5 dagen geleden verschenen
Het gesprek van een gelovige met zijn ziel
Een uitleg van Psalm 42:12 als gesprek tussen David en zijn ziel: waarom de ziel terneergeslagen en onrustig is, waarom ze op God moet hopen en hoe die hoop uitloopt…
12 dagen geleden verschenen
Het woord van Gods genade
Een uitleg van Handelingen 20:32: Paulus beveelt de oudsten van Efeze aan God en aan het woord van Zijn genade. Alleen dat woord, door de Geest toegepast, bouwt de ziel…
2 weken geleden verschenen
Schatten in de duisternis
Uitleg van Jesaja 45:2,3 voor Gods kinderen: de Heere gaat voor hen uit, maakt kromme wegen recht, verbreekt koperen deuren en ijzeren grendels, geeft verborgen schatten en leert hen zo…
Verkrijgen en verliezen
Naar Prediker 3:6: een levende ziel verkrijgt geestelijke dingen, van kennis van God en van zichzelf tot geloof en vergeving, maar verliest ook haar eigen gerechtigheid en kracht. De preek…
Het schudden van wat gemaakt is en de vastheid van wat gegeven is
Over Hebreeën 12:27,28: wat gemaakt is, wordt geschud en weggenomen, wat God geeft blijft. Het Koninkrijk dat niet bewogen kan worden wordt door geloof ontvangen, door genade vastgehouden en draagt…
Korenaren Uit De Volle Oogst
God is getrouw, door Welke gij geroepen zijt tot de gemeenschap Zijns Zoons Jezus Christus, onze Heere.
1 Korinthe 1:9
Wanneer God Zijn volk roept door Zijn genade, is het om hen deelgenoten te maken van de hoogste vreugde en de grootste heerlijkheid die Hij de kinderen der mensen kan schenken. En dat niet alleen in de eeuwigheid, maar ook in de tijd; niet alleen aan gene, maar ook aan deze zijde des grafs. Daarom roept Hij tot hen door Zijn profeet: „Ben Ik Israël een woestijn geweest? of een land der uiterste donkerheid?” (Jer. 2:31). Wanneer de Heere Zijn volk roept uit de aardse vreugde, is het dan met geen ander doel dan om hen op paden van droefenis en smart te leiden? Doet Hij hun de vleespotten van Egypte verlaten, om hen in een barre wildernis van gebrek te doen omkomen?
Dit was de klacht der oude murmureerders, dat Mozes hen uit Egypte had geleid om hen van dorst te doen omkomen. Ontrukt Hij hen aan de aardse genietingen, om hen aan ellende en wanhoop over te geven? O neen! Hij roept hen zelfs uit die toestand, om hun het grootste voorrecht en de hoogste gunst te schenken die Zijn eeuwige liefde hun zou kunnen geven, welke niets minder is dan „de gemeenschap Zijns Zoons, Jezus Christus, onze Heere”, opdat zij met Hem en in Zijn gemeenschap hier door genade, en hiernamaals als deelgenoten Zijner heerlijkheid zouden leven.
Gods lieve Zoon is en is altijd geweest het Voorwerp Zijner eeuwige vreugde. Hem te verheerlijken is van alle eeuwigheid Zijn vast en bepaald doel geweest; en om dit doel te volvoeren gaf Hij Hem een volk, dat Hij Zichzelf maakte, opdat zij Zijn lof zouden vermelden. Daarom sprak de Verlosser tot Zijn hemelse Vader: „En al de Mijnen zijn de Uwen en de Uwen zijn de Mijnen, en Ik ben in hen verheerlijkt.”
Geloofd zij Isrels grote God!
Zijn gunst schenk’ ons dit heilgenot:
zo zullen wij zijn goedheid danken.
Dat al wat leeft Hem eeuwig eer’!
Al ’t volk zegg’ „Amen” op mijn klanken.
Juich aarde, loof de Opperheer!
Psalm 106:26
Aan de lezer…
Misschien vreest u dat de weg met God alleen maar verlies betekent: dat Hij u uit de vreugden van de wereld riep om u in een barre wildernis van gebrek achter te laten. Zo klaagden de murmureerders van weleer. Maar ik zeg met nadruk: o neen! Wanneer God Zijn volk door genade roept, is het om hen deelgenoten te maken van de hoogste vreugde die Hij geven kan, niet alleen in de eeuwigheid, maar ook hier, aan deze zijde van het graf.
Want u bent geroepen „tot de gemeenschap Zijns Zoons Jezus Christus, onze Heere”. De Vader heeft Zijn eeuwige vreugde in de Zoon, en Hij gaf Hem een volk om Hem te verheerlijken. Voelt u weinig van die gemeenschap, en zijn uw dagen eerder donker dan licht? Houd dan vast aan het eerste woord van deze tekst: „God is getrouw.” Die u geroepen heeft, zal Zijn roeping niet laten varen.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
God is getrouw, door Welke gij geroepen zijt tot de gemeenschap Zijns Zoons Jezus Christus, onze Heere.
1 Korinthe 1:9
Wanneer God Zijn volk door Zijn genade roept, is het om hen deelgenoten te maken van de hoogste vreugde en de grootste heerlijkheid die Hij de mensenkinderen kan schenken. En dat niet alleen in de eeuwigheid, maar ook in de tijd; niet alleen aan de andere kant, maar ook aan deze kant van het graf. Daarom roept Hij hun door Zijn profeet toe: „Ben Ik Israël een woestijn geweest? of een land der uiterste donkerheid?” (Jer. 2:31). Wanneer de Heere Zijn volk wegroept uit de aardse vreugde, is dat dan met geen ander doel dan om hen langs paden van droefheid en smart te leiden? Laat Hij hen de vleespotten van Egypte verlaten om hen in een barre wildernis van gebrek te laten omkomen?
Dat was de klacht van de murmureerders van vroeger: Mozes had hen uit Egypte geleid om hen van dorst te laten omkomen. Rukt Hij hen los van de aardse genietingen om hen aan ellende en wanhoop over te geven? O nee! Hij roept hen juist uit die toestand, om hun het grootste voorrecht en de hoogste gunst te schenken die Zijn eeuwige liefde hun zou kunnen geven. Dat is niets minder dan „de gemeenschap Zijns Zoons, Jezus Christus, onze Heere”, zodat zij met Hem en in Zijn gemeenschap zouden leven: hier door genade, en hierna als deelgenoten van Zijn heerlijkheid.
Gods geliefde Zoon is en was altijd het Voorwerp van Zijn eeuwige vreugde. Hem te verheerlijken is van eeuwigheid Zijn vaste en bepaalde doel geweest. Om dat doel te bereiken gaf Hij Hem een volk dat Hij Zichzelf maakte, opdat zij Zijn lof zouden vermelden. Daarom sprak de Verlosser tot Zijn hemelse Vader: „En al de Mijnen zijn de Uwen en de Uwen zijn de Mijnen, en Ik ben in hen verheerlijkt.”
Geloofd zij Isrels grote God!
Zijn gunst schenk’ ons dit heilgenot:
zo zullen wij zijn goedheid danken.
Dat al wat leeft Hem eeuwig eer’!
Al ’t volk zegg’ „Amen” op mijn klanken.
Juich aarde, loof de Opperheer!
Psalm 106:26
Aan de lezer…
Misschien vreest u dat de weg met God alleen maar verlies betekent: dat Hij u uit de vreugden van de wereld riep om u in een barre wildernis van gebrek achter te laten. Zo klaagden de murmureerders van vroeger. Maar ik zeg met nadruk: o nee! Wanneer God Zijn volk door genade roept, is het om hen deelgenoten te maken van de hoogste vreugde die Hij geven kan, niet alleen in de eeuwigheid, maar ook hier, aan deze kant van het graf.
Want u bent geroepen „tot de gemeenschap Zijns Zoons Jezus Christus, onze Heere”. De Vader heeft Zijn eeuwige vreugde in de Zoon, en Hij gaf Hem een volk om Hem te verheerlijken. Ervaart u weinig van die gemeenschap, en zijn uw dagen eerder donker dan licht? Houd dan vast aan het eerste woord van deze tekst: „God is getrouw.” Hij Die u geroepen heeft, zal Zijn roeping niet laten varen.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
God is faithful, by Whom ye were called unto the fellowship of His Son Jesus Christ our Lord.
1 Corinthians 1:9
When God calls His people by His grace, it is to make them partakers of the highest bliss and the greatest glory that He could confer upon the sons of men. And this not only in eternity, but in time; not only beyond, but this side of the grave. He appeals, therefore, to them by His prophet. “Have I been a wilderness unto Israel? a land of darkness?” (Jer. 2:31.)
When the Lord calls His people out of earthly pleasures, is it for no other purpose than to lead them into paths of affliction and sorrow? Does He make them leave the flesh-pots of Egypt to starve them in a waste howling wilderness? This was the complaint of the ancient murmurers, that Moses had brought them up out of Egypt to kill them with thirst (Exod. 17:3). Does He take them from earthly delights to abandon them to misery and despair? O no! He calls them even in this time state to the greatest privilege and highest favor that His everlasting love could confer upon them, which is no less than “the fellowship of His Son, Jesus Christ our Lord,” that they may have union and communion with the Son of God by grace here, and be partakers of His glory hereafter.
God’s dear Son is, and always has been, the object of His eternal delight. To glorify Him has been from all eternity His fixed, His settled purpose; and in pursuance of this settled purpose, He gave Him a people whom He formed for Himself, that they might show forth His praise. Thus, therefore, the Redeemer addressed His heavenly Father—“And all Mine are yours, and yours are Mine; and I am glorified in them.”
To the reader…
Perhaps you fear that the way with God means nothing but loss: that He called you out of the pleasures of the world only to leave you in a barren wilderness of want. That is how the murmurers of old complained. But I say with emphasis: O no! When God calls His people by grace, it is to make them partakers of the highest joy He can give, not only in eternity, but here as well, on this side of the grave.
For you are called “unto the fellowship of His Son Jesus Christ our Lord.” The Father has His eternal delight in the Son, and He gave Him a people to glorify Him. Do you experience little of that fellowship, and are your days darker than they are light? Then hold fast to the first words of this text: “God is faithful.” He Who has called you will not let His calling fail.
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
Fiel es Dios, por el cual sois llamados a la participación de Su Hijo Jesucristo nuestro Señor.
1 Corintios 1:9
Cuando Dios llama a Su pueblo por Su gracia, es para hacerlo partícipe de la más alta bienaventuranza y de la mayor gloria que Él podía conferir a los hijos de los hombres. Y esto no solo en la eternidad, sino en el tiempo; no solo más allá, sino a este lado del sepulcro. Por eso apela a ellos por medio de Su profeta: “¿He sido Yo desierto a Israel, o tierra de tinieblas?” (Jeremías 2:31).
Cuando el Señor llama a Su pueblo a salir de los placeres terrenales, ¿es con el único propósito de llevarlo por sendas de aflicción y de tristeza? ¿Les hace dejar las ollas de carne de Egipto para matarlos de hambre en un desierto horrible y yermo? Esa era la queja de los antiguos murmuradores: que Moisés los había sacado de Egipto para matarlos de sed (Éxodo 17:3). ¿Los aparta de los deleites terrenales para abandonarlos a la miseria y la desesperación? ¡Oh, no! Los llama, aun en este estado temporal, al mayor privilegio y al más alto favor que Su amor eterno podía conferirles, que no es nada menos que “la participación de Su Hijo Jesucristo nuestro Señor”, para que tengan unión y comunión con el Hijo de Dios por gracia aquí, y sean partícipes de Su gloria en el más allá.
El amado Hijo de Dios es, y ha sido siempre, el objeto de Su eterno deleite. Glorificarle ha sido desde toda la eternidad Su propósito fijo y establecido; y en cumplimiento de ese propósito establecido, le dio un pueblo que formó para Sí, para que publicase Su alabanza. Por eso el Redentor se dirigió así a Su Padre celestial: “Y todas Mis cosas son Tus cosas, y Tus cosas son Mis cosas; y he sido glorificado en ellas”.
Al lector…
Quizá teme usted que el camino con Dios no signifique otra cosa que pérdida: que Él le haya llamado a salir de los placeres del mundo solo para dejarle en un desierto estéril de necesidad. Así se quejaban los murmuradores de antaño. Pero digo con énfasis: ¡Oh, no! Cuando Dios llama a Su pueblo por gracia, es para hacerlo partícipe del gozo más alto que Él puede dar, no solo en la eternidad, sino también aquí, a este lado del sepulcro.
Porque usted es llamado “a la participación de Su Hijo Jesucristo nuestro Señor”. El Padre tiene Su eterno deleite en el Hijo, y le dio un pueblo para glorificarle. ¿Experimenta usted poco de esa comunión, y son sus días más oscuros que luminosos? Aférrese entonces a las primeras palabras de este texto: “Fiel es Dios”. Aquel que le ha llamado no dejará que Su llamamiento fracase.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl
365 Dagen Met Philpot
Het gebed van Salomo
Onze Heere Jezus Christus, Die Zichzelf gegeven heeft voor onze zonden, opdat Hij ons trekken zou uit deze tegenwoordige boze wereld, naar de wil van onze God en Vader; Dewelke zij de heerlijkheid in alle eeuwigheid. Amen.
Galaten 1:3-5
Het is vooral in de laatste ogenblikken van Zijn lijden dat we de Heere Jezus Zich uit vrije wil zien geven voor onze zonden. Als we Hem dan de donkere hof in volgen, waar Hij onder de overweldigende druk van de zonde en het verdriet grote druppels bloed zweette; vandaar naar de Joodse raad en Pilatus’ rechtszaal; en vandaar naar het kruis op Golgotha, waar Hij, als hoogtepunt van vernedering, tussen twee dieven werd gekruisigd, dan zien we in deze laatste ogenblikken van Zijn lijden en gehoorzame dood vooral wat de heilige Heere onderging toen Hij Zichzelf opofferde om zonde voor ons te worden, opdat wij rechtvaardigheid Gods in Hem zouden worden (2 Kor. 5:21). Want door Zichzelf voor onze zonden te geven, nam Hij al de schuld, boete en straf daarvan op Zich. Hij droeg onze zonden in Zijn eigen lichaam aan het kruis alsof ze van Hemzelf waren geweest; want door Zichzelf vrijwillig in de plaats van de zondaar te hebben gesteld, stond Hij als de Borg, van Wie de rechtvaardigheid het uiterste eiste.
Aldus doorstond Hij niet alleen de loocheningen van de zondaren tegen Hemzelf, maar – wat veel moeilijker te verdragen was – Hij leed onder de ondraaglijke toorn van God, toen Zijn Vader Zijn gezicht voor Hem verborg, toen pijn Zijn levensgeest opeiste en toen Hij, als voor ons tot vloek gemaakt, tussen hemel en aarde als een schouwspel voor mensen en engelen hing. God de Vader aanvaardde deze plaatsvervanging, want het was volgens Zijn eigen eeuwige wil en goede bedoeling dat de Zoon van Zijn liefde Zichzelf zo zou geven voor onze zonden, dat Hij al hun schuld en verdoemenis zou vernietigen, ze achter Gods rug zou werpen, ze schoon zou wassen in de bron van Zijn verzoenend bloed, en ze voor eeuwig zou uitwissen als een wolk uit de hemel. Waar zouden we zijn, wat zouden we zijn, welke hoop zouden we kunnen hebben om aan de toorn te ontkomen zonder deze gezegende gebeurtenis, deze plechtige, goddelijke werkelijkheid dat de Zoon van God Zichzelf heeft opgeofferd voor onze zonden, en ze aldus voor altijd heeft vernietigd?
Lezen: Galaten 1:1-10
Aan de lezer…
Er zijn dagen dat u alleen uw zonden ziet, zo zwaar dat u niet weet hoe u ooit vrij zult komen. Volg dan in gedachten de Heere Jezus de donkere hof in, waar Hij grote druppels bloed zweette, en vandaar naar Golgotha, waar Hij tussen twee misdadigers hing. Daar gaf Hij Zichzelf voor onze zonden. Hij nam hun schuld, boete en straf op Zich, alsof zij van Hemzelf waren geweest.
Wat de mensen Hem aandeden was zwaar, maar zwaarder nog was het dat Zijn Vader Zijn aangezicht voor Hem verborg. Dat droeg Hij, opdat wij rechtvaardigheid Gods in Hem zouden worden. En de Vader heeft deze plaatsvervanging aanvaard. Waar zou u zijn zonder dit? Laat uw ziel er dan op rusten: wat Hij gedragen heeft, hoeft u niet meer te dragen. Uw zonden zijn in Zijn bloed afgewassen en uitgewist als een wolk uit de hemel.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Onze Heere Jezus Christus, Die Zichzelf gegeven heeft voor onze zonden, opdat Hij ons trekken zou uit deze tegenwoordige boze wereld, naar de wil van onze God en Vader; Dewelke zij de heerlijkheid in alle eeuwigheid. Amen.
Galaten 1:3-5
Vooral in de laatste ogenblikken van Zijn lijden zien we hoe de Heere Jezus Zich vrijwillig geeft voor onze zonden. Laten we Hem volgen: de donkere hof in, waar Hij onder de overweldigende last van zonde en droefheid grote druppels bloed zweette; vandaar naar de Joodse raad en de rechtszaal van Pilatus; en vandaar naar het kruis op Golgotha, waar Hij, als hoogtepunt van Zijn vernedering, tussen twee misdadigers gekruisigd werd. Dan zien we in deze laatste ogenblikken van Zijn lijden en gehoorzame dood vooral wat de heilige Heere onderging toen Hij Zichzelf opofferde om zonde voor ons te worden, opdat wij zouden worden rechtvaardigheid Gods in Hem (2 Kor. 5:21). Want doordat Hij Zichzelf voor onze zonden gaf, nam Hij al hun schuld, boete en straf op Zich. Hij droeg onze zonden in Zijn eigen lichaam aan het kruis alsof ze van Hemzelf waren. Want doordat Hij Zich vrijwillig in de plaats van de zondaar had gesteld, stond Hij daar als de Borg, van Wie de gerechtigheid het uiterste eiste.
Zo verdroeg Hij niet alleen de tegenspraak van de zondaren tegen Zichzelf, maar ook, wat veel moeilijker te verdragen was, de ondraaglijke toorn van God. Zijn Vader verborg Zijn aangezicht voor Hem, de pijn putte Zijn levenskracht uit, en Hij hing, tot een vloek voor ons gemaakt, tussen hemel en aarde als een schouwspel voor mensen en engelen. God de Vader aanvaardde deze plaatsvervanging, want het was naar Zijn eigen eeuwige wil en welbehagen dat de Zoon van Zijn liefde Zich zo zou geven voor onze zonden. Zo zou Hij al hun schuld en verdoemenis tenietdoen, ze achter Gods rug werpen, ze schoonwassen in de fontein van Zijn verzoenend bloed en ze voor eeuwig uitwissen als een wolk uit de hemel.
Waar zouden we zijn, wat zouden we zijn, welke hoop zouden we hebben om aan de toorn te ontkomen zonder deze gezegende gebeurtenis, deze plechtige, goddelijke werkelijkheid: dat de Zoon van God Zichzelf heeft opgeofferd voor onze zonden en ze zo voor altijd heeft tenietgedaan?
Lezen: Galaten 1:1-10
Aan de lezer…
Er zijn dagen dat u alleen uw zonden ziet, zo zwaar dat u niet weet hoe u ooit vrij zult komen. Volg dan in gedachten de Heere Jezus de donkere hof in, waar Hij grote druppels bloed zweette, en vandaar naar Golgotha, waar Hij tussen twee misdadigers hing. Daar gaf Hij Zichzelf voor onze zonden. Hij nam hun schuld, boete en straf op Zich, alsof zij van Hemzelf waren.
Wat de mensen Hem aandeden was zwaar, maar zwaarder nog was het dat Zijn Vader Zijn aangezicht voor Hem verborg. Dat droeg Hij, opdat wij rechtvaardigheid Gods in Hem zouden worden. En de Vader heeft deze plaatsvervanging aanvaard. Waar zou u zijn zonder dit? Laat uw ziel er dan op rusten: wat Hij gedragen heeft, hoeft u niet meer te dragen. Uw zonden zijn in Zijn bloed afgewassen en uitgewist als een wolk uit de hemel.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Our Lord Jesus Christ, Who gave Himself for our sins, that He might deliver us from this present evil world, according to the will of God and our Father: to Whom be glory for ever and ever. Amen.
Galatians 1:3-5
Especially in the closing moments of His sufferings do we see how the Lord Jesus willingly gives Himself for our sins. Let us follow Him: into the dark garden, where under the overwhelming load of sin and sorrow He sweat great drops of blood; from there to the Jewish council and the judgment hall of Pilate; and from there to the cross on Calvary, where, as the climax of His humiliation, He was crucified between two malefactors. Then we see in these last moments of His sufferings and obedient death especially what the holy Lord endured when He offered Himself up to be made sin for us, that we might be made the righteousness of God in Him (2 Cor. 5:21).
For in giving Himself for our sins, He took upon Himself all their guilt, penalty and punishment. He bore our sins in His own body on the tree as if they had been His own. For having voluntarily put Himself in the sinner’s place, He stood there as the Surety, of Whom justice demanded the uttermost.
Thus He endured not only the contradiction of sinners against Himself, but also, what was far harder to bear, the unbearable wrath of God. His Father hid His face from Him, pain drained His strength, and He hung, made a curse for us, between heaven and earth as a spectacle to men and angels. God the Father accepted this substitution, for it was according to His own eternal will and good pleasure that the Son of His love should thus give Himself for our sins. So He would put away all their guilt and condemnation, cast them behind God’s back, wash them clean in the fountain of His atoning blood, and blot them out for ever as a cloud from the sky.
Where would we be, what would we be, what hope would we have of escaping the wrath to come, without this blessed event, this solemn, divine reality: that the Son of God offered Himself up for our sins and so put them away for ever?
Reading: Galatians 1:1-10
To the reader…
There are days when you see only your sins, so heavy that you do not know how you will ever go free. Then follow the Lord Jesus in your thoughts into the dark garden, where He sweat great drops of blood, and from there to Calvary, where He hung between two malefactors. There He gave Himself for our sins. He took their guilt, penalty and punishment upon Himself, as if they were His own.
What men did to Him was heavy, but heavier still was that His Father hid His face from Him. That He bore, so that we might be made the righteousness of God in Him. And the Father has accepted this substitution. Where would you be without it? Let your soul rest on it, then: what He has borne, you need no longer bear. Your sins have been washed away in His blood and blotted out as a cloud from the sky.
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
Nuestro Señor Jesucristo, el Cual se dio a Sí mismo por nuestros pecados para librarnos de este presente siglo malo, conforme a la voluntad de Dios y Padre nuestro; al Cual sea la gloria por siglos de siglos. Amén.
Gálatas 1:3-5
Sobre todo en los últimos momentos de Sus padecimientos vemos cómo el Señor Jesús se da a Sí mismo voluntariamente por nuestros pecados. Sigámosle: al huerto oscuro, donde bajo la abrumadora carga del pecado y la tristeza sudó grandes gotas de sangre; de allí al concilio de los judíos y al pretorio de Pilato; y de allí a la cruz del Calvario, donde, como cumbre de Su humillación, fue crucificado entre dos malhechores. Entonces vemos en estos últimos momentos de Sus padecimientos y de Su muerte obediente, de manera especial, lo que el santo Señor soportó cuando se ofreció a Sí mismo para ser hecho pecado por nosotros, para que nosotros fuésemos hechos justicia de Dios en Él (2 Cor. 5:21).
Porque al darse a Sí mismo por nuestros pecados, tomó sobre Sí toda su culpa, su pena y su castigo. Llevó Él mismo nuestros pecados en Su cuerpo sobre el madero, como si hubieran sido Suyos. Pues, habiéndose puesto voluntariamente en el lugar del pecador, estuvo allí como el Fiador, a Quien la justicia exigía lo último.
Así soportó no solo la contradicción de pecadores contra Sí mismo, sino también, lo que era mucho más difícil de llevar, la insoportable ira de Dios. Su Padre escondió de Él Su rostro, el dolor agotó Sus fuerzas, y quedó colgado, hecho maldición por nosotros, entre el cielo y la tierra, como espectáculo a los hombres y a los ángeles. Dios el Padre aceptó esta sustitución, porque era conforme a Su propia voluntad eterna y a Su beneplácito que el Hijo de Su amor se diera así a Sí mismo por nuestros pecados. Así quitaría toda su culpa y condenación, los echaría tras las espaldas de Dios, los lavaría en la fuente de Su sangre expiatoria y los borraría para siempre como a nube del cielo.
¿Dónde estaríamos, qué seríamos, qué esperanza tendríamos de escapar de la ira venidera, sin este bendito acontecimiento, esta solemne realidad divina: que el Hijo de Dios se ofreció a Sí mismo por nuestros pecados y así los quitó para siempre?
Lectura: Gálatas 1:1-10
Al lector…
Hay días en que usted solo ve sus pecados, tan pesados que no sabe cómo podrá jamás quedar libre. Siga entonces al Señor Jesús con sus pensamientos al huerto oscuro, donde sudó grandes gotas de sangre, y de allí al Calvario, donde estuvo colgado entre dos malhechores. Allí se dio a Sí mismo por nuestros pecados. Tomó sobre Sí su culpa, su pena y su castigo, como si fueran Suyos.
Lo que los hombres le hicieron fue duro, pero más duro aún fue que Su Padre escondiera de Él Su rostro. Eso lo soportó Él, para que nosotros fuésemos hechos justicia de Dios en Él. Y el Padre ha aceptado esta sustitución. ¿Dónde estaría usted sin ella? Deje, pues, que su alma descanse en ello: lo que Él ha llevado, usted ya no tiene que llevarlo. Sus pecados han sido lavados en Su sangre y borrados como a nube del cielo.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl
Door Baca's Vallei
Ik en de Vader zijn één.
Johannes 10:30
Er is veel haarkloverij in het gemoed van sommige mensen over de uitdrukking „het bloed Gods”. Hoe, zeggen zij, kon de Godheid bloeden? Hoe kon de Godheid lijden? Doch indien het niet is het bloed van Hem, Die God was, dan mocht ik ook evenzeer ter zaligheid mijn vertrouwen stellen op het bloed van één der moordenaren die met Hem gekruisigd zijn. Wat is Christus’ menselijke natuur? Het is de rots waarop zo menig schoon schip heeft gestoten.
Het is niet een persoon met een onderscheiden bestaan, dus afgescheiden van de Godheid van Christus; maar het is een natuur, hetgeen de Heilige Geest noemt: „dat Heilige”, Lukas 1:35; een „lichaam, dat God Hem had toebereid”, Hebr. 10:5. Het is de menselijke natuur, aangenomen tot een gemeenzame, verborgen en onverklaarbare vereniging met de Persoon van de Zoon van God. Zodat, wat ook de menselijke natuur deed en leed, krachtens de gemeenzaamheid en de vereniging met de Zoon van God, de Zoon van God dit deed en leed. Bloedde de natuur? Zij bloedde als hebbende vereniging met de Godheid; zijnde, om zo te spreken, het instrument waarvan de Godheid gebruikmaakte.
Om een voorbeeld te gebruiken: gelijk mijn ziel door middel van mijn hand een voorwerp aanraakt, of haar gedachten uitspreekt door mijn tong, evenzo is het met de Godheid; Zelf niet in staat om te bloeden, bloedde zij door de mensheid. Leed die natuur? Het was niet het blote lijden van een menselijk persoon, gelijk een mens lijden kon; maar het was het lijden van een heilige natuur in directe vereniging met de Persoon van de Zoon van God. En gehoorzaamde die natuur? Zodat te redekavelen over de uitdrukking „het bloed Gods” niets minder is dan een streep te geven door een grote, fundamentele waarheid.
Men kon op dezelfde grond ook bezwaar hebben tegen de uitdrukking „De Heere onze gerechtigheid”, gelijk de profeet daarvan spreekt: „En dit is de naam, waarmede men Hem noemen zal: De Heere onze gerechtigheid”, Jer. 23:6. Wie is onze gerechtigheid anders dan de Zoon van God? En wat was die gerechtigheid anders dan de gehoorzaamheid van Zijn menselijke natuur; want de Godheid kon evenmin gehoorzamen als zij kon lijden en bloeden; en toch is Jehova onze gerechtigheid. En als wij er nu niet op tegen hebben te spreken van de „gerechtigheid Gods”, waarom zouden wij dit wel hebben tegen de uitdrukking „het bloed Gods”?
Nu, dit is de grote verborgenheid die het geloof omhelst en die dierbaar is voor het hart van iedere ziel, door God onderwezen. Welk een kracht en werking ziet het geloof in deze offerande, wanneer het deksel des harten wordt weggenomen! Welk een verzoening voor de zonde door het bloed des Zoons Gods mag zij aanschouwen! Het geloof beschouwt dit niet als het bloed van een mens. Kan het bloed van een mens de zonde wegnemen? Maar wanneer wij het zien als het bloed des Zoons Gods, welk een waarde, kracht, vermogen en heerlijkheid blinken erin uit! Doch tenzij het deksel van het hart wordt weggenomen, kunnen wij niet zien; ook kunnen wij niet — tenzij de Geest het ons bevindelijk doet verstaan — iets kennen van de Goddelijke waardij die er in dit bloed is om onze schuldige consciëntie te reinigen.
Aan de lezer…
Hoe dikwijls klaagt uw schuldige consciëntie u aan, en waarop rust dan uw hoop? Het bloed van een mens kan de zonde niet wegnemen. Maar het bloed van Christus is het bloed van Hem, Die God was, vergoten in die heilige natuur welke in een verborgen en onverklaarbare vereniging met de Persoon van de Zoon van God werd aangenomen. Daarom ligt er een Goddelijke waardij in, groot genoeg voor de zwaarste schuld.
Laat anderen redekavelen over deze verborgenheid; het geloof omhelst haar en vindt er rust. Ziet u nog weinig van haar kracht en heerlijkheid, bid dan dat het deksel van uw hart wordt weggenomen en dat de Geest het u bevindelijk doet verstaan. Dan wordt het u dierbaar: de Heere uw gerechtigheid, en het bloed des Zoons Gods tot reiniging van een schuldige consciëntie. Daarop kunt u leven, en daarop kunt u sterven.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Ik en de Vader zijn één.
Johannes 10:30
Sommige mensen maken veel haarkloverij over de uitdrukking „het bloed Gods”. Hoe, zeggen zij, kon de Godheid bloeden? Hoe kon de Godheid lijden? Maar als het niet het bloed is van Hem Die God was, dan kon ik mijn vertrouwen voor de zaligheid net zo goed stellen op het bloed van een van de moordenaars die met Hem gekruisigd zijn. Wat is de menselijke natuur van Christus? Het is de rots waarop menig mooi schip is gestrand.
Het is geen persoon met een afzonderlijk bestaan, los van de Godheid van Christus, maar het is een natuur, wat de Heilige Geest noemt: „dat Heilige”, Lukas 1:35; een „lichaam, dat God Hem had toebereid”, Hebr. 10:5. Het is de menselijke natuur, aangenomen in een innige, verborgen en onverklaarbare vereniging met de Persoon van de Zoon van God. Zodat, wat de menselijke natuur ook deed en leed, de Zoon van God dit deed en leed krachtens die innige gemeenschap en vereniging met de Zoon van God. Bloedde die natuur? Zij bloedde als verenigd met de Godheid, als het ware het instrument waarvan de Godheid gebruikmaakte.
Om een voorbeeld te gebruiken: zoals mijn ziel door middel van mijn hand een voorwerp aanraakt, of haar gedachten uitspreekt door mijn tong, zo is het met de Godheid. Zelf niet in staat om te bloeden, bloedde zij door de mensheid. Leed die natuur? Het was niet het lijden van alleen maar een menselijk persoon, zoals een mens lijden kon, maar het was het lijden van een heilige natuur in rechtstreekse vereniging met de Persoon van de Zoon van God. En gehoorzaamde die natuur? Daarom is redeneren over de uitdrukking „het bloed Gods” niets minder dan een streep halen door een grote, fundamentele waarheid.
Op dezelfde grond zou men ook bezwaar kunnen maken tegen de uitdrukking „De Heere onze gerechtigheid”, zoals de profeet daarvan spreekt: „En dit is de naam, waarmede men Hem noemen zal: De Heere onze gerechtigheid”, Jer. 23:6. Wie is onze gerechtigheid anders dan de Zoon van God? En wat was die gerechtigheid anders dan de gehoorzaamheid van Zijn menselijke natuur? Want de Godheid kon evenmin gehoorzamen als lijden en bloeden, en toch is Jehovah onze gerechtigheid. En als wij er geen bezwaar tegen hebben te spreken van de „gerechtigheid Gods”, waarom zouden wij dan wel bezwaar hebben tegen de uitdrukking „het bloed Gods”?
Dit is nu de grote verborgenheid die het geloof omhelst en die dierbaar is voor het hart van iedere ziel die door God onderwezen is. Wat een kracht en werking ziet het geloof in dit offer, wanneer het deksel van het hart wordt weggenomen! Wat een verzoening voor de zonde mag het aanschouwen door het bloed van de Zoon van God! Het geloof ziet dit niet als het bloed van een mens. Kan het bloed van een mens de zonde wegnemen? Maar wanneer wij het zien als het bloed van de Zoon van God, wat een waarde, kracht, vermogen en heerlijkheid stralen er dan uit! Maar tenzij het deksel van het hart wordt weggenomen, kunnen wij niet zien; en wij kunnen ook niets kennen van de goddelijke waarde die er in dit bloed is om ons schuldig geweten te reinigen, tenzij de Geest het ons bevindelijk laat verstaan.
Aan de lezer…
Hoe vaak klaagt uw schuldig geweten u aan, en waarop rust dan uw hoop? Het bloed van een mens kan de zonde niet wegnemen. Maar het bloed van Christus is het bloed van Hem Die God was, vergoten in die heilige natuur die in een verborgen en onverklaarbare vereniging met de Persoon van de Zoon van God werd aangenomen. Daarom ligt er een goddelijke waarde in, groot genoeg voor de zwaarste schuld.
Laat anderen redeneren over deze verborgenheid; het geloof omhelst haar en vindt er rust. Ziet u nog weinig van haar kracht en heerlijkheid, bid dan dat het deksel van uw hart wordt weggenomen en dat de Geest het u bevindelijk laat verstaan. Dan wordt het u dierbaar: de Heere uw gerechtigheid, en het bloed van de Zoon van God tot reiniging van een schuldig geweten. Daarop kunt u leven, en daarop kunt u sterven.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
“I and My Father are one.”
John 10:30
There is a great deal of caviling in some men’s minds about the expression, “the blood of God.” “How,” say they, “could the Godhead bleed? How could the Godhead suffer?” But if it is not the blood of Him Who was God, I might just as well rely for salvation on the blood of one of the thieves that were crucified with Him. What is Christ’s human nature? That is the rock on which many gallant ships have struck. It is not a person, having a distinct existence apart from the Deity of Christ; but it is a nature—what the Holy Spirit calls a “Holy Thing” (Luke 1:35); “a body that God had prepared for Him” (Heb. 10:5), taken into intimate, mysterious, and inexplicable union with the Person of the Son of God. So that, whatever that human nature did and suffered, from its intimacy and union with the Son of God, the Son of God did and suffered. Did that nature bleed? It bled as having union with Deity; it being, so to speak, the instrument that Deity made use of.
To use an illustration—as my soul touches an object through my hand, or speaks its thoughts by my tongue; so Deity not being itself able to bleed, bled through the humanity. Did that nature suffer? It was not the mere suffering of a human person, as a man might suffer; but it was the suffering of a holy nature in intimate union with the Person of the Son of God. And did that nature obey? The Son of God obeyed through and with that nature. So that, to cavil at the expression, “the blood of God” is nothing less than to strike a blow at a great fundamental truth.
We might object, on the same ground, to the expression, “God our righteousness,” as the Prophet speaks, “And this is His name whereby He shall be called, The Lord our righteousness,” that is, “Jehovah our righteousness” (Jer. 23:6). Who is our righteousness but the Son of God? And what was that righteousness but the obedience of His human nature, for Godhead could no more obey than suffer and bleed; and yet Jehovah is our righteousness. And if we do not object to the expression, “the righteousness of God,” why should we cavil at the expression, “the blood of God?”
Now this is the grand mystery which faith embraces, and which is dear to the heart of every God-taught soul. What a power and efficacy, as the veil is taken off the heart, does faith see in that sacrifice! What an atoning sacrifice does it see made for sin by the blood of the Son of God! Faith does not view it as the blood of man! Can the blood of man put away sin? But when we see it as the blood of the Son of God, oh, what value, efficacy, power, and glory shine forth in it! But until the veil is taken off the heart we cannot see it; nor can we, until the Spirit makes it experimentally known, learn what a divine reality there is in this blood to purge the guilty conscience.
To the reader…
How often does your guilty conscience accuse you, and on what does your hope rest then? The blood of a man cannot take away sin. But the blood of Christ is the blood of Him Who was God, shed in that holy nature which was taken into a mysterious and inexplicable union with the Person of the Son of God. That is why there is a divine worth in it, great enough for the heaviest guilt.
Let others reason about this mystery; faith embraces it and finds rest in it. Do you still see little of its power and glory? Then pray that the veil may be taken from your heart and that the Spirit may make you understand it by experience. Then it will become precious to you: the Lord your righteousness, and the blood of the Son of God to cleanse a guilty conscience. On that you can live, and on that you can die.
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
“Yo y el Padre una cosa somos.”
Juan 10:30
Hay mucha cavilación en la mente de algunos hombres acerca de la expresión “la sangre de Dios”. “¿Cómo —dicen— podía sangrar la Deidad? ¿Cómo podía padecer la Deidad?” Pero si no es la sangre de Aquel que era Dios, lo mismo podría confiar para mi salvación en la sangre de uno de los ladrones que fueron crucificados con Él. ¿Qué es la naturaleza humana de Cristo? Esa es la roca contra la que han chocado muchos barcos gallardos. No es una persona que tenga una existencia distinta aparte de la Deidad de Cristo; sino que es una naturaleza, lo que el Espíritu Santo llama “lo Santo” (Lucas 1:35); “un cuerpo que Dios Le había preparado” (Heb. 10:5), tomado en una unión íntima, misteriosa e inexplicable con la Persona del Hijo de Dios. De modo que todo lo que esa naturaleza humana hizo y padeció, por su intimidad y unión con el Hijo de Dios, lo hizo y padeció el Hijo de Dios. ¿Sangró esa naturaleza? Sangró como teniendo unión con la Deidad; siendo, por así decirlo, el instrumento del que la Deidad se sirvió.
Para usar una ilustración: así como mi alma toca un objeto por medio de mi mano, o expresa sus pensamientos por mi lengua, así la Deidad, no pudiendo sangrar por sí misma, sangró por medio de la humanidad. ¿Padeció esa naturaleza? No fue el mero padecer de una persona humana, como podría padecer un hombre; sino que fue el padecer de una naturaleza santa en íntima unión con la Persona del Hijo de Dios. ¿Y obedeció esa naturaleza? El Hijo de Dios obedeció por medio de esa naturaleza y con ella. De modo que cavilar sobre la expresión “la sangre de Dios” no es nada menos que asestar un golpe a una gran verdad fundamental.
Por la misma razón podríamos objetar a la expresión “Dios, nuestra justicia”, como dice el profeta: “Y este será Su nombre que Le llamarán: JEHOVÁ, JUSTICIA NUESTRA” (Jer. 23:6). ¿Quién es nuestra justicia sino el Hijo de Dios? ¿Y qué era esa justicia sino la obediencia de Su naturaleza humana, pues la Deidad no podía obedecer más de lo que podía padecer y sangrar? Y sin embargo, Jehová es nuestra justicia. Y si no objetamos a la expresión “la justicia de Dios”, ¿por qué hemos de cavilar sobre la expresión “la sangre de Dios”?
Este es, pues, el gran misterio que la fe abraza, y que es querido al corazón de toda alma enseñada por Dios. ¡Qué poder y eficacia ve la fe en ese sacrificio cuando el velo es quitado del corazón! ¡Qué sacrificio expiatorio por el pecado ve hecho por la sangre del Hijo de Dios! ¡La fe no lo mira como sangre de hombre! ¿Puede la sangre de un hombre quitar el pecado? Pero cuando la vemos como la sangre del Hijo de Dios, ¡oh, qué valor, eficacia, poder y gloria resplandecen en ella! Pero hasta que el velo es quitado del corazón no podemos verlo; ni podemos, hasta que el Espíritu lo da a conocer por experiencia, aprender qué realidad divina hay en esta sangre para purificar la conciencia culpable.
Al lector…
¿Cuántas veces le acusa su conciencia culpable, y en qué descansa entonces su esperanza? La sangre de un hombre no puede quitar el pecado. Pero la sangre de Cristo es la sangre de Aquel que era Dios, derramada en esa naturaleza santa que fue tomada en una unión misteriosa e inexplicable con la Persona del Hijo de Dios. Por eso hay en ella un valor divino, lo bastante grande para la culpa más pesada.
Deje que otros razonen sobre este misterio; la fe lo abraza y halla descanso en él. ¿Ve usted todavía poco de su poder y de su gloria? Entonces ore para que el velo sea quitado de su corazón y para que el Espíritu se lo haga entender por experiencia. Entonces le será precioso: Jehová, justicia nuestra, y la sangre del Hijo de Dios para limpiar una conciencia culpable. De eso puede vivir, y con eso puede morir.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl