2 dagen geleden verschenen
Het gesprek van een gelovige met zijn ziel
Een uitleg van Psalm 42:12 als gesprek tussen David en zijn ziel: waarom de ziel terneergeslagen en onrustig is, waarom ze op God moet hopen en hoe die hoop uitloopt…
9 dagen geleden verschenen
Het woord van Gods genade
Een uitleg van Handelingen 20:32: Paulus beveelt de oudsten van Efeze aan God en aan het woord van Zijn genade. Alleen dat woord, door de Geest toegepast, bouwt de ziel…
2 weken geleden verschenen
Schatten in de duisternis
Uitleg van Jesaja 45:2,3 voor Gods kinderen: de Heere gaat voor hen uit, maakt kromme wegen recht, verbreekt koperen deuren en ijzeren grendels, geeft verborgen schatten en leert hen zo…
3 weken geleden verschenen
Verkrijgen en verliezen
Naar Prediker 3:6: een levende ziel verkrijgt geestelijke dingen, van kennis van God en van zichzelf tot geloof en vergeving, maar verliest ook haar eigen gerechtigheid en kracht. De preek…
Het schudden van wat gemaakt is en de vastheid van wat gegeven is
Over Hebreeën 12:27,28: wat gemaakt is, wordt geschud en weggenomen, wat God geeft blijft. Het Koninkrijk dat niet bewogen kan worden wordt door geloof ontvangen, door genade vastgehouden en draagt…
Korenaren Uit De Volle Oogst
Waarvan Jezus Christus is de uiterste hoeksteen; op welke het gehele gebouw bekwamelijk tezamen gevoegd zijnde, opwast tot een heilige tempel in de Heere.
Efeze 2:20, 21
Christus is het Hoofd van ieder lid, zoals Hij het Hoofd is van het gehele lichaam. Het groeien van het lichaam, van de kinderlijke tot de mannelijke leeftijd, is de groei van elk lid afzonderlijk in het lichaam. En omdat ik een lid ben van het geheimzinnige lichaam van Christus Jezus, zal ik met Hem groeien. Het groeien mag zo langzaam en trapsgewijs gaan dat het bijna onmerkbaar is, toch zal het groeien. Indien ik één ben met Christus, zal ik ten minste enigermate gevoed worden uit Zijn volheid. Hij is mijn leven, en Hij heeft beloofd: omdat Hij leeft, zal ik ook leven; en als ik door Hem leef, zal ik ook op en in Hem leven. Paulus kan zeggen: „Het leven, dat ik leef in het vlees, leef ik door het geloof in de Zoon van God”; en ook: „En Hij is voor allen gestorven, opdat degenen die leven, niet meer zichzelf zouden leven, maar Dien, Die voor hen gestorven en opgewekt is” (2 Kor. 5:15).
Door een gezonde evangelieverkondiging worden onze zielen gevoed. Christus is ons voorgesteld in al de heerlijkheid van Zijn Goddelijk Persoon, in Zijn Godheid en Zoonschap, en in al de genade van Zijn lijdende mensheid. Zijn bondskenmerken en verwantschap, Zijn bloed en gerechtigheid, Zijn dood en opstanding, Zijn hemelvaart en verheerlijking aan de rechterhand des Vaders, Zijn tegenwoordige voorspraak en tussenkomst, Zijn medelijden als een eens lijdende maar nu verheerlijkte Hogepriester, en Zijn bekwaamheid om geheel en al allen die door Hem tot God komen te verlossen: dat alles wordt voor ons gebracht als voedsel voor ons geloof; en als wij smaken dat Hij goed is en ons voeden met Hem als het Brood des Levens, is er wasdom in Hem.
Zij gaan van kracht tot kracht steeds voort.
Elk hunner zal in ’t zalig oord
van Sion haast voor God verschijnen.
Ps. 84:4
Aan de lezer…
Klaagt u, lezer, dat u in de genade niet groeit? Ziet u om naar de jaren die achter u liggen en vindt u weinig vooruitgang, zodat u vreest dat er in u geen leven is? Bedenk dan dat het groeien soms zo langzaam en trapsgewijs gaat dat het bijna onmerkbaar is. U ziet een boom ook niet groeien terwijl u ernaar kijkt. Wie één is met Christus, wordt uit Zijn volheid gevoed, en Hij heeft beloofd: omdat Hij leeft, zult ook u leven.
Zoek uw groei dan niet in het meten van uzelf, maar in het zien op Hem. Hij is de uiterste Hoeksteen, op Wie het gehele gebouw rust en opwast tot een heilige tempel. Voed u met Hem als het Brood des Levens: met Zijn bloed en gerechtigheid, Zijn voorspraak en Zijn medelijden als een eens lijdende Hogepriester. Wie smaakt dat Hij goed is, groeit, ook al merkt hij het zelf nauwelijks. Hij is machtig allen te verlossen die door Hem tot God komen.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Waarvan Jezus Christus is de uiterste hoeksteen; op welke het gehele gebouw bekwamelijk tezamen gevoegd zijnde, opwast tot een heilige tempel in de Heere.
Efeze 2:20, 21
Christus is het Hoofd van ieder lid, zoals Hij het Hoofd is van het hele lichaam. De groei van het lichaam, van de kinderleeftijd tot de volwassen leeftijd, is de groei van elk afzonderlijk lid in dat lichaam. En omdat ik een lid ben van het geheimnisvolle lichaam van Christus Jezus, zal ik met Hem groeien. Die groei kan zo langzaam en geleidelijk gaan dat hij bijna onmerkbaar is, maar toch zal ik groeien. Als ik één ben met Christus, zal ik ten minste in enige mate gevoed worden uit Zijn volheid. Hij is mijn leven, en Hij heeft beloofd dat ik zal leven omdat Hij leeft. En als ik door Hem leef, zal ik ook op en in Hem leven. Paulus kan zeggen: „Het leven, dat ik leef in het vlees, leef ik door het geloof in de Zoon van God”; en ook: „En Hij is voor allen gestorven, opdat degenen die leven, niet meer zichzelf zouden leven, maar Dien, Die voor hen gestorven en opgewekt is” (2 Kor. 5:15).
Door een gezonde verkondiging van het Evangelie worden onze zielen gevoed. Dan wordt Christus ons voorgesteld in heel de heerlijkheid van Zijn goddelijke Persoon, in Zijn Godheid en Zoonschap, en in heel de genade van Zijn lijdende mensheid. Zijn verbondsbetrekkingen en verwantschap, Zijn bloed en gerechtigheid, Zijn dood en opstanding, Zijn hemelvaart en verheerlijking aan de rechterhand van de Vader, Zijn huidige voorspraak en tussenkomst, Zijn medelijden als een eens lijdende maar nu verheerlijkte Hogepriester, en Zijn vermogen om allen die door Hem tot God komen volkomen te verlossen: dat alles wordt ons voorgezet als voedsel voor ons geloof. En als wij smaken dat Hij goed is en ons met Hem voeden als het Brood des Levens, dan is er groei in Hem.
Zij gaan van kracht tot kracht steeds voort.
Elk hunner zal in ’t zalig oord
van Sion haast voor God verschijnen.
Ps. 84:4
Aan de lezer…
Klaagt u dat u niet groeit in de genade? Kijkt u terug op de jaren die achter u liggen en ziet u weinig vooruitgang, zodat u vreest dat er in u geen leven is? Bedenk dan dat de groei soms zo langzaam en geleidelijk gaat dat hij bijna onmerkbaar is. U ziet een boom ook niet groeien terwijl u ernaar kijkt. Wie één is met Christus, wordt uit Zijn volheid gevoed, en Hij heeft beloofd: omdat Hij leeft, zult ook u leven.
Zoek uw groei dan niet in het meten van uzelf, maar in het zien op Hem. Hij is de uiterste Hoeksteen, op Wie het hele gebouw rust en opgroeit tot een heilige tempel. Voed u met Hem als het Brood des Levens: met Zijn bloed en gerechtigheid, Zijn voorspraak en Zijn medelijden als een eens lijdende Hogepriester. Wie smaakt dat Hij goed is, groeit, ook al merkt hij het zelf nauwelijks. Hij is machtig allen te verlossen die door Hem tot God komen.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Jesus Christ Himself being the chief corner stone; in Whom all the building fitly framed together groweth unto an holy temple in the Lord.
Ephesians 2:20-21
Christ is the Head of every member individually, as He is the Head of the whole body collectively. Growth of the body, from babyhood to manhood, is the growth of individual members in the body. If, then, I am a member of the mystical body of Christ Jesus, I shall grow. My growth may be so slow and gradual as to be scarcely perceptible; but it will be growth still. If I have union with Christ, I shall be supplied, at least in some measure, out of His fullness.
He is my life, and He has promised, because He lives, I shall live also; and if I live by Him, I shall live upon and unto Him. Paul could say, “The life which I now live in the flesh I live by the faith of the Son of God;” and also, “And that He died for all, that they which live should not henceforth live unto themselves, but unto Him which died for them, and rose again” (2 Cor. 5:15).
By a sound gospel ministry our souls are fed. Christ is set before us in all the glories of His divine Person—in His Deity and Sonship, and in all the graces of His suffering humanity. His covenant characters and gracious relationships, His blood and righteousness, His death and resurrection, His ascension and glorification at the right hand of the Father, His present mediation and intercession, His sympathy as a once suffering but now exalted High Priest, and His ability to save to the uttermost all that come to God by Him, are brought before us as the food of our faith; and as we taste that He is gracious, and feed upon Him as the Bread of life, there is a growth into Him.
To the reader…
Do you complain that you are not growing in grace? Do you look back on the years behind you and see little progress, so that you fear there is no life in you? Then remember that growth is sometimes so slow and gradual that it is scarcely perceptible. You do not see a tree grow while you are looking at it either. Whoever is one with Christ is fed out of His fullness, and He has promised: because He lives, you shall live also.
So do not look for your growth by measuring yourself, but by looking to Him. He is the chief Corner Stone, on Whom the whole building rests and grows into a holy temple. Feed on Him as the Bread of life: on His blood and righteousness, His intercession and His sympathy as a once suffering High Priest. Whoever tastes that He is gracious grows, even if he hardly notices it himself. He is able to save all who come unto God by Him.
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
La principal piedra del ángulo Jesucristo mismo; en el cual, compaginado todo el edificio, va creciendo para ser un templo santo en el Señor.
Efesios 2:20-21
Cristo es la Cabeza de cada miembro individualmente, así como es la Cabeza de todo el cuerpo colectivamente. El crecimiento del cuerpo, de la infancia a la edad adulta, es el crecimiento de los miembros individuales en el cuerpo. Si, pues, soy miembro del cuerpo místico de Cristo Jesús, creceré. Mi crecimiento puede ser tan lento y gradual que apenas sea perceptible; pero aun así será crecimiento. Si tengo unión con Cristo, seré provisto, al menos en alguna medida, de Su plenitud.
Él es mi vida, y ha prometido que, porque Él vive, yo también viviré; y si vivo por Él, viviré de Él y para Él. Pablo podía decir: “Lo que ahora vivo en la carne, lo vivo en la fe del Hijo de Dios”; y también: “Y por todos murió, para que también los que viven, ya no vivan para sí, mas para Aquel que murió y resucitó por ellos” (2 Cor. 5:15).
Por un ministerio sano del evangelio nuestras almas son alimentadas. Cristo nos es presentado en todas las glorias de Su divina Persona: en Su Deidad y filiación, y en todas las gracias de Su humanidad sufriente. Sus caracteres en el pacto y Sus relaciones de gracia, Su sangre y Su justicia, Su muerte y resurrección, Su ascensión y glorificación a la diestra del Padre, Su mediación e intercesión presentes, Su compasión como Sumo Sacerdote que una vez sufrió y ahora está exaltado, y Su poder para salvar eternamente a todos los que por Él se allegan a Dios, nos son presentados como el alimento de nuestra fe; y a medida que gustamos que Él es benigno y nos alimentamos de Él como el Pan de vida, hay un crecimiento en Él.
Al lector…
¿Se queja usted de que no crece en la gracia? ¿Mira atrás a los años pasados y ve poco progreso, de modo que teme que no haya vida en usted? Entonces recuerde que el crecimiento es a veces tan lento y gradual que apenas es perceptible. Tampoco ve usted crecer un árbol mientras lo está mirando. Quien es uno con Cristo es alimentado de Su plenitud, y Él ha prometido: porque Él vive, usted también vivirá.
No busque, pues, su crecimiento midiéndose a sí mismo, sino mirándole a Él. Él es la principal Piedra del ángulo, sobre la cual descansa todo el edificio y crece para ser un templo santo. Aliméntese de Él como el Pan de vida: de Su sangre y Su justicia, de Su intercesión y de Su compasión como Sumo Sacerdote que una vez sufrió. Quien gusta que Él es benigno crece, aunque él mismo apenas lo note. Él puede salvar a todos los que por Él se allegan a Dios.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl
365 Dagen Met Philpot
Alle dingen ten goede
En wij weten dat degenen, die God liefhebben, alle dingen medewerken ten goede.
Romeinen 8:28
De bezoeking verwondt. Als een christen veel moeilijkheden doormaakt in de geest, het gezin, het lichaam of in omstandigheden; als hem in die moeilijkheden de lieflijke aanwezigheid van de Heere wordt onthouden; als beproeving na beproeving op zijn hoofd neerkomt, zoals golf na golf op de kust, zal dit hem verwonden. Hij heeft niet langer de geestelijke of lichamelijke kracht, de lichte tred, het opgewekte gezicht, de vrolijke stemming die hij eerst had. Hoewel hij er niet helemaal door wordt gebroken, noch erdoor tot totale wanhoop wordt gedreven, toch verwondt het zijn geest. En dit is de bedoeling van God als Hij hem bezoekingen stuurt. Hij wil hem daarmee verwonden.
Zijn eigen geliefde Zoon werd door verdriet en moeilijkheden verwond, want Hij was een „Man van smarten, en verzocht in krankheid.” Verdriet en Hij waren geen vreemden van elkaar; ze waren heel goede bekenden; en door verdriet werd Hij verwond, om „een worm en geen man” te worden. Dit was „de verdrukking des verdrukten” (Ps. 22:25). Verdriet heeft Zijn hart gebroken, Hem verwond tot gehoorzaamheid en overgave aan de wil van God. Want „hoewel Hij de Zoon was, nochtans heeft Hij gehoorzaamheid geleerd uit hetgeen Hij heeft geleden” (Hebr. 5:8).
Als wij dus met de Zoon van God gemeenschap hebben in Zijn smarten, moeten we dezelfde bezoekingen ondergaan, opdat we enig medeleven met de diepbedroefde Heere krijgen. Zonder dit kunnen we noch met Hem verenigd worden, noch gemeenschap met Hem hebben. We verlangen er wellicht soms naar sterker verenigd te zijn en inniger omgang te hebben met de Heere Jezus Christus; we treuren om onze afstand tot Hem en de vervreemding van onze genegenheid voor Hem. Maar denken we ooit na over de manier waarop we dichterbij kunnen komen – dat bezoeking het aangewezen pad is? Dat om verenigd te worden en omgang te krijgen met een diepbedroefde Heere, we ook diepbedroefd moeten zijn; dat om een innige verbondenheid met de Man van smarten te krijgen, we ook smarten moeten beleven?
We durven niet, we hoeven niet om bezoeking te bidden. Dat zou een te gewaagd gebed zijn. Maar als we bidden om vereniging met de Heere Jezus Christus, bidden we er indirect toch om.
Lezen: Psalm 119:73-88
Aan de lezer…
Er zijn dagen dat de ene golf na de andere over u heen komt. Bent u de lichte tred en het opgewekte gezicht van vroeger kwijt, en voelt u dat de beproeving u gewond heeft? Denk dan niet dat de Heere u vergeten is. Het is juist Zijn bedoeling dat de bezoeking u verwondt; niet om u te breken of tot wanhoop te drijven, maar om u buigzaam te maken onder Zijn wil, zoals Hij Zijn eigen Zoon gehoorzaamheid leerde uit hetgeen Hij geleden heeft.
U treurt wellicht om uw afstand tot Christus en verlangt naar inniger omgang met Hem. Bedenk dan dat Hij een Man van smarten was, en dat de weg tot Zijn gemeenschap dikwijls door smart heen loopt. Wat u nu wondt, kan het middel zijn waardoor u Hem nader komt. Zo werken ook deze dingen mee ten goede voor hen die God liefhebben. Verberg uw wonden dus niet voor Hem; breng ze juist bij Hem, want Hij kent ze van binnenuit.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
En wij weten dat degenen, die God liefhebben, alle dingen medewerken ten goede.
Romeinen 8:28
De bezoeking verwondt. Als een christen veel moeiten doormaakt, in zijn geest, zijn gezin, zijn lichaam of zijn omstandigheden; als hem in die moeiten de lieflijke tegenwoordigheid van de Heere onthouden wordt; als de ene beproeving na de andere op zijn hoofd neerkomt, zoals golf na golf op de kust, dan zal hem dat verwonden. Hij heeft niet meer de geestelijke of lichamelijke kracht, de lichte tred, het opgewekte gezicht en de vrolijke stemming die hij eerst had. Hij wordt er niet helemaal door gebroken en niet tot volslagen wanhoop gedreven, maar toch verwondt het zijn geest. En dat is Gods bedoeling als Hij hem bezoekingen zendt: Hij wil hem daarmee verwonden.
Zijn eigen geliefde Zoon werd door verdriet en moeiten verwond, want Hij was een „Man van smarten, en verzocht in krankheid.” Verdriet en Hij waren geen vreemden voor elkaar; zij kenden elkaar heel goed. Door verdriet werd Hij verwond, zodat Hij „een worm en geen man” werd. Dit was „de verdrukking des verdrukten” (Ps. 22:25). Verdriet heeft Zijn hart gebroken en Hem verwond tot gehoorzaamheid en overgave aan de wil van God. Want „hoewel Hij de Zoon was, nochtans heeft Hij gehoorzaamheid geleerd uit hetgeen Hij heeft geleden” (Hebr. 5:8).
Als wij dus gemeenschap hebben met de Zoon van God in Zijn smarten, moeten we dezelfde bezoekingen ondergaan, zodat we enig medegevoel krijgen met de diepbedroefde Heere. Zonder dit kunnen we niet met Hem verenigd worden en geen gemeenschap met Hem hebben. Misschien verlangen we er soms naar nauwer met de Heere Jezus Christus verenigd te zijn en inniger omgang met Hem te hebben; we treuren over onze afstand tot Hem en de vervreemding van onze genegenheden van Hem. Maar denken we er ooit over na hoe we dichterbij kunnen komen, en dat bezoeking de aangewezen weg is? Dat we, om verenigd te worden en omgang te krijgen met een diepbedroefde Heere, ook zelf diepbedroefd moeten zijn; dat we, om een innige verbondenheid met de Man van smarten te krijgen, ook smarten moeten doormaken?
We durven niet om bezoeking te bidden, en we hoeven het ook niet. Dat zou een te gewaagd gebed zijn. Maar als we bidden om vereniging met de Heere Jezus Christus, bidden we er indirect toch om.
Lezen: Psalm 119:73-88
Aan de lezer…
Er zijn dagen dat de ene golf na de andere over u heen komt. Bent u de lichte tred en het opgewekte gezicht van vroeger kwijt, en voelt u dat de beproeving u verwond heeft? Denk dan niet dat de Heere u vergeten is. Het is juist Zijn bedoeling dat de bezoeking u verwondt; niet om u te breken of tot wanhoop te drijven, maar om u buigzaam te maken onder Zijn wil, zoals Zijn eigen Zoon gehoorzaamheid leerde uit wat Hij geleden heeft.
Misschien treurt u over uw afstand tot Christus en verlangt u naar inniger omgang met Hem. Bedenk dan dat Hij een Man van smarten was, en dat de weg naar gemeenschap met Hem vaak door smart heen loopt. Wat u nu verwondt, kan het middel zijn waardoor u dichter bij Hem komt. Zo werken ook deze dingen mee ten goede voor hen die God liefhebben. Verberg uw wonden dus niet voor Hem; breng ze juist bij Hem, want Hij kent ze van binnenuit.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
And we know that all things work together for good to them that love God.
Romans 8:28
Affliction wounds. When a Christian passes through many troubles, in his mind, his family, his body or his circumstances; when in those troubles the sweet presence of the Lord is withheld from him; when one trial after another comes down upon his head, like wave after wave upon the shore, it will wound him. He no longer has the strength of mind or body, the light step, the cheerful face and the happy spirits he had at first. He is not wholly broken by it, nor driven into utter despair, yet it wounds his spirit. And that is God’s purpose when He sends him afflictions: He means to wound him by them.
His own beloved Son was wounded by sorrow and trouble, for He was “a Man of sorrows, and acquainted with grief.” Sorrow and He were no strangers to each other; they knew each other very well. By sorrow He was wounded, so that He became “a worm, and no man.” This was “the affliction of the afflicted” (Ps. 22:24). Sorrow broke His heart and wounded Him into obedience and submission to the will of God. For “though He were a Son, yet learned He obedience by the things which He suffered” (Heb. 5:8).
If, then, we have fellowship with the Son of God in His sorrows, we must pass through the same afflictions, that we may gain some fellow-feeling with the deeply sorrowing Lord. Without this we cannot be united to Him nor have communion with Him. Perhaps we sometimes long to be more closely united to the Lord Jesus Christ and to have more intimate communion with Him; we mourn over our distance from Him and the estrangement of our affections from Him. But do we ever consider how we may come nearer, and that affliction is the appointed way? That to be united to and have communion with a deeply sorrowing Lord, we must ourselves be deeply sorrowful; that to gain an intimate union with the Man of sorrows, we too must pass through sorrows?
We dare not pray for affliction, nor need we. That would be too bold a prayer. But when we pray for union with the Lord Jesus Christ, we do indirectly pray for it.
Reading: Psalm 119:73-88
To the reader…
There are days when one wave after another comes over you. Have you lost the light step and the cheerful face of former days, and do you feel that the trial has wounded you? Do not think, then, that the Lord has forgotten you. It is just His purpose that the affliction should wound you; not to break you or drive you to despair, but to make you yielding under His will, as His own Son learned obedience by the things which He suffered.
Perhaps you mourn over your distance from Christ and long for closer communion with Him. Remember then that He was a Man of sorrows, and that the way to fellowship with Him often runs through sorrow. What wounds you now may be the very means by which you come nearer to Him. So these things too work together for good to them that love God. Do not hide your wounds from Him, then; bring them to Him, for He knows them from within.
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
Y sabemos que a los que a Dios aman, todas las cosas les ayudan a bien.
Romanos 8:28
La aflicción hiere. Cuando un cristiano pasa por muchas tribulaciones, en su mente, en su familia, en su cuerpo o en sus circunstancias; cuando en esas tribulaciones le es retenida la dulce presencia del Señor; cuando una prueba tras otra cae sobre su cabeza, como ola tras ola sobre la orilla, le herirá. Ya no tiene la fuerza de mente o de cuerpo, el paso ligero, el rostro alegre y el ánimo feliz que tenía al principio. No queda del todo quebrantado por ello, ni es arrojado a la desesperación total, pero le hiere el espíritu. Y ese es el propósito de Dios cuando le envía aflicciones: quiere herirle por medio de ellas.
Su propio Hijo amado fue herido por el dolor y la tribulación, porque fue “Varón de dolores, experimentado en quebranto”. El dolor y Él no eran extraños el uno para el otro; se conocían muy bien. Por el dolor fue herido, de modo que llegó a ser “gusano, y no hombre”. Esta fue “la aflicción del pobre” (Sal. 22:24). El dolor quebrantó Su corazón y le hirió hasta la obediencia y la sumisión a la voluntad de Dios. Porque “aunque era Hijo, por lo que padeció aprendió la obediencia” (He. 5:8).
Si, pues, tenemos comunión con el Hijo de Dios en Sus dolores, debemos pasar por las mismas aflicciones, para alcanzar algo de compasión con el Señor profundamente dolorido. Sin esto no podemos estar unidos a Él ni tener comunión con Él. Quizá a veces anhelamos estar más estrechamente unidos al Señor Jesucristo y tener una comunión más íntima con Él; lamentamos nuestra distancia de Él y el alejamiento de nuestros afectos de Él. Pero ¿consideramos alguna vez cómo podemos acercarnos más, y que la aflicción es el camino señalado? ¿Que para estar unidos a un Señor profundamente dolorido y tener comunión con Él, nosotros mismos debemos estar profundamente doloridos; que para alcanzar una unión íntima con el Varón de dolores, también nosotros debemos pasar por dolores?
No nos atrevemos a pedir aflicción en oración, ni hace falta. Sería una oración demasiado atrevida. Pero cuando pedimos la unión con el Señor Jesucristo, indirectamente la pedimos.
Lectura: Salmo 119:73-88
Al lector…
Hay días en que una ola tras otra pasa sobre usted. ¿Ha perdido el paso ligero y el rostro alegre de otros tiempos, y siente que la prueba le ha herido? No piense entonces que el Señor le ha olvidado. Es precisamente Su propósito que la aflicción le hiera; no para quebrantarle ni llevarle a la desesperación, sino para hacerle dócil bajo Su voluntad, como Su propio Hijo aprendió la obediencia por lo que padeció.
Quizá lamenta su distancia de Cristo y anhela una comunión más estrecha con Él. Recuerde entonces que Él fue Varón de dolores, y que el camino a la comunión con Él pasa a menudo por el dolor. Lo que ahora le hiere puede ser el mismo medio por el cual se acerque más a Él. Así también estas cosas ayudan a bien a los que aman a Dios. No le esconda, pues, sus heridas; tráigaselas, porque Él las conoce desde dentro.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl
Door Baca's Vallei
En Hij zij u genadig.
Numeri 6:25
Hoe zoet is het Evangelie! Maar wat maakt het Evangelie zoet? Dit ene woord, dat een geur over het geheel uitgiet: genade. Neem genade uit het Evangelie en gij maakt het teniet en stoot het omver; het is geen Evangelie meer. Genade strekt zich uit over elk deel van het Evangelie; zij is het leven van het Evangelie; in één woord: zij is het Evangelie zelf.
„Zij u genadig.” Waarin dan is God genadig? In een verbroken wet? Wat kent zij van genade? In overtuiging tot verbetering in het werk van het schepsel, in menselijke rechtvaardigheid? Kan of zal de Heere Zich in deze dingen genadig betonen? Ik heb gelezen van een ontwerp om uit komkommers zonnestralen te produceren. Wij konden even goed verwachten uit de wet genade te verkrijgen als zonnestralen uit komkommers; zij is zo koud als komkommers, er is geen zon in aanwezig.
Genade, om genadig te zijn, moet uit het Evangelie komen; en zij komt met uitsluiting van al des mensen gerechtigheid, zij dooft alle menselijke verdiensten uit. En de apostel redeneert: „En indien het door genade is, zo is het niet meer uit de werken, anderszins is de genade geen genade meer. En indien het is uit de werken, zo is het geen genade meer, anderszins is het werk geen werk meer” (Rom. 11:6).
„De Heere zij u genadig.” Maar op welke wijze is de Heere genadig? Misschien hebt gij in de loop van uw leven de gelegenheid gehad met iemand in contact te komen die in het maatschappelijke leven een hogere rang bekleedde dan uzelf, en gij gingt schroomvallig, zenuwachtig en met vrees naar zo iemand toe. Maar gij kreegt wat men noemt een genadige ontvangst. En stelde dit u niet in staat om te spreken en uw verzoek voor te dragen? Zo is het ook tegenover God. Een gevoel van onze geringheid en onwaardigheid kan ons doen, en het doet ons veelal, vrezen en schroomachtig zijn voor het aangezicht van de Allerhoogste. Maar wanneer Hij ons in Zijn tegenwoordigheid toelaat, evenals de koning Ahasverus de bevreesde Esther ontving en haar de genadescepter toereikte, dan legt de ziel vrijmoedig haar verzoek aan Zijn voeten neer. Alleen dit kan het doen.
Maar gij voelt u zo menigmaal beschaamd en zegt het ook: „Ik ben het zo onwaardig.” Zoudt gij anders willen zijn? Wanneer hoopt gij waardig te zijn? Wanneer denkt gij waardig te zijn? Zo gij het morgen waardig zoudt kunnen zijn, waar is uw waardigheid voor het ogenblik? Is de oude schuld betaald? Indien gij het wagen zoudt op grond van uw waardigheid, dan moet de oude rekening uitgewist zijn als gij een nieuwe aanvaardt.
Waardigheid! Waar wordt zij gevonden? In de mens? Sedert de dag toen Adam viel, niet. Rechtvaardigheid viel in het Paradijs, toen Adam zijn hand uitstak naar de verboden vrucht; toen viel de waardigheid op de grond en sindsdien heeft zij nooit haar hoofd kunnen oprichten. Dus moet ik niet tot God gaan op grond van waardigheid. Mag ik dan gaan op grond van mijn onwaardigheid?
Ik lees van iemand die dit deed, en met een goede uitslag. „Heere,” zeide hij, „ik ben niet waardig, dat Gij onder mijn dak zou inkomen; maar spreek alleen één woord en mijn knecht zal genezen worden.” En welk getuigenis gaf de Heere van deze man? Dat Hij zo’n groot geloof niet had gevonden, zelfs in Israël niet. En wat was ook de belijdenis van de terugkerende verloren zoon? „Ik ben niet waardig uw zoon genaamd te worden.” Maar juist deze belijdenis bracht het beste kleed naar voren, en de ring aan de hand en de schoenen aan de voeten.
Waarom? Het geloof gaat gepaard met een besef van onwaardigheid; zij zijn boezemvrienden, het huist in geen andere dan in onwaardige zielen. Gevoelt gij u geestelijk onwaardig, dan zijt gij geestelijk gelovig, want het is het geloof dat een besef van onwaardigheid voortbrengt. Gij gelooft dat gij onwaardig zijt; door hetzelfde geloof waarin gij uw onwaardigheid gelooft, gelooft gij aan de genade Gods. „Hij zij u genadig.” Dit doet het hart smelten, waar de wet en verschrikkingen het doen verharden. Het is de genade die vertedert, die doet smelten en bedwingt; genade die heilige gehoorzaamheid met zich voert.
Aan de lezer…
Hoe dikwijls zegt u niet: „Ik ben het zo onwaardig”! Wanneer hoopt u dan waardig te zijn? Is de oude schuld al betaald? Wie op zijn waardigheid wil wachten voordat hij tot God gaat, zal nooit komen. Maar wie als onwaardige komt, vindt de genadescepter uitgestoken. „Heere, ik ben niet waardig,” zei eens een man, en de Heere roemde zijn geloof. „Ik ben niet waardig uw zoon genaamd te worden,” zei de verloren zoon, en hij ontving het beste kleed.
Gevoelt u zich dus geestelijk onwaardig, laat dat u dan niet wegdrijven. Het geloof en een besef van onwaardigheid zijn boezemvrienden. Datzelfde geloof dat u uw onwaardigheid doet zien, mag ook de genade Gods omhelzen. Kom dan zoals u bent, met uw schaamte en uw schuld, en laat de Heere u genadig zijn. Dat is het Evangelie zelf.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
En Hij zij u genadig.
Numeri 6:25
Hoe zoet is het Evangelie! Maar wat maakt het Evangelie zoet? Dit ene woord, dat een geur over het geheel uitgiet: genade. Haal de genade uit het Evangelie en u doet het teniet en werpt het omver; het is geen Evangelie meer. Genade strekt zich uit over elk deel van het Evangelie; zij is het leven van het Evangelie; in één woord: zij is het Evangelie zelf.
„Zij u genadig.” Waarin is God dan genadig? In een verbroken wet? Wat weet die van genade? In overtuiging die tot verbetering leidt, in het werk van het schepsel, in menselijke gerechtigheid? Kan of zal de Heere Zich in deze dingen genadig tonen? Ik heb gelezen over een plan om uit komkommers zonnestralen te winnen. Wij zouden net zo goed kunnen verwachten genade uit de wet te verkrijgen als zonnestralen uit komkommers; zij is zo koud als komkommers, er zit geen zon in.
Genade moet, om genadig te zijn, uit het Evangelie komen; en zij komt met uitsluiting van alle gerechtigheid van de mens, zij dooft alle menselijke verdiensten uit. En de apostel redeneert: „En indien het door genade is, zo is het niet meer uit de werken, anderszins is de genade geen genade meer. En indien het is uit de werken, zo is het geen genade meer, anderszins is het werk geen werk meer” (Rom. 11:6).
„De Heere zij u genadig.” Maar op welke manier is de Heere genadig? Misschien hebt u in de loop van uw leven eens contact gehad met iemand die in het maatschappelijk leven een hogere rang had dan uzelf, en ging u schroomvallig, zenuwachtig en met vrees naar zo iemand toe. Maar u kreeg wat men een genadige ontvangst noemt. En maakte dat het u niet mogelijk om te spreken en uw verzoek voor te leggen? Zo is het ook tegenover God. Een besef van onze geringheid en onwaardigheid kan ons, en doet ons meestal, vrezen en schroomvallig zijn voor het aangezicht van de Allerhoogste. Maar wanneer Hij ons in Zijn tegenwoordigheid toelaat, zoals koning Ahasveros de bevreesde Esther ontving en haar de gouden scepter van de genade toereikte, dan legt de ziel vrijmoedig haar verzoek aan Zijn voeten neer. Alleen dit kan dat bewerken.
Maar u voelt zich zo vaak beschaamd en zegt ook: „Ik ben het zo onwaardig.” Zou u anders willen zijn? Wanneer hoopt u waardig te zijn? Wanneer denkt u waardig te zijn? Als u het morgen waardig zou kunnen zijn, waar is dan uw waardigheid op dit ogenblik? Is de oude schuld betaald? Als u het zou wagen op grond van uw waardigheid, dan moet de oude rekening uitgewist zijn voordat u een nieuwe aangaat.
Waardigheid! Waar is die te vinden? In de mens? Sinds de dag dat Adam viel niet meer. De gerechtigheid viel in het paradijs toen Adam zijn hand uitstak naar de verboden vrucht; toen viel de waardigheid op de grond, en sindsdien heeft zij nooit meer haar hoofd kunnen opheffen. Ik moet dus niet tot God gaan op grond van waardigheid. Mag ik dan gaan op grond van mijn onwaardigheid?
Ik lees over iemand die dat deed, en met een goede afloop. „Heere,” zei hij, „ik ben niet waardig, dat Gij onder mijn dak zou inkomen; maar spreek alleen één woord en mijn knecht zal genezen worden.” En welk getuigenis gaf de Heere van deze man? Dat Hij zo’n groot geloof niet had gevonden, zelfs in Israël niet. En wat was ook de belijdenis van de terugkerende verloren zoon? „Ik ben niet waardig uw zoon genaamd te worden.” Maar juist die belijdenis bracht het beste kleed tevoorschijn, en de ring aan de hand en de schoenen aan de voeten.
Waarom? Het geloof gaat samen met een besef van onwaardigheid; zij zijn boezemvrienden, en het geloof woont in geen andere dan in onwaardige zielen. Voelt u zich geestelijk onwaardig, dan bent u geestelijk gelovig, want het is het geloof dat een besef van onwaardigheid voortbrengt. U gelooft dat u onwaardig bent; door hetzelfde geloof waarmee u uw onwaardigheid gelooft, gelooft u in de genade van God. „Hij zij u genadig.” Dit doet het hart smelten, waar de wet en verschrikkingen het verharden. Het is de genade die vertedert, die doet smelten en bedwingt; genade die heilige gehoorzaamheid met zich meebrengt.
Aan de lezer…
Hoe vaak zegt u niet: „Ik ben het zo onwaardig”! Wanneer hoopt u dan waardig te zijn? Is de oude schuld al betaald? Wie op zijn waardigheid wil wachten voordat hij tot God gaat, zal nooit komen. Maar wie als onwaardige komt, vindt de scepter van de genade uitgestoken. „Heere, ik ben niet waardig,” zei eens een man, en de Heere roemde zijn geloof. „Ik ben niet waardig uw zoon genaamd te worden,” zei de verloren zoon, en hij ontving het beste kleed.
Voelt u zich dus geestelijk onwaardig, laat dat u dan niet wegdrijven. Het geloof en een besef van onwaardigheid zijn boezemvrienden. Datzelfde geloof dat u uw onwaardigheid laat zien, mag ook de genade van God omhelzen. Kom dan zoals u bent, met uw schaamte en uw schuld, en laat de Heere u genadig zijn. Dat is het Evangelie zelf.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
The LORD make his face shine upon thee, and be gracious unto thee.
Numbers 6:25
How sweet the gospel is! But what makes the gospel sweet? That one word which sheds a perfume through the whole—grace. Take grace out of the gospel and you destroy the gospel; you nullify and overthrow it; it is the gospel no more. Grace pervades every part and every branch of the blessed gospel; it is the life of the gospel; in a word, it is the gospel itself. “Be gracious unto you.”
In what, then, is God gracious? In a broken law? What does that know of grace? In resolutions of amendment, creature performances, and human righteousness? Can the Lord, will the Lord show Himself gracious in these? I have read of a project for extracting sunbeams out of cucumbers. We might as well expect to make sunbeams out of cucumbers as to make grace out of the law; it is cold as cucumbers; there is no sun in it.
Grace, to be grace, must come out of the gospel. It is in the gospel, and out of the gospel must it come; and it does come, excluding all creature righteousness, putting an extinguisher upon all human merit. As the Apostle argues—“And if by grace, then is it no more of works; otherwise grace is no more grace. But if it be of works, then is it no more grace; otherwise work is no more work” (Rom. 11:6). “The Lord be gracious unto you.”
But how is the Lord gracious? Perhaps you have had occasion, at some time of your life, to go into the presence of some one in worldly rank far your superior, and you went timid, nervous, and trembling; but you experienced what is called a “gracious reception.” Did not that enable you to speak and open your petition? So it is in the things of God. A sense of our lowliness and unworthiness may and does make us tremble and feel timid before the face of the Most High; but when He draws us into His presence, and receives us graciously, as king Ahasuerus received the trembling Esther, extending to her the scepter of his grace, it emboldens the soul to lay its petition at His feet. Nothing will do it but this.
But you feel and say often, “I am so unworthy.” Will you ever be anything else? When do you hope to be worthy? When do you mean to be worthy? If you could be worthy tomorrow, where is your worthiness today? Is the old score yet paid? If you venture upon the ground of ‘worthiness’ you must have the old score rubbed off before you come to the new.
Worthiness! where is it? In man? Never since the day that Adam fell. Righteousness fell in Paradise; when Adam’s hand touched the apple, worthiness fell to the ground, and never since has been able to raise its head. I must not, then, go to God upon the ground of worthiness.
But may I go on the ground of unworthiness? I read of one who did, and met with a very gracious reception. “Lord,” said one, “I am not worthy that you should come under my roof; but speak the word only and my servant shall be healed.” What did the Lord say of this man? That He had not found so great faith, no, not in Israel. What, also, was the confession of the returning prodigal? “I am no more worthy to be called your son.” But this brought out the best robe, the ring for the hand, and the shoes for the feet.
Why? Faith dwells with a sense of unworthiness; they are bosom companions; it dwells in no other but unworthy breasts. Feel spiritually unworthy and you are spiritually believing, for it is faith that gives a sense of unworthiness. You believe you are unworthy; by the same faith that you believe your unworthiness you believe God’s grace. “Be gracious unto you.” That melts the heart; law and terrors do but harden. It is grace that softens, grace that melts, grace that constrains, grace that produces, godly obedience.
To the reader…
How often do you say, “I am so unworthy”! When, then, do you hope to be worthy? Has the old debt been paid yet? Whoever wants to wait for his worthiness before he goes to God will never come. But whoever comes as one unworthy finds the sceptre of grace held out. “Lord, I am not worthy,” a man once said, and the Lord praised his faith. “I am no more worthy to be called thy son,” said the prodigal son, and he received the best robe.
So if you feel spiritually unworthy, do not let that drive you away. Faith and a sense of unworthiness are bosom companions. The same faith that shows you your unworthiness may also embrace the grace of God. Come, then, just as you are, with your shame and your guilt, and let the Lord be gracious unto you. That is the gospel itself.
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
Haga resplandecer Jehová Su rostro sobre ti, y haya de ti misericordia.
Números 6:25
¡Qué dulce es el evangelio! Pero ¿qué hace dulce el evangelio? Esa sola palabra que derrama su perfume por todo él: gracia. Quite la gracia del evangelio y destruirá el evangelio; lo anula y lo derriba; ya no es el evangelio. La gracia impregna cada parte y cada rama del bendito evangelio; es la vida del evangelio; en una palabra, es el evangelio mismo. “Sea lleno de gracia para contigo.”
¿En qué, pues, se muestra Dios lleno de gracia? ¿En una ley quebrantada? ¿Qué sabe esa de gracia? ¿En propósitos de enmienda, en obras de la criatura y en justicia humana? ¿Puede el Señor, quiere el Señor mostrarse lleno de gracia en estas cosas? He leído de un proyecto para extraer rayos de sol de los pepinos. Tanto podríamos esperar sacar rayos de sol de los pepinos como sacar gracia de la ley; es fría como los pepinos; no hay sol en ella.
La gracia, para ser gracia, tiene que venir del evangelio. Está en el evangelio, y del evangelio tiene que venir; y viene, excluyendo toda justicia de la criatura, apagando todo mérito humano. Como argumenta el apóstol: “Y si por gracia, luego no por las obras; de otra manera la gracia ya no es gracia. Y si por las obras, ya no es gracia; de otra manera la obra ya no es obra” (Romanos 11:6). “El Señor sea lleno de gracia para contigo.”
Pero ¿cómo se muestra el Señor lleno de gracia? Quizá usted haya tenido ocasión, en algún momento de su vida, de presentarse ante alguien muy superior a usted en rango mundano, y fue tímido, nervioso y temblando; pero experimentó lo que se llama una “acogida bondadosa”. ¿No le permitió eso hablar y presentar su petición? Así es en las cosas de Dios. El sentir de nuestra bajeza e indignidad puede hacernos, y nos hace, temblar y sentirnos tímidos ante el rostro del Altísimo; pero cuando Él nos atrae a Su presencia y nos recibe con gracia, como el rey Asuero recibió a la temblorosa Ester, extendiéndole el cetro de su favor, eso da valor al alma para poner su petición a Sus pies. Nada sino esto lo logrará.
Pero usted siente y dice a menudo: “Soy tan indigno.” ¿Será alguna vez otra cosa? ¿Cuándo espera ser digno? ¿Cuándo piensa ser digno? Si pudiera ser digno mañana, ¿dónde está su dignidad hoy? ¿Está ya pagada la vieja cuenta? Si se aventura sobre el terreno de la ‘dignidad’, tiene que tener borrada la vieja cuenta antes de llegar a la nueva.
¡Dignidad! ¿Dónde está? ¿En el hombre? Nunca desde el día en que Adán cayó. La justicia cayó en el Paraíso; cuando la mano de Adán tocó la fruta, la dignidad cayó a tierra, y nunca desde entonces ha podido levantar la cabeza. No debo, pues, ir a Dios sobre el terreno de la dignidad.
Pero ¿puedo ir sobre el terreno de la indignidad? Leo de uno que lo hizo, y halló una acogida muy llena de gracia. “Señor”, dijo uno, “no soy digno de que entres debajo de mi techado; mas solamente di la palabra, y mi mozo sanará.” ¿Qué dijo el Señor de este hombre? Que ni aun en Israel había hallado fe tanta. ¿Cuál fue también la confesión del pródigo que volvía? “Ya no soy digno de ser llamado tu hijo.” Pero esto hizo sacar el mejor vestido, el anillo para la mano y los zapatos para los pies.
¿Por qué? La fe habita con el sentir de la indignidad; son compañeros íntimos; no habita en otros pechos sino en los indignos. Siéntase espiritualmente indigno y estará creyendo espiritualmente, porque es la fe la que da el sentir de la indignidad. Usted cree que es indigno; por la misma fe con que cree su indignidad, cree la gracia de Dios. “Sea lleno de gracia para contigo.” Eso derrite el corazón; la ley y los terrores no hacen sino endurecer. Es la gracia la que ablanda, la gracia la que derrite, la gracia la que constriñe, la gracia la que produce la obediencia piadosa.
Al lector…
¡Cuántas veces dice usted: “Soy tan indigno”! ¿Cuándo, pues, espera ser digno? ¿Está ya pagada la vieja deuda? Quien quiere esperar a su dignidad antes de ir a Dios nunca llegará. Pero quien viene como indigno halla extendido el cetro de la gracia. “Señor, no soy digno”, dijo una vez un hombre, y el Señor alabó su fe. “Ya no soy digno de ser llamado tu hijo”, dijo el hijo pródigo, y recibió el mejor vestido.
Así que, si se siente espiritualmente indigno, no deje que eso le aleje. La fe y el sentir de la indignidad son compañeros íntimos. La misma fe que le muestra su indignidad puede también abrazar la gracia de Dios. Venga, pues, tal como es, con su vergüenza y su culpa, y deje que el Señor tenga de usted misericordia y le muestre Su gracia. Eso es el evangelio mismo.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl