6 dagen geleden verschenen
Het gesprek van een gelovige met zijn ziel
Een uitleg van Psalm 42:12 als gesprek tussen David en zijn ziel: waarom de ziel terneergeslagen en onrustig is, waarom ze op God moet hopen en hoe die hoop uitloopt…
13 dagen geleden verschenen
Het woord van Gods genade
Een uitleg van Handelingen 20:32: Paulus beveelt de oudsten van Efeze aan God en aan het woord van Zijn genade. Alleen dat woord, door de Geest toegepast, bouwt de ziel…
2 weken geleden verschenen
Schatten in de duisternis
Uitleg van Jesaja 45:2,3 voor Gods kinderen: de Heere gaat voor hen uit, maakt kromme wegen recht, verbreekt koperen deuren en ijzeren grendels, geeft verborgen schatten en leert hen zo…
Verkrijgen en verliezen
Naar Prediker 3:6: een levende ziel verkrijgt geestelijke dingen, van kennis van God en van zichzelf tot geloof en vergeving, maar verliest ook haar eigen gerechtigheid en kracht. De preek…
Het schudden van wat gemaakt is en de vastheid van wat gegeven is
Over Hebreeën 12:27,28: wat gemaakt is, wordt geschud en weggenomen, wat God geeft blijft. Het Koninkrijk dat niet bewogen kan worden wordt door geloof ontvangen, door genade vastgehouden en draagt…
Korenaren Uit De Volle Oogst
En Ik zal Mijn vrees in hun hart geven, dat zij niet van Mij afwijken.
Jeremia 32:40
Als de vreze Gods opkomt in een gelovige ziel en gevoed en levend gehouden wordt door de invloeden welke komen uit Christus als Bondshoofd, brengt het een bij Hem blijven als vrucht voort. Wij kunnen niet van Hem afwijken door de vreze Gods. Zij wordt daarom genoemd „een fontein des levens, om van de strikken des doods af te wijken.” Indien zij een fontein des levens is, moet zij ook uit Hem, Die Zelf het Leven is, gevoed worden; en daar zij afwijkt van de strikken des doods, hecht zij zich vaster en dichter aan Hem, daar deze strikken zijn verbroken en weggedaan.
Indien wij de bewegingen der vreze Gods in onze harten onderzoeken, zullen wij opmerken dat al haar uitgangen zijn naar het leven en de Bron des levens; naar haat tegen de zonde en liefde tot heiligheid; naar een verlangen naar hemelse genietingen, een onverschilligheid voor de dingen die de tijd en de zinnen betreffen; naar een kennis van Christus in de openbaring van Zichzelf, en een verlangen om meer tot Zijn eer te leven, meer Zijn voetstappen te drukken en meer aan Zijn lijdend beeld gelijkvormig te worden. Daar nu niets van dit alles kan worden voortgebracht dan door vereniging met Christus en een blijven in Hem, zien wij hoe de vreze Gods ons tot Hem brengt en noodzakelijk is om bij Hem te blijven. Want zodra de vreze Gods in de ziel verflauwt, is er een trapsgewijze teruggang en een merkbare vermindering van dit blijven in Christus.
Die zal, door ’s Heeren gunst geleid,
en zegen en gerechtigheid
van God, de God zijns heils ontvangen.
Dit ’s Jakob, dit is ’t vroom geslacht,
dat naar God vraagt, Zijn wet betracht
en zoekt Zijn aanschijn met verlangen.
Ps. 24:3
Aan de lezer…
Hier wordt gesproken tot wie soms vreest eens van de Heere af te wijken; kent u die vrees? Kent u uw eigen hart te goed om op uw voornemens te bouwen? Dan is het een troost dat de Heere niet zegt: zorg u dat u bij Mij blijft, maar: „Ik zal Mijn vrees in hun hart geven, dat zij niet van Mij afwijken.” Die vrees is geen slaafse angst, maar een fontein des levens, om van de strikken des doods af te wijken.
Onderzoek dan haar bewegingen in uw hart. Is er een haat tegen de zonde, een liefde tot heiligheid, een verlangen om meer tot Zijn eer te leven en Zijn voetstappen te drukken? Dat komt niet uit uzelf voort, maar uit Christus, uit Wie die vrees gevoed wordt. En merkt u dat zij verflauwt, laat dat u dan tot Hem drijven, opdat Hij haar in u levend houdt en u in Hem blijft.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
En Ik zal Mijn vrees in hun hart geven, dat zij niet van Mij afwijken.
Jeremia 32:40
Wanneer de vreze Gods opkomt in een gelovige ziel, en gevoed en levend gehouden wordt door de invloeden die uit Christus als Verbondshoofd komen, brengt zij als vrucht voort dat wij bij Hem blijven. Door de vreze Gods kunnen wij niet van Hem afwijken. Daarom wordt zij genoemd „een fontein des levens, om van de strikken des doods af te wijken.” Als zij een fontein van leven is, moet zij ook gevoed worden uit Hem Die Zelf het Leven is. En omdat zij afwijkt van de strikken van de dood, hecht zij zich vaster en dichter aan Hem, nu die strikken verbroken en weggedaan zijn.
Als wij de bewegingen van de vreze Gods in ons hart onderzoeken, zullen wij merken dat zij altijd uitgaan naar het leven en de Bron van het leven: naar haat tegen de zonde en liefde tot heiligheid; naar verlangen naar hemelse genietingen en onverschilligheid voor de dingen van de tijd en de zinnen; naar kennis van Christus in de openbaring van Zichzelf, en naar het verlangen om meer tot Zijn eer te leven, meer in Zijn voetstappen te treden en meer aan Zijn lijdend beeld gelijkvormig te worden.
Omdat niets van dit alles kan worden voortgebracht dan door vereniging met Christus en door het blijven in Hem, zien wij hoe de vreze Gods ons tot Hem brengt en noodzakelijk is om bij Hem te blijven. Want zodra de vreze Gods in de ziel verflauwt, is er een geleidelijke achteruitgang en een merkbare vermindering van dit blijven in Christus.
Die zal, door ’s Heeren gunst geleid,
en zegen en gerechtigheid
van God, de God zijns heils ontvangen.
Dit ’s Jakob, dit is ’t vroom geslacht,
dat naar God vraagt, Zijn wet betracht
en zoekt Zijn aanschijn met verlangen.
Ps. 24:3
Aan de lezer…
Hier wordt gesproken tot wie soms vreest ooit van de Heere af te wijken; kent u die vrees? Kent u uw eigen hart te goed om op uw voornemens te bouwen? Dan is het een troost dat de Heere niet zegt: zorg ervoor dat u bij Mij blijft, maar: „Ik zal Mijn vrees in hun hart geven, dat zij niet van Mij afwijken.” Die vrees is geen slaafse angst, maar een fontein van leven, om van de strikken van de dood af te wijken.
Onderzoek dan haar bewegingen in uw hart. Is er haat tegen de zonde, liefde tot heiligheid, een verlangen om meer tot Zijn eer te leven en in Zijn voetstappen te treden? Dat komt niet uit uzelf voort, maar uit Christus, uit Wie die vrees gevoed wordt. En merkt u dat zij verflauwt, laat dat u dan tot Hem drijven, zodat Hij haar in u levend houdt en u in Hem blijft.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
I will put my fear in their hearts, that they shall not depart from me.
Jeremiah 32:40
As the fear of God springs up in a believing soul, and is maintained and kept alive by the influences which come out of Christ as a covenant Head, it produces, as its effects, an abiding in Him. We cannot depart from Him, because the fear of God is in our heart. It is therefore called “a fountain of life to depart from the snares of death.” If a fountain of life, it must be fed out of Him Who is the life; and as it departs from the snares of death, it cleaves more fully and closely to Him as these snares are broken to pieces and left behind.
If we examine the movements of godly fear in our hearts, we shall see that all its tendencies are toward life and the Source of life; toward hatred of sin and love of holiness; toward a desire after the enjoyment of heavenly realities, and a deadness to the things of time and sense; toward a knowledge of Christ in the manifestation of Himself, and a longing to live more to His praise, to walk more in His footsteps, and to be more conformed to His suffering image.
Now, as none of these things can be produced but by union with Christ and abiding in Him, we see how the fear of God helps forward and is needful to this abiding. For directly that the fear of God burns low in the soul, there is a gradual withdrawing from, and a sensible declining of this abiding in Christ.
To the reader…
These words are for those who sometimes fear they will one day depart from the Lord; do you know that fear? Do you know your own heart too well to build on your good resolutions? Then it is a comfort that the Lord does not say, “See to it that you stay with Me,” but, “I will put My fear in their hearts, that they shall not depart from Me.” That fear is no slavish dread, but a fountain of life, to depart from the snares of death.
Examine, then, its movements in your heart. Is there hatred of sin, love of holiness, a desire to live more to His praise and to walk in His footsteps? That does not come from yourself, but from Christ, out of whom that fear is fed. And if you notice that it is burning low, let that drive you to Him, so that He may keep it alive in you and you may abide in Him.
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
Y pondré Mi temor en el corazón de ellos, para que no se aparten de Mí.
Jeremías 32:40
Cuando el temor de Dios brota en un alma creyente, y es mantenido y conservado vivo por las influencias que proceden de Cristo como Cabeza del pacto, produce como efecto un permanecer en Él. No podemos apartarnos de Él, porque el temor de Dios está en nuestro corazón. Por eso se le llama “manantial de vida, para apartarse de los lazos de la muerte”. Si es manantial de vida, ha de ser alimentado desde Aquel que es la vida; y al apartarse de los lazos de la muerte, se adhiere más plena y estrechamente a Él, a medida que esos lazos son hechos pedazos y dejados atrás.
Si examinamos los movimientos del temor piadoso en nuestro corazón, veremos que todas sus tendencias van hacia la vida y la Fuente de la vida; hacia el aborrecimiento del pecado y el amor a la santidad; hacia el deseo de gozar de las realidades celestiales y una muerte a las cosas del tiempo y de los sentidos; hacia el conocimiento de Cristo en la manifestación de Sí mismo, y un anhelo de vivir más para Su alabanza, de andar más en Sus pisadas y de ser más conformados a Su imagen sufriente.
Ahora bien, como ninguna de estas cosas puede producirse sino por la unión con Cristo y el permanecer en Él, vemos cómo el temor de Dios ayuda y es necesario para este permanecer. Porque en cuanto el temor de Dios arde débilmente en el alma, hay un gradual alejamiento de este permanecer en Cristo, y un sensible decaer de él.
Al lector…
Estas palabras son para quienes a veces temen que algún día se apartarán del Señor; ¿conoce usted ese temor? ¿Conoce demasiado bien su propio corazón como para edificar sobre sus buenos propósitos? Entonces es un consuelo que el Señor no diga: “Procura quedarte conmigo”, sino: “Pondré Mi temor en el corazón de ellos, para que no se aparten de Mí”. Ese temor no es un pavor servil, sino un manantial de vida, para apartarse de los lazos de la muerte.
Examine, pues, sus movimientos en su corazón. ¿Hay aborrecimiento del pecado, amor a la santidad, deseo de vivir más para Su alabanza y de andar en Sus pisadas? Eso no viene de usted mismo, sino de Cristo, de Quien se alimenta ese temor. Y si nota que arde débilmente, deje que eso le empuje hacia Él, para que Él lo mantenga vivo en usted y usted permanezca en Él.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl
365 Dagen Met Philpot
Kracht in zwakheid
Versterkt de slappe handen, en stelt de struikelende knieën vast. Zeg de onbedachtzamen van hart: Weest sterk, en vreest niet.
Jesaja 35:3, 4
Als Gods knechten tot het beproefde volk des Heeren zeggen: „Weest sterk”, dan wil en zal Hij dat woord met Zijn kracht vergezellen. Maar wellicht zegt uw ziel, arme vreesachtige: „Hoe kan ik sterk zijn? Mijn handen zijn zo slap, mijn knieën zo zwak, mijn hart zo bevreesd. Hoe kunt u mij bevelen sterk te zijn?” Ja, ik geloof het, dit is een groot wonder.
Maar de apostel Paulus verklaart het ons prachtig in 2 Korinthe 12. Wij lezen daar dat de Heere Jezus uit de hemel tot hem had gesproken: „Mijn genade is u genoeg, want Mijn kracht wordt in zwakheid volbracht.” En zodra deze woorden waren uitgesproken, ontving zijn ziel er kracht door. Dit maakte dat hij zei: „Zo zal ik dan veel liever roemen in mijn zwakheden, opdat de kracht van Christus in mij wone. Daarom heb ik een welbehagen in zwakheden, in smaadheden, in noden, in vervolgingen, in benauwdheden, om Christus’ wil; want als ik zwak ben, dan ben ik machtig.” Waarom? Als hij zwak was, steunde hij op de Heere en ontving hij uit Zijn volheid die kracht die in zwakheid volbracht wordt.
Lezen: Jesaja 35
Aan de lezer…
Hoe bekend is die klacht: „Hoe kan ik sterk zijn? Mijn handen zijn zo slap, mijn knieën zo zwak, mijn hart zo bevreesd”! Zegt ook uw ziel dat? Dan wordt u hier niet berispt, maar gezocht. De Heere vraagt van u geen kracht die u niet hebt; Hij belooft Zijn eigen kracht juist daar, waar de uwe op is.
„Mijn genade is u genoeg, want Mijn kracht wordt in zwakheid volbracht.” Laat uw zwakheid u dan niet van Hem wegdrijven, maar naar Hem toe. Wie zwak is, leert steunen, en wie steunt, ontvangt uit Zijn volheid. Zo wordt het wonder waar: als u zwak bent, dan bent u machtig, niet in uzelf, maar in Hem Die tot u zegt: „Weest sterk, en vreest niet.”
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Versterkt de slappe handen, en stelt de struikelende knieën vast. Zeg de onbedachtzamen van hart: Weest sterk, en vreest niet.
Jesaja 35:3, 4
Wanneer Gods knechten tot het beproefde volk van de Heere zeggen: „Weest sterk”, dan wil en zal Hij dat woord met Zijn kracht vergezellen. Maar misschien zegt uw ziel, arme vreesachtige: „Hoe kan ik sterk zijn? Mijn handen zijn zo slap, mijn knieën zo zwak, mijn hart zo bevreesd. Hoe kunt u mij bevelen sterk te zijn?” Ja, ik geloof het: dit is een groot wonder.
Maar de apostel Paulus legt het ons prachtig uit in 2 Korinthe 12. Wij lezen daar dat de Heere Jezus uit de hemel tot hem had gesproken: „Mijn genade is u genoeg, want Mijn kracht wordt in zwakheid volbracht.” Zodra deze woorden waren uitgesproken, ontving zijn ziel er kracht door. Dat deed hem zeggen: „Zo zal ik dan veel liever roemen in mijn zwakheden, opdat de kracht van Christus in mij wone. Daarom heb ik een welbehagen in zwakheden, in smaadheden, in noden, in vervolgingen, in benauwdheden, om Christus’ wil; want als ik zwak ben, dan ben ik machtig.” Waarom? Wanneer hij zwak was, steunde hij op de Heere en ontving hij uit Zijn volheid de kracht die in zwakheid volbracht wordt.
Lezen: Jesaja 35
Aan de lezer…
Hoe bekend is die klacht: „Hoe kan ik sterk zijn? Mijn handen zijn zo slap, mijn knieën zo zwak, mijn hart zo bevreesd”! Zegt ook uw ziel dat? Dan wordt u hier niet berispt, maar gezocht. De Heere vraagt van u geen kracht die u niet hebt; Hij belooft Zijn eigen kracht juist daar waar de uwe op is.
„Mijn genade is u genoeg, want Mijn kracht wordt in zwakheid volbracht.” Laat uw zwakheid u dan niet van Hem wegdrijven, maar naar Hem toe. Wie zwak is, leert steunen, en wie steunt, ontvangt uit Zijn volheid. Zo wordt het wonder werkelijkheid: als u zwak bent, dan bent u machtig, niet in uzelf, maar in Hem Die tot u zegt: „Weest sterk, en vreest niet.”
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Strengthen ye the weak hands, and confirm the feeble knees. Say to them that are of a fearful heart, Be strong, fear not.
Isaiah 35:3, 4
When God’s servants say to the Lord’s tried people, “Be strong,” He will and does accompany that word with His power. But perhaps your soul says, poor fearful one, “How can I be strong? My hands are so weak, my knees so feeble, my heart so fearful. How can you bid me be strong?” Yes, I believe it: this is a great wonder.
But the apostle Paul explains it to us beautifully in 2 Corinthians 12. We read there that the Lord Jesus had spoken to him from heaven, “My grace is sufficient for thee: for My strength is made perfect in weakness.” As soon as these words were spoken, his soul received strength from them. That made him say, “Most gladly therefore will I rather glory in my infirmities, that the power of Christ may rest upon me. Therefore I take pleasure in infirmities, in reproaches, in necessities, in persecutions, in distresses for Christ’s sake: for when I am weak, then am I strong.” Why? When he was weak, he leaned upon the Lord and received out of His fulness the strength that is made perfect in weakness.
Reading: Isaiah 35
To the reader…
How familiar that complaint is: “How can I be strong? My hands are so weak, my knees so feeble, my heart so fearful”! Does your soul say that too? Then you are not being rebuked here, but sought out. The Lord does not ask of you a strength you do not have; He promises His own strength just where yours has run out.
“My grace is sufficient for thee: for My strength is made perfect in weakness.” Do not let your weakness drive you away from Him, then, but towards Him. Whoever is weak learns to lean, and whoever leans receives out of His fulness. So the wonder becomes reality: when you are weak, then you are strong, not in yourself, but in Him Who says to you, “Be strong, fear not.”
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
Confortad a las manos cansadas, roborad las vacilantes rodillas. Decid a los de corazón apocado: Confortaos, no temáis.
Isaías 35:3, 4
Cuando los siervos de Dios dicen al pueblo probado del Señor: “Confortaos”, Él quiere acompañar y acompaña esa palabra con Su poder. Pero quizá su alma diga, pobre temeroso: “¿Cómo puedo ser fuerte? Mis manos están tan cansadas, mis rodillas tan vacilantes, mi corazón tan apocado. ¿Cómo puede usted mandarme que sea fuerte?” Sí, lo creo: esto es una gran maravilla.
Pero el apóstol Pablo nos lo explica hermosamente en 2 Corintios 12. Leemos allí que el Señor Jesús le había hablado desde el cielo: “Bástate Mi gracia; porque Mi potencia en la flaqueza se perfecciona”. Tan pronto como fueron pronunciadas estas palabras, su alma recibió fuerza de ellas. Eso le hizo decir: “Por tanto, de buena gana me gloriaré más bien en mis flaquezas, porque habite en mí la potencia de Cristo. Por lo cual me gozo en las flaquezas, en afrentas, en necesidades, en persecuciones, en angustias por Cristo; porque cuando soy flaco, entonces soy poderoso”. ¿Por qué? Cuando era flaco, se apoyaba en el Señor y recibía de Su plenitud la fuerza que en la flaqueza se perfecciona.
Lectura: Isaías 35
Al lector…
¡Qué conocida es esa queja: “¿Cómo puedo ser fuerte? Mis manos están tan cansadas, mis rodillas tan vacilantes, mi corazón tan apocado”! ¿Dice eso también su alma? Entonces aquí no se le reprende, sino que se le busca. El Señor no le pide una fuerza que usted no tiene; promete Su propia fuerza precisamente allí donde la suya se ha agotado.
“Bástate Mi gracia; porque Mi potencia en la flaqueza se perfecciona”. No deje, pues, que su debilidad le aleje de Él, sino que le acerque a Él. Quien es débil aprende a apoyarse, y quien se apoya recibe de Su plenitud. Así la maravilla se hace realidad: cuando usted es flaco, entonces es poderoso, no en sí mismo, sino en Aquel que le dice: “Confortaos, no temáis”.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl
Door Baca's Vallei
Hieraan kennen wij, dat wij in Hem blijven, en Hij in ons, omdat Hij ons van Zijn Geest gegeven heeft.
1 Johannes 4:13
Een rechte kennis en levendige bevinding van de Persoon, genaden en werkzaamheden van de Heilige Geest in de ziel is een zeer noodzakelijk iets. De mens is zo diepgezonken, zo ten uiterste gevallen, zo onbekwaam om zich daaruit op te heffen, dat hij deze heilige Leermeester nodig heeft om hem te leiden in een zaligmakende en bevindelijke kennis van de waarheid Gods. Wij weten niets dan door Zijn onderwijzing, niets hebbende dan door Zijn gave, en niets zijnde dan door Zijn vorming. Hoe duidelijker wij dan geleid worden om te zien en hoe dieper wij onderwezen worden om te verstaan wat wij als gevallen zonen en dochteren van Adam zijn, hoe meer wij onze nood zullen gevoelen en hoe meer wij Zijn gezegende werkzaamheden in ons hart en onze consciëntie zullen waarderen.
Nu, in het geval van Aaron (beschouwd niet slechts als een voorbeeld van Christus, maar als persoonlijk dienende bij het altaar van de tabernakel en dus gewijd tot de bediening van het hogepriesterschap) was het niet voldoende dat hij gewassen en gekleed was, maar hij moest ook gezalfd zijn met de heilige zalfolie, voordat hij mocht staan in het heiligdom des Heeren. Zo is het ook met een zoon van de allerhoogste God, één van de koningen en priesters die een koninklijk priesterdom vormen. Het is niet voldoende voor hen gewassen te zijn in het bloed des Lams en gekleed te zijn met Zijn rechtvaardigende gerechtigheid; hij moet tot Gods dienst gewijd worden door de heilige zalving. Met andere woorden: hij moet geheiligd, wedergeboren en vernieuwd worden in de geest zijns gemoeds, opdat hij, de Goddelijke natuur deelachtig geworden zijnde, 2 Petr. 1:4, moge ingaan in de geestelijke bevinding van de waarheid hier, en genieten de eeuwige liefelijkheden aan Gods rechterhand hiernamaals.
Uit kracht van de natuur van de val is het onmogelijk voor een dode zondaar in God te geloven, God te kennen of God te beminnen; hij moet verwekt worden tot een geestelijk leven, alvorens hij zaligmakend kan kennen de enige ware God en Jezus Christus, Die Hij gezonden heeft. En zo ligt hier aan de dorpel van het hart en in het binnenste kabinet de absolute noodzakelijkheid van de wederbarende bewerkingen van God de Heilige Geest. De volkomenheid en de diepte van de val maken het wederbarend werk van de Heilige Geest zo noodzakelijk, zo onmisbaar als het verlossend werk van de Zoon van God. Daarom voegt de apostel deze tezamen: „Maar gij zijt gewassen, maar gij zijt geheiligd, maar gij zijt gerechtvaardigd in de Naam van de Heere Jezus en door de Geest onzes Gods.”
Zal derhalve de ziel de eeuwige heerlijkheid ingaan, dan moet zij bereid worden tot de heerlijkheid door deelgenoot te zijn geworden van de genade. Het moet in dit leven, in deze tijd gekend worden, een deelgenoot te zijn geworden van de erfenis der heiligen in het licht; zij moet bekwaam gemaakt worden voor het eeuwig genieten van de drie-enige God door het ontvangen van een nieuwe en hemelse natuur, door de Heilige Geest, die als een zuivere geest (want hetgeen uit de Geest geboren is, dat is geest) in staat is te aanschouwen, te genieten en zich te verheugen in de Godheid, geopenbaard in de heerlijke Persoon van de Middelaar Gods en der mensen.
Aan de lezer…
Kent u dat? U vraagt zich weleens bang af of u wel in Hem blijft. Johannes geeft een kenteken: „Hieraan kennen wij, dat wij in Hem blijven, en Hij in ons, omdat Hij ons van Zijn Geest gegeven heeft.” Misschien schrikt u daarvan, omdat u zo weinig van de Geest in u bespeurt. Maar bedenk wat hier gezegd wordt: hoe dieper wij onderwezen worden in wat wij als gevallen kinderen van Adam zijn, hoe meer wij onze nood gevoelen. Wie de diepte van zijn val kent, heeft dat niet van zichzelf geleerd.
Zoals Aäron niet alleen gewassen en gekleed, maar ook gezalfd moest zijn, zo moet ook een arme zondaar niet alleen gewassen worden in het bloed des Lams, maar ook geheiligd en vernieuwd door de Geest. Dat werk is even onmisbaar als het verlossend werk van de Zoon. Vraag dan om die zalving; Hij Die de dode verwekt, laat geen zuchtende ziel zonder antwoord.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Hieraan kennen wij, dat wij in Hem blijven, en Hij in ons, omdat Hij ons van Zijn Geest gegeven heeft.
1 Johannes 4:13
Een juiste kennis en levende bevinding van de Persoon, de genaden en de werkingen van de Heilige Geest in de ziel is heel noodzakelijk. De mens is zo diep gezonken, zo volkomen gevallen en zo onbekwaam om zich daaruit op te heffen, dat hij deze heilige Leermeester nodig heeft om hem te leiden in een zaligmakende en bevindelijke kennis van de waarheid van God. We weten niets dan door Zijn onderwijs, we hebben niets dan door Zijn gave, en we zijn niets dan door Zijn vorming. Hoe duidelijker we dan geleid worden om te zien, en hoe dieper we onderwezen worden om te verstaan wat we als gevallen zonen en dochters van Adam zijn, hoe meer we onze nood zullen voelen en hoe meer we Zijn gezegende werkingen in ons hart en ons geweten zullen waarderen.
In het geval van Aäron nu (niet alleen beschouwd als een voorbeeld van Christus, maar als iemand die persoonlijk diende bij het altaar van de tabernakel en dus gewijd was tot de bediening van het hogepriesterschap) was het niet genoeg dat hij gewassen en gekleed was. Hij moest ook gezalfd zijn met de heilige zalfolie, voordat hij in het heiligdom van de Heere mocht staan. Zo is het ook met een zoon van de allerhoogste God, één van de koningen en priesters die een koninklijk priesterdom vormen. Het is voor hen niet genoeg gewassen te zijn in het bloed van het Lam en gekleed te zijn met Zijn rechtvaardigende gerechtigheid; hij moet voor Gods dienst gewijd worden door de heilige zalving. Met andere woorden: hij moet geheiligd, wedergeboren en vernieuwd worden in de geest van zijn gemoed, opdat hij, de Goddelijke natuur deelachtig geworden (2 Petr. 1:4), hier mag ingaan in de geestelijke bevinding van de waarheid, en hierna de eeuwige liefelijkheden aan Gods rechterhand mag genieten.
Door de aard van de val is het voor een dode zondaar onmogelijk in God te geloven, God te kennen of God lief te hebben. Hij moet tot een geestelijk leven opgewekt worden, voordat hij de enige waarachtige God en Jezus Christus, Die Hij gezonden heeft, zaligmakend kan kennen. En zo ligt hier, aan de drempel van het hart en in het binnenste vertrek, de absolute noodzaak van de wederbarende werkingen van God de Heilige Geest. De volkomenheid en de diepte van de val maken het wederbarende werk van de Heilige Geest even noodzakelijk en onmisbaar als het verlossende werk van de Zoon van God. Daarom voegt de apostel ze samen: „Maar gij zijt gewassen, maar gij zijt geheiligd, maar gij zijt gerechtvaardigd in de Naam van de Heere Jezus en door de Geest onzes Gods.”
Zal de ziel daarom de eeuwige heerlijkheid binnengaan, dan moet zij voor de heerlijkheid bereid worden doordat zij deelgenoot geworden is van de genade. In dit leven, in deze tijd, moet gekend worden dat zij deelgenoot geworden is van de erfenis van de heiligen in het licht. Zij moet bekwaam gemaakt worden voor het eeuwig genieten van de drie-enige God, door het ontvangen van een nieuwe en hemelse natuur door de Heilige Geest. Die natuur is als een zuivere geest (want wat uit de Geest geboren is, dat is geest) in staat de Godheid te aanschouwen, te genieten en zich in Haar te verheugen, zoals Zij geopenbaard is in de heerlijke Persoon van de Middelaar Gods en der mensen.
Aan de lezer…
Kent u dat? U vraagt zich weleens angstig af of u wel in Hem blijft. Johannes geeft een kenteken: „Hieraan kennen wij, dat wij in Hem blijven, en Hij in ons, omdat Hij ons van Zijn Geest gegeven heeft.” Misschien schrikt u daarvan, omdat u zo weinig van de Geest in u bespeurt. Maar bedenk wat hier gezegd wordt: hoe dieper we onderwezen worden in wat we als gevallen kinderen van Adam zijn, hoe meer we onze nood voelen. Wie de diepte van zijn val kent, heeft dat niet van zichzelf geleerd.
Zoals Aäron niet alleen gewassen en gekleed, maar ook gezalfd moest zijn, zo moet ook een arme zondaar niet alleen gewassen worden in het bloed van het Lam, maar ook geheiligd en vernieuwd door de Geest. Dat werk is even onmisbaar als het verlossende werk van de Zoon. Vraag dan om die zalving. Hij Die de doden opwekt, laat geen zuchtende ziel zonder antwoord.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Hereby know we that we dwell in Him, and He in us, because He hath given us of His Spirit.
1 John 4:13
A right knowledge and living experience of the Person, graces and operations of the Holy Spirit upon the soul, is a very essential thing. Man is so deeply sunk, so utterly fallen, so unable to bring himself back, that he needs this holy Teacher to lead him into a saving, experimental knowledge of the truth of God; for we know nothing but by His teaching, have nothing but by His giving, and are nothing but by His making. The more clearly, then, that we are led to see, and the more deeply we are taught to feel what we are as fallen sons and daughters of Adam, the more shall we feel our need of, and the more shall we value when realized, His blessed operations upon the heart and conscience.
Now, in the case of Aaron, (viewed not only as a type of Christ, but as personally ministering at the altar of the tabernacle, and thus consecrated to the office of high priesthood,) it was not sufficient that he was washed, nor that he was clothed; he must be also anointed by the holy anointing oil before he could stand in the sanctuary of God. So it is with a son of the Most High, one of “the kings and priests” that form “the royal priesthood;” it is not sufficient for him to be washed in the blood of the Lamb, and clothed in His justifying righteousness; he must be consecrated to God’s service by the holy anointing; in other words, be sanctified, regenerated and renewed in the spirit of his mind, that, by being made a partaker of the divine nature (2 Peter 1:4), he may enter into a spiritual experience of the truth of God here, and enjoy the eternal pleasures which are at God’s right hand hereafter.
From the very nature of the fall, it is impossible for a dead soul to believe in God, know God, or love God; it must be quickened into spiritual life before it can savingly know the only true God, and Jesus Christ Whom He has sent. And thus there lies at the very threshold, in the very heart and core of the case, the absolute necessity of the regenerating operations of God the Holy Spirit upon the soul. The very completeness and depth of the fall render the regenerating work of the Holy Spirit as necessary, as indispensable as the redeeming work of the Son of God. The Apostle therefore puts them together. “But you are washed, but you are sanctified, but you are justified in the name of the Lord Jesus, and by the Spirit of our God.”
If, therefore, the soul is to enter into eternal glory, it must be prepared for glory by being made a partaker of grace. It must, in this present life, this time state, be made fit to be a partaker of the inheritance of the saints in light, be capacitated while here below for the eternal fruition of the Triune God, by receiving a new and heavenly nature begotten of the Holy Spirit, which as a pure spirit (for “that which is born of the Spirit is spirit”) is capable of seeing, enjoying, and eternally delighting in the open vision of the Deity as manifested in the glorious Person of the God-man.
To the reader…
Do you know this? At times you anxiously wonder whether you really dwell in Him. John gives a mark: “Hereby know we that we dwell in Him, and He in us, because He hath given us of His Spirit.” Perhaps that frightens you, because you notice so little of the Spirit in you. But consider what is said here: the more deeply we are taught what we are as fallen children of Adam, the more we feel our need. Whoever knows the depth of his fall has not learned that from himself.
As Aaron had to be not only washed and clothed but also anointed, so a poor sinner must not only be washed in the blood of the Lamb, but also sanctified and renewed by the Spirit. That work is just as indispensable as the redeeming work of the Son. Ask, then, for that anointing. He Who raises the dead does not leave a sighing soul without an answer.
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
En esto conocemos que estamos en Él, y Él en nosotros, en que nos ha dado de Su Espíritu.
1 Juan 4:13
Un conocimiento recto y una experiencia viva de la Persona, las gracias y las operaciones del Espíritu Santo en el alma es algo muy esencial. El hombre está tan profundamente hundido, tan completamente caído, tan incapaz de volver por sí mismo, que necesita a este santo Maestro para que le conduzca a un conocimiento salvador y experimental de la verdad de Dios; porque nada sabemos sino por Su enseñanza, nada tenemos sino por Su dádiva, y nada somos sino por Su hechura. Cuanto más claramente, pues, se nos lleve a ver, y cuanto más profundamente se nos enseñe a sentir lo que somos como hijos e hijas caídos de Adán, tanto más sentiremos nuestra necesidad de Sus benditas operaciones en el corazón y la conciencia, y tanto más las valoraremos cuando las experimentemos.
Ahora bien, en el caso de Aarón (considerado no solo como tipo de Cristo, sino como quien ministraba personalmente en el altar del tabernáculo y era así consagrado al oficio del sumo sacerdocio), no bastaba que fuese lavado, ni que fuese vestido; debía ser también ungido con el santo aceite de la unción antes de poder estar en el santuario de Dios. Así sucede con un hijo del Altísimo, uno de “los reyes y sacerdotes” que forman “el real sacerdocio”: no le basta ser lavado en la sangre del Cordero y vestido con Su justicia justificadora; debe ser consagrado al servicio de Dios por la santa unción; en otras palabras, ser santificado, regenerado y renovado en el espíritu de su mente, para que, siendo hecho participante de la naturaleza divina (2 Pedro 1:4), entre aquí en una experiencia espiritual de la verdad de Dios y goce en lo venidero de los deleites eternos que hay a la diestra de Dios.
Por la naturaleza misma de la caída, es imposible que un alma muerta crea en Dios, conozca a Dios o ame a Dios; debe ser vivificada a la vida espiritual antes de poder conocer salvadoramente al único Dios verdadero, y a Jesucristo, al cual Él ha enviado. Y así, en el umbral mismo, en el corazón y núcleo mismo del asunto, está la absoluta necesidad de las operaciones regeneradoras de Dios el Espíritu Santo en el alma. La misma totalidad y profundidad de la caída hacen la obra regeneradora del Espíritu Santo tan necesaria, tan indispensable como la obra redentora del Hijo de Dios. Por eso el apóstol las pone juntas: “Mas ya sois lavados, mas ya sois santificados, mas ya sois justificados en el nombre del Señor Jesús, y por el Espíritu de nuestro Dios.”
Si, pues, el alma ha de entrar en la gloria eterna, debe ser preparada para la gloria siendo hecha participante de la gracia. Debe, en esta vida presente, en este estado temporal, ser hecha apta para participar de la suerte de los santos en luz; ser capacitada, mientras está aquí abajo, para el goce eterno del Dios Trino, recibiendo una naturaleza nueva y celestial engendrada por el Espíritu Santo, la cual, como espíritu puro (porque “lo que es nacido del Espíritu, espíritu es”), es capaz de ver, gozar y deleitarse eternamente en la visión abierta de la Deidad, tal como se manifiesta en la gloriosa Persona del Dios-Hombre.
Al lector…
¿Conoce usted esto? A veces se pregunta con inquietud si de verdad está en Él. Juan da una señal: “En esto conocemos que estamos en Él, y Él en nosotros, en que nos ha dado de Su Espíritu.” Quizá eso le asuste, porque nota tan poco del Espíritu en usted. Pero considere lo que aquí se dice: cuanto más profundamente se nos enseña lo que somos como hijos caídos de Adán, más sentimos nuestra necesidad. Quien conoce la profundidad de su caída no lo ha aprendido de sí mismo.
Así como Aarón tenía que ser no solo lavado y vestido, sino también ungido, así un pobre pecador no solo debe ser lavado en la sangre del Cordero, sino también santificado y renovado por el Espíritu. Esa obra es tan indispensable como la obra redentora del Hijo. Pida, pues, esa unción. Aquel que resucita a los muertos no deja sin respuesta a un alma que suspira.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl