March 17
God is getrouw, door Welke gij geroepen zijt tot de gemeenschap Zijns Zoons Jezus Christus, onze Heere.
1 Korinthe 1:9
Wanneer God Zijn volk roept door Zijn genade, is het om hen deelgenoten te maken van de hoogste vreugde en de grootste heerlijkheid die Hij de kinderen der mensen kan schenken. En dat niet alleen in de eeuwigheid, maar ook in de tijd; niet alleen aan gene, maar ook aan deze zijde des grafs. Daarom roept Hij tot hen door Zijn profeet: „Ben Ik Israël een woestijn geweest? of een land der uiterste donkerheid?” (Jer. 2:31). Wanneer de Heere Zijn volk roept uit de aardse vreugde, is het dan met geen ander doel dan om hen op paden van droefenis en smart te leiden? Doet Hij hun de vleespotten van Egypte verlaten, om hen in een barre wildernis van gebrek te doen omkomen?
Dit was de klacht der oude murmureerders, dat Mozes hen uit Egypte had geleid om hen van dorst te doen omkomen. Ontrukt Hij hen aan de aardse genietingen, om hen aan ellende en wanhoop over te geven? O neen! Hij roept hen zelfs uit die toestand, om hun het grootste voorrecht en de hoogste gunst te schenken die Zijn eeuwige liefde hun zou kunnen geven, welke niets minder is dan „de gemeenschap Zijns Zoons, Jezus Christus, onze Heere”, opdat zij met Hem en in Zijn gemeenschap hier door genade, en hiernamaals als deelgenoten Zijner heerlijkheid zouden leven.
Gods lieve Zoon is en is altijd geweest het Voorwerp Zijner eeuwige vreugde. Hem te verheerlijken is van alle eeuwigheid Zijn vast en bepaald doel geweest; en om dit doel te volvoeren gaf Hij Hem een volk, dat Hij Zichzelf maakte, opdat zij Zijn lof zouden vermelden. Daarom sprak de Verlosser tot Zijn hemelse Vader: „En al de Mijnen zijn de Uwen en de Uwen zijn de Mijnen, en Ik ben in hen verheerlijkt.”
Geloofd zij Isrels grote God!
Zijn gunst schenk’ ons dit heilgenot:
zo zullen wij zijn goedheid danken.
Dat al wat leeft Hem eeuwig eer’!
Al ’t volk zegg’ „Amen” op mijn klanken.
Juich aarde, loof de Opperheer!
Psalm 106:26
Aan de lezer…
Misschien vreest u dat de weg met God alleen maar verlies betekent: dat Hij u uit de vreugden van de wereld riep om u in een barre wildernis van gebrek achter te laten. Zo klaagden de murmureerders van weleer. Maar ik zeg met nadruk: o neen! Wanneer God Zijn volk door genade roept, is het om hen deelgenoten te maken van de hoogste vreugde die Hij geven kan, niet alleen in de eeuwigheid, maar ook hier, aan deze zijde van het graf.
Want u bent geroepen „tot de gemeenschap Zijns Zoons Jezus Christus, onze Heere”. De Vader heeft Zijn eeuwige vreugde in de Zoon, en Hij gaf Hem een volk om Hem te verheerlijken. Voelt u weinig van die gemeenschap, en zijn uw dagen eerder donker dan licht? Houd dan vast aan het eerste woord van deze tekst: „God is getrouw.” Die u geroepen heeft, zal Zijn roeping niet laten varen.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
God is getrouw, door Welke gij geroepen zijt tot de gemeenschap Zijns Zoons Jezus Christus, onze Heere.
1 Korinthe 1:9
Wanneer God Zijn volk door Zijn genade roept, is het om hen deelgenoten te maken van de hoogste vreugde en de grootste heerlijkheid die Hij de mensenkinderen kan schenken. En dat niet alleen in de eeuwigheid, maar ook in de tijd; niet alleen aan de andere kant, maar ook aan deze kant van het graf. Daarom roept Hij hun door Zijn profeet toe: „Ben Ik Israël een woestijn geweest? of een land der uiterste donkerheid?” (Jer. 2:31). Wanneer de Heere Zijn volk wegroept uit de aardse vreugde, is dat dan met geen ander doel dan om hen langs paden van droefheid en smart te leiden? Laat Hij hen de vleespotten van Egypte verlaten om hen in een barre wildernis van gebrek te laten omkomen?
Dat was de klacht van de murmureerders van vroeger: Mozes had hen uit Egypte geleid om hen van dorst te laten omkomen. Rukt Hij hen los van de aardse genietingen om hen aan ellende en wanhoop over te geven? O nee! Hij roept hen juist uit die toestand, om hun het grootste voorrecht en de hoogste gunst te schenken die Zijn eeuwige liefde hun zou kunnen geven. Dat is niets minder dan „de gemeenschap Zijns Zoons, Jezus Christus, onze Heere”, zodat zij met Hem en in Zijn gemeenschap zouden leven: hier door genade, en hierna als deelgenoten van Zijn heerlijkheid.
Gods geliefde Zoon is en was altijd het Voorwerp van Zijn eeuwige vreugde. Hem te verheerlijken is van eeuwigheid Zijn vaste en bepaalde doel geweest. Om dat doel te bereiken gaf Hij Hem een volk dat Hij Zichzelf maakte, opdat zij Zijn lof zouden vermelden. Daarom sprak de Verlosser tot Zijn hemelse Vader: „En al de Mijnen zijn de Uwen en de Uwen zijn de Mijnen, en Ik ben in hen verheerlijkt.”
Geloofd zij Isrels grote God!
Zijn gunst schenk’ ons dit heilgenot:
zo zullen wij zijn goedheid danken.
Dat al wat leeft Hem eeuwig eer’!
Al ’t volk zegg’ „Amen” op mijn klanken.
Juich aarde, loof de Opperheer!
Psalm 106:26
Aan de lezer…
Misschien vreest u dat de weg met God alleen maar verlies betekent: dat Hij u uit de vreugden van de wereld riep om u in een barre wildernis van gebrek achter te laten. Zo klaagden de murmureerders van vroeger. Maar ik zeg met nadruk: o nee! Wanneer God Zijn volk door genade roept, is het om hen deelgenoten te maken van de hoogste vreugde die Hij geven kan, niet alleen in de eeuwigheid, maar ook hier, aan deze kant van het graf.
Want u bent geroepen „tot de gemeenschap Zijns Zoons Jezus Christus, onze Heere”. De Vader heeft Zijn eeuwige vreugde in de Zoon, en Hij gaf Hem een volk om Hem te verheerlijken. Ervaart u weinig van die gemeenschap, en zijn uw dagen eerder donker dan licht? Houd dan vast aan het eerste woord van deze tekst: „God is getrouw.” Hij Die u geroepen heeft, zal Zijn roeping niet laten varen.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
God is faithful, by Whom ye were called unto the fellowship of His Son Jesus Christ our Lord.
1 Corinthians 1:9
When God calls His people by His grace, it is to make them partakers of the highest bliss and the greatest glory that He could confer upon the sons of men. And this not only in eternity, but in time; not only beyond, but this side of the grave. He appeals, therefore, to them by His prophet. “Have I been a wilderness unto Israel? a land of darkness?” (Jer. 2:31.)
When the Lord calls His people out of earthly pleasures, is it for no other purpose than to lead them into paths of affliction and sorrow? Does He make them leave the flesh-pots of Egypt to starve them in a waste howling wilderness? This was the complaint of the ancient murmurers, that Moses had brought them up out of Egypt to kill them with thirst (Exod. 17:3). Does He take them from earthly delights to abandon them to misery and despair? O no! He calls them even in this time state to the greatest privilege and highest favor that His everlasting love could confer upon them, which is no less than “the fellowship of His Son, Jesus Christ our Lord,” that they may have union and communion with the Son of God by grace here, and be partakers of His glory hereafter.
God’s dear Son is, and always has been, the object of His eternal delight. To glorify Him has been from all eternity His fixed, His settled purpose; and in pursuance of this settled purpose, He gave Him a people whom He formed for Himself, that they might show forth His praise. Thus, therefore, the Redeemer addressed His heavenly Father—“And all Mine are yours, and yours are Mine; and I am glorified in them.”
To the reader…
Perhaps you fear that the way with God means nothing but loss: that He called you out of the pleasures of the world only to leave you in a barren wilderness of want. That is how the murmurers of old complained. But I say with emphasis: O no! When God calls His people by grace, it is to make them partakers of the highest joy He can give, not only in eternity, but here as well, on this side of the grave.
For you are called “unto the fellowship of His Son Jesus Christ our Lord.” The Father has His eternal delight in the Son, and He gave Him a people to glorify Him. Do you experience little of that fellowship, and are your days darker than they are light? Then hold fast to the first words of this text: “God is faithful.” He Who has called you will not let His calling fail.
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
Fiel es Dios, por el cual sois llamados a la participación de Su Hijo Jesucristo nuestro Señor.
1 Corintios 1:9
Cuando Dios llama a Su pueblo por Su gracia, es para hacerlo partícipe de la más alta bienaventuranza y de la mayor gloria que Él podía conferir a los hijos de los hombres. Y esto no solo en la eternidad, sino en el tiempo; no solo más allá, sino a este lado del sepulcro. Por eso apela a ellos por medio de Su profeta: “¿He sido Yo desierto a Israel, o tierra de tinieblas?” (Jeremías 2:31).
Cuando el Señor llama a Su pueblo a salir de los placeres terrenales, ¿es con el único propósito de llevarlo por sendas de aflicción y de tristeza? ¿Les hace dejar las ollas de carne de Egipto para matarlos de hambre en un desierto horrible y yermo? Esa era la queja de los antiguos murmuradores: que Moisés los había sacado de Egipto para matarlos de sed (Éxodo 17:3). ¿Los aparta de los deleites terrenales para abandonarlos a la miseria y la desesperación? ¡Oh, no! Los llama, aun en este estado temporal, al mayor privilegio y al más alto favor que Su amor eterno podía conferirles, que no es nada menos que “la participación de Su Hijo Jesucristo nuestro Señor”, para que tengan unión y comunión con el Hijo de Dios por gracia aquí, y sean partícipes de Su gloria en el más allá.
El amado Hijo de Dios es, y ha sido siempre, el objeto de Su eterno deleite. Glorificarle ha sido desde toda la eternidad Su propósito fijo y establecido; y en cumplimiento de ese propósito establecido, le dio un pueblo que formó para Sí, para que publicase Su alabanza. Por eso el Redentor se dirigió así a Su Padre celestial: “Y todas Mis cosas son Tus cosas, y Tus cosas son Mis cosas; y he sido glorificado en ellas”.
Al lector…
Quizá teme usted que el camino con Dios no signifique otra cosa que pérdida: que Él le haya llamado a salir de los placeres del mundo solo para dejarle en un desierto estéril de necesidad. Así se quejaban los murmuradores de antaño. Pero digo con énfasis: ¡Oh, no! Cuando Dios llama a Su pueblo por gracia, es para hacerlo partícipe del gozo más alto que Él puede dar, no solo en la eternidad, sino también aquí, a este lado del sepulcro.
Porque usted es llamado “a la participación de Su Hijo Jesucristo nuestro Señor”. El Padre tiene Su eterno deleite en el Hijo, y le dio un pueblo para glorificarle. ¿Experimenta usted poco de esa comunión, y son sus días más oscuros que luminosos? Aférrese entonces a las primeras palabras de este texto: “Fiel es Dios”. Aquel que le ha llamado no dejará que Su llamamiento fracase.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl