vandaag verschenen
Een medelijdende Hogepriester en een troon der genade
Over Hebreeën 4:15,16: Christus, onze grote Hogepriester, kan medelijden hebben met onze zwakheden en is in alles verzocht, maar zonder zonde. Juist wie zijn zwakheden en verzoekingen voelt, wordt aangespoord…
7 dagen geleden verschenen
Het gesprek van een gelovige met zijn ziel
Een uitleg van Psalm 42:12 als gesprek tussen David en zijn ziel: waarom de ziel terneergeslagen en onrustig is, waarom ze op God moet hopen en hoe die hoop uitloopt…
2 weken geleden verschenen
Het woord van Gods genade
Een uitleg van Handelingen 20:32: Paulus beveelt de oudsten van Efeze aan God en aan het woord van Zijn genade. Alleen dat woord, door de Geest toegepast, bouwt de ziel…
3 weken geleden verschenen
Schatten in de duisternis
Uitleg van Jesaja 45:2,3 voor Gods kinderen: de Heere gaat voor hen uit, maakt kromme wegen recht, verbreekt koperen deuren en ijzeren grendels, geeft verborgen schatten en leert hen zo…
Verkrijgen en verliezen
Naar Prediker 3:6: een levende ziel verkrijgt geestelijke dingen, van kennis van God en van zichzelf tot geloof en vergeving, maar verliest ook haar eigen gerechtigheid en kracht. De preek…
Korenaren Uit De Volle Oogst
Dies zullen zij komen, en op de hoogte van Zion juichen.
Jeremia 31:12
Tenzij de verlosten iets kennen van de kracht van het zoenbloed en hun geweten door hetzelve van de schuld en de onreinheid gereinigd zij, kunnen zij niet komen juichen op de hoogte van Zion. Maar wanneer zij verlost zijn door de hand van Hem, Die sterker is dan zij; wanneer het zoenbloed aan hun geweten reiniging van schuld en onreinheid heeft aangebracht; wanneer Christus geopenbaard is en bij ervaring gekend wordt; wanneer Zijn Evangelie in de hand des Geestes een woord van macht wordt, en er aan het gelovig hart een blik op de Koning in al Zijn schoonheid vergund is, dan komen zij, getrokken door de koorden der liefde en mensenzelen, tot Zion, waar de Koning in heerlijkheid zit op Zijn troon.
Het wordt „de hoogte van Zion” genoemd, niet slechts omdat Zion een hoge berg was, maar omdat de Heere van leven en heerlijkheid tot de hoogste plaats van waarheid en macht verheven is. Gods oude belofte was: „Ziet, Mijn Knecht zal verhoogd worden en verheven, ja zeer hoog worden” (Jesaja 52:13); en de apostel zegt: „Daarom heeft Hem ook God uitermate verhoogd, en heeft Hem een naam gegeven, welke boven alle naam is” (Fil. 2:9); en verder: „Verre boven alle overheid, en macht, en kracht, en heerschappij, en alle naam die genaamd wordt, niet alleen in deze wereld, maar ook in de toekomende” (Ef. 1:21).
Maar waartoe komen zij? Het is om met Hem gemeenschap te oefenen; om Hem in de schoonheid Zijner heiligheid te aanbidden; om woorden van Zijn lippen, een blik van Zijn gelaat, de aanraking van Zijn hand en fluisteringen van Zijn lippen te ontvangen. En als het Hem behaagt een woord als Vredevorst tot hen te spreken, Zich aan hun zielen in de heerlijkheid Zijner Godheid als God-mens te openbaren en Zijn liefde in hun harten uit te storten, dan kunnen zij juichen, en in hen is de belofte vervuld: „Zij zullen komen, en op de hoogte van Zion juichen.”
Want Sion is van God begeerd,
’t wordt met Zijn woning hoog vereerd.
„Hier”, sprak Hij, Die het al beheert,
„hier zal Ik wonen naar Mijn lust,
hier is in eeuwigheid Mijn rust.”
Ps. 132:9
Aan de lezer…
Soms kunt u niet juichen, en is het u eerder te moede om te zuchten. Dat is geen wonder zolang de schuld nog op het geweten drukt. Niemand juicht op de hoogte van Zion voordat hij iets kent van de kracht van het zoenbloed. Maar Hij Die sterker is dan u, kan u verlossen, en Hij trekt de Zijnen met koorden der liefde, niet met dwang.
En waartoe trekt Hij u? Om met Hem gemeenschap te hebben, om een woord van Zijn lippen en een blik van Zijn gelaat te ontvangen. Hij is uitermate verhoogd, verre boven alle overheid en macht, en toch spreekt Hij als Vredevorst tot een arm hart. Zoek Hem dan, ook als u nog niet juichen kunt; de belofte staat vast: „Zij zullen komen, en op de hoogte van Zion juichen.”
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Dies zullen zij komen, en op de hoogte van Zion juichen.
Jeremia 31:12
Tenzij de verlosten iets kennen van de kracht van het zoenbloed en hun geweten daardoor van schuld en onreinheid gereinigd is, kunnen zij niet komen juichen op de hoogte van Sion. Maar wanneer zij verlost zijn door de hand van Hem Die sterker is dan zij, wanneer het zoenbloed hun geweten van schuld en onreinheid gereinigd heeft, wanneer Christus geopenbaard is en uit ervaring gekend wordt, wanneer Zijn Evangelie in de hand van de Geest een woord van kracht wordt en het gelovige hart een blik mag slaan op de Koning in al Zijn schoonheid, dan komen zij. Getrokken door koorden van liefde en mensenzelen komen zij naar Sion, waar de Koning in heerlijkheid op Zijn troon zit.
Het wordt „de hoogte van Zion” genoemd, niet alleen omdat Sion een hoge berg was, maar omdat de Heere van leven en heerlijkheid verhoogd is tot de hoogste plaats van waarheid en macht. Gods oude belofte was: „Ziet, Mijn Knecht zal verhoogd worden en verheven, ja zeer hoog worden” (Jesaja 52:13). En de apostel zegt: „Daarom heeft Hem ook God uitermate verhoogd, en heeft Hem een naam gegeven, welke boven alle naam is” (Fil. 2:9). En verder: „Verre boven alle overheid, en macht, en kracht, en heerschappij, en alle naam die genaamd wordt, niet alleen in deze wereld, maar ook in de toekomende” (Ef. 1:21).
Maar waarvoor komen zij? Om gemeenschap met Hem te hebben, om Hem te aanbidden in de schoonheid van Zijn heiligheid, en om woorden van Zijn lippen, een blik van Zijn gelaat, de aanraking van Zijn hand en het gefluister van Zijn lippen te ontvangen. En wanneer het Hem behaagt als Vredevorst een woord tot hen te spreken, Zich aan hun zielen als God-mens te openbaren in de heerlijkheid van Zijn Godheid en Zijn liefde in hun harten uit te storten, dan kunnen zij juichen. Dan is in hen de belofte vervuld: „Zij zullen komen, en op de hoogte van Zion juichen.”
Want Sion is van God begeerd,
’t wordt met Zijn woning hoog vereerd.
„Hier”, sprak Hij, Die het al beheert,
„hier zal Ik wonen naar Mijn lust,
hier is in eeuwigheid Mijn rust.”
Ps. 132:9
Aan de lezer…
Soms kunt u niet juichen, en is het u eerder te moede om te zuchten. Dat is geen wonder zolang de schuld nog op het geweten drukt. Niemand juicht op de hoogte van Sion voordat hij iets kent van de kracht van het zoenbloed. Maar Hij Die sterker is dan u, kan u verlossen, en Hij trekt de Zijnen met koorden van liefde, niet met dwang.
En waarvoor trekt Hij u? Om gemeenschap met Hem te hebben, om een woord van Zijn lippen en een blik van Zijn gelaat te ontvangen. Hij is uitermate verhoogd, ver boven alle overheid en macht, en toch spreekt Hij als Vredevorst tot een arm hart. Zoek Hem dan, ook als u nog niet kunt juichen; de belofte staat vast: „Zij zullen komen, en op de hoogte van Zion juichen.”
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Therefore they shall come and sing in the height of Zion.
Jeremiah 31:12
Until the redeemed know something of the efficacy of atoning blood and have their consciences purged from guilt and filth by its application, they cannot come and sing in the height of Zion. But when they are redeemed from the hand of him who is stronger than they; when atoning blood is applied to their consciences to purge away guilt and filth; when Christ is revealed and made experimentally known; when His gospel in the hands of the Spirit becomes a word of power, and a view of the King in His beauty is granted to the believing heart, then, drawn by the cords of love and the bands of a man, they come to Zion, where the King sits enthroned in glory. It is called “the height of Zion,” not only because Zion was high literally, but because the Lord of life and glory is exalted to the highest place of dignity and power. God’s ancient promise was, “Behold, My servant shall be exalted and extolled, and be very high” (Isaiah 52:13); and the Apostle says, “therefore God also has highly exalted Him, and given Him a name which is above every name” (Phil. 2:9); and again, “Far above all principality, and power, and might, and dominion, and every name that is named, not only in this world, but also in that which is to come” (Eph. 1:21).
But why do they come? It is to commune with Him, to worship Him in the beauty of holiness, to get words from His lips, smiles from His face, touches from His hand, and whispers from His lips. And when He is graciously pleased to speak a word to them as Prince of peace, to reveal Himself to their souls in the glory of His divine Person as God-man, and to shed abroad His love in their hearts, then they can sing, and in them is the promise fulfilled, “They shall come and sing in the height of Zion.”
To the reader…
Sometimes you cannot sing for joy, and you feel more like sighing. That is no wonder as long as guilt still presses on the conscience. No one sings in the height of Zion until he knows something of the power of the atoning blood. But He Who is stronger than you can redeem you, and He draws His own with cords of love, not by force.
And what does He draw you for? To have communion with Him, to receive a word from His lips and a look from His face. He is highly exalted, far above all principality and power, and yet as Prince of peace He speaks to a poor heart. Seek Him, then, even if you cannot yet sing; the promise stands firm: “They shall come and sing in the height of Zion.”
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
Y vendrán, y harán alabanzas en lo alto de Sion.
Jeremías 31:12
Hasta que los redimidos conocen algo de la eficacia de la sangre expiatoria y tienen sus conciencias purificadas de culpa e inmundicia por la aplicación de ella, no pueden venir y hacer alabanzas en lo alto de Sion. Pero cuando son redimidos de mano del que era más fuerte que ellos; cuando la sangre expiatoria es aplicada a sus conciencias para quitar la culpa y la inmundicia; cuando Cristo es revelado y dado a conocer por experiencia; cuando Su evangelio en manos del Espíritu llega a ser una palabra de poder, y se concede al corazón creyente una vista del Rey en Su hermosura, entonces, atraídos con cuerdas de amor y con lazos humanos, vienen a Sion, donde el Rey está entronizado en gloria. Se llama “lo alto de Sion”, no solo porque Sion era alta literalmente, sino porque el Señor de la vida y de la gloria está exaltado al más alto lugar de dignidad y de poder. La antigua promesa de Dios era: “He aquí que Mi siervo será prosperado, será engrandecido y ensalzado, y será muy sublimado” (Isaías 52:13); y el apóstol dice: “Por lo cual Dios también le ensalzó a lo sumo, y diole un nombre que es sobre todo nombre” (Filipenses 2:9); y otra vez: “Sobre todo principado, y potestad, y potencia, y señorío, y todo nombre que se nombra, no solo en este siglo, mas aun en el venidero” (Efesios 1:21).
Pero ¿por qué vienen? Vienen para tener comunión con Él, para adorarle en la hermosura de la santidad, para recibir palabras de Sus labios, sonrisas de Su rostro, toques de Su mano y susurros de Su boca. Y cuando a Él le place en Su gracia hablarles una palabra como Príncipe de paz, revelarse a sus almas en la gloria de Su divina Persona como Dios-hombre, y derramar Su amor en sus corazones, entonces pueden cantar, y en ellos se cumple la promesa: “Vendrán, y harán alabanzas en lo alto de Sion”.
Al lector…
A veces usted no puede cantar de gozo, y se siente más bien inclinado a suspirar. No es de extrañar mientras la culpa siga oprimiendo la conciencia. Nadie canta en lo alto de Sion hasta que conoce algo del poder de la sangre expiatoria. Pero Aquel que es más fuerte que usted puede redimirle, y Él atrae a los Suyos con cuerdas de amor, no por la fuerza.
¿Y para qué le atrae? Para tener comunión con Él, para recibir una palabra de Sus labios y una mirada de Su rostro. Él está ensalzado a lo sumo, muy por encima de todo principado y potestad, y sin embargo, como Príncipe de paz, habla a un pobre corazón. Búsquele, pues, aunque todavía no pueda cantar; la promesa permanece firme: “Vendrán, y harán alabanzas en lo alto de Sion”.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl
365 Dagen Met Philpot
Door Christus tot God gaan
Waarom Hij ook volkomenlijk kan zalig maken degenen, die door Hem tot God gaan, alzo Hij altijd leeft om voor hen te bidden.
Hebreeën 7:25
Het besef van de noodzaak ervan ligt ten grondslag aan het gaan tot God. Als we geen behoeften hebben, kunnen we het heel goed zonder Jezus Christus stellen. Maar als we talloze behoeften hebben, als we arm en hulpbehoevend, zondig, vuil en schuldig, hulpeloos, hopeloos en ontdaan zijn, en dan door het oog van het geloof zien wat een rijke voorraad in het Evangelie aanwezig is, dat er „vergeving bij God is, opdat Hij gevreesd wordt” (Ps. 130:4) — als dit in de ziel ervaren wordt, worden gevoelens opgeroepen die moeilijk te beschrijven zijn. Dit zijn dus de personen die Jezus Christus redt: die „door Hem tot God gaan”. Alle anderen geloven dat ze zichzelf kunnen redden.
Maar als ik mijn eigen rechtvaardigheid kan bewerkstelligen, wil ik Christus niet. Als ik God kan behagen met mijn eigen verrichtingen, wil ik die van Immanuël niet. Als ik mezelf van mijn zonden kan reinigen, wil ik het bloed van Jezus niet. Als ik God met mijn eigen werken kan behagen, wil ik niet worden aanvaard in de Geliefde.
Maar als ik daarentegen voel dat ik van schuld en schaamte ben vervuld en geen vod heb om me mee te bedekken, maar dat mijn leven met zonde is bevuild en mijn natuur verschrikkelijk is in de ogen van een heilige God; als ik door het geloof het bloed en de rechtvaardigheid van de Zoon van God zie, alsmede Zijn liefdevolle barmhartigheid, en dat Zijn genade zeer overvloedig is boven de grote overvloed van mijn zonden — dan is het dit dat me tot Zijn voeten trekt. Als Hij zegt: „Wendt u naar Mij toe, want Ik ben God, en niemand meer” (Jes. 45:22), en het besef van mijn behoeften en Zijn volheid, van mijn schuld en schaamte en Zijn gerechtigheid — als deze twee zaken elkaar ontmoeten in een zondaarshart, pas dan gaan we tot God zoals God het van ons wil: in geloof en gevoel, in armoede en leegte, in bedelarij en faillissement. En pas dan wordt onze ziel vervuld vanuit „de vervulling Desgenen, Die alles in allen vervult” (Ef. 1:23). „Hij doet Zijn hand open en verzadigt (het verlangen van) al wat leeft” (Ps. 145:16).
Lezen: Psalm 130
Aan de lezer…
Het kan zijn dat u in uzelf niets ziet dan behoefte: schuld en schaamte, een leven bevuild met zonde, geen vod om u mee te bedekken. Daarover behoeft u zich niet te verbergen alsof het u van God uitsloot. Wie geen behoeften heeft, kan het zonder Jezus Christus stellen; maar wie arm, hulpeloos en ontdaan is, die is juist de persoon die Hij redt, die door Hem tot God gaat.
Laat dan uw armoede en Zijn volheid elkaar ontmoeten. Er is „vergeving bij God, opdat Hij gevreesd wordt”, en Zijn genade is zeer overvloedig boven de grote overvloed van uw zonden. Kom niet met uw eigen verrichtingen, maar als een bedelaar, leeg en failliet, tot Zijn voeten. Hij Die zegt: „Wendt u naar Mij toe”, doet Zijn hand open om de hongerige ziel te verzadigen.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Waarom Hij ook volkomenlijk kan zalig maken degenen, die door Hem tot God gaan, alzo Hij altijd leeft om voor hen te bidden.
Hebreeën 7:25
Aan het gaan tot God ligt het besef van nood ten grondslag. Als we geen behoeften hebben, kunnen we het heel goed zonder Jezus Christus stellen. Maar als we talloze behoeften hebben, als we arm en hulpbehoevend, zondig, vuil en schuldig, hulpeloos, hopeloos en radeloos zijn, en dan met het oog van het geloof zien welk een rijke voorraad er in het Evangelie is, dat er „vergeving bij God is, opdat Hij gevreesd wordt” (Ps. 130:4) — als dit in de ziel ervaren wordt, worden er gevoelens gewekt die moeilijk te beschrijven zijn. Dit zijn dus de personen die Jezus Christus zalig maakt: zij die „door Hem tot God gaan”. Alle anderen menen dat ze zichzelf kunnen redden.
Maar als ik mijn eigen gerechtigheid kan bewerken, heb ik Christus niet nodig. Als ik God kan behagen met mijn eigen verrichtingen, heb ik die van Immanuël niet nodig. Als ik mezelf van mijn zonden kan reinigen, heb ik het bloed van Jezus niet nodig. Als ik God met mijn eigen werken kan behagen, hoef ik niet aangenaam gemaakt te worden in de Geliefde.
Maar stel dat ik daarentegen voel dat ik vol schuld en schaamte ben en geen vod heb om me mee te bedekken, maar dat mijn leven met zonde bevlekt is en mijn natuur afschuwelijk is in de ogen van een heilig God. Stel dat ik door het geloof het bloed en de gerechtigheid van de Zoon van God zie, en ook Zijn liefdevolle barmhartigheid, en dat Zijn genade zeer overvloedig is boven de grote overvloed van mijn zonden — dan is het dit dat me tot Zijn voeten trekt. Als Hij zegt: „Wendt u naar Mij toe, want Ik ben God, en niemand meer” (Jes. 45:22), en het besef van mijn behoeften en Zijn volheid, van mijn schuld en schaamte en Zijn gerechtigheid — als deze twee dingen elkaar in een zondaarshart ontmoeten, pas dan gaan we tot God zoals God het van ons wil: in geloof en gevoel, in armoede en leegte, als bedelaars en als bankroeten. En pas dan wordt onze ziel vervuld uit „de vervulling Desgenen, Die alles in allen vervult” (Ef. 1:23). „Hij doet Zijn hand open en verzadigt (het verlangen van) al wat leeft” (Ps. 145:16).
Lezen: Psalm 130
Aan de lezer…
Het kan zijn dat u in uzelf niets ziet dan nood: schuld en schaamte, een leven bevlekt met zonde, geen vod om u mee te bedekken. Daarvoor hoeft u zich niet te verbergen, alsof het u van God uitsloot. Wie geen behoeften heeft, kan het zonder Jezus Christus stellen; maar wie arm, hulpeloos en radeloos is, is juist de persoon die Hij zalig maakt, die door Hem tot God gaat.
Laat dan uw armoede en Zijn volheid elkaar ontmoeten. Er is „vergeving bij God, opdat Hij gevreesd wordt”, en Zijn genade is zeer overvloedig boven de grote overvloed van uw zonden. Kom niet met uw eigen verrichtingen, maar als een bedelaar, leeg en bankroet, tot Zijn voeten. Hij Die zegt: „Wendt u naar Mij toe”, doet Zijn hand open om de hongerige ziel te verzadigen.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Wherefore He is able also to save them to the uttermost that come unto God by Him, seeing He ever liveth to make intercession for them.
Hebrews 7:25
Underlying all coming unto God is a sense of need. If we have no wants, we can do very well without Jesus Christ. But if we have countless wants, if we are poor and needy, sinful, filthy and guilty, helpless, hopeless and desperate, and then see with the eye of faith what a rich supply there is in the gospel, that there is “forgiveness with Thee, that Thou mayest be feared” (Ps. 130:4) — when this is experienced in the soul, feelings are stirred up which are hard to describe. These, then, are the persons whom Jesus Christ saves: those who “come unto God by Him.” All others think they can save themselves.
But if I can work out my own righteousness, I have no need of Christ. If I can please God with my own performances, I have no need of Immanuel’s. If I can cleanse myself from my sins, I have no need of the blood of Jesus. If I can please God with my own works, I need not be made accepted in the Beloved.
But suppose, on the contrary, that I feel I am full of guilt and shame and have not a rag to cover myself with, but that my life is stained with sin and my nature is loathsome in the eyes of a holy God. Suppose that by faith I see the blood and righteousness of the Son of God, and also His loving mercy, and that His grace superabounds over the great abounding of my sins — then it is this that draws me to His feet. When He says, “Look unto Me, … for I am God, and there is none else” (Isa. 45:22), and there is the sense of my wants and His fulness, of my guilt and shame and His righteousness — when these two things meet in a sinner’s heart, then only do we come unto God as God would have us come: in faith and feeling, in poverty and emptiness, as beggars and as bankrupts.
And only then is our soul filled out of “the fulness of Him that filleth all in all” (Eph. 1:23). “Thou openest Thine hand, and satisfiest the desire of every living thing” (Ps. 145:16).
Reading: Psalm 130
To the reader…
It may be that you see nothing in yourself but need: guilt and shame, a life stained with sin, not a rag to cover yourself with. You need not hide from that, as though it shut you out from God. Whoever has no wants can do without Jesus Christ; but whoever is poor, helpless and desperate is just the person He saves, the one who comes unto God by Him.
Let your poverty and His fulness meet, then. There is “forgiveness with Thee, that Thou mayest be feared,” and His grace superabounds over the great abounding of your sins. Do not come with your own performances, but as a beggar, empty and bankrupt, to His feet. He Who says, “Look unto Me,” opens His hand to satisfy the hungry soul.
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
Por lo cual puede también salvar eternamente a los que por Él se allegan a Dios, viviendo siempre para interceder por ellos.
Hebreos 7:25
En el fondo de todo allegarse a Dios hay un sentimiento de necesidad. Si no tenemos carencias, podemos arreglarnos muy bien sin Jesucristo. Pero si tenemos innumerables carencias, si somos pobres y necesitados, pecadores, inmundos y culpables, impotentes, sin esperanza y desesperados, y luego vemos con el ojo de la fe qué rica provisión hay en el evangelio, que hay “perdón cerca de Ti, para que seas temido” (Sal. 130:4) —cuando esto se experimenta en el alma, se despiertan sentimientos difíciles de describir—. Estas son, pues, las personas a quienes Jesucristo salva: los que “por Él se allegan a Dios”. Todos los demás creen que pueden salvarse a sí mismos.
Pero si puedo obrar mi propia justicia, no tengo necesidad de Cristo. Si puedo agradar a Dios con mis propias obras, no tengo necesidad de las de Emmanuel. Si puedo limpiarme de mis pecados, no tengo necesidad de la sangre de Jesús. Si puedo agradar a Dios con mis propias obras, no necesito ser hecho acepto en el Amado.
Pero supongamos, por el contrario, que siento que estoy lleno de culpa y vergüenza y no tengo ni un harapo con que cubrirme, sino que mi vida está manchada de pecado y mi naturaleza es abominable a los ojos de un Dios santo. Supongamos que por la fe veo la sangre y la justicia del Hijo de Dios, y también Su amorosa misericordia, y que Su gracia sobreabunda sobre la gran abundancia de mis pecados: entonces es esto lo que me atrae a Sus pies. Cuando Él dice: “Mirad a Mí… porque Yo soy Dios, y no hay más” (Isa. 45:22), y hay el sentimiento de mis carencias y de Su plenitud, de mi culpa y vergüenza y de Su justicia —cuando estas dos cosas se encuentran en el corazón de un pecador—, solo entonces nos allegamos a Dios como Dios quiere que vengamos: con fe y sentimiento, en pobreza y vacío, como mendigos y como arruinados.
Y solo entonces es llenada nuestra alma de “la plenitud de Aquel que hinche todas las cosas en todos” (Ef. 1:23). “Abres Tu mano, y colmas de bendición a todo viviente” (Sal. 145:16).
Lectura: Salmo 130
Al lector…
Puede ser que usted no vea en sí mismo sino necesidad: culpa y vergüenza, una vida manchada de pecado, ni un harapo con que cubrirse. No tiene que esconderse de ello, como si eso le excluyera de Dios. Quien no tiene carencias puede arreglarse sin Jesucristo; pero quien es pobre, impotente y desesperado es precisamente la persona a quien Él salva, el que por Él se allega a Dios.
Deje, pues, que su pobreza y la plenitud de Él se encuentren. Hay “perdón cerca de Ti, para que seas temido”, y Su gracia sobreabunda sobre la gran abundancia de sus pecados. No venga con sus propias obras, sino como un mendigo, vacío y arruinado, a Sus pies. Aquel que dice: “Mirad a Mí”, abre Su mano para saciar al alma hambrienta.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl
Door Baca's Vallei
Maar, geliefden, wij verzekeren ons van u betere dingen, en met de zaligheid gevoegd, hoewel wij alzo spreken.
Hebreeën 6:9
Wat is zaligheid? Daarop acht gevende, moeten wij haar van twee zijden bezien: de zaligheid zoals zij voor ons is uitgewerkt, en de zaligheid zoals zij in ons gewerkt wordt. De zaligheid is voor de kerk verworven door het volbrachte werk van de Zoon van God, toen Hij de geest gaf en uitriep: „Het is volbracht.” De zaligheid van het overblijfsel naar de verkiezing der genade was toen in haar geheel aangebracht, zodat er niets aan kon worden toegevoegd; ook kon er niets aan ontnomen worden. „Want met één offerande heeft Hij in eeuwigheid volmaakt degenen, die door Hem geheiligd worden”, en zo staat de kerk volmaakt in Christus, zonder vlek of rimpel of iets dergelijks.
Maar er is ook een zaligheid die in de ziel wordt uitgewerkt: de openbaring en toepassing van die zaligheid die Jezus heeft teweeggebracht door Zijn lijden, bloedstorting en dood. Deze kunnen wij alleen bevindelijk kennen voor zover de gezegende Geest haar in onze harten werkt en haar daarin verzegelt door een heilige zalving en hemelse geur. Doch alle kinderen van God hebben niet deze zaligheid als een bevindelijke werkelijkheid in hun ziel, want twijfelingen, vrezen, donkerheid en aanvechtingen bewolken hun weg. Satan werpt zijn vurige pijlen in hun ziel, en zij zijn menigmaal niet in staat hun aandeel aan de Heere Jezus Christus en Zijn zaligheid vast te stellen.
Zij twijfelen er geenszins aan dat de Heere Jezus de Zaligmaker is dergenen die geloven; zij weten dat er geen andere toevlucht of verberging voor hun schuldige ziel is dan het bloed des Lams. Zij zijn daadwerkelijk afgebracht van het steunen op een verbond der werken; zij jagen niet naar dingen die hun geen nut kunnen doen, noch verbergen zij zich in leugenachtige toevluchten, want daarvan zijn zij krachtdadig afgesneden door een werk der genade in hun zielen. Maar het ongeloof huns harten, de dodigheid van hun gestalten, de onvruchtbaarheid van hun ziel en de verscheidene aanvechtingen waaraan zij blootgesteld zijn, doen hen vrezen dat zij de kenmerken van Gods kinderen missen, en zij zijn niet in staat hun aandeel in de liefde en het bloed des Lams op te maken.
Daarom spreekt de apostel van „dingen, met de zaligheid gevoegd”, dat zijn zekere kenmerken, zekere klare en ontwijfelbare tekenen van het werk der genade in de ziel. En sprekende tot de Hebreeën, zegt hij tot hun troost en bemoediging: „Wij verzekeren ons”, dat hoedanig ook uw twijfelingen en vrezen zijn en welke donkerheid ook over uw geest heerst, hoezeer gij ook met scherpe en hevige bestrijdingen te kampen hebt — wij verzekeren ons dat gij deze betere dingen bezit, dat wil zeggen de dingen die met de zaligheid gevoegd zijn, en dat deze zaligheid voor eeuwig uw deel zal zijn.
Aan de lezer…
Bent u, lezer, een van die bekommerden die niet aan Christus twijfelen, maar wel aan zichzelf? U weet dat er geen andere toevlucht is dan het bloed des Lams; van uw eigen werken bent u afgesneden. En toch doen het ongeloof van uw hart, uw dodigheid en onvruchtbaarheid u vrezen dat u de kenmerken van Gods kinderen mist. Weet dan dat zulke twijfelingen en duisternis de weg van vele kinderen Gods bewolken.
De zaligheid hangt niet aan uw gevoel; zij is volbracht toen Christus uitriep: „Het is volbracht”, en met één offerande heeft Hij Zijn volk in eeuwigheid volmaakt. Ziet u in uzelf dat afgesneden zijn van leugenachtige toevluchten en dat zoeken naar het bloed des Lams, dan zijn dat dingen die met de zaligheid gevoegd zijn. Wacht dan op de gezegende Geest, Die haar in uw hart verzegelen kan.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Maar, geliefden, wij verzekeren ons van u betere dingen, en met de zaligheid gevoegd, hoewel wij alzo spreken.
Hebreeën 6:9
Wat is zaligheid? Als wij daarop letten, moeten wij haar van twee kanten bekijken: de zaligheid zoals zij voor ons is uitgewerkt, en de zaligheid zoals zij in ons gewerkt wordt. De zaligheid is voor de kerk verworven door het volbrachte werk van de Zoon van God, toen Hij de geest gaf en uitriep: „Het is volbracht.” De zaligheid van het overblijfsel naar de verkiezing der genade was toen in haar geheel tot stand gebracht, zodat er niets aan kon worden toegevoegd; er kon ook niets van worden afgenomen. „Want met één offerande heeft Hij in eeuwigheid volmaakt degenen, die door Hem geheiligd worden”, en zo staat de kerk volmaakt in Christus, zonder vlek of rimpel of iets dergelijks.
Maar er is ook een zaligheid die in de ziel wordt uitgewerkt: de openbaring en toepassing van de zaligheid die Jezus tot stand heeft gebracht door Zijn lijden, bloedstorting en dood. Die kunnen wij alleen bevindelijk kennen voor zover de gezegende Geest haar in ons hart werkt en haar daarin verzegelt door een heilige zalving en een hemelse geur. Maar niet alle kinderen van God hebben deze zaligheid als een bevindelijke werkelijkheid in hun ziel, want twijfels, vrezen, duisternis en aanvechtingen bewolken hun weg. Satan werpt zijn vurige pijlen in hun ziel, en vaak zijn zij niet in staat hun deel aan de Heere Jezus Christus en Zijn zaligheid vast te stellen.
Zij twijfelen er helemaal niet aan dat de Heere Jezus de Zaligmaker is van hen die geloven; zij weten dat er voor hun schuldige ziel geen andere toevlucht of schuilplaats is dan het bloed van het Lam. Zij zijn werkelijk afgebracht van het steunen op een verbond van werken. Zij jagen niet naar dingen die hun niet kunnen baten, en zij verbergen zich ook niet in leugenachtige toevluchten, want daarvan zijn zij krachtig afgesneden door een werk van genade in hun ziel. Maar het ongeloof van hun hart, de dodigheid van hun gestalte, de onvruchtbaarheid van hun ziel en de verschillende aanvechtingen waaraan zij blootstaan, doen hen vrezen dat zij de kenmerken van Gods kinderen missen, en zij zijn niet in staat hun deel aan de liefde en het bloed van het Lam vast te stellen.
Daarom spreekt de apostel van „dingen, met de zaligheid gevoegd”, dat zijn bepaalde kenmerken, bepaalde duidelijke en ontwijfelbare tekenen van het werk van de genade in de ziel. En tot de Hebreeën zegt hij tot hun troost en bemoediging: „Wij verzekeren ons.” Hoe uw twijfels en vrezen ook zijn, welke duisternis er ook over uw geest heerst, hoezeer u ook met scherpe en hevige bestrijdingen te kampen hebt: wij zijn ervan verzekerd dat u deze betere dingen bezit, dat wil zeggen de dingen die met de zaligheid gevoegd zijn, en dat deze zaligheid voor eeuwig uw deel zal zijn.
Aan de lezer…
Bent u een van die bekommerden die niet aan Christus twijfelen, maar wel aan zichzelf? U weet dat er geen andere toevlucht is dan het bloed van het Lam; van uw eigen werken bent u afgesneden. En toch doen het ongeloof van uw hart, uw dodigheid en onvruchtbaarheid u vrezen dat u de kenmerken van Gods kinderen mist. Weet dan dat zulke twijfels en duisternis de weg van veel kinderen van God bewolken.
De zaligheid hangt niet aan uw gevoel. Zij is volbracht toen Christus uitriep: „Het is volbracht”, en met één offerande heeft Hij Zijn volk in eeuwigheid volmaakt. Ziet u in uzelf dat afgesneden zijn van leugenachtige toevluchten en dat zoeken naar het bloed van het Lam, dan zijn dat dingen die met de zaligheid gevoegd zijn. Wacht dan op de gezegende Geest, Die haar in uw hart kan verzegelen.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
But, beloved, we are persuaded better things of you, and things that accompany salvation, though we thus speak.
Hebrews 6:9
What is “salvation?” In looking at salvation, we must consider it in two points of view; salvation wrought out for us, and salvation wrought out in us. Salvation was wrought out FOR the Church by the finished work of the Son of God, when He cried with expiring breath, “It is finished.” The salvation of “the remnant according to the election of grace” was then completely accomplished, so that nothing could be added to, or taken from it; for “by one offering He has perfected forever those who are sanctified;” and thus the Church stands complete in Christ, “without spot, or wrinkle, or any such thing.”
But there is a salvation which is wrought out IN the soul; the manifestation and application of that salvation which Jesus wrought out by His sufferings, blood-shedding, and death; and this we can only know experimentally so far as the blessed Spirit brings it into our hearts, and seals it there with holy unction and heavenly savor.
But all the people of God cannot feel sure they have this salvation as an experimental reality; doubts, fears, darkness, and temptations becloud their path; Satan hurls his fiery darts into their souls; and they are often unable to realize their saving interest in the Lord Jesus Christ and His salvation. They do not doubt that the Lord Jesus is the Savior of those who believe; they know that there is no other refuge for their guilty souls but the blood of the Lamb. They are effectually stripped from cleaving to a covenant of works; they are not running after things that cannot profit them, nor hiding their heads in lying refuges—from all these things they are effectually cut off by a work of grace on their souls.
But through the unbelief of their hearts, the deadness of their frames, the barrenness of their souls, and the various temptations they are exercised with, they fear they have not the marks of God’s family, and are not able to realize their saving interest in the love and blood of the Lamb. The Apostle, therefore, speaks of “things that accompany salvation;” that is, certain marks and signs, certain clear and indubitable tokens of the work of grace on the soul.
And, speaking to the Hebrews, he says for their comfort and encouragement, “We are persuaded,” whatever be your doubts and fears, whatever the darkness of your mind, however exercised with sharp and severe temptations, “we are persuaded” you are in possession of those “better things,” of those “things that accompany salvation;” and that this salvation is therefore eternally yours.
To the reader…
Are you one of those troubled ones who do not doubt Christ, but do doubt themselves? You know there is no other refuge than the blood of the Lamb; you have been cut off from your own works. And yet the unbelief of your heart, your deadness and barrenness make you fear that you lack the marks of God’s children. Know, then, that such doubts and darkness becloud the path of many of God’s children.
Salvation does not hang on your feelings. It was finished when Christ cried out, “It is finished,” and by one offering He has perfected for ever His people. If you see in yourself that being cut off from lying refuges and that seeking after the blood of the Lamb, then those are things that accompany salvation. Wait, then, for the blessed Spirit, Who can seal it in your heart.
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
Pero de vosotros, oh amados, estamos persuadidos de cosas mejores, y que acompañan a la salvación, aunque hablamos así.
Hebreos 6:9
¿Qué es la “salvación”? Al considerar la salvación, debemos verla desde dos puntos de vista: la salvación obrada para nosotros, y la salvación obrada en nosotros. La salvación fue obrada PARA la Iglesia por la obra consumada del Hijo de Dios, cuando clamó con Su último aliento: “Consumado es”. La salvación del “remanente según la elección de gracia” quedó entonces completamente cumplida, de modo que nada podía añadírsele ni quitársele; porque “con una sola ofrenda hizo perfectos para siempre a los santificados”; y así la Iglesia está completa en Cristo, “que no tuviese mancha ni arruga, ni cosa semejante”.
Pero hay una salvación que es obrada EN el alma: la manifestación y aplicación de aquella salvación que Jesús obró por Sus sufrimientos, el derramamiento de Su sangre y Su muerte; y esta solo podemos conocerla experimentalmente en la medida en que el bendito Espíritu la trae a nuestros corazones y la sella allí con santa unción y sabor celestial.
Pero no todo el pueblo de Dios puede sentirse seguro de tener esta salvación como una realidad experimental; dudas, temores, oscuridad y tentaciones nublan su camino; Satanás lanza sus dardos de fuego a sus almas; y a menudo no pueden darse cuenta de su parte salvadora en el Señor Jesucristo y Su salvación. No dudan de que el Señor Jesús es el Salvador de los que creen; saben que no hay otro refugio para sus almas culpables sino la sangre del Cordero. Han sido eficazmente despojados de aferrarse a un pacto de obras; no corren tras cosas que no pueden aprovecharles, ni esconden la cabeza en refugios de mentira: de todas estas cosas han sido eficazmente cortados por una obra de gracia en sus almas.
Pero por la incredulidad de sus corazones, la muerte de su estado, la esterilidad de sus almas y las diversas tentaciones con que son ejercitados, temen no tener las marcas de la familia de Dios, y no pueden darse cuenta de su parte salvadora en el amor y la sangre del Cordero. Por eso el apóstol habla de “cosas que acompañan a la salvación”; es decir, ciertas marcas y señales, ciertas pruebas claras e indudables de la obra de gracia en el alma.
Y, hablando a los hebreos, dice para su consuelo y aliento: “Estamos persuadidos” —sean cuales sean sus dudas y temores, sea cual sea la oscuridad de su mente, por mucho que sean ejercitados con tentaciones agudas y severas—, “estamos persuadidos” de que ustedes poseen esas “cosas mejores”, esas “cosas que acompañan a la salvación”; y de que esta salvación es, por tanto, eternamente suya.
Al lector…
¿Es usted uno de esos atribulados que no dudan de Cristo, pero sí de sí mismos? Sabe que no hay otro refugio que la sangre del Cordero; ha sido cortado de sus propias obras. Y sin embargo, la incredulidad de su corazón, su muerte y su esterilidad le hacen temer que le faltan las marcas de los hijos de Dios. Sepa, entonces, que tales dudas y tal oscuridad nublan el camino de muchos de los hijos de Dios.
La salvación no depende de sus sentimientos. Quedó consumada cuando Cristo clamó: “Consumado es”, y con una sola ofrenda hizo perfecto para siempre a Su pueblo. Si ve en sí mismo ese estar cortado de los refugios de mentira y ese buscar la sangre del Cordero, entonces esas son cosas que acompañan a la salvación. Espere, pues, al bendito Espíritu, que puede sellarla en su corazón.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl