6 dagen geleden verschenen
Het woord van Gods genade
Een uitleg van Handelingen 20:32: Paulus beveelt de oudsten van Efeze aan God en aan het woord van Zijn genade. Alleen dat woord, door de Geest toegepast, bouwt de ziel…
11 dagen geleden verschenen
Schatten in de duisternis
Uitleg van Jesaja 45:2,3 voor Gods kinderen: de Heere gaat voor hen uit, maakt kromme wegen recht, verbreekt koperen deuren en ijzeren grendels, geeft verborgen schatten en leert hen zo…
2 weken geleden verschenen
Verkrijgen en verliezen
Naar Prediker 3:6: een levende ziel verkrijgt geestelijke dingen, van kennis van God en van zichzelf tot geloof en vergeving, maar verliest ook haar eigen gerechtigheid en kracht. De preek…
Het schudden van wat gemaakt is en de vastheid van wat gegeven is
Over Hebreeën 12:27,28: wat gemaakt is, wordt geschud en weggenomen, wat God geeft blijft. Het Koninkrijk dat niet bewogen kan worden wordt door geloof ontvangen, door genade vastgehouden en draagt…
Het is wenselijk de Authorised Version te behouden
Philpot pleit in 1857 tegen een herziene Bijbelvertaling. Hij vreest verminking door dwalende geleerden, onzekerheid en verwarring bij Gods kinderen, en verlies van een gezaghebbende maatstaf en van een nationaal…
Korenaren Uit De Volle Oogst
Zullen twee tezamen wandelen, tenzij dat ze bijeengekomen zijn?1)
Amos 3:3
Er is een tijd geweest, kind van God, dat de wereld de eerste plaats in uw hart innam. Het was niet zo in Gods hart. Gij en Hij waart dus in strijd. Maar nu zijt gij door genade zover gekomen dat de eeuwigheid uw voornaamste zorg is. Gij en God zijt daarin bijeengekomen of overeengekomen; want in Gods gemoed weegt de eeuwigheid evenveel zwaarder dan de tijd, als de sterren aan de middernachtelijke hemel zwaarder wegen dan een stofje.
Er was een tijd dat gij de wereld en de dingen des tijds en der zinnen liefhadt, en de aarde en het aardse uw element en uw tehuis waren. Hierin waart gij en God in strijd, omdat de Heere zag dat de wereld vol boosheid was, terwijl gij haar vol goed achttet. De Heere beschouwde de wereld onder Zijn vloek, en gij hadt haar gunstbewijzen en haar zegeningen lief; gij zocht dwaselijk en goddeloos te genieten wat God had verworpen; daarom kondt gij niet bijeenkomen.
Gij ziet dus dat wij, om met God eenstemmig te zijn, de gedachten Gods in ons hart, Gods wegen in onze ziel en Gods liefde in ons gemoed moeten hebben. „Want Mijne gedachten zijn niet ulieder gedachten, en Mijne wegen zijn niet uwe wegen, spreekt de Heere.” Maar zij moeten dit worden; en als eenmaal Gods gedachten onze gedachten en Gods wegen onze wegen worden, wanneer wij eens de Geest van Christus hebben en met Gods ogen zien, dan komen God en wij bijeen, en bijeengekomen zijnde, kunnen wij tezamen wandelen.
Wat is het, samen te wandelen? Dat is eenheid, gemeenschap en vriendschap genieten. Zodra wij nu met God zijn bijeengekomen, wandelen wij met God. Hij heeft daarboven een troon der genade opgericht, en wanneer God en de mens zo bijeenkomen, ontmoeten zij elkander bij de troon der genade van de Verlosser, besprengd met bloed, de verbroken tafelen der wet voor het oog verbergende. Daar ontmoet God de mens in genadige vriendschap en stelt hem in staat zijn ziel voor Hem uit te storten en Hem zijn moeiten, zijn beproevingen en verzoekingen te vertellen. En nu en dan geeft Hij verlichting door een genadige belofte toe te fluisteren, een gedeelte van Zijn heilige Waarheid toe te passen en hem aan te moedigen in Zijn lieve Zoon te geloven en op Zijn barmhartigheid te hopen.
1) De Engelse tekst geeft voor bijeenkomen: „samenstemmen, overeenstemmen.” Vert.
Ps. 97:7
Aan de lezer…
Deze woorden spreken van twee die samen wandelen. Er was een tijd dat de wereld uw element en uw tehuis was, en dat u met God in strijd was, zonder het te weten. Ziet u nu met andere ogen? Weegt de eeuwigheid u zwaarder dan de tijd, en is het u een last geworden wat God verworpen heeft? Dan is dat geen werk van uzelf, maar een teken dat Gods gedachten in uw hart zijn gekomen, en dat u met Hem bijeengekomen bent.
Wie zo met God bijeengekomen is, mag met Hem wandelen. Dat is geen koude plicht, maar gemeenschap en vriendschap bij de troon der genade, waar het bloed de verbroken tafelen der wet bedekt. Daar mag u uw ziel uitstorten, uw moeiten, beproevingen en verzoekingen vertellen. En wordt er u dan een genadige belofte toegefluisterd, laat het u dan aanmoedigen om in Zijn lieve Zoon te geloven en op Zijn barmhartigheid te hopen.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Zullen twee tezamen wandelen, tenzij dat ze bijeengekomen zijn?1)
Amos 3:3
Er is een tijd geweest, kind van God, dat de wereld de eerste plaats in uw hart innam. In Gods hart was dat niet zo. U en Hij waren dus met elkaar in strijd. Maar nu bent u door genade zover gekomen dat de eeuwigheid uw voornaamste zorg is. Daarin bent u met God bijeengekomen, het met Hem eens geworden. Want in Gods gedachten weegt de eeuwigheid net zoveel zwaarder dan de tijd als de sterren aan de middernachtelijke hemel zwaarder wegen dan een stofje.
Er was een tijd dat u de wereld en de dingen van de tijd en van de zinnen liefhad, en dat de aarde en het aardse uw element en uw thuis waren. Daarin waren u en God met elkaar in strijd, omdat de Heere zag dat de wereld vol boosheid was, terwijl u vond dat zij vol goeds was. De Heere zag de wereld als liggend onder Zijn vloek, maar u had haar gunsten en haar zegeningen lief. U probeerde dwaas en goddeloos te genieten van wat God had verworpen. Daarom kon u niet met Hem bijeenkomen.
U ziet dus dat wij, om met God eensgezind te zijn, Gods gedachten in ons hart, Gods wegen in onze ziel en Gods liefde in ons gemoed moeten hebben. „Want Mijne gedachten zijn niet ulieder gedachten, en Mijne wegen zijn niet uwe wegen, spreekt de Heere.” Maar zo moet het wel worden. En wanneer Gods gedachten eenmaal onze gedachten en Gods wegen onze wegen worden, wanneer wij eenmaal de Geest van Christus hebben en met Gods ogen zien, dan komen God en wij bijeen, en als wij zo bijeengekomen zijn, kunnen wij samen wandelen.
Wat betekent het samen te wandelen? Het is eenheid, gemeenschap en vriendschap genieten. Zodra wij met God zijn bijeengekomen, wandelen wij met God. Hij heeft daarboven een troon der genade opgericht. Wanneer God en de mens zo bijeenkomen, ontmoeten zij elkaar bij de troon der genade van de Verlosser, die met bloed besprenkeld is en de verbroken tafelen van de wet aan het oog onttrekt. Daar ontmoet God de mens in genadige vriendschap en stelt Hij hem in staat zijn ziel voor Hem uit te storten en Hem zijn moeiten, zijn beproevingen en verzoekingen te vertellen. En af en toe geeft Hij verlichting door hem een genadige belofte toe te fluisteren, een gedeelte van Zijn heilige Waarheid toe te passen en hem aan te moedigen om in Zijn geliefde Zoon te geloven en op Zijn barmhartigheid te hopen.
1) De Engelse tekst geeft voor bijeenkomen: „samenstemmen, overeenstemmen.” Vert.
Ps. 97:7
Aan de lezer…
Deze woorden spreken van twee die samen wandelen. Er was een tijd dat de wereld uw element en uw thuis was, en dat u met God in strijd was zonder het te weten. Ziet u nu met andere ogen? Weegt de eeuwigheid voor u zwaarder dan de tijd, en is wat God verworpen heeft u een last geworden? Dan is dat geen werk van uzelf, maar een teken dat Gods gedachten in uw hart zijn gekomen en dat u met Hem bijeengekomen bent.
Wie zo met God bijeengekomen is, mag met Hem wandelen. Dat is geen koude plicht, maar gemeenschap en vriendschap bij de troon der genade, waar het bloed de verbroken tafelen van de wet bedekt. Daar mag u uw ziel uitstorten en uw moeiten, beproevingen en verzoekingen vertellen. En wordt u dan een genadige belofte toegefluisterd, laat die u dan aanmoedigen om in Zijn geliefde Zoon te geloven en op Zijn barmhartigheid te hopen.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Can two walk together, except they be agreed?
Amos 3:3
There was a time, child of God, when the world held the chief place in your heart. God was not supreme in your heart. You and He were therefore at variance. But now, through grace, you are brought to make eternity your chief concern. You and God are agreed there; for in the mind of God, eternity as much outweighs time as the stars in the midnight sky outweigh a grain of dust.
There was a time when you loved the world and the things of time and sense; and earth and earthly things were your element and home. You and God disagreed upon that matter; because the Lord saw that the world was full of evil, while you saw it full of good. The Lord saw the world under His curse, and you loved its favor and its blessing—seeking madly and wickedly to enjoy that which God had denounced; therefore you could not agree.
Thus you see that in order to be agreed with God, we must have God’s thoughts in our heart, God’s ways in our soul, and God’s love in our affections. “For My thoughts are not your thoughts, neither are your ways My ways, says the Lord.” But they must become such; and when once God’s thoughts become our thoughts and God’s ways our ways; when once we have the mind of Christ and see with the eyes of God, then God and we become agreed, and being agreed, we can walk together.
What is it to walk together? Why, it is to enjoy union, communion, fellowship, and friendship. Now as we are brought to agree with God, we walk with God. He has set up a mercy-seat on high, and when they thus agree, God and man may meet at the mercy-seat of the Redeemer. As the eyes are enlightened to see the truth of God; as the heart is touched to feel the power of God; and as the affections are drawn forth to love the things of God, we meet at the mercy-seat.
It is sprinkled with blood; it contains and hides from view the broken tables of the law. There God meets man in gracious friendship, and enables him to pour out his soul before Him and to tell Him his troubles, trials, and temptations. And every now and then He sweetly relieves by dropping in a gracious promise, applying some portion of His sacred truth, encouraging him to believe in His dear Son, and still to hope in His mercy.
To the reader…
These words speak of two who walk together. There was a time when the world was your element and your home, and you were at variance with God without knowing it. Do you now see with different eyes? Does eternity weigh more heavily with you than time, and has what God has rejected become a burden to you? Then that is no work of your own, but a sign that God’s thoughts have come into your heart and that you have been brought into agreement with Him.
Whoever has been brought into agreement with God in this way may walk with Him. That is no cold duty, but communion and friendship at the mercy-seat, where the blood covers the broken tables of the law. There you may pour out your soul and tell Him your troubles, trials, and temptations. And if a gracious promise is then whispered to you, let it encourage you to believe in His dear Son and to hope in His mercy.
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
¿Andarán dos juntos, si no estuvieren de concierto?
Amós 3:3
Hubo un tiempo, hijo de Dios, en que el mundo ocupaba el primer lugar en su corazón. Dios no era supremo en su corazón. Usted y Él estaban, por tanto, en desacuerdo. Pero ahora, por gracia, usted ha sido llevado a hacer de la eternidad su principal preocupación. En eso usted y Dios están de concierto; porque en la mente de Dios la eternidad pesa más que el tiempo tanto como las estrellas del cielo de medianoche pesan más que un grano de polvo.
Hubo un tiempo en que usted amaba el mundo y las cosas del tiempo y de los sentidos; y la tierra y las cosas terrenales eran su elemento y su hogar. Usted y Dios no estaban de acuerdo en ese asunto; porque el Señor veía que el mundo estaba lleno de mal, mientras que usted lo veía lleno de bien. El Señor veía el mundo bajo Su maldición, y usted amaba su favor y su bendición, buscando con locura y maldad gozar de aquello que Dios había condenado; por eso no podían estar de acuerdo.
Así ve usted que, para estar de concierto con Dios, tenemos que tener los pensamientos de Dios en nuestro corazón, los caminos de Dios en nuestra alma y el amor de Dios en nuestros afectos. “Porque Mis pensamientos no son vuestros pensamientos, ni vuestros caminos Mis caminos, dijo Jehová”. Pero tienen que llegar a serlo; y cuando una vez los pensamientos de Dios llegan a ser nuestros pensamientos y los caminos de Dios nuestros caminos; cuando una vez tenemos la mente de Cristo y vemos con los ojos de Dios, entonces Dios y nosotros llegamos a estar de concierto, y estando de concierto, podemos andar juntos.
¿Qué es andar juntos? Pues es gozar de unión, comunión, compañerismo y amistad. Conforme somos llevados a estar de acuerdo con Dios, andamos con Dios. Él ha establecido un propiciatorio en lo alto, y cuando así están de acuerdo, Dios y el hombre pueden encontrarse en el propiciatorio del Redentor. Conforme los ojos son iluminados para ver la verdad de Dios, conforme el corazón es tocado para sentir el poder de Dios, y conforme los afectos son atraídos para amar las cosas de Dios, nos encontramos en el propiciatorio.
Está rociado con sangre; contiene y oculta a la vista las tablas quebrantadas de la ley. Allí Dios se encuentra con el hombre en amistad llena de gracia, y le capacita para derramar su alma delante de Él y contarle sus angustias, pruebas y tentaciones. Y de vez en cuando le alivia dulcemente, dejando caer una promesa llena de gracia, aplicando alguna porción de Su sagrada verdad, animándole a creer en Su amado Hijo y a seguir esperando en Su misericordia.
Al lector…
Estas palabras hablan de dos que andan juntos. Hubo un tiempo en que el mundo era su elemento y su hogar, y usted estaba en desacuerdo con Dios sin saberlo. ¿Ve ahora con otros ojos? ¿Pesa para usted la eternidad más que el tiempo, y se le ha hecho una carga lo que Dios ha desechado? Entonces eso no es obra suya, sino señal de que los pensamientos de Dios han entrado en su corazón y de que usted ha sido llevado a estar de concierto con Él.
Quien ha sido llevado así a estar de concierto con Dios puede andar con Él. Eso no es un deber frío, sino comunión y amistad en el propiciatorio, donde la sangre cubre las tablas quebrantadas de la ley. Allí puede usted derramar su alma y contarle sus angustias, pruebas y tentaciones. Y si entonces se le susurra una promesa llena de gracia, deje que le anime a creer en Su amado Hijo y a esperar en Su misericordia.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl
365 Dagen Met Philpot
Evangelische voorschriften
Ik geloof, Heere! kom mijn ongelovigheid te hulp.
Markus 9:24
Er bestaat een uiterst nauw verband tussen elke genade in de ziel en de geest van gebed in het gemoed. Het leven Gods in de borst van de gelovige daalt en stijgt, stroomt weg en weer binnen, recht evenredig aan en volledig in overeenstemming met het binnenkomen en vertrekken van de Geest van genade en gebed. Geloof en gebed gaan hand in hand naar de troon, waarbij ze elkaar wederzijds versterken terwijl ze naar de genadetroon toegaan. Hoe meer de geest van geloof in mij aanwezig is, des te meer is de geest van gebed in mij aanwezig. Het geloof ziet de zegening, het gebed smeekt ervan te mogen genieten; het geloof versterkt het gebed om te vragen; door het gebed wordt het geloof versterkt.
Door hun vereniging wordt de barmhartigheid persoonlijk bezit: „Alle dingen, die gij biddende begeert, gelooft, dat gij ze ontvangen zult, en zij zullen u geworden” (Mark. 11:24). Toen Mozes zijn hand ophief, had Israël de overhand; toen Mozes zijn hand neerliet, had Amalek de overhand (Ex. 17:11). Maar aangezien deze geest van geloof gemakkelijk verflauwt, want zelfs Mozes, de man Gods, kon zijn hand niet lang genoeg opgeheven houden, hebben wij hopelijk de wijsheid en barmhartigheid om de dingen te vermijden waarvan we uit vroegere ervaring weten dat ze het geloof verzwakken en het gebed in de weg staan.
Verstrikking in wereldse aangelegenheden, behalve voor zover strikt noodzakelijk, is een van de zekerste belemmeringen voor het leven Gods die op ons pad kan komen. Sommigen van Gods kinderen worden zo door zaken of hun dagelijks werk in beslag genomen, dat ze noodzakelijkerwijs veel met de wereld te maken hebben. Maar dit is voor hen noch een verleiding, noch een zonde, als ze niet in de geest ervan verstrikt zijn of erdoor bevangen worden. Jozef aan het hof van Farao, en Daniël als de eerste van de drie vorsten aan wie honderdtwintig stadhouders rekenschap gaven, handhaafden niet alleen hun wereldse positie, maar ook hun goddelijke genade.
Niet in de wereld te zijn, maar van de wereld te zijn: daarin schuilt het gevaar. Houd de wereld op gepaste afstand, en hij zal u geen kwaad doen; laat u door hem omhelzen, en u zult spoedig toegeven aan zijn verleidelijke invloed.
Lezen: Daniël 1
Aan de lezer…
U die merkt dat uw gebed verflauwt en uw geloof zwak wordt, vraag u dan eens eerlijk af wat er tussen u en de genadetroon is gekomen. Geloof en gebed gaan hand in hand; verzwakt het een, dan lijdt het ander. Ook Mozes kon zijn handen niet lang genoeg opgeheven houden, en toen hij ze liet zakken, kreeg Amalek de overhand. Zo is het ook met u, wanneer de zorgen en bezigheden van deze wereld u omhelzen en uw hart in beslag nemen.
U behoeft daarom de wereld niet te ontvluchten; Jozef en Daniël stonden midden in haar drukte en bewaarden toch de genade. Maar houd haar op een afstand, en laat haar geest uw hart niet bevangen. Zoek de stille plaats bij de troon weer op, en bid met de bekende bede: „Heere, kom mijn ongelovigheid te hulp.” Wat u biddende begeert en gelooft, zal u geworden.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Ik geloof, Heere! kom mijn ongelovigheid te hulp.
Markus 9:24
Er is een heel nauw verband tussen elke genade in de ziel en de geest van het gebed in het gemoed. Het leven van God in het hart van de gelovige daalt en stijgt, ebt weg en vloeit weer binnen, precies naar de mate waarin de Geest van genade en gebed binnenkomt en vertrekt, en geheel daarmee in overeenstemming. Geloof en gebed gaan hand in hand naar de troon en versterken elkaar terwijl ze naar de genadetroon gaan. Hoe meer de geest van het geloof in mij aanwezig is, des te meer is ook de geest van het gebed in mij aanwezig. Het geloof ziet de zegen, het gebed smeekt die te mogen genieten; het geloof geeft het gebed kracht om te vragen, en door het gebed wordt het geloof versterkt.
Door hun vereniging wordt de barmhartigheid persoonlijk bezit: „Alle dingen, die gij biddende begeert, gelooft, dat gij ze ontvangen zult, en zij zullen u geworden” (Mark. 11:24). Toen Mozes zijn hand ophief, had Israël de overhand; toen Mozes zijn hand liet zakken, had Amalek de overhand (Ex. 17:11). Maar deze geest van het geloof verflauwt gemakkelijk; zelfs Mozes, de man Gods, kon zijn hand niet lang genoeg opgeheven houden. Daarom hebben wij hopelijk de wijsheid en de barmhartigheid om de dingen te vermijden waarvan we uit vroegere ervaring weten dat ze het geloof verzwakken en het gebed in de weg staan.
Verstrikking in wereldse zaken, voor zover die niet strikt noodzakelijk is, is een van de zekerste belemmeringen voor het leven van God die op ons pad kan komen. Sommige kinderen van God worden zo door zaken of hun dagelijks werk in beslag genomen, dat ze noodzakelijkerwijs veel met de wereld te maken hebben. Maar dit is voor hen geen verleiding en geen zonde, zolang ze niet in de geest ervan verstrikt raken of erdoor bevangen worden. Jozef aan het hof van Farao, en Daniël als de eerste van de drie vorsten aan wie honderdtwintig stadhouders rekenschap gaven, handhaafden niet alleen hun wereldse positie, maar ook hun goddelijke genade.
Niet in de wereld zijn, maar van de wereld zijn: daarin schuilt het gevaar. Houd de wereld op gepaste afstand, en zij zal u geen kwaad doen; laat u door haar omhelzen, en u zult spoedig toegeven aan haar verleidelijke invloed.
Lezen: Daniël 1
Aan de lezer…
U die merkt dat uw gebed verflauwt en uw geloof zwak wordt, vraag u eens eerlijk af wat er tussen u en de genadetroon is gekomen. Geloof en gebed gaan hand in hand; verzwakt het een, dan lijdt het ander. Ook Mozes kon zijn handen niet lang genoeg opgeheven houden, en toen hij ze liet zakken, kreeg Amalek de overhand. Zo gaat het ook met u, wanneer de zorgen en bezigheden van deze wereld u omhelzen en uw hart in beslag nemen.
U hoeft daarom de wereld niet te ontvluchten; Jozef en Daniël stonden midden in haar drukte en bewaarden toch de genade. Maar houd haar op afstand, en laat haar geest uw hart niet bevangen. Zoek de stille plaats bij de troon weer op, en bid met de bekende bede: „Heere, kom mijn ongelovigheid te hulp.” Wat u biddend begeert en gelooft, zal u gegeven worden.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Lord, I believe; help Thou mine unbelief.
Mark 9:24
There is a very close connection between every grace in the soul and the spirit of prayer in the mind. The life of God in the heart of the believer sinks and rises, ebbs and flows, just in proportion as the Spirit of grace and supplications comes in and goes out, and wholly in accordance with it. Faith and prayer go hand in hand to the throne and strengthen each other as they go to the throne of grace. The more the spirit of faith is present in me, the more the spirit of prayer is present in me too. Faith sees the blessing, prayer pleads to enjoy it; faith gives prayer strength to ask, and by prayer faith is strengthened.
By their union the mercy becomes a personal possession: “What things soever ye desire, when ye pray, believe that ye receive them, and ye shall have them” (Mark 11:24). When Moses held up his hand, Israel prevailed; when Moses let down his hand, Amalek prevailed (Exod. 17:11). But this spirit of faith easily flags; even Moses, the man of God, could not keep his hand held up long enough. Therefore we shall, I hope, have the wisdom and the mercy to avoid the things which we know from past experience weaken faith and hinder prayer.
Entanglement in worldly business, so far as it is not strictly necessary, is one of the surest hindrances to the life of God that can come in our path. Some children of God are so taken up with business or their daily work that they necessarily have much to do with the world. But this is no temptation and no sin to them, as long as they are not entangled in its spirit or overcome by it. Joseph at the court of Pharaoh, and Daniel as the first of the three presidents to whom the hundred and twenty princes gave account, maintained not only their worldly position, but also their divine grace.
Not being in the world, but being of the world: there lies the danger. Keep the world at a proper distance, and it will do you no harm; let it embrace you, and you will soon yield to its seductive influence.
Reading: Daniel 1
To the reader…
You who find that your prayer flags and your faith grows weak, ask yourself honestly what has come between you and the throne of grace. Faith and prayer go hand in hand; if the one weakens, the other suffers. Even Moses could not keep his hands held up long enough, and when he let them down, Amalek prevailed. So it is with you too, when the cares and business of this world embrace you and take up your heart.
You need not flee the world for that reason; Joseph and Daniel stood in the midst of its bustle and yet kept their grace. But keep it at a distance, and do not let its spirit take hold of your heart. Seek out the quiet place by the throne again, and pray with that well-known petition: “Lord, help Thou mine unbelief.” What you desire in prayer and believe, shall be given you.
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
Señor, creo; ayuda mi incredulidad.
Marcos 9:24
Hay una conexión muy estrecha entre cada gracia en el alma y el espíritu de oración en la mente. La vida de Dios en el corazón del creyente baja y sube, mengua y crece, exactamente en la medida en que el Espíritu de gracia y de oración entra y sale, y enteramente conforme a ello. La fe y la oración van de la mano al trono y se fortalecen mutuamente mientras van al trono de la gracia. Cuanto más presente está en mí el espíritu de fe, tanto más presente está en mí también el espíritu de oración. La fe ve la bendición, la oración suplica gozarla; la fe da a la oración fuerza para pedir, y por la oración la fe es fortalecida.
Por su unión la misericordia se convierte en posesión personal: “Todo lo que orando pidiereis, creed que lo recibiréis, y os vendrá” (Marcos 11:24). Cuando Moisés alzaba su mano, Israel prevalecía; cuando Moisés bajaba su mano, prevalecía Amalec (Éxodo 17:11). Pero este espíritu de fe decae fácilmente; aun Moisés, el varón de Dios, no podía mantener su mano alzada el tiempo suficiente. Por eso tendremos, espero, la sabiduría y la misericordia de evitar las cosas que sabemos por experiencia pasada que debilitan la fe y estorban la oración.
El enredarse en los negocios del mundo, en cuanto no sea estrictamente necesario, es uno de los estorbos más seguros para la vida de Dios que pueden venir a nuestro camino. Algunos hijos de Dios están tan ocupados con sus negocios o su trabajo diario que necesariamente tienen mucho que ver con el mundo. Pero esto no es para ellos tentación ni pecado, mientras no se enreden en su espíritu ni sean vencidos por él. José en la corte de Faraón, y Daniel como el primero de los tres presidentes a quienes los ciento veinte gobernadores daban cuenta, conservaron no solo su posición en el mundo, sino también su gracia divina.
No es estar en el mundo, sino ser del mundo: ahí está el peligro. Mantenga el mundo a la debida distancia, y no le hará daño; déjese abrazar por él, y pronto cederá a su influencia seductora.
Lectura: Daniel 1
Al lector…
Usted que halla que su oración decae y su fe se debilita, pregúntese con sinceridad qué se ha interpuesto entre usted y el trono de la gracia. La fe y la oración van de la mano; si una se debilita, la otra sufre. Aun Moisés no podía mantener sus manos alzadas el tiempo suficiente, y cuando las bajaba, prevalecía Amalec. Así le sucede también a usted cuando los cuidados y negocios de este mundo le abrazan y ocupan su corazón.
No necesita huir del mundo por esa razón; José y Daniel estuvieron en medio de su bullicio y aun así conservaron su gracia. Pero manténgalo a distancia, y no deje que su espíritu se apodere de su corazón. Busque de nuevo el lugar tranquilo junto al trono, y ore con esa conocida petición: “Señor, ayuda mi incredulidad.” Lo que desee en oración y crea, le será dado.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl
Door Baca's Vallei
Jezus antwoordde en zeide tot hem: Dit is het werk Gods, dat gij gelooft in Hem, Die Hij gezonden heeft.
Johannes 6:29
O, hoe menig kind van God is er dat wenst in Jezus te geloven en in Zijn heilige Naam te vertrouwen, en toch kan hij het niet, geplaagd en gekweld als hij is door de opwellingen van het inwendig ongeloof. Hij weet dat hij niet zodanig in Hem gelooft dat hij zich de verlossing kan toe-eigenen, want hij heeft een inwendig getuigenis in zijn consciëntie dat, zo hij door de kracht des Heiligen Geestes in de Heere Jezus geloofde, dit de liefde Gods in zijn hart zou brengen, de prikkel des doods zou wegnemen en hem zou vervullen met blijdschap en vrede. Doch zolang hij zich veroordeeld gevoelt door de wet en zijn eigen schuldige consciëntie, heeft hij een inwendig getuigenis in zich dat hij alsnog het levend geloof in Christus mist, hetwelk hem, naar zijn overtuiging, ontheffen zou van al zijn schuldige vrees en sombere overleggingen. Daarom jaagt hij naar dit bijzondere, uitmuntende geloof in de Heere Jezus, opdat hij het verkrijgen moge, of liever, dat de Heere het hem naar Zijn oneindige barmhartigheid wilde schenken.
Hier is dan de voornaamste werkzaamheid des geloofs: te geloven in Jezus Christus, om vergeving, vrede en verlossing te mogen bekomen. Menige ziel werkt hier hard, en evenwel met een diepe en aanwassende overtuiging dat het een werk is hetwelk zij niet volvoeren kan dan alleen door de onmiddellijke kracht Gods. Zulk een krachtige vijand is het ongeloof, dat zij in weerwil van al haar pogingen gewaar wordt het niet te kunnen onderwerpen, en dat zij geen korreltje van het ware geloof, waardoor Christus bevindelijk in het hart gebracht wordt, kan opwekken. Doch deze strijd of tegenstand toont klaar dat er leven van binnen is, een werk Gods in de ziel; want uit kracht van de bewegingen Zijner genade en de tegenstand van zijn vleselijk gemoed wordt deze strijd veroorzaakt.
Wanneer dan op Zijn tijd de gezegende Geest Christus voor zijn oog en hart ontdekt, Zijn verzoenend bloed op zijn consciëntie sprengt, Zijn gerechtigheid voortbrengt en hem daarmede bekleedt, en de liefde Gods in zijn hart uitstort, dan verwekt Hij dit bijzondere geloof in de Heere Jezus, waardoor de ziel op Hem gaat leunen en, als ik deze uitdrukking eens mag gebruiken, zich vasthaakt aan Zijn Persoon als de Godmens. Hij vertrouwt op het bloed dat reinigt van alle zonden; op Zijn gerechtigheid, die volkomen rechtvaardigt; op Zijn genade, als te boven gaande al het overvloedige kwaad; op Zijn stervende liefde, als een balsemende hartsterking tegen alle smart en droefheid waarmede hij was bezet. Dit wil het zeggen: te geloven in de Zoon van God; te geloven in Jezus Christus tot zaligheid der ziel.
Aan de lezer…
Wanneer u in Jezus wenst te geloven en het toch niet kunt zoals u zou willen, is dat een zware strijd. Voelt u zich nog veroordeeld door de wet en door uw eigen schuldige consciëntie, en blijven al uw pogingen tegen het ongeloof vergeefs? Denk dan niet dat de strijd een teken is dat er niets in u is. Juist deze tegenstand toont dat er leven van binnen is; want een dode ziel strijdt niet, en zij jaagt ook niet naar het geloof in de Zoon van God.
U kunt dat geloof niet in uzelf opwekken; het is het werk Gods. Maar Hij kan, op Zijn tijd, Christus voor uw oog en hart ontdekken, Zijn bloed op uw consciëntie sprengen en Zijn liefde in uw hart uitstorten. Wacht dan op Hem, en blijf vragen. Wanneer Hij dat doet, zal uw ziel op Hem leunen en zich vasthaken aan Zijn Persoon, en dan zult u ondervinden dat Zijn genade al uw overvloedig kwaad te boven gaat.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Jezus antwoordde en zeide tot hem: Dit is het werk Gods, dat gij gelooft in Hem, Die Hij gezonden heeft.
Johannes 6:29
O, hoeveel kinderen van God zijn er niet die wensen in Jezus te geloven en op Zijn heilige Naam te vertrouwen, en het toch niet kunnen, geplaagd en gekweld als zij worden door het opwellen van het inwendig ongeloof. Zo iemand weet dat hij niet zó in Hem gelooft dat hij zich de verlossing kan toe-eigenen. Hij heeft namelijk een inwendig getuigenis in zijn geweten dat, als hij door de kracht van de Heilige Geest in de Heere Jezus geloofde, dit de liefde van God in zijn hart zou brengen, de prikkel van de dood zou wegnemen en hem zou vervullen met blijdschap en vrede. Maar zolang hij zich veroordeeld voelt door de wet en zijn eigen schuldig geweten, heeft hij een inwendig getuigenis dat hij nog steeds het levend geloof in Christus mist, dat hem naar zijn overtuiging zou bevrijden van al zijn schuldige vrees en sombere overleggingen. Daarom jaagt hij naar dit bijzondere, uitnemende geloof in de Heere Jezus, om het te verkrijgen, of liever, dat de Heere het hem in Zijn oneindige barmhartigheid zou willen schenken.
Hier ligt dan de voornaamste werkzaamheid van het geloof: geloven in Jezus Christus, om vergeving, vrede en verlossing te mogen ontvangen. Menige ziel werkt hier hard aan, en toch met een diepe en groeiende overtuiging dat het een werk is dat zij niet kan volbrengen dan alleen door de onmiddellijke kracht van God. Het ongeloof is zo’n machtige vijand, dat zij ondanks al haar pogingen merkt dat zij het niet kan onderwerpen. Zij kan geen korreltje opwekken van het ware geloof waardoor Christus bevindelijk in het hart gebracht wordt. Maar deze strijd of tegenstand toont duidelijk dat er leven van binnen is, een werk van God in de ziel; want deze strijd ontstaat door de bewegingen van Zijn genade en de tegenstand van het vleselijk gemoed.
Wanneer de gezegende Geest dan op Zijn tijd Christus aan zijn oog en hart ontdekt, Zijn verzoenend bloed op zijn geweten sprenkelt, Zijn gerechtigheid tevoorschijn brengt en hem daarmee bekleedt, en de liefde van God in zijn hart uitstort, dan werkt Hij dit bijzondere geloof in de Heere Jezus. Daardoor gaat de ziel op Hem leunen en, als ik deze uitdrukking eens mag gebruiken, haakt zij zich vast aan Zijn Persoon als de Godmens. Hij vertrouwt op het bloed dat reinigt van alle zonden; op Zijn gerechtigheid, die volkomen rechtvaardigt; op Zijn genade, die al het overvloedige kwaad te boven gaat; op Zijn stervende liefde, als een verzachtend hartversterkend middel tegen alle smart en droefheid waardoor hij was omringd. Dat betekent het: geloven in de Zoon van God; geloven in Jezus Christus tot zaligheid van de ziel.
Aan de lezer…
Wanneer u in Jezus wenst te geloven en het toch niet kunt zoals u zou willen, is dat een zware strijd. Voelt u zich nog veroordeeld door de wet en door uw eigen schuldig geweten, en blijven al uw pogingen tegen het ongeloof vergeefs? Denk dan niet dat de strijd een teken is dat er niets in u is. Juist deze tegenstand laat zien dat er leven van binnen is; want een dode ziel strijdt niet, en zij jaagt ook niet naar het geloof in de Zoon van God.
U kunt dat geloof niet in uzelf opwekken; het is het werk van God. Maar Hij kan op Zijn tijd Christus aan uw oog en hart ontdekken, Zijn bloed op uw geweten sprenkelen en Zijn liefde in uw hart uitstorten. Wacht dan op Hem, en blijf vragen. Wanneer Hij dat doet, zal uw ziel op Hem leunen en zich vasthaken aan Zijn Persoon, en dan zult u ervaren dat Zijn genade al uw overvloedig kwaad te boven gaat.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Jesus answered and said unto them, This is the work of God, that ye believe on Him Whom He hath sent.
John 6:29
Oh! how many a living saint is there who wants to believe in Jesus, who longs to trust in His holy Name; and yet he cannot, so plagued, so pestered is he by the risings of inward unbelief. He knows that he does not yet so believe in Him as to obtain deliverance; for he has an inward testimony in his conscience, that if he believed in the Lord Jesus by the power of the Holy Spirit, it would bring the love of God into his heart, extract the sting of death, and fill him with joy and peace. But as long as he feels condemned by the law and his own guilty conscience, he has an inward testimony that he has not as yet that living faith in Christ which, he is persuaded, would save and deliver him from all his guilty fears and dismal apprehensions. Therefore he labors after this special, this peculiar faith in the Lord Jesus, that he may attain unto it, or rather that God would, of His infinite mercy, bestow it upon him.
Here, then, is the main labor of faith, to believe in Jesus Christ so as to obtain pardon, peace, and deliverance. Many a poor soul is laboring hard at this work, yet with a deep and increasing conviction that it is a work which he cannot perform except by the immediate power of God. So powerful an antagonist is unbelief, that, with all his attempts, he feels that he cannot subdue it, nor raise up one grain of that true faith whereby Christ is experimentally brought into the heart. But this very struggle plainly shows that there is life within, a work of God on his soul; for, from the movements of His grace, and the opposition of his carnal mind to them, all this conflict proceeds.
When, then, in due time, the blessed Spirit brings Christ near to his eyes and heart, reveals Him within, takes of His atoning blood, and sprinkles it on his conscience, brings forth His righteousness and puts it upon him, and sheds abroad the love of God, then He raises up that special faith in the Lord Jesus, whereby the soul hangs, and if I may use the expression, hooks itself upon His Person, as God-man, upon His blood as cleansing from all sin, upon His righteousness as perfectly justifying, upon His grace as super-abounding over all the aboundings of evil, and upon His dying love as a balmy cordial against all the woes and sorrows by which it is distressed. This is believing in the Son of God; believing in Jesus Christ to the salvation of the soul.
To the reader…
When you long to believe in Jesus and yet cannot do so as you would wish, that is a heavy conflict. Do you still feel condemned by the law and by your own guilty conscience, and do all your efforts against unbelief remain in vain? Then do not think that the struggle is a sign that there is nothing in you. This very opposition shows that there is life within; for a dead soul does not struggle, nor does it press after faith in the Son of God.
You cannot raise up that faith in yourself; it is the work of God. But He can, in His own time, reveal Christ to your eye and heart, sprinkle His blood on your conscience and shed abroad His love in your heart. Wait, then, for Him, and keep asking. When He does that, your soul will lean upon Him and hook itself upon His Person, and then you will find that His grace super-abounds over all your abounding evil.
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
Respondió Jesús, y díjoles: Esta es la obra de Dios, que creáis en el que Él ha enviado.
Juan 6:29
¡Oh, cuántos santos vivientes hay que quieren creer en Jesús, que anhelan confiar en Su santo Nombre, y sin embargo no pueden, tan acosados y tan molestados están por los levantamientos de la incredulidad interior! Saben que todavía no creen en Él de tal manera que obtengan liberación; porque tienen en su conciencia un testimonio interior de que, si creyeran en el Señor Jesús por el poder del Espíritu Santo, ello traería el amor de Dios a su corazón, quitaría el aguijón de la muerte y los llenaría de gozo y paz. Pero mientras el hombre se siente condenado por la ley y por su propia conciencia culpable, tiene un testimonio interior de que todavía no posee esa fe viva en Cristo que, según está persuadido, le salvaría y libraría de todos sus temores culpables y sombríos presentimientos. Por eso se esfuerza por alcanzar esta fe especial, esta fe peculiar en el Señor Jesús, o más bien para que Dios, por Su infinita misericordia, se la conceda.
Este es, pues, el principal trabajo de la fe: creer en Jesucristo de tal modo que se obtenga perdón, paz y liberación. Más de un alma pobre trabaja duramente en esta obra, y sin embargo con una profunda y creciente convicción de que es una obra que no puede realizar sino por el poder inmediato de Dios. Tan poderoso adversario es la incredulidad que, con todos sus intentos, siente que no puede vencerla, ni levantar un solo grano de aquella fe verdadera por la cual Cristo es traído experimentalmente al corazón. Pero esta misma lucha muestra claramente que hay vida dentro, una obra de Dios en su alma; porque de los movimientos de Su gracia, y de la oposición de su mente carnal a ellos, procede todo este conflicto.
Cuando, pues, a su debido tiempo, el bendito Espíritu acerca a Cristo a sus ojos y a su corazón, le revela dentro, toma de Su sangre expiatoria y la rocía sobre su conciencia, saca Su justicia y la pone sobre él, y derrama el amor de Dios, entonces levanta aquella fe especial en el Señor Jesús por la cual el alma se cuelga y, si se me permite la expresión, se engancha de Su Persona como Dios-hombre, de Su sangre como la que limpia de todo pecado, de Su justicia como la que justifica perfectamente, de Su gracia como la que sobreabunda por encima de todas las abundancias del mal, y de Su amor agonizante como un cordial balsámico contra todos los ayes y dolores que la afligen. Esto es creer en el Hijo de Dios; creer en Jesucristo para la salvación del alma.
Al lector…
Cuando usted anhela creer en Jesús y sin embargo no puede hacerlo como quisiera, ese es un conflicto pesado. ¿Se siente todavía condenado por la ley y por su propia conciencia culpable, y quedan en vano todos sus esfuerzos contra la incredulidad? Entonces no piense que la lucha es señal de que no hay nada en usted. Esta misma oposición muestra que hay vida dentro; porque un alma muerta no lucha, ni se esfuerza por alcanzar la fe en el Hijo de Dios.
Usted no puede levantar esa fe en sí mismo; es la obra de Dios. Pero Él puede, a Su tiempo, revelar a Cristo a sus ojos y a su corazón, rociar Su sangre sobre su conciencia y derramar Su amor en su corazón. Espérele, pues, y siga pidiendo. Cuando Él lo haga, su alma se apoyará en Él y se enganchará de Su Persona, y entonces hallará que Su gracia sobreabunda por encima de todo su mal abundante.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl