4 dagen geleden verschenen
Het gesprek van een gelovige met zijn ziel
Een uitleg van Psalm 42:12 als gesprek tussen David en zijn ziel: waarom de ziel terneergeslagen en onrustig is, waarom ze op God moet hopen en hoe die hoop uitloopt…
11 dagen geleden verschenen
Het woord van Gods genade
Een uitleg van Handelingen 20:32: Paulus beveelt de oudsten van Efeze aan God en aan het woord van Zijn genade. Alleen dat woord, door de Geest toegepast, bouwt de ziel…
2 weken geleden verschenen
Schatten in de duisternis
Uitleg van Jesaja 45:2,3 voor Gods kinderen: de Heere gaat voor hen uit, maakt kromme wegen recht, verbreekt koperen deuren en ijzeren grendels, geeft verborgen schatten en leert hen zo…
Verkrijgen en verliezen
Naar Prediker 3:6: een levende ziel verkrijgt geestelijke dingen, van kennis van God en van zichzelf tot geloof en vergeving, maar verliest ook haar eigen gerechtigheid en kracht. De preek…
Het schudden van wat gemaakt is en de vastheid van wat gegeven is
Over Hebreeën 12:27,28: wat gemaakt is, wordt geschud en weggenomen, wat God geeft blijft. Het Koninkrijk dat niet bewogen kan worden wordt door geloof ontvangen, door genade vastgehouden en draagt…
Korenaren Uit De Volle Oogst
Want Hij is onze vrede, Die deze beiden één gemaakt heeft, en de middelmuur des afscheidsels gebroken hebbende.
Efeze 2:14
„Hij is onze vrede.” Dit is een noodzakelijk gevolg van met God verzoend en nabij het bloed van Christus gebracht te zijn. De zonde heeft ons niet alleen vijanden van God gemaakt, maar God ook tot onze vijand. Welke vrede kan er dan zijn tussen ons, terwijl wij dus wederkerig vijanden zijn? Vrede is er tussen vrienden, niet tussen vijanden. Daar er gedurende die staat van vijandschap geen werkelijke vrede is, kan er ook geen vrede gevoeld of genoten worden.
Maar het wegnemen van de oorzaak van de oorlog brengt de vrede voort: eerst werkelijk, daarna bij ervaring. Christus heeft vrede gemaakt door het bloed des kruises (Kol. 1:20). Er is nu geen vijandschap meer van Gods zijde, want het was een vijandschap door de Wet. God beminde altijd Zijn volk in Christus; en daar Hij onveranderd en onveranderlijk is, kan Hij hen nooit haten, en haatte Hij hen nooit. Maar zoals een rechter een vijand is van een misdadiger, al was die misdadiger zijn eigen zoon, zo was God, als Rechter en Wetgever, een vijand van Zijn eigen uitverkorenen, beschouwd als wetsovertreders.
Maar toen de Wet vervuld was en al de overtredingen dier Wet waren geboet door de gehoorzaamheid en de dood van Zijn lieve Zoon, werd die vijandschap der Wet weggenomen en de toorn Gods tegen de zonde en de zondaar bevredigd. Daar de zonde dan tenietgedaan is, is ook de gehele oorzaak van de vijandschap der Wet weggenomen. En wanneer wij geloven in de Zoon van God en de verzoening door Zijn bloed ontvangen, dan is er geen vijandschap van onze zijde; want de goedheid, de barmhartigheid en de liefde Gods doen het hart smelten tot zachte nederigheid, genegenheid en liefde tot en voor Hem.
Ik ben een vriend, ik ben een metgezel
van allen, die uw naam ootmoedig vrezen
en leven naar uw goddelijk bevel.
O Heer, hoe wordt uw goedheid ooit volprezen!
Gij doet op aard’ aan alle scheps’len wèl,
Och, werd ik in uw wetten onderwezen!
Ps. 119:32
Aan de lezer…
Misschien kent u de vrede van God nog niet, en ligt er nog een vijandschap tussen uw ziel en Hem, die u niet weet weg te nemen. Zo lang de zonde staat, kan er geen vrede gevoeld of genoten worden; de Wet roept tegen u, en uw geweten stemt in met haar vonnis. Maar zie op Christus, Die vrede gemaakt heeft door het bloed des kruises. Hij heeft de Wet vervuld en de overtredingen geboet; de oorzaak van de oorlog is weggenomen.
Wat u dan niet kunt maken, is voor u gemaakt. God beminde Zijn volk altijd in Christus en kan hen nooit haten. Wanneer Hij u Zijn verzoening doet ontvangen, smelt het harde hart, en de vijandschap van uw zijde wijkt voor nederigheid en liefde tot Hem. Vraag dan niet eerst naar uw eigen vrede, maar naar Hem Die uw vrede is. Wie Hem heeft, heeft de vrede.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Want Hij is onze vrede, Die deze beiden één gemaakt heeft, en de middelmuur des afscheidsels gebroken hebbende.
Efeze 2:14
„Hij is onze vrede.” Dat volgt noodzakelijk uit het feit dat wij met God verzoend zijn en door het bloed van Christus nabij gebracht zijn. De zonde heeft ons niet alleen tot vijanden van God gemaakt, maar ook God tot onze vijand. Welke vrede kan er dan tussen ons zijn, zolang wij zo over en weer vijanden zijn? Vrede is er tussen vrienden, niet tussen vijanden. Omdat er zolang die staat van vijandschap duurt geen werkelijke vrede is, kan er ook geen vrede gevoeld of genoten worden.
Maar wanneer de oorzaak van de oorlog wordt weggenomen, komt er vrede: eerst werkelijk, daarna ook in de bevinding. Christus heeft vrede gemaakt door het bloed van het kruis (Kol. 1:20). Er is nu van Gods kant geen vijandschap meer, want het was een vijandschap door de Wet. God heeft Zijn volk altijd in Christus liefgehad. Omdat Hij onveranderd en onveranderlijk is, kan Hij hen nooit haten, en Hij heeft hen ook nooit gehaat. Maar zoals een rechter een vijand is van een misdadiger, al was die misdadiger zijn eigen zoon, zo was God als Rechter en Wetgever een vijand van Zijn eigen uitverkorenen, gezien als overtreders van de Wet.
Maar toen de Wet vervuld was en alle overtredingen van die Wet geboet waren door de gehoorzaamheid en de dood van Zijn geliefde Zoon, werd die vijandschap van de Wet weggenomen en werd de toorn van God tegen de zonde en de zondaar gestild. Omdat de zonde dan tenietgedaan is, is ook de hele oorzaak van de vijandschap van de Wet weggenomen. En wanneer wij in de Zoon van God geloven en de verzoening door Zijn bloed ontvangen, is er ook van onze kant geen vijandschap meer. Want de goedheid, de barmhartigheid en de liefde van God doen het hart smelten tot zachte nederigheid, genegenheid en liefde tot en voor Hem.
Ik ben een vriend, ik ben een metgezel
van allen, die uw naam ootmoedig vrezen
en leven naar uw goddelijk bevel.
O Heer, hoe wordt uw goedheid ooit volprezen!
Gij doet op aard’ aan alle scheps’len wèl,
Och, werd ik in uw wetten onderwezen!
Ps. 119:32
Aan de lezer…
Misschien kent u de vrede van God nog niet, en ligt er nog een vijandschap tussen uw ziel en Hem, die u niet weet weg te nemen. Zolang de zonde blijft staan, kan er geen vrede gevoeld of genoten worden; de Wet roept tegen u, en uw geweten stemt in met haar vonnis. Maar zie op Christus, Die vrede gemaakt heeft door het bloed van het kruis. Hij heeft de Wet vervuld en de overtredingen geboet; de oorzaak van de oorlog is weggenomen.
Wat u zelf niet kunt maken, is voor u gemaakt. God heeft Zijn volk altijd in Christus liefgehad en kan hen nooit haten. Wanneer Hij u Zijn verzoening doet ontvangen, smelt het harde hart, en maakt de vijandschap van uw kant plaats voor nederigheid en liefde tot Hem. Vraag dan niet eerst naar uw eigen vrede, maar naar Hem Die uw vrede is. Wie Hem heeft, heeft de vrede.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
For He is our peace, Who hath made both one, and hath broken down the middle wall of partition between us.
Ephesians 2:14
“He is our peace.” This necessarily springs from being reconciled and brought near by the blood of Christ. Sin has not only made us enemies to God; but made God an enemy to us. What peace, then, can there be between us while thus mutual enemies? Peace is between friends, not between foes. During this state of hostility and warfare, as there is no real, so there can be no felt or enjoyed peace.
But the removal of the cause of the war brings about peace, first really and then experimentally. Christ has made peace through the blood of His cross (Col. 1:20). There is now no enmity on the part of God, for it was a ‘legal’ enmity. God always loved His people in Christ; and as He is unchanging and unchangeable, He never could or did hate them. But as a judge is an enemy to a criminal, even were that criminal his own son, so, as Judge and Lawgiver, God was an enemy to His own elect, viewed as law-breakers.
But when the law was fulfilled, and all the breaches of it atoned for by the obedience and death of His dear Son, then this law enmity was removed, and the anger of God against sin and the sinner pacified. Sin, therefore, being put away, the whole cause of that ‘legal’ enmity is removed.
And when we believe in the Son of God, and receive the atonement by His precious blood, then there is no enmity on OUR side; for the goodness, mercy, and love of God melt the heart into the sweetest humility, affection, and love to and before Him.
To the reader…
Perhaps you do not yet know the peace of God, and there is still an enmity between your soul and Him that you cannot take away. As long as sin remains, no peace can be felt or enjoyed; the law cries out against you, and your conscience agrees with its sentence. But look to Christ, Who has made peace through the blood of His cross. He has fulfilled the law and atoned for its breaches; the cause of the war has been removed.
What you cannot make yourself has been made for you. God has always loved His people in Christ and can never hate them. When He makes you receive His atonement, the hard heart melts, and the enmity on your side gives way to humility and love towards Him. So do not first ask after your own peace, but after Him Who is your peace. Whoever has Him has peace.
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
Porque él es nuestra paz, que de ambos hizo uno, derribando la pared intermedia de separación.
Efesios 2:14
“Él es nuestra paz.” Esto brota necesariamente de haber sido reconciliados y hechos cercanos por la sangre de Cristo. El pecado no solo nos ha hecho enemigos de Dios, sino que ha hecho a Dios enemigo nuestro. ¿Qué paz puede haber, pues, entre nosotros mientras seamos así enemigos mutuos? La paz es entre amigos, no entre adversarios. Durante este estado de hostilidad y guerra, así como no hay paz real, tampoco puede haber paz sentida ni disfrutada.
Pero la eliminación de la causa de la guerra trae la paz, primero realmente y luego experimentalmente. Cristo ha hecho la paz por la sangre de Su cruz (Col. 1:20). Ya no hay enemistad por parte de Dios, porque era una enemistad ‘legal’. Dios siempre amó a Su pueblo en Cristo; y como Él es inmutable e invariable, nunca pudo aborrecerlos ni los aborreció. Pero así como un juez es enemigo de un criminal, aunque ese criminal fuera su propio hijo, así Dios, como Juez y Legislador, era enemigo de Sus propios escogidos, considerados como transgresores de la ley.
Pero cuando la ley fue cumplida, y todas sus transgresiones expiadas por la obediencia y la muerte de Su amado Hijo, entonces esta enemistad de la ley fue quitada, y la ira de Dios contra el pecado y el pecador fue aplacada. Habiendo sido quitado, pues, el pecado, toda la causa de aquella enemistad ‘legal’ es eliminada.
Y cuando creemos en el Hijo de Dios y recibimos la expiación por Su preciosa sangre, entonces no hay enemistad por NUESTRA parte; porque la bondad, la misericordia y el amor de Dios derriten el corazón en la más dulce humildad, afecto y amor hacia Él y delante de Él.
Al lector…
Quizá usted todavía no conoce la paz de Dios, y hay aún una enemistad entre su alma y Él que no puede quitar. Mientras permanezca el pecado, no puede sentirse ni disfrutarse ninguna paz; la ley clama contra usted, y su conciencia está de acuerdo con su sentencia. Pero mire a Cristo, que ha hecho la paz por la sangre de Su cruz. Él ha cumplido la ley y ha expiado sus transgresiones; la causa de la guerra ha sido quitada.
Lo que usted no puede hacer por sí mismo ha sido hecho por usted. Dios siempre ha amado a Su pueblo en Cristo y nunca puede aborrecerlo. Cuando Él le hace recibir Su expiación, el corazón duro se derrite, y la enemistad por su parte cede ante la humildad y el amor hacia Él. No pregunte, pues, primero por su propia paz, sino por Aquel que es su paz. Quien le tiene a Él tiene paz.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl
365 Dagen Met Philpot
Paulus’ afscheidswens
En nu, broeders, ik beveel u Gode, en het Woord Zijner genade, Die machtig is u op te bouwen, en u een erfdeel te geven onder al de geheiligden.
Handelingen 20:32
Heiligheid bestaat niet uit een bepaalde hoeveelheid taken die moeten worden uitgevoerd, gebeden die moeten worden opgezegd, sacramenten en rituelen die moeten worden bijgewoond, aalmoezen die moeten worden gegeven, hartstochten die moeten worden beteugeld, kleding die moet worden gedragen, tranen die moeten worden vergoten. Een vrucht moet, om een vrucht te zijn, aan een boom groeien, gevoed worden door het sap, gerijpt worden door de zon, verfrist worden met regenbuien, een levend product zijn, voortgebracht door een goddelijk werk. Bloemen en vruchten kunnen uit was geboetseerd worden, en wel zo fraai dat ze nauwelijks van echte zijn te onderscheiden. Maar ze missen geur, sap en smaak. Zo is ook de menselijke heiligheid: een geboetseerde, geverfde, kunstmatige nabootsing van Cyprus met nardus, kalmus en kaneel, en andere edele vruchten die in de hof van de Geliefde groeien (Hoogl. 4:16).
Christus is de Heilige Israëls. Het Hoofd van de Kerk is heilig in Zichzelf en eeuwig; de leden zijn heilig omdat zij verbonden zijn met dat Hoofd. Een heilig Hoofd kan geen onheilige ledematen hebben. Derhalve is Christus de heiliging van de Kerk; zij is heilig in Zijn heiligheid, alsmede rechtvaardig in Zijn rechtvaardigheid. Dit is de wortel.
Van daaruit komt persoonlijke, innerlijke heiliging door het vernieuwende werk van de Heilige Geest. Hij geeft het nieuwe hart en de nieuwe geest; brengt heilige verlangens, gevoelens, ademtochten, genietingen over elke edele vrucht; bewerkstelligt berouw en godzalige smart over de zonde en boetvaardigheid van de geest, gevoeligheid van geweten, geloof, hoop en liefde, zachtmoedigheid, berusting, nederigheid, vroomheid, oplettendheid, afkeer van het kwaad, aanhangen van al het goede; en al die uiterlijke vruchten van rechtschapenheid die tot Gods lof zijn. Dit is evangelieheiligheid, heiligheid als het bijzondere geschenk en werk van de Heilige Geest, de enige ware en aanvaardbare heiligheid, zonder welke geen mens de Heere zal zien. Degenen die aldus geheiligd zijn, hebben een eeuwige erfenis, want ze zijn erfgenamen van God en mede-erfgenamen met Christus.
Lezen: Johannes 15:1-17
Aan de lezer…
Zwoegt u al lang om heilig te worden, en ziet u bij al uw moeite niet meer dan was en verf? Hebt u uw taken verricht, uw gebeden opgezegd, uw hartstochten beteugeld, en vindt u toch geen geur, geen sap, geen smaak in uw ziel? Wanhoop daarom niet, maar leer waar de ware heiligheid wortelt. Zij groeit niet uit uw handen, maar aan de boom; zij is een levende vrucht, voortgebracht door een goddelijk werk.
Christus is de heiliging van Zijn Kerk, en een heilig Hoofd kan geen onheilige ledematen hebben. Zie dan van uzelf af naar Hem. Uit Hem komt het vernieuwende werk van de Heilige Geest, Die het nieuwe hart geeft, het berouw werkt, het geweten teder maakt en geloof, hoop en liefde doet ontluiken. Wat Hij in u werkt, is geen nabootsing, maar echte vrucht. En wie aldus in Christus geheiligd is, heeft een erfenis die nooit verwelkt.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
En nu, broeders, ik beveel u Gode, en het Woord Zijner genade, Die machtig is u op te bouwen, en u een erfdeel te geven onder al de geheiligden.
Handelingen 20:32
Heiligheid bestaat niet uit een bepaalde hoeveelheid taken die moeten worden verricht, gebeden die moeten worden opgezegd, sacramenten en riten die moeten worden bijgewoond, aalmoezen die moeten worden gegeven, hartstochten die moeten worden beteugeld, kleding die moet worden gedragen, of tranen die moeten worden vergoten. Een vrucht moet, om een vrucht te zijn, aan een boom groeien, door het sap gevoed worden, door de zon rijpen en door regenbuien verfrist worden: een levend product, voortgebracht door een goddelijk werk. Bloemen en vruchten kunnen uit was geboetseerd worden, en zo fraai dat ze nauwelijks van echte te onderscheiden zijn. Maar ze missen geur, sap en smaak. Zo is ook de menselijke heiligheid: een geboetseerde, geverfde, kunstmatige nabootsing van de cypressen met nardus, kalmus en kaneel, en de andere edele vruchten die in de hof van de Geliefde groeien (Hoogl. 4:16).
Christus is de Heilige Israëls. Het Hoofd van de Kerk is heilig in Zichzelf en van eeuwigheid. De leden zijn heilig omdat zij met dat Hoofd verenigd zijn. Een heilig Hoofd kan geen onheilige leden hebben. Daarom is Christus de heiliging van de Kerk. Zij is heilig in Zijn heiligheid, zoals zij ook rechtvaardig is in Zijn gerechtigheid. Dit is de wortel.
Daaruit komt de persoonlijke, innerlijke heiliging door het vernieuwende werk van de Heilige Geest. Hij geeft het nieuwe hart en de nieuwe geest. Hij schenkt heilige verlangens, gevoelens, zuchten en genietingen, en elke edele vrucht. Hij werkt berouw en goddelijke droefheid over de zonde, verbrokenheid van geest, een teder geweten, geloof, hoop en liefde, zachtmoedigheid, overgave, nederigheid, godsvrucht, waakzaamheid, afkeer van het kwade en aankleven van al het goede, en al die uiterlijke vruchten van gerechtigheid die tot Gods lof zijn. Dit is evangelische heiligheid, heiligheid als de bijzondere gave en het bijzondere werk van de Heilige Geest, de enige ware en aangename heiligheid, zonder welke niemand de Heere zal zien. Wie zo geheiligd zijn, hebben een eeuwige erfenis, want ze zijn erfgenamen van God en mede-erfgenamen van Christus.
Lezen: Johannes 15:1-17
Aan de lezer…
Zwoegt u al lang om heilig te worden, en ziet u bij al uw moeite niet meer dan was en verf? Hebt u uw taken verricht, uw gebeden opgezegd, uw hartstochten beteugeld, en vindt u toch geen geur, geen sap, geen smaak in uw ziel? Wanhoop daarom niet, maar leer waar de ware heiligheid wortelt. Zij groeit niet uit uw handen, maar aan de boom; zij is een levende vrucht, voortgebracht door een goddelijk werk.
Christus is de heiliging van Zijn Kerk, en een heilig Hoofd kan geen onheilige leden hebben. Kijk dan van uzelf weg naar Hem. Uit Hem komt het vernieuwende werk van de Heilige Geest, Die het nieuwe hart geeft, het berouw werkt, het geweten teder maakt en geloof, hoop en liefde laat ontluiken. Wat Hij in u werkt, is geen nabootsing, maar echte vrucht. En wie zo in Christus geheiligd is, heeft een erfenis die nooit verwelkt.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
And now, brethren, I commend you to God, and to the word of His grace, which is able to build you up, and to give you an inheritance among all them which are sanctified.
Acts 20:32
Holiness does not consist in a certain quantity of duties to be performed, prayers to be said, sacraments and rites to be attended, alms to be given, passions to be curbed, garments to be worn, or tears to be shed. A fruit, to be a fruit, must grow upon a tree, be nourished by the sap, ripened by the sun and refreshed by showers: a living product, brought forth by a divine work. Flowers and fruits may be modelled in wax, and so finely that they can scarcely be told from real ones. But they lack fragrance, juice and flavour. So too is human holiness: a modelled, painted, artificial imitation of the camphire with spikenard, the calamus and cinnamon, and the other pleasant fruits that grow in the garden of the Beloved (Song 4:16).
Christ is the Holy One of Israel. The Head of the Church is holy in Himself and from eternity. The members are holy because they are united to that Head. A holy Head cannot have unholy members. Therefore Christ is the sanctification of the Church. She is holy in His holiness, as she is also righteous in His righteousness. This is the root.
From it comes personal, inward sanctification by the renewing work of the Holy Ghost. He gives the new heart and the new spirit. He bestows holy desires, feelings, sighs and enjoyments, and every pleasant fruit. He works repentance and godly sorrow for sin, brokenness of spirit, a tender conscience, faith, hope and love, meekness, submission, humility, godly fear, watchfulness, abhorrence of evil and cleaving to all that is good, and all those outward fruits of righteousness which are to the praise of God.
This is Gospel holiness, holiness as the special gift and the special work of the Holy Ghost, the only true and acceptable holiness, without which no man shall see the Lord. Those who are thus sanctified have an eternal inheritance, for they are heirs of God and joint-heirs with Christ.
Reading: John 15:1-17
To the reader…
Have you long been toiling to become holy, and do you see in all your labour no more than wax and paint? Have you performed your duties, said your prayers, curbed your passions, and yet find no fragrance, no juice, no flavour in your soul? Do not despair over that, but learn where true holiness has its root. It does not grow out of your hands, but upon the tree; it is a living fruit, brought forth by a divine work.
Christ is the sanctification of His Church, and a holy Head cannot have unholy members. Look away from yourself, then, to Him. From Him comes the renewing work of the Holy Ghost, Who gives the new heart, works repentance, makes the conscience tender and causes faith, hope and love to blossom. What He works in you is no imitation, but real fruit. And whoever is thus sanctified in Christ has an inheritance that never fades away.
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
Y ahora, hermanos, os encomiendo a Dios, y a la palabra de Su gracia: el cual es poderoso para sobreedificar, y daros heredad con todos los santificados.
Hechos 20:32
La santidad no consiste en cierta cantidad de deberes que cumplir, oraciones que rezar, sacramentos y ritos a los que asistir, limosnas que dar, pasiones que refrenar, vestiduras que llevar o lágrimas que derramar. Un fruto, para ser fruto, debe crecer en un árbol, ser alimentado por la savia, madurado por el sol y refrescado por las lluvias: un producto vivo, producido por una obra divina. Se pueden modelar flores y frutos en cera, y tan finamente que apenas se distinguen de los verdaderos. Pero les falta fragancia, jugo y sabor. Así es también la santidad humana: una imitación modelada, pintada y artificial de la alheña con el nardo, la caña aromática y la canela, y los demás frutos suaves que crecen en el huerto del Amado (Cantares 4:16).
Cristo es el Santo de Israel. La Cabeza de la Iglesia es santa en Sí misma y desde la eternidad. Los miembros son santos porque están unidos a esa Cabeza. Una Cabeza santa no puede tener miembros impíos. Por tanto, Cristo es la santificación de la Iglesia. Ella es santa en Su santidad, así como es también justa en Su justicia. Esta es la raíz.
De ella procede la santificación personal e interior por la obra renovadora del Espíritu Santo. Él da el corazón nuevo y el espíritu nuevo. Él otorga santos deseos, sentimientos, suspiros y goces, y todo fruto suave. Él obra el arrepentimiento y la tristeza que es según Dios por el pecado, el quebrantamiento de espíritu, una conciencia tierna, fe, esperanza y amor, mansedumbre, sumisión, humildad, temor piadoso, vigilancia, aborrecimiento del mal y apego a todo lo bueno, y todos aquellos frutos exteriores de justicia que son para alabanza de Dios.
Esta es la santidad del Evangelio, la santidad como don especial y obra especial del Espíritu Santo, la única santidad verdadera y aceptable, sin la cual nadie verá al Señor. Los que son así santificados tienen una herencia eterna, porque son herederos de Dios y coherederos con Cristo.
Lectura: Juan 15:1-17
Al lector…
¿Lleva usted mucho tiempo esforzándose por llegar a ser santo, y no ve en todo su trabajo más que cera y pintura? ¿Ha cumplido sus deberes, rezado sus oraciones, refrenado sus pasiones, y aun así no halla fragancia, ni jugo, ni sabor en su alma? No se desespere por ello, sino aprenda dónde tiene su raíz la verdadera santidad. No crece de sus manos, sino en el árbol; es un fruto vivo, producido por una obra divina.
Cristo es la santificación de Su Iglesia, y una Cabeza santa no puede tener miembros impíos. Aparte, pues, la mirada de sí mismo y diríjala a Él. De Él procede la obra renovadora del Espíritu Santo, Quien da el corazón nuevo, obra el arrepentimiento, hace tierna la conciencia y hace florecer la fe, la esperanza y el amor. Lo que Él obra en usted no es imitación, sino fruto verdadero. Y quien es así santificado en Cristo tiene una herencia que nunca se marchita.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl
Door Baca's Vallei
Jozef is een vruchtbare tak; een vruchtbare tak aan een fontein; elk één der takken loopt over de muur. De schutters hebben hem wel bitterheid aangedaan, en beschoten, en hem gehaat. Maar zijn boog is in stijvigheid gebleven, en de armen zijner handen zijn gesterkt geworden door de handen van de Machtige Jakobs.
Genesis 49:22-24
Men zou gedacht hebben dat Jozef, een vruchtbare tak zijnde, met welgevallen, bijna met heilige spot, op de schutters die hem beschoten zou hebben neergezien; doch dit was niet zo. „Zij hebben hem bitterheid aangedaan.” Hij werd door zijn eigen broeders verkocht naar Egypte; de dromen en gezichten of openbaringen die God hem gegeven had, maakten hem tot een bespotting. Als een goddeloos mens werd hij in de gevangenis geworpen door dezelfde persoon die hem tot goddeloosheid verzocht, en daar werd hij geminacht en verlaten. Hoe schoten deze schutters hun pijlen in zijn boezem en deden hem smart aan!
Het was omdat hij wandelde in de vreze Gods, omdat zijn gemoed teder was, dat de pijlen hem treffen konden. Was zijn gemoed van staal geweest, had hij een hart van steen gehad, dan zouden de pijlen verstompt op de aarde zijn neergevallen. Maar omdat hij een teder gemoed had, een levende consciëntie, warme genegenheden, goddelijke vrees en een werk der genade in zijn ziel, daarom was het dat hij een tedere, geschikte plaats vormde voor de pijlen om hem te verwonden. Uit deze oorzaak haatten hem de schutters niet alleen, maar beschoten en bedroefden hem zeer.
Maar leidde dit tot zijn vernietiging? Deed het zijn levenssappen uitvloeien? Zonk hij neer en stierf hij als iemand die in het hart gewond is? Viel hij op de grond en blies hij de laatste adem uit? Geenszins, want „zijn boog is in stijvigheid gebleven en de armen zijner handen zijn gesterkt geworden door de handen van de Machtige Jakobs”. Hij had dus een boog en kon ook schieten.
En wat was zijn boog? Hij raapte de pijlen die op hem afgeschoten waren op, of liever, hij trok ze uit zijn verwonde boezem; en in plaats van met deze pijlen aan te leggen op degenen die hem beschoten en hem zo smartelijk griefden, schoot hij ze naar boven en bracht ze tot de troon der Majesteit in de hemelen. Hij verwisselde hun bittere pijlen in gebeden en smekingen. Dus dezelfde pijlen die op hem afgeschoten werden, zette hij om in smekingen, waarmee hij tot de troon Gods naderde. Hij richtte zijn boog op de hemel der hemelen, en dit moet gij ook doen.
Vergeld nooit kwaad voor kwaad, noch schelden voor schelden. Wanneer gij door de schutters beschoten wordt, schiet niet terug. Neem uw pijlen en breng ze voor de troon. Kom met uw gewond gemoed, met uw klagen en zuchten, met uw innige smekingen, en spreid ze voor Gods aangezicht uit, Die het gebed hoort en beantwoordt, en gij zult de zegen en de vrucht daarvan genieten. Zij zullen u slaan met hun schieten, als gij op hen schiet.
Zij kunnen spreken waar gij stom staat. Iemand van geboorte en opvoeding die in botsing komt met een straatslenter, kan niet tegen hem op; hij moet het opgeven, hij zal het verliezen in een woordenstrijd. Zo moet gij nooit pijl tegen pijl uitwisselen met die schutters die u bitterheid aandoen. Gij hebt een tedere consciëntie, gij oefent de vreze Gods, gij weegt uw woorden, gij weet wat uw geest zou bedroeven als uw woorden zouden terugkomen in overdenking, en daarom moet gij spaarzaam zijn met uw woorden. Begeef u niet in de strijd, schiet geen enkele pijl terug, laat ze schieten, neem hun pijlen, richt uw boog hemelwaarts, wend ze om in gebed en smekingen, en te zijner tijd zullen zoete antwoorden van barmhartigheid en vrede in uw boezem komen.
Zo is Jozefs boog in stijvigheid gebleven, en al hun pijlen zijn niet in staat gebleken om zijn boog uit de handen te slaan, noch ook die te verbreken. Hij kon zowel schieten als zij, maar niet op dezelfde wijze, noch op hetzelfde voorwerp. Wij zien dan Jozefs vruchtbaarheid, wij zien de bron waaruit zij voortkwam; wij zien de vervolgingen waardoor zijn ziel gegriefd werd; en wij zien de eindelijke overwinning die hij verkreeg. De Heere leide onze zielen op hetzelfde spoor en passe Zijn Woord op onze harten toe, opdat onze boog in stijvigheid blijve en de armen onzer handen mogen gesterkt worden door de handen van de Machtige Jakobs.
Aan de lezer…
Bent u, waarde lezer, gewond door de pijlen van anderen? Hebt u bitterheid ondervonden, misschien wel van uw eigen huisgenoten, en voelt u die pijlen te dieper omdat uw geweten teder is en u de Heere vreest? Weet dan dat juist die tederheid een teken is van het werk der genade in uw ziel. Een hart van steen voelt niets; een levende consciëntie wordt getroffen.
Maar schiet niet terug. Trek de pijlen uit uw boezem en breng ze naar boven, tot de troon der Majesteit in de hemelen. Spreid uw klagen en zuchten uit voor het aangezicht van God, Die het gebed hoort en beantwoordt. Zo wordt uw strijd geen woordenstrijd met mensen, maar een worsteling in het gebed. En Hij, de Machtige Jakobs, zal de armen uwer handen sterken, opdat uw boog in stijvigheid blijve en te Zijner tijd zoete antwoorden van barmhartigheid en vrede in uw boezem komen.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Jozef is een vruchtbare tak; een vruchtbare tak aan een fontein; elk één der takken loopt over de muur. De schutters hebben hem wel bitterheid aangedaan, en beschoten, en hem gehaat. Maar zijn boog is in stijvigheid gebleven, en de armen zijner handen zijn gesterkt geworden door de handen van de Machtige Jakobs.
Genesis 49:22-24
Men zou gedacht hebben dat Jozef, omdat hij een vruchtbare tak was, met genoegen, bijna met heilige spot, zou hebben neergezien op de schutters die op hem schoten; maar zo was het niet. „Zij hebben hem bitterheid aangedaan.” Hij werd door zijn eigen broers naar Egypte verkocht; de dromen en gezichten of openbaringen die God hem gegeven had, maakten hem tot een voorwerp van spot. Als een goddeloos mens werd hij in de gevangenis geworpen door dezelfde persoon die hem tot goddeloosheid wilde verleiden, en daar werd hij geminacht en verlaten. Hoe schoten deze schutters hun pijlen in zijn borst en deden zij hem pijn!
Het was omdat hij wandelde in de vreze Gods, omdat zijn gemoed teder was, dat de pijlen hem konden raken. Als zijn gemoed van staal was geweest, als hij een hart van steen had gehad, dan zouden de pijlen afgestompt op de grond zijn gevallen. Maar omdat hij een teder gemoed had, een levend geweten, warme genegenheden, goddelijke vrees en een werk van de genade in zijn ziel, was hij een tedere, geschikte plek waar de pijlen hem konden verwonden. Daarom haatten de schutters hem niet alleen, maar schoten zij ook op hem en bedroefden hem zeer.
Maar leidde dit tot zijn ondergang? Liet het zijn levenssappen wegvloeien? Zonk hij neer en stierf hij als iemand die in het hart gewond is? Viel hij op de grond en blies hij de laatste adem uit? Helemaal niet, want „zijn boog is in stijvigheid gebleven en de armen zijner handen zijn gesterkt geworden door de handen van de Machtige Jakobs”. Hij had dus een boog en kon ook schieten.
En wat was zijn boog? Hij raapte de pijlen op die op hem afgeschoten waren, of liever, hij trok ze uit zijn gewonde borst. In plaats van met deze pijlen te mikken op hen die op hem schoten en hem zo pijnlijk krenkten, schoot hij ze omhoog en bracht ze tot de troon van de Majesteit in de hemelen. Hij veranderde hun bittere pijlen in gebeden en smekingen. Dezelfde pijlen die op hem afgeschoten werden, zette hij dus om in smekingen, waarmee hij tot de troon van God naderde. Hij richtte zijn boog op de hemel der hemelen, en dat moet u ook doen.
Vergeld nooit kwaad met kwaad, en ook geen schelden met schelden. Wanneer de schutters op u schieten, schiet dan niet terug. Neem uw pijlen en breng ze voor de troon. Kom met uw gewond gemoed, met uw klagen en zuchten, met uw innige smekingen, en spreid ze uit voor het aangezicht van God, Die het gebed hoort en beantwoordt; dan zult u de zegen en de vrucht daarvan genieten. Zij zullen u verslaan met hun schieten, als u op hen schiet.
Zij kunnen spreken waar u met de mond vol tanden staat. Iemand van goede afkomst en opvoeding die in botsing komt met een straatslijper, kan niet tegen hem op; hij moet het opgeven, hij zal het verliezen in een woordenstrijd. Zo moet u nooit pijl tegen pijl uitwisselen met de schutters die u bitterheid aandoen. U hebt een teder geweten, u beoefent de vreze Gods, u weegt uw woorden, u weet wat uw geest zou bedroeven als uw woorden u later in uw overdenkingen weer voor de geest kwamen, en daarom moet u zuinig zijn met uw woorden. Begin niet aan de strijd, schiet geen enkele pijl terug. Laat hen schieten, neem hun pijlen, richt uw boog naar de hemel, zet ze om in gebed en smekingen, en op Zijn tijd zullen zoete antwoorden van barmhartigheid en vrede in uw hart komen.
Zo is Jozefs boog in stijvigheid gebleven, en al hun pijlen bleken niet in staat zijn boog uit zijn handen te slaan of hem te breken. Hij kon net zo goed schieten als zij, maar niet op dezelfde manier en niet op hetzelfde doel. We zien dan Jozefs vruchtbaarheid, en we zien de bron waaruit die voortkwam. We zien de vervolgingen waardoor zijn ziel gekrenkt werd, en we zien de uiteindelijke overwinning die hij behaalde. Moge de Heere onze zielen op hetzelfde spoor leiden en Zijn Woord op onze harten toepassen, zodat onze boog in stijvigheid blijft en de armen van onze handen gesterkt worden door de handen van de Machtige Jakobs.
Aan de lezer…
Bent u, waarde lezer, gewond door de pijlen van anderen? Hebt u bitterheid ervaren, misschien zelfs van uw eigen huisgenoten, en voelt u die pijlen des te dieper omdat uw geweten teder is en u de Heere vreest? Weet dan dat juist die tederheid een teken is van het werk van de genade in uw ziel. Een hart van steen voelt niets; een levend geweten wordt geraakt.
Maar schiet niet terug. Trek de pijlen uit uw hart en breng ze omhoog, tot de troon van de Majesteit in de hemelen. Spreid uw klagen en zuchten uit voor het aangezicht van God, Die het gebed hoort en beantwoordt. Zo wordt uw strijd geen woordenstrijd met mensen, maar een worsteling in het gebed. En Hij, de Machtige Jakobs, zal de armen van uw handen sterken, zodat uw boog in stijvigheid blijft en er op Zijn tijd zoete antwoorden van barmhartigheid en vrede in uw hart komen.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Joseph is a fruitful bough, even a fruitful bough by a well; whose branches run over the wall: the archers have sorely grieved him, and shot at him, and hated him: but his bow abode in strength, and the arms of his hands were made strong by the hands of the mighty God of Jacob; (from thence is the Shepherd, the Stone of Israel).
Genesis 49:22-24
One would have thought that Joseph being a fruitful bough could have looked with complacency, almost with holy scorn, upon these archers who shot at him, but it was not so; “they sorely grieved him.” To be sold by his own brethren into Egypt; the dreams and visions God had given him to be derided; to be cast into prison as an ungodly man through the very person who was tempting him to ungodliness, and there to be neglected and forsaken; how these archers had shot their arrows against his bosom, and sorely grieved him!
It was because he had the fear of God, because his feelings were tender, that the arrows found a place. Had he had a bosom of steel, had he had a heart of stone, the arrows would have fallen off blunted and pointless; but it was because he had tender feelings, a living conscience, warm affections, godly fear, and a work of grace upon his soul, that he presented a tender spot for these arrows to stick in; therefore the archers not only “hated him, but shot at him, and sorely grieved him.”
But did they prove his destruction? Did any one drain his life blood? Did he sink and die like a wounded deer? Did he fall upon the plain and gasp out his forlorn life? No; “But his bow abode in strength, and the arms of his hands were made strong by the hands of the mighty God of Jacob.” He then had a bow; he could shoot too. And what was his bow? and how did he direct the arrow? He picked up the arrows that were shot at him, or rather he took them out of his own wounded bosom; and instead of aiming these shafts against those who had so sorely grieved him, he shot upward; he launched his arrows towards the throne of the Majesty on high; he turned their bitter shafts into prayers, supplications, and petitions.
Thus the very arrows shot at him he turned into petitions with which to approach the throne of God. He drew his bow even up to the heaven of heavens; and that is what you should do. Never return evil for evil; never return railing for railing. When you are shot at by the archers, do not shoot at them again. Take your arrows and bring them before the throne; present your feelings wounded as they are, your groans and sighs, with your warm petitions, and spread them before God, Who hears and answers prayer; and you will find the benefit and blessing of it.
The world will beat you at shooting if you shoot at them. They can use language that you cannot. A man of birth and education, drawn into collision with a street ruffian, cannot bandy words with him; he must pass on; he would soon be beaten in the strife of words. So you must never shoot arrow against arrow with those archers who sorely grieve you. You have a tender conscience; you have the fear of God; you weigh your words; you know what will grieve your mind when it comes back upon you, and you are therefore sparing of your speech. Cease from that war; return not a single arrow, let them shoot away, take their arrows, direct your bow upward, turn them all into prayers and supplications, and in due time sweet answers of mercy and peace will come into your bosom.
Thus Joseph’s bow “abode in strength,” and all their arrows neither struck his bow out of his hand, nor broke it asunder. He could shoot as well as they, but not in the same way nor at the same object. We see, then, Joseph’s fruitfulness; we see the source of it; we see the persecutions his soul was grieved by; and we see the final victory that he gained. God of His infinite mercy lead our souls into the same blessed track, apply His truth to our hearts, that our bow may abide in strength, and that the arms of our hands may be made strong by the hands of the mighty God of Jacob.
To the reader…
Dear reader, have you been wounded by the arrows of others? Have you known bitterness, perhaps even from those of your own household, and do you feel those arrows all the more deeply because your conscience is tender and you fear the Lord? Know, then, that this very tenderness is a sign of the work of grace in your soul. A heart of stone feels nothing; a living conscience is touched.
But do not shoot back. Draw the arrows out of your heart and carry them upward, to the throne of the Majesty on high. Spread out your complaints and sighs before the face of God, Who hears and answers prayer. So your conflict becomes no war of words with men, but a wrestling in prayer. And He, the mighty God of Jacob, will make the arms of your hands strong, so that your bow abides in strength and, in His own time, sweet answers of mercy and peace come into your heart.
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
Ramo fructífero José, ramo fructífero junto a fuente, cuyos vástagos se extienden sobre el muro. Y le causaron amargura, y le asaetearon, y le aborrecieron los arqueros: mas su arco quedó en fortaleza, y los brazos de sus manos se corroboraron por las manos del Fuerte de Jacob (de allí el Pastor, y la Piedra de Israel).
Génesis 49:22-24
Uno habría pensado que José, siendo un ramo fructífero, podría haber mirado con indiferencia, casi con santo desdén, a esos arqueros que le asaeteaban; pero no fue así: “le causaron amargura”. Ser vendido por sus propios hermanos a Egipto; ver escarnecidos los sueños y visiones que Dios le había dado; ser echado en la cárcel como hombre impío por causa de la misma persona que le tentaba a la impiedad, y allí ser olvidado y abandonado: ¡cómo habían disparado estos arqueros sus saetas contra su pecho, y cuánta amargura le habían causado!
Fue porque tenía el temor de Dios, porque sus sentimientos eran tiernos, que las saetas hallaron dónde clavarse. Si hubiera tenido un pecho de acero, si hubiera tenido un corazón de piedra, las saetas habrían caído despuntadas y sin filo; pero porque tenía sentimientos tiernos, una conciencia viva, afectos cálidos, temor piadoso y una obra de gracia en su alma, presentaba un punto tierno donde estas saetas podían clavarse; por eso los arqueros no solo “le aborrecieron”, sino que “le asaetearon, y le causaron amargura”.
Pero ¿fueron ellas su destrucción? ¿Le desangró alguna de ellas? ¿Se hundió y murió como un ciervo herido? ¿Cayó en la llanura y exhaló su vida desamparada? No; “mas su arco quedó en fortaleza, y los brazos de sus manos se corroboraron por las manos del Fuerte de Jacob”. Así que él también tenía un arco; también él podía disparar. ¿Y cuál era su arco? ¿Y cómo dirigía la saeta? Recogía las saetas que le habían disparado, o más bien las sacaba de su propio pecho herido; y en vez de apuntar esas flechas contra los que tanta amargura le habían causado, disparaba hacia arriba; lanzaba sus saetas hacia el trono de la Majestad en las alturas; convertía sus amargas flechas en oraciones, súplicas y peticiones.
Así, las mismas saetas que le disparaban las convertía en peticiones con las cuales acercarse al trono de Dios. Tensaba su arco hasta el cielo de los cielos; y eso es lo que usted debe hacer. Nunca devuelva mal por mal; nunca devuelva maldición por maldición. Cuando los arqueros le disparen, no les dispare usted a su vez. Tome sus saetas y llévelas ante el trono; presente sus sentimientos heridos tal como están, sus gemidos y suspiros, con sus fervientes peticiones, y extiéndalos delante de Dios, que oye y responde la oración; y hallará el provecho y la bendición de ello.
El mundo le vencerá disparando si usted les dispara. Ellos pueden usar un lenguaje que usted no puede usar. Un hombre de buena cuna y educación, arrastrado a un choque con un rufián de la calle, no puede cruzar palabras con él; debe seguir su camino; pronto sería vencido en la contienda de palabras. Así usted nunca debe disparar saeta contra saeta con esos arqueros que tanta amargura le causan. Usted tiene una conciencia tierna; tiene el temor de Dios; pesa sus palabras; sabe lo que afligirá su mente cuando vuelva sobre usted, y por eso es parco en el hablar. Cese de esa guerra; no devuelva una sola saeta; déjelos disparar, tome sus saetas, dirija su arco hacia arriba, conviértalas todas en oraciones y súplicas, y a su debido tiempo dulces respuestas de misericordia y paz vendrán a su pecho.
Así el arco de José “quedó en fortaleza”, y todas sus saetas ni le arrancaron el arco de la mano ni lo quebraron. Él podía disparar tan bien como ellos, pero no de la misma manera ni al mismo blanco. Vemos, pues, la fecundidad de José; vemos su fuente; vemos las persecuciones por las que su alma fue afligida; y vemos la victoria final que obtuvo. Dios, por Su infinita misericordia, guíe nuestras almas por la misma bendita senda, aplique Su verdad a nuestro corazón, para que nuestro arco quede en fortaleza, y los brazos de nuestras manos se corroboren por las manos del Fuerte de Jacob.
Al lector…
Querido lector, ¿ha sido usted herido por las saetas de otros? ¿Ha conocido la amargura, quizá incluso de los de su propia casa, y siente esas saetas tanto más hondo porque su conciencia es tierna y teme al Señor? Sepa, entonces, que esa misma ternura es señal de la obra de la gracia en su alma. Un corazón de piedra no siente nada; una conciencia viva es tocada.
Pero no dispare en respuesta. Saque las saetas de su corazón y llévelas hacia arriba, al trono de la Majestad en las alturas. Extienda sus quejas y suspiros delante del rostro de Dios, que oye y responde la oración. Así su lucha no se convierte en una guerra de palabras con los hombres, sino en una lucha en oración. Y Él, el Fuerte de Jacob, corroborará los brazos de sus manos, para que su arco quede en fortaleza y, a Su debido tiempo, dulces respuestas de misericordia y paz vengan a su corazón.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl