18 de mayo
Hieraan kennen wij, dat wij in Hem blijven, en Hij in ons, omdat Hij ons van Zijn Geest gegeven heeft.
1 Johannes 4:13
Een rechte kennis en levendige bevinding van de Persoon, genaden en werkzaamheden van de Heilige Geest in de ziel is een zeer noodzakelijk iets. De mens is zo diepgezonken, zo ten uiterste gevallen, zo onbekwaam om zich daaruit op te heffen, dat hij deze heilige Leermeester nodig heeft om hem te leiden in een zaligmakende en bevindelijke kennis van de waarheid Gods. Wij weten niets dan door Zijn onderwijzing, niets hebbende dan door Zijn gave, en niets zijnde dan door Zijn vorming. Hoe duidelijker wij dan geleid worden om te zien en hoe dieper wij onderwezen worden om te verstaan wat wij als gevallen zonen en dochteren van Adam zijn, hoe meer wij onze nood zullen gevoelen en hoe meer wij Zijn gezegende werkzaamheden in ons hart en onze consciëntie zullen waarderen.
Nu, in het geval van Aaron (beschouwd niet slechts als een voorbeeld van Christus, maar als persoonlijk dienende bij het altaar van de tabernakel en dus gewijd tot de bediening van het hogepriesterschap) was het niet voldoende dat hij gewassen en gekleed was, maar hij moest ook gezalfd zijn met de heilige zalfolie, voordat hij mocht staan in het heiligdom des Heeren. Zo is het ook met een zoon van de allerhoogste God, één van de koningen en priesters die een koninklijk priesterdom vormen. Het is niet voldoende voor hen gewassen te zijn in het bloed des Lams en gekleed te zijn met Zijn rechtvaardigende gerechtigheid; hij moet tot Gods dienst gewijd worden door de heilige zalving. Met andere woorden: hij moet geheiligd, wedergeboren en vernieuwd worden in de geest zijns gemoeds, opdat hij, de Goddelijke natuur deelachtig geworden zijnde, 2 Petr. 1:4, moge ingaan in de geestelijke bevinding van de waarheid hier, en genieten de eeuwige liefelijkheden aan Gods rechterhand hiernamaals.
Uit kracht van de natuur van de val is het onmogelijk voor een dode zondaar in God te geloven, God te kennen of God te beminnen; hij moet verwekt worden tot een geestelijk leven, alvorens hij zaligmakend kan kennen de enige ware God en Jezus Christus, Die Hij gezonden heeft. En zo ligt hier aan de dorpel van het hart en in het binnenste kabinet de absolute noodzakelijkheid van de wederbarende bewerkingen van God de Heilige Geest. De volkomenheid en de diepte van de val maken het wederbarend werk van de Heilige Geest zo noodzakelijk, zo onmisbaar als het verlossend werk van de Zoon van God. Daarom voegt de apostel deze tezamen: „Maar gij zijt gewassen, maar gij zijt geheiligd, maar gij zijt gerechtvaardigd in de Naam van de Heere Jezus en door de Geest onzes Gods.”
Zal derhalve de ziel de eeuwige heerlijkheid ingaan, dan moet zij bereid worden tot de heerlijkheid door deelgenoot te zijn geworden van de genade. Het moet in dit leven, in deze tijd gekend worden, een deelgenoot te zijn geworden van de erfenis der heiligen in het licht; zij moet bekwaam gemaakt worden voor het eeuwig genieten van de drie-enige God door het ontvangen van een nieuwe en hemelse natuur, door de Heilige Geest, die als een zuivere geest (want hetgeen uit de Geest geboren is, dat is geest) in staat is te aanschouwen, te genieten en zich te verheugen in de Godheid, geopenbaard in de heerlijke Persoon van de Middelaar Gods en der mensen.
Aan de lezer…
Kent u dat? U vraagt zich weleens bang af of u wel in Hem blijft. Johannes geeft een kenteken: „Hieraan kennen wij, dat wij in Hem blijven, en Hij in ons, omdat Hij ons van Zijn Geest gegeven heeft.” Misschien schrikt u daarvan, omdat u zo weinig van de Geest in u bespeurt. Maar bedenk wat hier gezegd wordt: hoe dieper wij onderwezen worden in wat wij als gevallen kinderen van Adam zijn, hoe meer wij onze nood gevoelen. Wie de diepte van zijn val kent, heeft dat niet van zichzelf geleerd.
Zoals Aäron niet alleen gewassen en gekleed, maar ook gezalfd moest zijn, zo moet ook een arme zondaar niet alleen gewassen worden in het bloed des Lams, maar ook geheiligd en vernieuwd door de Geest. Dat werk is even onmisbaar als het verlossend werk van de Zoon. Vraag dan om die zalving; Hij Die de dode verwekt, laat geen zuchtende ziel zonder antwoord.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Hieraan kennen wij, dat wij in Hem blijven, en Hij in ons, omdat Hij ons van Zijn Geest gegeven heeft.
1 Johannes 4:13
Een juiste kennis en levende bevinding van de Persoon, de genaden en de werkingen van de Heilige Geest in de ziel is heel noodzakelijk. De mens is zo diep gezonken, zo volkomen gevallen en zo onbekwaam om zich daaruit op te heffen, dat hij deze heilige Leermeester nodig heeft om hem te leiden in een zaligmakende en bevindelijke kennis van de waarheid van God. We weten niets dan door Zijn onderwijs, we hebben niets dan door Zijn gave, en we zijn niets dan door Zijn vorming. Hoe duidelijker we dan geleid worden om te zien, en hoe dieper we onderwezen worden om te verstaan wat we als gevallen zonen en dochters van Adam zijn, hoe meer we onze nood zullen voelen en hoe meer we Zijn gezegende werkingen in ons hart en ons geweten zullen waarderen.
In het geval van Aäron nu (niet alleen beschouwd als een voorbeeld van Christus, maar als iemand die persoonlijk diende bij het altaar van de tabernakel en dus gewijd was tot de bediening van het hogepriesterschap) was het niet genoeg dat hij gewassen en gekleed was. Hij moest ook gezalfd zijn met de heilige zalfolie, voordat hij in het heiligdom van de Heere mocht staan. Zo is het ook met een zoon van de allerhoogste God, één van de koningen en priesters die een koninklijk priesterdom vormen. Het is voor hen niet genoeg gewassen te zijn in het bloed van het Lam en gekleed te zijn met Zijn rechtvaardigende gerechtigheid; hij moet voor Gods dienst gewijd worden door de heilige zalving. Met andere woorden: hij moet geheiligd, wedergeboren en vernieuwd worden in de geest van zijn gemoed, opdat hij, de Goddelijke natuur deelachtig geworden (2 Petr. 1:4), hier mag ingaan in de geestelijke bevinding van de waarheid, en hierna de eeuwige liefelijkheden aan Gods rechterhand mag genieten.
Door de aard van de val is het voor een dode zondaar onmogelijk in God te geloven, God te kennen of God lief te hebben. Hij moet tot een geestelijk leven opgewekt worden, voordat hij de enige waarachtige God en Jezus Christus, Die Hij gezonden heeft, zaligmakend kan kennen. En zo ligt hier, aan de drempel van het hart en in het binnenste vertrek, de absolute noodzaak van de wederbarende werkingen van God de Heilige Geest. De volkomenheid en de diepte van de val maken het wederbarende werk van de Heilige Geest even noodzakelijk en onmisbaar als het verlossende werk van de Zoon van God. Daarom voegt de apostel ze samen: „Maar gij zijt gewassen, maar gij zijt geheiligd, maar gij zijt gerechtvaardigd in de Naam van de Heere Jezus en door de Geest onzes Gods.”
Zal de ziel daarom de eeuwige heerlijkheid binnengaan, dan moet zij voor de heerlijkheid bereid worden doordat zij deelgenoot geworden is van de genade. In dit leven, in deze tijd, moet gekend worden dat zij deelgenoot geworden is van de erfenis van de heiligen in het licht. Zij moet bekwaam gemaakt worden voor het eeuwig genieten van de drie-enige God, door het ontvangen van een nieuwe en hemelse natuur door de Heilige Geest. Die natuur is als een zuivere geest (want wat uit de Geest geboren is, dat is geest) in staat de Godheid te aanschouwen, te genieten en zich in Haar te verheugen, zoals Zij geopenbaard is in de heerlijke Persoon van de Middelaar Gods en der mensen.
Aan de lezer…
Kent u dat? U vraagt zich weleens angstig af of u wel in Hem blijft. Johannes geeft een kenteken: „Hieraan kennen wij, dat wij in Hem blijven, en Hij in ons, omdat Hij ons van Zijn Geest gegeven heeft.” Misschien schrikt u daarvan, omdat u zo weinig van de Geest in u bespeurt. Maar bedenk wat hier gezegd wordt: hoe dieper we onderwezen worden in wat we als gevallen kinderen van Adam zijn, hoe meer we onze nood voelen. Wie de diepte van zijn val kent, heeft dat niet van zichzelf geleerd.
Zoals Aäron niet alleen gewassen en gekleed, maar ook gezalfd moest zijn, zo moet ook een arme zondaar niet alleen gewassen worden in het bloed van het Lam, maar ook geheiligd en vernieuwd door de Geest. Dat werk is even onmisbaar als het verlossende werk van de Zoon. Vraag dan om die zalving. Hij Die de doden opwekt, laat geen zuchtende ziel zonder antwoord.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Hereby know we that we dwell in Him, and He in us, because He hath given us of His Spirit.
1 John 4:13
A right knowledge and living experience of the Person, graces and operations of the Holy Spirit upon the soul, is a very essential thing. Man is so deeply sunk, so utterly fallen, so unable to bring himself back, that he needs this holy Teacher to lead him into a saving, experimental knowledge of the truth of God; for we know nothing but by His teaching, have nothing but by His giving, and are nothing but by His making. The more clearly, then, that we are led to see, and the more deeply we are taught to feel what we are as fallen sons and daughters of Adam, the more shall we feel our need of, and the more shall we value when realized, His blessed operations upon the heart and conscience.
Now, in the case of Aaron, (viewed not only as a type of Christ, but as personally ministering at the altar of the tabernacle, and thus consecrated to the office of high priesthood,) it was not sufficient that he was washed, nor that he was clothed; he must be also anointed by the holy anointing oil before he could stand in the sanctuary of God. So it is with a son of the Most High, one of “the kings and priests” that form “the royal priesthood;” it is not sufficient for him to be washed in the blood of the Lamb, and clothed in His justifying righteousness; he must be consecrated to God’s service by the holy anointing; in other words, be sanctified, regenerated and renewed in the spirit of his mind, that, by being made a partaker of the divine nature (2 Peter 1:4), he may enter into a spiritual experience of the truth of God here, and enjoy the eternal pleasures which are at God’s right hand hereafter.
From the very nature of the fall, it is impossible for a dead soul to believe in God, know God, or love God; it must be quickened into spiritual life before it can savingly know the only true God, and Jesus Christ Whom He has sent. And thus there lies at the very threshold, in the very heart and core of the case, the absolute necessity of the regenerating operations of God the Holy Spirit upon the soul. The very completeness and depth of the fall render the regenerating work of the Holy Spirit as necessary, as indispensable as the redeeming work of the Son of God. The Apostle therefore puts them together. “But you are washed, but you are sanctified, but you are justified in the name of the Lord Jesus, and by the Spirit of our God.”
If, therefore, the soul is to enter into eternal glory, it must be prepared for glory by being made a partaker of grace. It must, in this present life, this time state, be made fit to be a partaker of the inheritance of the saints in light, be capacitated while here below for the eternal fruition of the Triune God, by receiving a new and heavenly nature begotten of the Holy Spirit, which as a pure spirit (for “that which is born of the Spirit is spirit”) is capable of seeing, enjoying, and eternally delighting in the open vision of the Deity as manifested in the glorious Person of the God-man.
To the reader…
Do you know this? At times you anxiously wonder whether you really dwell in Him. John gives a mark: “Hereby know we that we dwell in Him, and He in us, because He hath given us of His Spirit.” Perhaps that frightens you, because you notice so little of the Spirit in you. But consider what is said here: the more deeply we are taught what we are as fallen children of Adam, the more we feel our need. Whoever knows the depth of his fall has not learned that from himself.
As Aaron had to be not only washed and clothed but also anointed, so a poor sinner must not only be washed in the blood of the Lamb, but also sanctified and renewed by the Spirit. That work is just as indispensable as the redeeming work of the Son. Ask, then, for that anointing. He Who raises the dead does not leave a sighing soul without an answer.
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
En esto conocemos que estamos en Él, y Él en nosotros, en que nos ha dado de Su Espíritu.
1 Juan 4:13
Un conocimiento recto y una experiencia viva de la Persona, las gracias y las operaciones del Espíritu Santo en el alma es algo muy esencial. El hombre está tan profundamente hundido, tan completamente caído, tan incapaz de volver por sí mismo, que necesita a este santo Maestro para que le conduzca a un conocimiento salvador y experimental de la verdad de Dios; porque nada sabemos sino por Su enseñanza, nada tenemos sino por Su dádiva, y nada somos sino por Su hechura. Cuanto más claramente, pues, se nos lleve a ver, y cuanto más profundamente se nos enseñe a sentir lo que somos como hijos e hijas caídos de Adán, tanto más sentiremos nuestra necesidad de Sus benditas operaciones en el corazón y la conciencia, y tanto más las valoraremos cuando las experimentemos.
Ahora bien, en el caso de Aarón (considerado no solo como tipo de Cristo, sino como quien ministraba personalmente en el altar del tabernáculo y era así consagrado al oficio del sumo sacerdocio), no bastaba que fuese lavado, ni que fuese vestido; debía ser también ungido con el santo aceite de la unción antes de poder estar en el santuario de Dios. Así sucede con un hijo del Altísimo, uno de “los reyes y sacerdotes” que forman “el real sacerdocio”: no le basta ser lavado en la sangre del Cordero y vestido con Su justicia justificadora; debe ser consagrado al servicio de Dios por la santa unción; en otras palabras, ser santificado, regenerado y renovado en el espíritu de su mente, para que, siendo hecho participante de la naturaleza divina (2 Pedro 1:4), entre aquí en una experiencia espiritual de la verdad de Dios y goce en lo venidero de los deleites eternos que hay a la diestra de Dios.
Por la naturaleza misma de la caída, es imposible que un alma muerta crea en Dios, conozca a Dios o ame a Dios; debe ser vivificada a la vida espiritual antes de poder conocer salvadoramente al único Dios verdadero, y a Jesucristo, al cual Él ha enviado. Y así, en el umbral mismo, en el corazón y núcleo mismo del asunto, está la absoluta necesidad de las operaciones regeneradoras de Dios el Espíritu Santo en el alma. La misma totalidad y profundidad de la caída hacen la obra regeneradora del Espíritu Santo tan necesaria, tan indispensable como la obra redentora del Hijo de Dios. Por eso el apóstol las pone juntas: “Mas ya sois lavados, mas ya sois santificados, mas ya sois justificados en el nombre del Señor Jesús, y por el Espíritu de nuestro Dios.”
Si, pues, el alma ha de entrar en la gloria eterna, debe ser preparada para la gloria siendo hecha participante de la gracia. Debe, en esta vida presente, en este estado temporal, ser hecha apta para participar de la suerte de los santos en luz; ser capacitada, mientras está aquí abajo, para el goce eterno del Dios Trino, recibiendo una naturaleza nueva y celestial engendrada por el Espíritu Santo, la cual, como espíritu puro (porque “lo que es nacido del Espíritu, espíritu es”), es capaz de ver, gozar y deleitarse eternamente en la visión abierta de la Deidad, tal como se manifiesta en la gloriosa Persona del Dios-Hombre.
Al lector…
¿Conoce usted esto? A veces se pregunta con inquietud si de verdad está en Él. Juan da una señal: “En esto conocemos que estamos en Él, y Él en nosotros, en que nos ha dado de Su Espíritu.” Quizá eso le asuste, porque nota tan poco del Espíritu en usted. Pero considere lo que aquí se dice: cuanto más profundamente se nos enseña lo que somos como hijos caídos de Adán, más sentimos nuestra necesidad. Quien conoce la profundidad de su caída no lo ha aprendido de sí mismo.
Así como Aarón tenía que ser no solo lavado y vestido, sino también ungido, así un pobre pecador no solo debe ser lavado en la sangre del Cordero, sino también santificado y renovado por el Espíritu. Esa obra es tan indispensable como la obra redentora del Hijo. Pida, pues, esa unción. Aquel que resucita a los muertos no deja sin respuesta a un alma que suspira.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl