Nieuw verschenenHet gesprek van een gelovige met zijn zielPreken · 2 dagen geleden
Joseph Charles Philpot J.C. Philpot Bevindelijke geschriften & prediking
Steun

Korenaren

 

 

Vandaag

Korenaren Uit De Volle Oogst

16 januari Korenaren uit de volle oogst

Waarvan Jezus Christus is de uiterste hoeksteen; op welke het gehele gebouw bekwamelijk tezamen gevoegd zijnde, opwast tot een heilige tempel in de Heere.
Efeze 2:20, 21

Christus is het Hoofd van ieder lid, zoals Hij het Hoofd is van het hele lichaam. De groei van het lichaam, van de kinderleeftijd tot de volwassen leeftijd, is de groei van elk afzonderlijk lid in dat lichaam. En omdat ik een lid ben van het geheimnisvolle lichaam van Christus Jezus, zal ik met Hem groeien. Die groei kan zo langzaam en geleidelijk gaan dat hij bijna onmerkbaar is, maar toch zal ik groeien. Als ik één ben met Christus, zal ik ten minste in enige mate gevoed worden uit Zijn volheid. Hij is mijn leven, en Hij heeft beloofd dat ik zal leven omdat Hij leeft. En als ik door Hem leef, zal ik ook op en in Hem leven. Paulus kan zeggen: „Het leven, dat ik leef in het vlees, leef ik door het geloof in de Zoon van God”; en ook: „En Hij is voor allen gestorven, opdat degenen die leven, niet meer zichzelf zouden leven, maar Dien, Die voor hen gestorven en opgewekt is” (2 Kor. 5:15).

Door een gezonde verkondiging van het Evangelie worden onze zielen gevoed. Dan wordt Christus ons voorgesteld in heel de heerlijkheid van Zijn goddelijke Persoon, in Zijn Godheid en Zoonschap, en in heel de genade van Zijn lijdende mensheid. Zijn verbondsbetrekkingen en verwantschap, Zijn bloed en gerechtigheid, Zijn dood en opstanding, Zijn hemelvaart en verheerlijking aan de rechterhand van de Vader, Zijn huidige voorspraak en tussenkomst, Zijn medelijden als een eens lijdende maar nu verheerlijkte Hogepriester, en Zijn vermogen om allen die door Hem tot God komen volkomen te verlossen: dat alles wordt ons voorgezet als voedsel voor ons geloof. En als wij smaken dat Hij goed is en ons met Hem voeden als het Brood des Levens, dan is er groei in Hem.

Zij gaan van kracht tot kracht steeds voort.
Elk hunner zal in ’t zalig oord
van Sion haast voor God verschijnen.

Ps. 84:4

Aan de lezer…

Klaagt u dat u niet groeit in de genade? Kijkt u terug op de jaren die achter u liggen en ziet u weinig vooruitgang, zodat u vreest dat er in u geen leven is? Bedenk dan dat de groei soms zo langzaam en geleidelijk gaat dat hij bijna onmerkbaar is. U ziet een boom ook niet groeien terwijl u ernaar kijkt. Wie één is met Christus, wordt uit Zijn volheid gevoed, en Hij heeft beloofd: omdat Hij leeft, zult ook u leven.

Zoek uw groei dan niet in het meten van uzelf, maar in het zien op Hem. Hij is de uiterste Hoeksteen, op Wie het hele gebouw rust en opgroeit tot een heilige tempel. Voed u met Hem als het Brood des Levens: met Zijn bloed en gerechtigheid, Zijn voorspraak en Zijn medelijden als een eens lijdende Hogepriester. Wie smaakt dat Hij goed is, groeit, ook al merkt hij het zelf nauwelijks. Hij is machtig allen te verlossen die door Hem tot God komen.

Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl

Open als losse pagina

365 Dagen Met Philpot

16 januari 365 dagen met Philpot

Alle dingen ten goede

En wij weten dat degenen, die God liefhebben, alle dingen medewerken ten goede.
Romeinen 8:28

De bezoeking verwondt. Als een christen veel moeiten doormaakt, in zijn geest, zijn gezin, zijn lichaam of zijn omstandigheden; als hem in die moeiten de lieflijke tegenwoordigheid van de Heere onthouden wordt; als de ene beproeving na de andere op zijn hoofd neerkomt, zoals golf na golf op de kust, dan zal hem dat verwonden. Hij heeft niet meer de geestelijke of lichamelijke kracht, de lichte tred, het opgewekte gezicht en de vrolijke stemming die hij eerst had. Hij wordt er niet helemaal door gebroken en niet tot volslagen wanhoop gedreven, maar toch verwondt het zijn geest. En dat is Gods bedoeling als Hij hem bezoekingen zendt: Hij wil hem daarmee verwonden.

Zijn eigen geliefde Zoon werd door verdriet en moeiten verwond, want Hij was een „Man van smarten, en verzocht in krankheid.” Verdriet en Hij waren geen vreemden voor elkaar; zij kenden elkaar heel goed. Door verdriet werd Hij verwond, zodat Hij „een worm en geen man” werd. Dit was „de verdrukking des verdrukten” (Ps. 22:25). Verdriet heeft Zijn hart gebroken en Hem verwond tot gehoorzaamheid en overgave aan de wil van God. Want „hoewel Hij de Zoon was, nochtans heeft Hij gehoorzaamheid geleerd uit hetgeen Hij heeft geleden” (Hebr. 5:8).

Als wij dus gemeenschap hebben met de Zoon van God in Zijn smarten, moeten we dezelfde bezoekingen ondergaan, zodat we enig medegevoel krijgen met de diepbedroefde Heere. Zonder dit kunnen we niet met Hem verenigd worden en geen gemeenschap met Hem hebben. Misschien verlangen we er soms naar nauwer met de Heere Jezus Christus verenigd te zijn en inniger omgang met Hem te hebben; we treuren over onze afstand tot Hem en de vervreemding van onze genegenheden van Hem. Maar denken we er ooit over na hoe we dichterbij kunnen komen, en dat bezoeking de aangewezen weg is? Dat we, om verenigd te worden en omgang te krijgen met een diepbedroefde Heere, ook zelf diepbedroefd moeten zijn; dat we, om een innige verbondenheid met de Man van smarten te krijgen, ook smarten moeten doormaken?

We durven niet om bezoeking te bidden, en we hoeven het ook niet. Dat zou een te gewaagd gebed zijn. Maar als we bidden om vereniging met de Heere Jezus Christus, bidden we er indirect toch om.

Lezen: Psalm 119:73-88

Aan de lezer…

Er zijn dagen dat de ene golf na de andere over u heen komt. Bent u de lichte tred en het opgewekte gezicht van vroeger kwijt, en voelt u dat de beproeving u verwond heeft? Denk dan niet dat de Heere u vergeten is. Het is juist Zijn bedoeling dat de bezoeking u verwondt; niet om u te breken of tot wanhoop te drijven, maar om u buigzaam te maken onder Zijn wil, zoals Zijn eigen Zoon gehoorzaamheid leerde uit wat Hij geleden heeft.

Misschien treurt u over uw afstand tot Christus en verlangt u naar inniger omgang met Hem. Bedenk dan dat Hij een Man van smarten was, en dat de weg naar gemeenschap met Hem vaak door smart heen loopt. Wat u nu verwondt, kan het middel zijn waardoor u dichter bij Hem komt. Zo werken ook deze dingen mee ten goede voor hen die God liefhebben. Verberg uw wonden dus niet voor Hem; breng ze juist bij Hem, want Hij kent ze van binnenuit.

Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl

Open als losse pagina

Door Baca's Vallei

16 januari Door Baca’s vallei

En Hij zij u genadig.
Numeri 6:25

Hoe zoet is het Evangelie! Maar wat maakt het Evangelie zoet? Dit ene woord, dat een geur over het geheel uitgiet: genade. Haal de genade uit het Evangelie en u doet het teniet en werpt het omver; het is geen Evangelie meer. Genade strekt zich uit over elk deel van het Evangelie; zij is het leven van het Evangelie; in één woord: zij is het Evangelie zelf.

„Zij u genadig.” Waarin is God dan genadig? In een verbroken wet? Wat weet die van genade? In overtuiging die tot verbetering leidt, in het werk van het schepsel, in menselijke gerechtigheid? Kan of zal de Heere Zich in deze dingen genadig tonen? Ik heb gelezen over een plan om uit komkommers zonnestralen te winnen. Wij zouden net zo goed kunnen verwachten genade uit de wet te verkrijgen als zonnestralen uit komkommers; zij is zo koud als komkommers, er zit geen zon in.

Genade moet, om genadig te zijn, uit het Evangelie komen; en zij komt met uitsluiting van alle gerechtigheid van de mens, zij dooft alle menselijke verdiensten uit. En de apostel redeneert: „En indien het door genade is, zo is het niet meer uit de werken, anderszins is de genade geen genade meer. En indien het is uit de werken, zo is het geen genade meer, anderszins is het werk geen werk meer” (Rom. 11:6).

„De Heere zij u genadig.” Maar op welke manier is de Heere genadig? Misschien hebt u in de loop van uw leven eens contact gehad met iemand die in het maatschappelijk leven een hogere rang had dan uzelf, en ging u schroomvallig, zenuwachtig en met vrees naar zo iemand toe. Maar u kreeg wat men een genadige ontvangst noemt. En maakte dat het u niet mogelijk om te spreken en uw verzoek voor te leggen? Zo is het ook tegenover God. Een besef van onze geringheid en onwaardigheid kan ons, en doet ons meestal, vrezen en schroomvallig zijn voor het aangezicht van de Allerhoogste. Maar wanneer Hij ons in Zijn tegenwoordigheid toelaat, zoals koning Ahasveros de bevreesde Esther ontving en haar de gouden scepter van de genade toereikte, dan legt de ziel vrijmoedig haar verzoek aan Zijn voeten neer. Alleen dit kan dat bewerken.

Maar u voelt zich zo vaak beschaamd en zegt ook: „Ik ben het zo onwaardig.” Zou u anders willen zijn? Wanneer hoopt u waardig te zijn? Wanneer denkt u waardig te zijn? Als u het morgen waardig zou kunnen zijn, waar is dan uw waardigheid op dit ogenblik? Is de oude schuld betaald? Als u het zou wagen op grond van uw waardigheid, dan moet de oude rekening uitgewist zijn voordat u een nieuwe aangaat.

Waardigheid! Waar is die te vinden? In de mens? Sinds de dag dat Adam viel niet meer. De gerechtigheid viel in het paradijs toen Adam zijn hand uitstak naar de verboden vrucht; toen viel de waardigheid op de grond, en sindsdien heeft zij nooit meer haar hoofd kunnen opheffen. Ik moet dus niet tot God gaan op grond van waardigheid. Mag ik dan gaan op grond van mijn onwaardigheid?

Ik lees over iemand die dat deed, en met een goede afloop. „Heere,” zei hij, „ik ben niet waardig, dat Gij onder mijn dak zou inkomen; maar spreek alleen één woord en mijn knecht zal genezen worden.” En welk getuigenis gaf de Heere van deze man? Dat Hij zo’n groot geloof niet had gevonden, zelfs in Israël niet. En wat was ook de belijdenis van de terugkerende verloren zoon? „Ik ben niet waardig uw zoon genaamd te worden.” Maar juist die belijdenis bracht het beste kleed tevoorschijn, en de ring aan de hand en de schoenen aan de voeten.

Waarom? Het geloof gaat samen met een besef van onwaardigheid; zij zijn boezemvrienden, en het geloof woont in geen andere dan in onwaardige zielen. Voelt u zich geestelijk onwaardig, dan bent u geestelijk gelovig, want het is het geloof dat een besef van onwaardigheid voortbrengt. U gelooft dat u onwaardig bent; door hetzelfde geloof waarmee u uw onwaardigheid gelooft, gelooft u in de genade van God. „Hij zij u genadig.” Dit doet het hart smelten, waar de wet en verschrikkingen het verharden. Het is de genade die vertedert, die doet smelten en bedwingt; genade die heilige gehoorzaamheid met zich meebrengt.

Aan de lezer…

Hoe vaak zegt u niet: „Ik ben het zo onwaardig”! Wanneer hoopt u dan waardig te zijn? Is de oude schuld al betaald? Wie op zijn waardigheid wil wachten voordat hij tot God gaat, zal nooit komen. Maar wie als onwaardige komt, vindt de scepter van de genade uitgestoken. „Heere, ik ben niet waardig,” zei eens een man, en de Heere roemde zijn geloof. „Ik ben niet waardig uw zoon genaamd te worden,” zei de verloren zoon, en hij ontving het beste kleed.

Voelt u zich dus geestelijk onwaardig, laat dat u dan niet wegdrijven. Het geloof en een besef van onwaardigheid zijn boezemvrienden. Datzelfde geloof dat u uw onwaardigheid laat zien, mag ook de genade van God omhelzen. Kom dan zoals u bent, met uw schaamte en uw schuld, en laat de Heere u genadig zijn. Dat is het Evangelie zelf.

Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl

Open als losse pagina