no solo da vida, sino que Él mismo es la Vida, una Fuente de la cual da de Su propia plenitud a los miembros de Su cuerpo. Aparte, pues, sus ojos de las cenizas frías dentro de usted y mire a Él, en Quien habita toda plenitud. El testimonio permanece firme: Dios nos ha dado vida eterna, y esta vida está en Su Hijo.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl
365 Dagen Met Philpot
Genees mij
Genees mij, HEERE, zo zal ik genezen worden; behoud mij, zo zal ik behouden worden, want Gij zijt mijn lof.
Jeremia 17:14
Als wij merken dat de Heere in Zijn barmhartigheid alles voor onze ziel heeft gedaan, als wij geloven dat Hij een genadewerk in ons heeft verricht; dat Hij ons heeft overtuigd van onze van nature gevallen staat; dat Hij ons naar Hemzelf heeft geleid, het ons mogelijk heeft gemaakt te rusten op Zijn beloften en ons onszelf heeft doen haten; dat Hij in ons een geest van gebed heeft gaande gemaakt en aangewakkerd, en Jezus bij tijden voor onze ziel dierbaar heeft gemaakt; dat Hij ons een blik heeft gegund op de heerlijkheid van Zijn Persoon, de rijkdommen van Zijn genade, de geschiktheid van al Zijn ambten en kenmerken, en Hem zo voor ons hart geliefd heeft gemaakt – dan kunnen wij zeggen: „Gij zijt mijn lof.”
„Gij zijt geloofd voor elke beproeving, U zij dank voor elk verdriet, en gezegend zij Uw Naam voor elke oefening, want ik weet dat al deze dingen ten goede voor mijn ziel zijn geweest. Er is niet één beproeving noch één smart te veel geweest; het heeft allemaal bijgedragen ten goede van mij en van Uw heerlijkheid.” En daarom kunnen wij dit in ernstige momenten zo uitdrukken, omdat Hij „onze lof” is.
Wij hebben reden om Hem te loven voor elke openbaring van onze vreselijke ziekte en elke onthulling van de geschiktheid van Zijn kostbare geneesmiddel; wij hebben grond om Hem te loven voor elke blik op onszelf en elke blik op Christus; voor elke blik op zonde en schaamte, en elke blik op de mantel der gerechtigheid die ertegen beschermt en beschut (Jes. 61:10). Wij hebben grond Hem te zegenen voor elk gebed, elk verlangen, elke zucht, elke uitroep en elk gekerm.
Lezen: Psalm 3
Aan de lezer…
Soms wordt u gevraagd de Heere te danken voor uw beproevingen. Dat valt het vlees zwaar. Wij danken graag voor licht en ruimte, maar wie dankt er voor een blik op zijn vreselijke ziekte, voor schaamte, voor een zucht en een gekerm? En toch: was het niet juist die openbaring van de kwaal die u leerde zien hoe geschikt Zijn kostbare geneesmiddel is? Zou de mantel der gerechtigheid u zo dierbaar zijn, als u zonde en schaamte nooit gevoeld had?
Misschien kunt u het vandaag nog niet zeggen. Uw smart is te groot, en de zin ervan is u verborgen. Maar Hij Die u van uw gevallen staat overtuigde en u naar Zich toe leidde, zal u eens doen zien dat er niet één beproeving te veel is geweest. Houd aan met zuchten en roepen; ook dat gebed is een gave waarvoor wij Hem zullen zegenen. Dan zult u met de profeet zeggen: „Gij zijt mijn lof.”
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Genees mij, HEERE, zo zal ik genezen worden; behoud mij, zo zal ik behouden worden, want Gij zijt mijn lof.
Jeremia 17:14
Als wij merken dat de Heere in Zijn barmhartigheid alles voor onze ziel heeft gedaan, als wij geloven dat Hij een genadewerk in ons heeft verricht – dat Hij ons heeft overtuigd van onze gevallen staat van nature, dat Hij ons naar Zichzelf heeft geleid, ons in staat heeft gesteld op Zijn beloften te rusten en ons onszelf heeft leren haten, dat Hij in ons een geest van gebed heeft gewekt en aangewakkerd en Jezus soms dierbaar heeft gemaakt voor onze ziel, dat Hij ons een blik heeft gegund op de heerlijkheid van Zijn Persoon, de rijkdom van Zijn genade en de geschiktheid van al Zijn ambten en kenmerken, en Hem zo geliefd heeft gemaakt voor ons hart – dan kunnen wij zeggen: „Gij zijt mijn lof.”
„Gij zijt geloofd voor elke beproeving, U zij dank voor elk verdriet, en gezegend zij Uw Naam voor elke oefening, want ik weet dat al deze dingen ten goede voor mijn ziel zijn geweest. Er is niet één beproeving noch één smart te veel geweest; het heeft allemaal bijgedragen ten goede van mij en van Uw heerlijkheid.” En wij kunnen het in ernstige ogenblikken zo uitdrukken, omdat Hij „onze lof” is.
Wij hebben reden om Hem te loven voor elke openbaring van onze vreselijke ziekte en voor elke ontdekking van de geschiktheid van Zijn kostbare geneesmiddel. Wij hebben grond om Hem te loven voor elke blik op onszelf en elke blik op Christus, voor elke blik op zonde en schaamte, en voor elke blik op de mantel der gerechtigheid die daartegen beschermt en beschut (Jes. 61:10). Wij hebben grond om Hem te zegenen voor elk gebed, elk verlangen, elke zucht, elke uitroep en elk gekerm.
Lezen: Psalm 3
Aan de lezer…
Soms wordt u gevraagd de Heere te danken voor uw beproevingen. Dat valt het vlees zwaar. Wij danken graag voor licht en ruimte, maar wie dankt er voor een blik op zijn vreselijke ziekte, voor schaamte, voor een zucht en een gekerm? En toch: was het niet juist die openbaring van de kwaal die u leerde zien hoe geschikt Zijn kostbare geneesmiddel is? Zou de mantel der gerechtigheid u zo dierbaar zijn als u zonde en schaamte nooit gevoeld had?
Misschien kunt u het vandaag nog niet zeggen. Uw smart is te groot en de zin ervan is voor u verborgen. Maar Hij Die u van uw gevallen staat overtuigde en u naar Zich toe leidde, zal u eens laten zien dat er niet één beproeving te veel is geweest. Blijf zuchten en roepen; ook dat gebed is een gave waarvoor wij Hem zullen zegenen. Dan zult u met de profeet zeggen: „Gij zijt mijn lof.”
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Heal me, O LORD, and I shall be healed; save me, and I shall be saved: for Thou art my praise.
Jeremiah 17:14
When we feel that the Lord in His mercy has done all for our soul, when we believe that He has wrought a work of grace in us—that He has convinced us of our fallen state by nature, that He has led us to Himself, enabled us to rest upon His promises and taught us to loathe ourselves, that He has raised up and kindled in us a spirit of prayer and has sometimes made Jesus precious to our soul, that He has granted us a view of the glory of His Person, the riches of His grace and the suitability of all His offices and characters, and has thus endeared Him to our heart—then we can say, “Thou art my praise.”
“Praised be Thou for every trial, thanks be to Thee for every sorrow, and blessed be Thy Name for every exercise, for I know that all these things have been for the good of my soul. There has not been one trial nor one sorrow too many; it has all worked together for my good and for Thy glory.” And we can express it so in solemn moments, because He is “our praise.”
We have reason to praise Him for every discovery of our dreadful disease and for every discovery of the suitability of His precious remedy. We have ground to praise Him for every view of ourselves and every view of Christ, for every view of sin and shame, and for every view of the robe of righteousness which covers and shelters from them (Isa. 61:10). We have ground to bless Him for every prayer, every desire, every sigh, every cry and every groan.
Reading: Psalm 3
To the reader…
Sometimes you are asked to thank the Lord for your trials. That comes hard to the flesh. We gladly give thanks for light and liberty, but who gives thanks for a view of his dreadful disease, for shame, for a sigh and a groan? And yet, was it not just that discovery of the malady which taught you to see how suitable His precious remedy is? Would the robe of righteousness be so precious to you if you had never felt sin and shame?
Perhaps you cannot say it yet today. Your sorrow is too great, and its meaning is hidden from you. But He Who convinced you of your fallen state and led you to Himself will one day show you that there has not been one trial too many. Keep on sighing and crying; that prayer too is a gift for which we shall bless Him. Then you will say with the prophet, “Thou art my praise.”
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
Sáname, oh Jehová, y seré sano; sálvame, y seré salvo: porque Tú eres mi alabanza.
Jeremías 17:14
Cuando sentimos que el Señor en Su misericordia lo ha hecho todo por nuestra alma, cuando creemos que Él ha obrado en nosotros una obra de gracia —que nos ha convencido de nuestro estado caído por naturaleza, que nos ha conducido a Sí mismo, nos ha capacitado para descansar en Sus promesas y nos ha enseñado a aborrecernos a nosotros mismos, que ha suscitado y encendido en nosotros un espíritu de oración y a veces ha hecho precioso a Jesús para nuestra alma, que nos ha concedido una vista de la gloria de Su Persona, de las riquezas de Su gracia y de la idoneidad de todos Sus oficios y caracteres, y así le ha hecho amado a nuestro corazón—, entonces podemos decir: “Tú eres mi alabanza”.
“Alabado seas Tú por cada prueba, gracias a Ti por cada tristeza, y bendito sea Tu Nombre por cada ejercicio, porque sé que todas estas cosas han sido para el bien de mi alma. No ha habido ni una prueba ni una tristeza de más; todo ha obrado junto para mi bien y para Tu gloria”. Y así podemos expresarlo en momentos solemnes, porque Él es “nuestra alabanza”.
Tenemos motivo para alabarle por cada descubrimiento de nuestra terrible enfermedad y por cada descubrimiento de la idoneidad de Su precioso remedio. Tenemos razón para alabarle por cada vista de nosotros mismos y cada vista de Cristo, por cada vista del pecado y la vergüenza, y por cada vista del manto de justicia que cubre y resguarda de ellos (Is. 61:10). Tenemos razón para bendecirle por cada oración, cada deseo, cada suspiro, cada clamor y cada gemido.
Lectura: Salmo 3
Al lector…
A veces se le pide que dé gracias al Señor por sus pruebas. Eso cuesta a la carne. Con gusto damos gracias por la luz y la libertad, pero ¿quién da gracias por una vista de su terrible enfermedad, por la vergüenza, por un suspiro y un gemido? Y sin embargo, ¿no fue justamente ese descubrimiento del mal lo que le enseñó a ver cuán adecuado es Su precioso remedio? ¿Le sería tan precioso el manto de justicia si nunca hubiera sentido el pecado y la vergüenza?
Quizá hoy todavía no pueda decirlo. Su tristeza es demasiado grande, y su sentido le está oculto. Pero Aquel que le convenció de su estado caído y le condujo a Sí mismo le mostrará un día que no ha habido ni una prueba de más. Siga suspirando y clamando; también esa oración es un don por el cual le bendeciremos. Entonces dirá usted con el profeta: “Tú eres mi alabanza”.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl
Door Baca's Vallei
Doch de lijdzaamheid hebbe een volmaakt werk.
Jacobus 1:4
De lijdzaamheid heeft haar werk; en wat is dit? Tweevoudig, overeenkomstig mijn verklaring van het woord. Ten eerste: alle beproevingen te verdragen, stand te houden in alle verzoekingen, alle kruisen en lasten te dragen, alle strijd te weerstaan, niet slaphandig te zijn onder alle moeilijkheden, en alle vijanden te overwinnen. Ten tweede: zich te onderwerpen aan de wil van God, te erkennen dat Hij de Heere en Koning is, geen eigen wil of weg te verkiezen, noch een ontwerp of plan om het vlees te behagen, noch het kruis te mijden of de roede te ontlopen, doch ons eenvoudig te onderwerpen aan des Heeren rechtvaardige handelingen, beide in de voorzienigheid en in de genade, gelovende dat Hij alle dingen wel doet, dat Hij een Soeverein is, Die alle dingen werkt naar de raad van Zijn wil. Nu, tenzij de ziel in deze gestalte gebracht is, is het werk der lijdzaamheid niet volmaakt; het moge zoetjes voortgaan, maar het is niet volkomen.
Gij kunt thans in de oven der verzoeking verkeren en door een vurige beproeving heen moeten. Zijt gij wederstrevig of onderworpen? Indien gij opstandig zijt, dan moet gij in de oven blijven tot gij tot onderwerping zijt gebracht; en dat niet alleen, maar het moet een algehele onderwerping zijn, anders heeft de lijdzaamheid niet haar volmaakt werk. Het vuil en het schuim der wederstreving moet uitgezuiverd worden en het zuivere metaal moet bezinken. Het is geheel de genade Gods om dit een ogenblik te beleven. Doch zijn of waren er in uw ziel geen ogenblikken dat gij stil kondt zijn en kondt weten dat Hij God is? Wanneer gij u alstoen kondt onderwerpen aan Zijn wil, gelovende dat Hij naar Zijn wijsheid niet anders handelen kon? Als deze onderwerping wordt waargenomen, dan heeft de lijdzaamheid haar volmaakt werk.
Zie op Jezus, ons grote Voorbeeld; zie Hem in de donkere hof, met in het vooruitzicht het kruis op de volgende morgen. Hij kon zeggen: „Niet Mijn wil, maar Uw wil geschiede!” Daar was het volmaakte werk der lijdzaamheid in de volmaakte ziel van de Verlosser. Nu, gij en ik moeten een werk in ons hebben dat daarmede overeenkomt, of anders kunnen wij niet den beelde van onze gekruisigde Heere in Zijn lijden gelijkvormig worden. De lijdzaamheid in ons moet haar volmaakt werk hebben, en de Heere slaat er acht op of dit zo is.
Vergelijken wij dit met een machine. Ziet de machinist in een mooie en degelijke machine een boutje loszitten of een rad niet goed functioneren, dan herstelt hij dit defect om het geheel weer als een goede machine te doen werken. Zo is het ook als de God onzer zaligheid een bijzondere genade niet in orde ziet of niet behoorlijk in oefening overeenkomstig haar aangewezen werking. Dan beïnvloedt Hij door Zijn Geest het hart zodanig, dat deze genade weer gebracht wordt tot de oefening die zij behoort te hebben. Meet uw geloof en lijdzaamheid aan deze maatstaf, doch onderscheid ze wel en verwar ze niet met de werkingen van uw vleselijk gemoed. Hier gaan wij dikwijls fout.
Wij kunnen onderworpen zijn in ons gemoed, zachtmoedig en lijdzaam, bedaard en gelaten naar de inwendige mens, en toch menige opritseling en opstandige beweging van het vlees gewaarworden, en zo schijnt de lijdzaamheid haar volmaakt werk niet te hebben. Doch uit te zien naar een volkomen onderwerping in het vlees, is uit te zien naar de volmaaktheid van het vlees, hetgeen nooit beloofd en nooit gegeven is. Zie maar waartoe de Geest u bewerkt; niet voor het vleselijk gemoed, dat zich de wet Gods niet onderwerpt, en het kan dit inderdaad ook niet, en daarom kent het geen onderwerping noch vernedering. Let maar op het bijzondere werk waarvan de Vorst des vredes Heere en Regeerder is, en zie of er in de kalme diepte van uw ziel, waar Hij leeft en regeert, de onderwerping gevonden wordt aan de wil van God.
Aan de lezer…
U die in de oven der verzoeking ligt, voelt u hoe het vlees zich daartegen opwerpt? Wordt u moedeloos omdat er telkens weer opstandige bewegingen in u opkomen, en denkt u daarom dat er van lijdzaamheid bij u geen sprake is? Zie dan niet naar een volkomen onderwerping in het vlees; die is nooit beloofd en nooit gegeven. Zie liever of er in de stille diepte van uw ziel, waar de Vorst des vredes regeert, iets is dat zegt: „Niet mijn wil, maar Uw wil geschiede.”
Het is geheel genade om dat ook maar een ogenblik te beleven. Maar heeft de Heere u zulke ogenblikken gegeven, dat u stil kon zijn en weten dat Hij God is, dan werkt Zijn Geest in u. Hij laat u niet langer in de oven dan nodig is om het schuim uit te zuiveren. Zie op Jezus in de donkere hof; Zijn lijdzaamheid was volmaakt, en naar Zijn beeld wil Hij u gelijkvormig maken.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Doch de lijdzaamheid hebbe een volmaakt werk.
Jacobus 1:4
De lijdzaamheid heeft haar werk; en wat is dat? Het is tweevoudig, overeenkomstig mijn uitleg van het woord. Ten eerste: alle beproevingen verdragen, standhouden in alle verzoekingen, alle kruisen en lasten dragen, alle strijd weerstaan, niet de handen laten zakken onder alle moeilijkheden, en alle vijanden overwinnen. Ten tweede: zich onderwerpen aan de wil van God en erkennen dat Hij de Heere en Koning is. Dat betekent: geen eigen wil of weg kiezen, geen ontwerp of plan maken om het vlees te behagen, het kruis niet mijden en de roede niet ontlopen, maar ons eenvoudig onderwerpen aan de rechtvaardige handelingen van de Heere, zowel in de voorzienigheid als in de genade, in het geloof dat Hij alle dingen goed doet en dat Hij een Soeverein is, Die alle dingen werkt naar de raad van Zijn wil. Welnu, tenzij de ziel in deze gesteldheid gebracht is, is het werk van de lijdzaamheid niet volmaakt; het mag rustig voortgaan, maar het is niet volkomen.
Het kan zijn dat u op dit moment in de oven van de verzoeking bent en door een vurige beproeving heen moet. Bent u weerspannig of onderworpen? Als u opstandig bent, dan moet u in de oven blijven totdat u tot onderwerping gebracht bent; en niet alleen dat, maar het moet een volledige onderwerping zijn, anders heeft de lijdzaamheid niet haar volmaakt werk. Het vuil en het schuim van de weerspannigheid moeten uitgezuiverd worden en het zuivere metaal moet bezinken. Het is helemaal Gods genade om dit ook maar een ogenblik te beleven. Maar zijn of waren er in uw ziel geen ogenblikken dat u stil kon zijn en kon weten dat Hij God is? Momenten waarop u zich toen kon onderwerpen aan Zijn wil, in het geloof dat Hij naar Zijn wijsheid niet anders kon handelen? Wanneer deze onderwerping wordt opgemerkt, dan heeft de lijdzaamheid haar volmaakt werk.
Zie op Jezus, ons grote Voorbeeld. Zie Hem in de donkere hof, met het kruis van de volgende morgen voor ogen. Hij kon zeggen: „Niet Mijn wil, maar Uw wil geschiede!” Daar was het volmaakte werk van de lijdzaamheid in de volmaakte ziel van de Verlosser. Welnu, u en ik moeten een werk in ons hebben dat daarmee overeenkomt, anders kunnen wij niet gelijkvormig worden aan het beeld van onze gekruisigde Heere in Zijn lijden. De lijdzaamheid in ons moet haar volmaakt werk hebben, en de Heere let erop of dat zo is.
Laten we dit vergelijken met een machine. Ziet de machinist in een mooie en degelijke machine een boutje loszitten of een rad niet goed werken, dan herstelt hij dit defect, zodat het geheel weer als een goede machine werkt. Zo is het ook wanneer de God van onze zaligheid ziet dat een bepaalde genade niet in orde is, of niet goed in oefening is overeenkomstig de werking die haar is toegewezen. Dan beïnvloedt Hij door Zijn Geest het hart zo, dat deze genade weer tot de oefening gebracht wordt die zij behoort te hebben. Meet uw geloof en lijdzaamheid aan deze maatstaf, maar onderscheid ze goed en verwar ze niet met de werkingen van uw vleselijke gezindheid. Hier gaan wij vaak de fout in.
Wij kunnen in ons gemoed onderworpen zijn, zachtmoedig en lijdzaam, kalm en gelaten naar de inwendige mens, en toch menige opwelling en opstandige beweging van het vlees opmerken, zodat het lijkt alsof de lijdzaamheid haar volmaakt werk niet heeft. Maar uitzien naar een volkomen onderwerping in het vlees is uitzien naar de volmaaktheid van het vlees, en die is nooit beloofd en nooit gegeven. Let alleen op waartoe de Geest u bewerkt; niet op de vleselijke gezindheid, die zich niet aan de wet van God onderwerpt en dat ook werkelijk niet kan, en daarom geen onderwerping of vernedering kent. Let alleen op het bijzondere werk waarover de Vorst des vredes Heere en Regeerder is, en zie of er in de kalme diepte van uw ziel, waar Hij leeft en regeert, onderwerping aan de wil van God te vinden is.
Aan de lezer…
U die in de oven van de verzoeking ligt, voelt u hoe het vlees zich daartegen verzet? Wordt u moedeloos omdat er telkens weer opstandige bewegingen in u opkomen, en denkt u daarom dat er bij u van lijdzaamheid geen sprake is? Zie dan niet uit naar een volkomen onderwerping in het vlees; die is nooit beloofd en nooit gegeven. Zie liever of er in de stille diepte van uw ziel, waar de Vorst des vredes regeert, iets is dat zegt: „Niet mijn wil, maar Uw wil geschiede.”
Het is helemaal genade om dat ook maar een ogenblik te beleven. Maar heeft de Heere u zulke ogenblikken gegeven, dat u stil kon zijn en weten dat Hij God is, dan werkt Zijn Geest in u. Hij laat u niet langer in de oven dan nodig is om het schuim uit te zuiveren. Zie op Jezus in de donkere hof; Zijn lijdzaamheid was volmaakt, en aan Zijn beeld wil Hij u gelijkvormig maken.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
“But let patience have her perfect work.”
James 1:4
Patience then has its work; and what is that?
1. To ENDURE all trials, live through all temptations, bear all crosses, carry all loads, fight all battles, toil through all difficulties, and overcome all enemies.
2. To SUBMIT to the will of God, to own that He is Lord and King, to have no will or way of its own, no scheme or plan to please the flesh, avoid the cross, or escape the rod; but to submit simply to God’s righteous dealings, both in providence and grace, believing that He does all things well, that He is a Sovereign, “and works all things according to the counsel of His own will.”
Now until the soul is brought to this point, the work of patience is not perfect; it may be going on, but it is not consummated. You may be in the furnace of temptation now, passing through the fiery trial. Are you rebellious or submissive? If still rebellious, you must abide in the furnace until you are brought to submission; and not only so, but it must be thorough submission, or else patience has not its perfect work. The dross and slag of rebellion must be scummed off, and the pure metal flow down. It is all of God’s grace to feel this for a single moment.
But are there not, and have there not been, times and seasons, in your soul, when you could be still and know that He is God? when you could submit to His will, believing that He is too wise to err, too good to be unkind? When this submission is felt, patience has its perfect work. Look at Jesus, our great example—see Him in the gloomy garden, with the cross in prospect before Him on the coming morn. How He could say, “Not My will, but Yours be done!” There was the perfect work of patience in the perfect soul of the Redeemer. Now you and I must have a work in our soul corresponding to this, or else we are not conformed to the suffering image of our crucified Lord.
Patience in us must have its perfect work; and God will take care that it shall be so. As in a beautiful piece of machinery, if the engineer sees a cog loose or a wheel out of gear, he must adjust the defective part, that it may work easily and properly, and in harmony with the whole machine; so if the God of all our salvation sees a particular grace not in operation or not properly performing its appointed work, He by His Spirit so influences the heart that it is again brought to work as He designed it should do.
Measure your faith and patience by this standard; but do not take in conjunction, or confound with them the workings of your carnal mind. Here we often mistake—we may be submissive as regards our spirit, meek and patient, quiet and resigned, in the inward man, yet feel many uprisings and rebellings of the flesh; and thus patience may not seem to have her perfect work. But to look for perfect submission in the flesh is to look for perfection in the flesh, which was never promised and is never given.
Look to what the Spirit is working in you—not to the carnal mind, which is not subject to the law of God, neither indeed can be, and therefore knows neither subjection nor submission. Look at that inward principality of which the Prince of peace is Lord and Ruler, and see whether in the still depths of your soul, and where He lives and reigns, there is submission to the will of God.
To the reader…
You who lie in the furnace of temptation, do you feel how the flesh resists it? Are you discouraged because rebellious stirrings keep rising up in you, and do you therefore think there is no patience in you at all? Then do not look for a perfect submission in the flesh; that was never promised and is never given. Look rather whether, in the still depths of your soul, where the Prince of peace reigns, there is something that says, “Not my will, but Thine be done.”
It is all of grace to experience that for even a single moment. But if the Lord has given you such moments, when you could be still and know that He is God, then His Spirit is at work in you. He does not leave you in the furnace any longer than is needed to scum off the dross. Look to Jesus in the dark garden; His patience was perfect, and it is to His image that He would conform you.
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
Mas tenga la paciencia perfecta su obra.
Santiago 1:4
La paciencia, pues, tiene su obra; ¿y cuál es?
1. SOPORTAR todas las pruebas, sobrevivir a todas las tentaciones, llevar todas las cruces, cargar con todos los pesos, pelear todas las batallas, abrirse paso a través de todas las dificultades y vencer a todos los enemigos.
2. SOMETERSE a la voluntad de Dios, reconocer que Él es Señor y Rey, no tener voluntad ni camino propios, ningún plan ni proyecto para agradar a la carne, evitar la cruz o escapar de la vara; sino someterse sencillamente a los justos tratos de Dios, tanto en la providencia como en la gracia, creyendo que Él lo hace todo bien, que es Soberano, “y hace todas las cosas según el consejo de Su voluntad”.
Ahora bien, hasta que el alma es llevada a este punto, la obra de la paciencia no es perfecta; puede estar en curso, pero no está consumada. Quizá esté usted ahora en el horno de la tentación, pasando por la prueba de fuego. ¿Es usted rebelde o sumiso? Si todavía es rebelde, debe permanecer en el horno hasta que sea llevado a la sumisión; y no solo eso, sino que ha de ser una sumisión completa, o de lo contrario la paciencia no tiene su obra perfecta. La escoria y los desechos de la rebelión han de ser espumados, y el metal puro ha de fluir. Es todo de la gracia de Dios sentir esto aunque sea por un solo momento.
Pero ¿no hay, y no ha habido, tiempos y ocasiones en su alma en que usted podía estar quieto y conocer que Él es Dios? ¿En que podía someterse a Su voluntad, creyendo que Él es demasiado sabio para errar y demasiado bueno para ser duro? Cuando se siente esta sumisión, la paciencia tiene su obra perfecta. Mire a Jesús, nuestro gran ejemplo; véale en el sombrío huerto, con la cruz delante de Él para la mañana siguiente. ¡Cómo pudo decir: “No sea como Yo quiero, sino como Tú”! Allí estaba la obra perfecta de la paciencia en el alma perfecta del Redentor. Ahora bien, usted y yo hemos de tener en nuestra alma una obra que corresponda a esta, o de lo contrario no somos conformados a la imagen sufriente de nuestro Señor crucificado.
La paciencia en nosotros ha de tener su obra perfecta; y Dios cuidará de que así sea. Como en una hermosa maquinaria, si el ingeniero ve un diente flojo o una rueda desencajada, debe ajustar la pieza defectuosa para que funcione con facilidad y como es debido, en armonía con toda la máquina; así, si el Dios de toda nuestra salvación ve que una gracia particular no está en operación o no cumple debidamente su obra señalada, Él por Su Espíritu influye de tal manera en el corazón que esta vuelve a obrar como Él dispuso que obrara.
Mida usted su fe y su paciencia por esta norma; pero no junte con ellas ni las confunda con las operaciones de su mente carnal. Aquí nos equivocamos a menudo: podemos ser sumisos en cuanto a nuestro espíritu, mansos y pacientes, quietos y resignados en el hombre interior, y sin embargo sentir muchos levantamientos y rebeliones de la carne; y así puede parecer que la paciencia no tiene su obra perfecta. Pero buscar una sumisión perfecta en la carne es buscar perfección en la carne, la cual nunca fue prometida y nunca se da.
Mire lo que el Espíritu está obrando en usted, no a la mente carnal, que no se sujeta a la ley de Dios, ni tampoco puede, y por tanto no conoce ni sujeción ni sumisión. Mire aquel principado interior del cual el Príncipe de paz es Señor y Gobernante, y vea si en las quietas profundidades de su alma, allí donde Él vive y reina, hay sumisión a la voluntad de Dios.
Al lector…
Usted que yace en el horno de la tentación, ¿siente cómo la carne se resiste? ¿Está desanimado porque se siguen levantando en usted impulsos rebeldes, y piensa por ello que no hay en usted paciencia alguna? Entonces no busque una sumisión perfecta en la carne; eso nunca fue prometido y nunca se da. Mire más bien si en las quietas profundidades de su alma, donde reina el Príncipe de paz, hay algo que dice: “No sea mi voluntad, sino la Tuya.”
Es todo de gracia experimentar eso aunque sea por un solo momento. Pero si el Señor le ha dado tales momentos, en que usted podía estar quieto y conocer que Él es Dios, entonces Su Espíritu está obrando en usted. Él no le deja en el horno más tiempo del necesario para espumar la escoria. Mire a Jesús en el oscuro huerto; Su paciencia fue perfecta, y es a Su imagen a la que Él quiere conformarle.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl