6 dagen geleden verschenen
Het gesprek van een gelovige met zijn ziel
Een uitleg van Psalm 42:12 als gesprek tussen David en zijn ziel: waarom de ziel terneergeslagen en onrustig is, waarom ze op God moet hopen en hoe die hoop uitloopt…
13 dagen geleden verschenen
Het woord van Gods genade
Een uitleg van Handelingen 20:32: Paulus beveelt de oudsten van Efeze aan God en aan het woord van Zijn genade. Alleen dat woord, door de Geest toegepast, bouwt de ziel…
2 weken geleden verschenen
Schatten in de duisternis
Uitleg van Jesaja 45:2,3 voor Gods kinderen: de Heere gaat voor hen uit, maakt kromme wegen recht, verbreekt koperen deuren en ijzeren grendels, geeft verborgen schatten en leert hen zo…
Verkrijgen en verliezen
Naar Prediker 3:6: een levende ziel verkrijgt geestelijke dingen, van kennis van God en van zichzelf tot geloof en vergeving, maar verliest ook haar eigen gerechtigheid en kracht. De preek…
Het schudden van wat gemaakt is en de vastheid van wat gegeven is
Over Hebreeën 12:27,28: wat gemaakt is, wordt geschud en weggenomen, wat God geeft blijft. Het Koninkrijk dat niet bewogen kan worden wordt door geloof ontvangen, door genade vastgehouden en draagt…
Korenaren Uit De Volle Oogst
Hoewel Hij de Zoon was, nochtans gehoorzaamheid geleerd heeft uit hetgeen Hij heeft geleden.
Hebreeën 5:8
Onze genadige Heere moest gehoorzaamheid leren aan de wil van God door de ervaring van eigen lijden en vooral door een onbepaalde onderwerping aan de wil van Zijn hemelse Vader. En welke was die wil? Dat Hij de verbazend grote schuld op Zich zou nemen, die Zijn Bruid door eigen overtreding had op zich geladen; dat Hij Zich stellen zou tot een losprijs om haar uit te delgen; dat Hij onze zonden in Zijn lichaam zou dragen op het hout, met de gevolgen daarvan als vloekhout voor ons; dat Hij door de dood de satan zou overwinnen, die de macht had over de dood, en hen verlossen, die door de vreze des doods hun gehele leven aan slavernij onderworpen waren; en dat, welke moeite en welk lijden op hun pad mochten liggen, Hij die alle zou dragen, en in en door hen onbepaalde onderwerping leren aan de wil van God.
Dit was de wil van God, want Hij wilde dat Zijn Wet grootgemaakt, Zijn gerechtigheid verheerlijkt, Zijn oneindige reinheid en heiligheid geopenbaard en gevestigd zouden worden; en toch, te midden van al Zijn misnoegen over de zonde, dat Zijn oneindige wijsheid, teder medelijden, eeuwige liefde en souvereine genade mochten schitteren en heersen in de zaligheid van miljoenen gedurende een glorierijke eeuwigheid. Ook dit was de vreugde die Christus was voorgesteld, voor welke Hij het kruis heeft verdragen, de schande veracht en nu gezeten is aan de rechterhand des Vaders.
God is ’t verbroken hart,
’t verbrijzeld en bedrukt gemoed
ten allen tijd’ nabij en goed
in tegenheid en smart.
Veel wederwaardigheên,
veel rampen zijn des vromen lot,
maar uit die alle redt hem God:
Hij is zijn heil alleen.
Ps. 34:9
Aan de lezer…
Lezer, is uw weg een weg van moeite en lijden, en valt het u zwaar te buigen onder de wil van God? Zie dan op Hem Die, hoewel Hij de Zoon was, gehoorzaamheid geleerd heeft uit hetgeen Hij heeft geleden. Hij nam de verbazend grote schuld van Zijn Bruid op Zich, droeg haar zonden in Zijn lichaam op het hout en overwon door de dood hem die de macht des doods had.
U hoeft uw last dus niet alleen te dragen. Wat er ook op uw pad mag liggen, het was de wil des Vaders dat Hij het zou dragen, en in en door u onderwerping zou leren aan de wil van God. Wie door de vreze des doods gebonden was, is door Hem verlost. Zo is het verbroken hart Hem nabij, en uit alle rampen zal Hij u redden, opdat ook in uw zaligheid Zijn eeuwige liefde en genade mogen schitteren.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Hoewel Hij de Zoon was, nochtans gehoorzaamheid geleerd heeft uit hetgeen Hij heeft geleden.
Hebreeën 5:8
Onze genadige Heere moest gehoorzaamheid aan de wil van God leren door de ervaring van Zijn eigen lijden, en vooral door een onvoorwaardelijke onderwerping aan de wil van Zijn hemelse Vader. En wat was die wil? Dat Hij de verbazend grote schuld op Zich zou nemen die Zijn Bruid door haar eigen overtreding op zich had geladen. Dat Hij Zich als losprijs zou geven om die schuld uit te delgen. Dat Hij onze zonden in Zijn lichaam op het hout zou dragen, met de gevolgen daarvan, als vloekhout voor ons. Dat Hij door de dood de satan zou overwinnen, die de macht over de dood had, en hen zou verlossen die door de vrees voor de dood hun hele leven aan slavernij onderworpen waren. En dat Hij, welke moeite en welk lijden er ook op hun pad zouden liggen, die allemaal zou dragen, en in en door hen een onvoorwaardelijke onderwerping aan de wil van God zou leren.
Dit was de wil van God, want Hij wilde dat Zijn Wet groot gemaakt, Zijn gerechtigheid verheerlijkt en Zijn oneindige reinheid en heiligheid geopenbaard en bevestigd zouden worden. En toch wilde Hij dat, te midden van al Zijn misnoegen over de zonde, Zijn oneindige wijsheid, teder medelijden, eeuwige liefde en soevereine genade zouden schitteren en heersen in de zaligheid van miljoenen, gedurende een glorierijke eeuwigheid. Ook dit was de vreugde die Christus voorgesteld was, waarvoor Hij het kruis verdragen en de schande veracht heeft, en waarom Hij nu gezeten is aan de rechterhand van de Vader.
God is ’t verbroken hart,
’t verbrijzeld en bedrukt gemoed
ten allen tijd’ nabij en goed
in tegenheid en smart.
Veel wederwaardigheên,
veel rampen zijn des vromen lot,
maar uit die alle redt hem God:
Hij is zijn heil alleen.
Ps. 34:9
Aan de lezer…
Lezer, is uw weg een weg van moeite en lijden, en valt het u zwaar te buigen onder de wil van God? Zie dan op Hem Die, hoewel Hij de Zoon was, gehoorzaamheid geleerd heeft uit wat Hij geleden heeft. Hij nam de verbazend grote schuld van Zijn Bruid op Zich, droeg haar zonden in Zijn lichaam op het hout en overwon door de dood hem die de macht over de dood had.
U hoeft uw last dus niet alleen te dragen. Wat er ook op uw pad ligt, het was de wil van de Vader dat Hij het zou dragen, en in en door u onderwerping aan de wil van God zou leren. Wie door de vrees voor de dood gebonden was, is door Hem verlost. Zo is Hij het verbroken hart nabij, en uit alle rampen zal Hij u redden, zodat ook in uw zaligheid Zijn eeuwige liefde en genade mogen schitteren.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Though He were a Son, yet learned He obedience by the things which He suffered.
Hebrews 5:8
Our gracious Lord had to learn obedience to the will of God by a personal experience of suffering, and especially by an implicit submission to His heavenly Father’s will. And what was this will? That He should take upon Himself the huge debt which His bride had incurred by original and actual transgression; that He should offer Himself as a ransom price to discharge and put it away; that He should bear our sins in His own body on the tree, with everything which was involved in being made a curse for us; that He should by death overcome Satan, who had the power of death, and deliver them who all their life, through fear of death, were subject to bondage; and that, whatever sorrows and sufferings should lie in His path, He should bear them all, and learn, in and by them, implicit submission to the will of God.
This was the will of God, for He was determined that His law should be magnified, His justice glorified, His infinite purity and holiness revealed and established; and yet, amid all and through all His displeasure against sin, that His infinite wisdom, tender pity, everlasting love, and sovereign grace might shine and reign in the happiness of millions through a glorious eternity. This, also, was the joy that was set before Christ, for which He endured the cross, despising the shame, and is now set down at the right hand of the throne of God.
To the reader…
Reader, is your way a way of trouble and suffering, and do you find it hard to bow beneath the will of God? Then look to Him Who, though He were a Son, yet learned obedience by the things which He suffered. He took upon Himself the enormous debt of His bride, bore her sins in His own body on the tree, and through death overcame him that had the power of death.
So you need not carry your burden alone. Whatever lay in His path, it was the Father’s will that He should bear it, and learn in and by it submission to the will of God. Those who through fear of death were subject to bondage have been delivered by Him. So He is near to the broken heart, and He will deliver you out of all your troubles, so that in your salvation too His eternal love and grace may shine.
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
Y aunque era Hijo, por lo que padeció aprendió la obediencia.
Hebreos 5:8
Nuestro Señor lleno de gracia tuvo que aprender la obediencia a la voluntad de Dios por una experiencia personal del sufrimiento, y especialmente por una sumisión implícita a la voluntad de Su Padre celestial. ¿Y cuál era esta voluntad? Que tomara sobre Sí la inmensa deuda que Su esposa había contraído por la transgresión original y actual; que se ofreciera a Sí mismo como precio de rescate para saldarla y quitarla; que llevara nuestros pecados en Su propio cuerpo sobre el madero, con todo lo que implicaba ser hecho maldición por nosotros; que por la muerte venciera a Satanás, que tenía el imperio de la muerte, y librara a los que por el temor de la muerte estaban por toda la vida sujetos a servidumbre; y que, cualesquiera que fuesen los dolores y sufrimientos que hubiera en Su camino, los llevara todos y aprendiera, en ellos y por ellos, una sumisión implícita a la voluntad de Dios.
Esta era la voluntad de Dios, porque Él había determinado que Su ley fuese engrandecida, Su justicia glorificada, Su infinita pureza y santidad reveladas y establecidas; y sin embargo, en medio de todo Su desagrado contra el pecado y a través de él, que Su infinita sabiduría, Su tierna piedad, Su amor eterno y Su gracia soberana resplandecieran y reinaran en la felicidad de millones a lo largo de una gloriosa eternidad. Este era también el gozo que fue propuesto a Cristo, por el cual sufrió la cruz, menospreciando la vergüenza, y ahora está sentado a la diestra del trono de Dios.
Al lector…
Lector, ¿es su camino un camino de angustia y sufrimiento, y le cuesta inclinarse bajo la voluntad de Dios? Mire entonces a Aquel que, aunque era Hijo, por lo que padeció aprendió la obediencia. Él tomó sobre Sí la enorme deuda de Su esposa, llevó los pecados de ella en Su propio cuerpo sobre el madero, y por la muerte venció al que tenía el imperio de la muerte.
No tiene usted, pues, que llevar su carga solo. Todo lo que había en Su camino, era voluntad del Padre que Él lo llevara, y que aprendiera en ello y por ello la sumisión a la voluntad de Dios. Los que por el temor de la muerte estaban sujetos a servidumbre han sido librados por Él. Así, Él está cerca de los quebrantados de corazón, y le librará de todas sus angustias, para que también en su salvación resplandezcan Su amor eterno y Su gracia.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl
365 Dagen Met Philpot
Bevinding
De HEERE maakt arm en maakt rijk.
1 Samuël 2:7
Om geestelijk een bedelaar te zijn, moet de mens niets hebben dat hij niet door smeekbeden verkrijgt. Maar wat is het vernederend voor de natuur, verpletterend voor de trots van de mens, dat hij van nature niets geestelijk goeds kan doen, dat hij zijn eigen hart niet opnieuw kan scheppen, dat hij zijn eigen ziel niet kan redden, dat hij niet kan geloven, noch hopen, noch liefhebben — kortom, dat hij zich door geen enkele eigen wil of kracht aan Gods goedgunstigheid kan toevertrouwen! De bedelaar heeft niets om mee te werken of te handelen. Als hem maar een stukje grond werd gegeven, zou hij het kunnen bebouwen; als hij maar een beetje geld had, zou hij ermee kunnen kopen en verkopen.
Maar hij heeft niets om mee te beginnen, geen enkel uitgangspunt, want „de armoede der geringen is hun verstoring” (Spr. 10:15). Ik heb het over iemand die, laten we zeggen, door ziekte tot armoede is gebracht, niet over straatbedelaars, die meestal bedriegers zijn. Net zo met Gods kinderen: als ze maar konden werken, als ze maar een stukje grond konden bebouwen en een geestelijke oogst binnenhalen, of als ze maar een beetje geld ter beschikking hadden om mee te beginnen, dat ze zouden kunnen uitzetten om met rente terug te krijgen, wel, dan zouden ze geen bedelaars zijn.
Maar dat alles zo uit hun greep is geraakt, dat ze geen enkel goed ding meer hebben dat ze hun eigendom kunnen noemen, en dat ze daarom moeten bedelen, en uitroepen en smeken bij de Heere om al het geestelijke en genadige, wat is dit vernederend voor een mens! Toch weten Gods kinderen dat ze erin moeten wandelen. Hebt u, heb ik, ooit iets gekregen dan door te bedelen? Moeten Gods dienstknechten niet om bijna elke preek bidden, uitroepen en zuchten om bijna elke tekst, om kracht in hun ziel te ervaren, om gedachten ingeblazen te krijgen en om woorden gedicteerd te krijgen?
En moeten Gods kinderen, de toehoorders, niet aan de voetbank van de genade om elke zegen smeken die ze hopen te ontvangen, om elk gunstig teken, om elk getuigenis, elke glimlach, elk bewijs, elke blijk dat ze Gods kinderen zijn? Moeten Gods kinderen niet, heel aanhoudend, de genadetroon bestormen, opdat ze die barmhartigheden als een vrije gave mogen ontvangen, zonder welke ze niet getroost kunnen leven, noch zalig kunnen sterven? Als u geen bedelaar bent, als u nog een beetje geld bezit, een eigen veldje om te bebouwen, bent u niet geschikt voor het koninkrijk Gods. Elke cent uit de voorraad van de natuur moet worden uitgegeven voordat u uit de volheid van Christus kunt ontvangen, genade voor genade. Tot u een bedelaar bent, hebt u geen zichtbaar recht op evangeliezegeningen.
Lezen: Markus 10:46-52
Aan de lezer…
Is het ook u vernederend, lezer, dat u niets hebt om mee te beginnen? U kunt uw eigen hart niet vernieuwen, niet geloven, niet hopen, niet liefhebben uit uzelf. Het veldje dat u meende te bezitten, is u ontnomen, en de laatste cent uit de voorraad van de natuur is uitgegeven. Dat is bitter voor de trots van het hart, en toch is het geen verloren plaats.
Want juist de bedelaar mag aan de voetbank van de genade liggen. Wat u niet verdienen kunt, mag u smekend ontvangen als een vrije gave: elk gunstig teken, elke glimlach, elk bewijs dat u een kind van God bent. Bestorm dan aanhoudend de genadetroon. Hebt u ooit iets ontvangen dan door te bedelen? Zo zal het ook nu zijn: uit de volheid van Christus, genade voor genade, voor wie met lege handen komt.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
De HEERE maakt arm en maakt rijk.
1 Samuël 2:7
Om geestelijk een bedelaar te zijn, moet de mens niets hebben wat hij niet door smeken verkrijgt. Maar hoe vernederend is het voor de natuur, en hoe verpletterend voor de trots van de mens, dat hij van nature niets geestelijk goeds kan doen! Hij kan zijn eigen hart niet opnieuw scheppen, zijn eigen ziel niet redden, niet geloven, niet hopen en niet liefhebben — kortom, hij kan zich door geen enkele eigen wil of kracht aan Gods goedgunstigheid toevertrouwen! De bedelaar heeft niets om mee te werken of te handelen. Als hem maar een stukje grond gegeven werd, zou hij het kunnen bebouwen; als hij maar een beetje geld had, zou hij ermee kunnen kopen en verkopen.
Maar hij heeft niets om mee te beginnen, geen enkel uitgangspunt, want „de armoede der geringen is hun verstoring” (Spr. 10:15). Ik heb het over iemand die, laten we zeggen, door ziekte tot armoede gebracht is, niet over straatbedelaars, die meestal bedriegers zijn. Zo is het ook met Gods kinderen. Als ze maar konden werken, als ze maar een stukje grond konden bebouwen en een geestelijke oogst binnenhalen, of als ze maar een beetje geld hadden om mee te beginnen, dat ze konden uitzetten om het met rente terug te krijgen, dan zouden ze geen bedelaars zijn.
Maar dat alles is hun zo uit handen geraakt dat ze geen enkel goed ding meer hebben dat ze hun eigendom kunnen noemen. Daarom moeten ze bij de Heere bedelen, roepen en smeken om al het geestelijke en genadige. Wat is dat vernederend voor een mens! Toch weten Gods kinderen dat ze die weg moeten gaan. Hebt u, heb ik, ooit iets gekregen anders dan door te bedelen? Moeten Gods dienstknechten niet om bijna elke preek bidden, en roepen en zuchten om bijna elke tekst, om kracht in hun ziel te ervaren, om gedachten ingegeven te krijgen en om woorden in de mond gelegd te krijgen?
En moeten Gods kinderen, de hoorders, niet aan de voetbank van de genade smeken om elke zegen die ze hopen te ontvangen, om elk gunstig teken, om elk getuigenis, elke glimlach, elk bewijs en elke blijk dat ze Gods kinderen zijn? Moeten Gods kinderen niet heel aanhoudend de genadetroon bestormen, om die barmhartigheden als een vrije gave te mogen ontvangen, zonder welke ze niet getroost kunnen leven en niet zalig kunnen sterven? Als u geen bedelaar bent, als u nog een beetje geld bezit of een eigen veldje om te bebouwen, bent u niet geschikt voor het Koninkrijk van God. Elke cent uit de voorraad van de natuur moet uitgegeven zijn voordat u uit de volheid van Christus kunt ontvangen, genade voor genade. Zolang u geen bedelaar bent, hebt u geen zichtbaar recht op de zegeningen van het evangelie.
Lezen: Markus 10:46-52
Aan de lezer…
Is het ook voor u vernederend dat u niets hebt om mee te beginnen? U kunt uw eigen hart niet vernieuwen, en uit uzelf niet geloven, niet hopen en niet liefhebben. Het veldje dat u meende te bezitten, is u ontnomen, en de laatste cent uit de voorraad van de natuur is uitgegeven. Dat is bitter voor de trots van het hart, en toch is het geen verloren plaats.
Want juist de bedelaar mag aan de voetbank van de genade liggen. Wat u niet kunt verdienen, mag u smekend ontvangen als een vrije gave: elk gunstig teken, elke glimlach, elk bewijs dat u een kind van God bent. Bestorm dan aanhoudend de genadetroon. Hebt u ooit iets ontvangen anders dan door te bedelen? Zo zal het ook nu zijn: uit de volheid van Christus, genade voor genade, voor wie met lege handen komt.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
The LORD maketh poor, and maketh rich.
1 Samuel 2:7
To be a beggar spiritually, a man must have nothing but what he obtains by begging. But how humbling it is to nature, and how crushing to the pride of man, that by nature he can do nothing spiritually good! He cannot create his own heart anew, cannot save his own soul, cannot believe, hope or love — in short, he cannot by any will or power of his own commend himself to God’s favour! The beggar has nothing to work or trade with. If he were only given a piece of ground, he could cultivate it; if he only had a little money, he could buy and sell with it.
But he has nothing to begin with, no starting point at all, for “the destruction of the poor is their poverty” (Proverbs 10:15). I speak of one who, let us say, has been brought to poverty by illness, not of street beggars, who are mostly impostors. So it is with God’s children. If they could only work, if they could only cultivate a piece of ground and gather in a spiritual harvest, or if they only had a little money to begin with, which they could put out to receive it back with interest, they would not be beggars.
But all this has so slipped out of their hands that they have not one good thing left which they can call their own. Therefore they must beg, cry and plead with the Lord for everything spiritual and gracious. How humbling that is to a man! Yet God’s children know that they must walk in that way. Have you, have I, ever received anything except by begging? Must not God’s servants pray for almost every sermon, and cry and sigh for almost every text, to feel power in their souls, to have thoughts given them and words put into their mouths?
And must not God’s children, the hearers, beg at the footstool of mercy for every blessing they hope to receive, for every favourable token, for every testimony, every smile, every evidence and every proof that they are God’s children? Must not God’s children very importunately besiege the throne of grace, that they may receive as a free gift those mercies without which they cannot live comfortably nor die happily? If you are not a beggar, if you still possess a little money or a little field of your own to cultivate, you are not fit for the kingdom of God. Every penny of nature’s stock must be spent before you can receive out of the fulness of Christ, grace for grace. As long as you are not a beggar, you have no visible title to the blessings of the gospel.
Reading: Mark 10:46-52
To the reader…
Is it humbling to you too that you have nothing to begin with? You cannot renew your own heart, and of yourself you cannot believe, hope or love. The little field you thought you possessed has been taken from you, and the last penny of nature’s stock has been spent. That is bitter to the pride of the heart, and yet it is not a lost place.
For it is just the beggar who may lie at the footstool of mercy. What you cannot earn you may receive by pleading, as a free gift: every favourable token, every smile, every evidence that you are a child of God. Besiege the throne of grace, then, without ceasing. Have you ever received anything except by begging? So it will be now as well: out of the fulness of Christ, grace for grace, for whoever comes with empty hands.
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
Jehová empobrece, y Él enriquece.
1 Samuel 2:7
Para ser mendigo en lo espiritual, un hombre no debe tener nada sino lo que obtiene mendigando. ¡Pero cuán humillante es para la naturaleza, y cuán aplastante para el orgullo del hombre, que por naturaleza no pueda hacer nada espiritualmente bueno! No puede crear de nuevo su propio corazón, no puede salvar su propia alma, no puede creer, esperar ni amar; en suma, no puede por ninguna voluntad o poder propio hacerse grato al favor de Dios. El mendigo no tiene nada con qué trabajar o negociar. Si tan solo se le diera un pedazo de tierra, podría cultivarlo; si tan solo tuviera un poco de dinero, podría comprar y vender con él.
Pero no tiene nada con qué empezar, ningún punto de partida en absoluto, porque “el desmayo de los pobres es su pobreza” (Proverbios 10:15). Hablo de uno que, digamos, ha sido reducido a la pobreza por la enfermedad, no de los mendigos de la calle, que en su mayoría son impostores. Así sucede con los hijos de Dios. Si tan solo pudieran trabajar, si tan solo pudieran cultivar un pedazo de tierra y recoger una cosecha espiritual, o si tan solo tuvieran un poco de dinero para empezar, que pudieran poner a rédito para recibirlo de vuelta con interés, no serían mendigos.
Pero todo esto se les ha escapado de tal modo de las manos que no les queda ni una sola cosa buena que puedan llamar suya. Por eso deben mendigar, clamar y suplicar al Señor por todo lo espiritual y lleno de gracia. ¡Cuán humillante es eso para un hombre! Sin embargo, los hijos de Dios saben que deben andar por ese camino. ¿Ha recibido usted, he recibido yo, alguna vez algo sino mendigando? ¿No deben los siervos de Dios orar por casi cada sermón, y clamar y suspirar por casi cada texto, para sentir poder en sus almas, para que se les den pensamientos y se les pongan palabras en la boca?
¿Y no deben los hijos de Dios, los oyentes, mendigar ante el estrado de la misericordia por cada bendición que esperan recibir, por cada señal favorable, por cada testimonio, cada sonrisa, cada evidencia y cada prueba de que son hijos de Dios? ¿No deben los hijos de Dios asediar con mucha importunidad el trono de la gracia, para recibir como don gratuito aquellas misericordias sin las cuales no pueden vivir con consuelo ni morir con felicidad? Si usted no es un mendigo, si aún posee un poco de dinero o un pequeño campo propio que cultivar, no es apto para el reino de Dios. Cada céntimo del caudal de la naturaleza debe gastarse antes de que usted pueda recibir de la plenitud de Cristo gracia por gracia. Mientras no sea un mendigo, no tiene ningún título visible a las bendiciones del evangelio.
Lectura: Marcos 10:46-52
Al lector…
¿Le resulta humillante también a usted no tener nada con qué empezar? No puede renovar su propio corazón, y por sí mismo no puede creer, esperar ni amar. El pequeño campo que creía poseer le ha sido quitado, y el último céntimo del caudal de la naturaleza se ha gastado. Eso es amargo para el orgullo del corazón, y sin embargo no es un lugar perdido.
Porque precisamente el mendigo puede yacer ante el estrado de la misericordia. Lo que usted no puede ganar, puede recibirlo suplicando, como don gratuito: cada señal favorable, cada sonrisa, cada evidencia de que es hijo de Dios. Asedie, pues, el trono de la gracia sin cesar. ¿Ha recibido alguna vez algo sino mendigando? Así será también ahora: de la plenitud de Cristo, gracia por gracia, para quien viene con las manos vacías.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl
Door Baca's Vallei
Alle gebed, alle smeking, die van enig mens of van al Uw volk Israël geschieden zal; als zij erkennen een ieder zijn plaag en zijn smart, en een ieder zijn handen in dit huis uitbreiden zal.
2 Kronieken 6:29
Salomo komt tot de ondervinding; hij legt zijn hand op de rechte plaats. Dat wil zeggen: het is zijn eigen plaag en zijn eigen smart te kennen. Men kan eens andermans smart kennen, maar dit kan ons niet ten voordeel zijn. Men kan van ondervinding lezen in boeken, gaarne onderwerpelijke leraars horen, zelfs zó dat men geen anderen horen wil, en toch zijn eigen plaag en eigen smart niet kennen. Evenals een dokter, die misschien de verschijnselen van elke ziekte kent, en toch zelf niet ziek is.
Zo kan men de verschijnselen van alle ziekten horen beschrijven, en toch door niet één worden aangetast. Maar de mens voor wie Salomo bidt, is iemand die smartelijk zijn eigen plaag en gemis kent, wiens hart erover is aangedaan, wiens zonden hem zwaar wegen. Hoe smartelijk kan deze plaag zijn! Nacht en dag drukt zij hem. Hij is vol zweren en etterbuilen, en hoe vreest hij dat het onderzoek niet te best zal uitvallen.
De meesten van Gods kinderen hebben een wond; ieder van hen heeft een gevoelige plaats, iets wat misschien God en zij alleen kennen, dat de oorzaak is van hun grootste smart. Het kan zijn dat zij een misstap begaan hebben die niet openbaar is; dat zij enige zonden bedreven, enig woord gesproken, enig kwaad gedaan hebben. Zij zijn gevangen en verstrikt en terneergeslagen. En dit is hun grootste smart en dit zijn hun wonden, die zij bij ogenblikken voor Gods aangezicht ten zeerste betreuren.
Voor dezulken bidt Salomo hier; hij werpt het net aan de rechterzijde van het schip en zegt: „Hoor Gij dan uit de hemel, de vaste plaats Uwer woning, en vergeef, en geef een iegelijk naar al zijn wegen, gelijk Gij zijn hart kent; want Gij alleen kent het hart van de kinderen der mensen.” Ja, God alleen kent het hart; Hij kent het volkomen; Hij ziet op de bodem des harten.
Aan de lezer…
Hoe vaak draagt u een wond die misschien alleen God en u kent: een misstap die niet openbaar is, een woord dat u niet meer kunt terugnemen, een zonde die u nacht en dag drukt! Het is iets anders van ondervinding te lezen of te horen, dan zelf zijn eigen plaag en zijn eigen smart te kennen. Maar wie zo zijn plaag kent, is juist de mens voor wie Salomo bad.
Breid dan uw handen uit en verberg uw smart niet voor Gods aangezicht. U vreest misschien dat het onderzoek niet te best zal uitvallen; maar Hij kent uw hart al volkomen, tot op de bodem toe. Er is niets in u wat Hem verrast. En Hij, Die het hart kent, is het ook Die hoort uit de hemel, de vaste plaats Zijner woning, en vergeeft. Breng uw wond tot Hem, want bij Hem is zij in goede handen.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Alle gebed, alle smeking, die van enig mens of van al Uw volk Israël geschieden zal; als zij erkennen een ieder zijn plaag en zijn smart, en een ieder zijn handen in dit huis uitbreiden zal.
2 Kronieken 6:29
Salomo komt bij de bevinding; hij legt zijn hand op de juiste plek. Dat wil zeggen: het gaat erom zijn eigen plaag en zijn eigen smart te kennen. Men kan wel eens de smart van een ander kennen, maar dat kan ons niet tot voordeel zijn. Men kan over bevinding lezen in boeken, graag bevindelijke leraars horen, zelfs zo dat men geen anderen wil horen, en toch zijn eigen plaag en eigen smart niet kennen. Net als een dokter, die misschien de verschijnselen van elke ziekte kent, en toch zelf niet ziek is.
Zo kan men de verschijnselen van alle ziekten horen beschrijven, en toch door geen enige worden aangetast. Maar de mens voor wie Salomo bidt, is iemand die op een smartelijke manier zijn eigen plaag en gebrek kent, wiens hart erdoor geraakt is en wiens zonden hem zwaar wegen. Hoe smartelijk kan deze plaag zijn! Nacht en dag drukt zij hem. Hij is vol zweren en etterbuilen, en wat vreest hij dat het onderzoek niet al te best zal uitvallen.
De meeste kinderen van God hebben een wond. Ieder van hen heeft een gevoelige plek, iets wat misschien alleen God en zij kennen, en dat de oorzaak is van hun grootste smart. Het kan zijn dat zij een misstap begaan hebben die niet openbaar is; dat zij een zonde bedreven, een woord gesproken of een kwaad gedaan hebben. Zij zijn gevangen, verstrikt en terneergeslagen. Dat is hun grootste smart, en dat zijn hun wonden, die zij op sommige ogenblikken voor Gods aangezicht diep betreuren.
Voor zulke mensen bidt Salomo hier. Hij werpt het net uit aan de rechterzijde van het schip en zegt: „Hoor Gij dan uit de hemel, de vaste plaats Uwer woning, en vergeef, en geef een iegelijk naar al zijn wegen, gelijk Gij zijn hart kent; want Gij alleen kent het hart van de kinderen der mensen.” Ja, alleen God kent het hart. Hij kent het volkomen; Hij ziet tot op de bodem van het hart.
Aan de lezer…
Hoe vaak draagt u een wond die misschien alleen God en u kennen: een misstap die niet openbaar is, een woord dat u niet meer kunt terugnemen, een zonde die u nacht en dag drukt! Het is iets anders om over bevinding te lezen of te horen, dan zelf zijn eigen plaag en zijn eigen smart te kennen. Maar wie zijn plaag zo kent, is juist de mens voor wie Salomo bad.
Breid dan uw handen uit en verberg uw smart niet voor Gods aangezicht. Misschien vreest u dat het onderzoek niet al te best zal uitvallen; maar Hij kent uw hart al volkomen, tot op de bodem toe. Er is niets in u wat Hem verrast. En Hij Die het hart kent, is ook Degene Die hoort uit de hemel, de vaste plaats van Zijn woning, en vergeeft. Breng uw wond bij Hem, want bij Hem is zij in goede handen.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
“Then what prayer or what supplication soever shall be made of any man, or of all thy people Israel, when every one shall know his own sore and his own grief, and shall spread forth his hands in this house.”
2 Chronicles 6:29
Solomon comes to experience; he puts his hand upon the right spot. It is knowing his “own sore” and his “own grief.” You may know another man’s; that will not profit you. You may read of experience in books, love to hear experimental ministers, and will hear no others; and yet not know your “own sore,” your “own grief.” Like a physician who may know the symptoms of every malady, and yet not have one malady of his own; so you may hear described every symptom of every disease, and yet be untouched by one.
But the man for whom Solomon’s prayer is, he that knows and feels, painfully feels, his “own sore” and his “own grief,” whose heart is indeed a grief to him, whose sins do indeed trouble him. How painful this sore often is! how it runs night and day! how full of ulcerous matter, and how it shrinks from the probe! Most of the Lord’s family have a “sore,” each some tender spot, something perhaps known to himself and to God alone, the cause of his greatest grief. It may be some secret slip he has made, some sin he has committed, some word he has spoken, or some evil thing he has done.
He has been entangled, and entrapped, and cast down; and this is his grief and his sore which he feels, and that at times deeply before God. For such Solomon prays—he casts his net upon the right side of the ship; and says, “Then hear from heaven Your dwelling-place, and forgive, and render unto every man according unto all his ways, whose heart You know; for You only know the hearts of the children of men.” Yes; God alone knows the heart; He knows it completely, and sees to its very bottom.
To the reader…
How often do you carry a wound that perhaps only God and you know: a slip that is not public, a word you can no longer take back, a sin that presses on you night and day! It is one thing to read or hear about experience, and another to know one’s own sore and one’s own grief. But whoever knows his sore in this way is precisely the one for whom Solomon prayed.
Spread forth your hands, then, and do not hide your grief from God’s face. Perhaps you fear that the searching will not turn out too well; but He already knows your heart completely, to its very bottom. There is nothing in you that takes Him by surprise. And He Who knows the heart is also the One Who hears from heaven, His settled dwelling-place, and forgives. Bring your wound to Him, for with Him it is in good hands.
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
“Toda oración y todo ruego que hiciere cualquier hombre, o todo tu pueblo Israel, cualquiera que conociere su llaga y su dolor en su corazón, si extendiere sus manos á esta casa.”
2 Crónicas 6:29
Salomón llega a la experiencia; pone la mano en el lugar exacto. Se trata de conocer su “llaga” y su “dolor” propios. Usted puede conocer los de otro hombre; eso no le aprovechará. Puede leer acerca de la experiencia en libros, gustar de oír a ministros experimentales, y no querer oír a ningún otro; y sin embargo no conocer su “propia llaga”, su “propio dolor”. Como un médico que puede conocer los síntomas de toda enfermedad y sin embargo no tener él mismo ninguna, así puede usted oír describir cada síntoma de cada enfermedad y sin embargo no estar tocado por ninguna.
Pero el hombre por quien es la oración de Salomón es aquel que conoce y siente, siente dolorosamente, su “propia llaga” y su “propio dolor”; cuyo corazón le es de veras un dolor, cuyos pecados de veras le turban. ¡Qué dolorosa es a menudo esta llaga! ¡Cómo supura noche y día! ¡Qué llena de materia ulcerosa, y cómo se encoge ante la sonda! La mayoría de la familia del Señor tiene una “llaga”, cada uno algún punto sensible, algo conocido quizá solo por él y por Dios, la causa de su mayor dolor. Puede ser algún tropiezo secreto que ha tenido, algún pecado que ha cometido, alguna palabra que ha dicho, o alguna cosa mala que ha hecho.
Ha sido enredado, atrapado y abatido; y este es su dolor y su llaga, que él siente, y a veces profundamente, delante de Dios. Por tales ora Salomón —echa su red a la derecha del barco— y dice: “Tú oirás desde los cielos, desde el lugar de tu habitación, y perdonarás, y darás á cada uno conforme á sus caminos, habiendo conocido su corazón; (porque sólo tú conoces el corazón de los hijos de los hombres).” Sí; solo Dios conoce el corazón; lo conoce por completo, y lo ve hasta el fondo.
Al lector…
¡Cuántas veces lleva usted una herida que quizá solo Dios y usted conocen: un tropiezo que no es público, una palabra que ya no puede retirar, un pecado que le oprime noche y día! Una cosa es leer u oír acerca de la experiencia, y otra conocer la propia llaga y el propio dolor. Pero quien conoce así su llaga es precisamente aquel por quien oró Salomón.
Extienda, pues, sus manos, y no esconda su dolor del rostro de Dios. Quizá teme que el escudriñamiento no salga muy bien; pero Él ya conoce su corazón por completo, hasta el fondo. No hay nada en usted que Le tome por sorpresa. Y Aquel Que conoce el corazón es también Quien oye desde los cielos, Su morada establecida, y perdona. Lleve su herida a Él, porque con Él está en buenas manos.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl