4 dagen geleden verschenen
Het gesprek van een gelovige met zijn ziel
Een uitleg van Psalm 42:12 als gesprek tussen David en zijn ziel: waarom de ziel terneergeslagen en onrustig is, waarom ze op God moet hopen en hoe die hoop uitloopt…
11 dagen geleden verschenen
Het woord van Gods genade
Een uitleg van Handelingen 20:32: Paulus beveelt de oudsten van Efeze aan God en aan het woord van Zijn genade. Alleen dat woord, door de Geest toegepast, bouwt de ziel…
2 weken geleden verschenen
Schatten in de duisternis
Uitleg van Jesaja 45:2,3 voor Gods kinderen: de Heere gaat voor hen uit, maakt kromme wegen recht, verbreekt koperen deuren en ijzeren grendels, geeft verborgen schatten en leert hen zo…
Verkrijgen en verliezen
Naar Prediker 3:6: een levende ziel verkrijgt geestelijke dingen, van kennis van God en van zichzelf tot geloof en vergeving, maar verliest ook haar eigen gerechtigheid en kracht. De preek…
Het schudden van wat gemaakt is en de vastheid van wat gegeven is
Over Hebreeën 12:27,28: wat gemaakt is, wordt geschud en weggenomen, wat God geeft blijft. Het Koninkrijk dat niet bewogen kan worden wordt door geloof ontvangen, door genade vastgehouden en draagt…
Korenaren Uit De Volle Oogst
Die in duisternis en de schaduw des doods zaten.
Psalm 107:10
Gods volk wordt hier niet voorgesteld als zittende in de dood; zaten zij daar, dan zouden zij geheel en al dood zijn, maar zij zitten in de schaduw des doods. Bemerk wel, de dood is voor hen geen dood meer; hij kan alleen een schaduw, een donkere schaduw over hun zielen werpen, maar ook slechts een schaduw. De levendmakende kracht van Gods Geest in hen heeft het wezen des doods geestelijk vernietigd, en de dood en de opstanding van de Heere Jezus hebben het wezen des doods natuurlijk vernietigd. Ofschoon het sombere monster, doodheid der ziel, en de spookachtige koning der verschrikking, de dood des lichaams, ontwapend en vernietigd zijn, toch werpen beide nu en dan een akelige, donkere schaduw over de zielen van hen die God vrezen.
Wordt uw ziel, arm kind van God, niet van tijd tot tijd door de inwendige dood bestreden? Doodheid in het gebed; doodheid bij het lezen des Woords; doodheid bij het horen der Waarheid; doodheid in het verlangen naar de Heere; doodheid in alles wat heilig, geestelijk, hemels en Goddelijk is? Hoe belemmert en verlamt hij iedere zucht van onze ziel tot God! Toch is hij slechts een schaduw. Schrijf geen bitterheid tegen uzelf, arm, verzocht, aangevochten kind van God, omdat gij van tijd tot tijd zulk een doodheid en koudheid in uw hart gevoelt. Hij zal u niet verderven; ja, het is het leven in uw ziel dat u die doodheid doet gevoelen; en hoe meer het leven Gods in uw geweten gevoeld wordt, des te pijnlijker wordt de doodheid in uw geweten gevoeld.
Verwacht gij dat uw vleselijk hart altijd levendig zal zijn in de dingen Gods? Wat is het anders dan een dode klomp, een grote massa goddeloosheid, die, gelijk zekere Behemoth, zijn brede zijden telkens in het hart omhoog heft? Toch wordt het volk van God dikwijls in hun harten verontrust door de sombere schaduwen welke deze dood over hun ziel werpt. Maar die onrust is een teken van leven. Zou ik haar kunnen voelen, indien ik dood was?
Het ergste verschijnsel van dood in de zonde is, dat hij niet gevoeld wordt. Maar terwijl wij hem voelen, terwijl wij erover zuchten, terwijl wij hem haten en onszelf wegens hem haten, ofschoon hij pijn en smart moge veroorzaken, hij kan niet vernietigen. Hij heeft zijn wezen verloren, ofschoon hij een sombere schaduw verspreidt.
Ps. 38:6
Aan de lezer…
Deze woorden over hen die in de schaduw des doods zaten, kunnen ook op u passen. Is uw gebed dor, uw lezen koud, en voelt u in uw hart weinig anders dan een dode klomp? Dan zal de vijand u misschien toefluisteren dat er bij u geen leven is. Maar luister niet naar hem, en schrijf geen bitterheid tegen uzelf. Het is juist het leven in uw ziel dat u die doodheid zo pijnlijk doet voelen.
Een dode ziel voelt haar dood niet; maar u zucht erover, u haat hem en u hebt er smart van. Dat is een teken van leven, door de Geest Gods in u gewerkt. De schaduw kan donker zijn, maar het is slechts een schaduw; het wezen des doods is door de dood en de opstanding van de Heere Jezus vernietigd. Die doodheid zal u niet verderven. Houd dan moed, arm, aangevochten kind van God, en zie op Hem Die de dood heeft overwonnen.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Die in duisternis en de schaduw des doods zaten.
Psalm 107:10
Gods volk wordt hier niet voorgesteld als zittend in de dood. Zaten zij daar, dan zouden zij helemaal dood zijn; maar zij zitten in de schaduw des doods. Let wel: de dood is voor hen geen dood meer. Hij kan alleen een schaduw, een donkere schaduw over hun zielen werpen, maar ook niet meer dan een schaduw. De levendmakende kracht van Gods Geest in hen heeft het wezen van de dood geestelijk vernietigd, en de dood en de opstanding van de Heere Jezus hebben het wezen van de dood natuurlijk vernietigd. Het sombere monster, de doodheid van de ziel, en de spookachtige koning der verschrikkingen, de dood van het lichaam, zijn ontwapend en vernietigd. Toch werpen beide nu en dan een akelige, donkere schaduw over de zielen van hen die God vrezen.
Wordt uw ziel, arm kind van God, niet van tijd tot tijd door de inwendige dood bestreden? Doodheid in het gebed, doodheid bij het lezen van het Woord, doodheid bij het horen van de Waarheid, doodheid in het verlangen naar de Heere, doodheid in alles wat heilig, geestelijk, hemels en Goddelijk is? Hoe belemmert en verlamt hij iedere zucht van onze ziel naar God! Toch is hij maar een schaduw. Schrijf geen bitterheid tegen uzelf, arm, verzocht, aangevochten kind van God, omdat u van tijd tot tijd zo’n doodheid en koudheid in uw hart voelt. Hij zal u niet verderven. Ja, het is juist het leven in uw ziel dat u die doodheid doet voelen. En hoe meer het leven van God in uw geweten gevoeld wordt, hoe pijnlijker de doodheid in uw geweten gevoeld wordt.
Verwacht u dat uw vleselijk hart altijd levendig zal zijn in de dingen van God? Wat is het anders dan een dode klomp, een grote massa goddeloosheid, die als een soort Behemoth telkens zijn brede flanken in het hart omhoog heft? Toch wordt het volk van God vaak in hun hart verontrust door de sombere schaduwen die deze dood over hun ziel werpt. Maar die onrust is een teken van leven. Zou ik haar kunnen voelen als ik dood was?
Het ergste kenmerk van de dood in de zonde is dat hij niet gevoeld wordt. Maar zolang wij hem voelen, erover zuchten, hem haten en onszelf om hem haten, kan hij, al veroorzaakt hij pijn en smart, niet vernietigen. Hij heeft zijn wezen verloren, ook al verspreidt hij een sombere schaduw.
Ps. 38:6
Aan de lezer…
Deze woorden over hen die in de schaduw des doods zaten, kunnen ook op u passen. Is uw gebed dor, uw lezen koud, en voelt u in uw hart weinig anders dan een dode klomp? Dan zal de vijand u misschien influisteren dat er bij u geen leven is. Maar luister niet naar hem, en schrijf geen bitterheid tegen uzelf. Het is juist het leven in uw ziel dat u die doodheid zo pijnlijk doet voelen.
Een dode ziel voelt haar dood niet; maar u zucht erover, u haat hem en u hebt er smart over. Dat is een teken van leven, door de Geest van God in u gewerkt. De schaduw kan donker zijn, maar het is slechts een schaduw; het wezen van de dood is door de dood en de opstanding van de Heere Jezus vernietigd. Die doodheid zal u niet verderven. Houd dan moed, arm, aangevochten kind van God, en zie op Hem Die de dood heeft overwonnen.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Such as sit in darkness and in the shadow of death.
Psalm 107:10
God’s people are here represented not as sitting in death; were they sitting there, they would be dead altogether; but they are sitting in the shadow of death. Observe, death has lost its reality to them; it now can only cast a shadow, often a gloomy shadow, over their souls; but there is no substance in it. The quickening of the Spirit of God in them has destroyed the substance of death spiritually; and the death and resurrection of Jesus have destroyed the substance of death physically.
Yet, though the gloomy monster—deadness of soul; and that ghastly king of terrors—the death of the body; have been disarmed and destroyed by “Immanuel, God with us;” yet each of them casts at times a gloomy, darkling shadow over the souls of those who fear God. Is not your soul, poor child of God, exercised from time to time with this inward death? Deadness in prayer, deadness in reading the word, deadness in hearing the truth, deadness in desires after the Lord, deadness to everything holy, spiritual, heavenly, and divine? How it benumbs and paralyzes every breathing of our soul Godwards! Yet it is but a shadow.
Write not bitter things against yourself, poor, tempted, exercised child of God, because you feel such deathliness and coldness from time to time in your heart. It will not destroy you; no, it is life in your soul that makes it felt; and the more the life of God has been felt in your conscience, the more painfully the deathliness of your carnal mind is experienced.
Do you expect that your ‘carnal mind’ will ever be lively in the things of God? What is it but a lump of death, a huge mass of ungodliness, which, like some Behemoth, upheaves its broad flanks continually in the heart? Yet the people of God are very often troubled in their minds by the gloomy shadow that this death casts over their souls. But this trouble is a mark of life. If I were dead, could I feel it? The worst symptom of those dead in sin is, that they do not feel it. But, while we feel it, while we sigh on account of it, while we hate it, and hate ourselves on account of it, though it may pain and grieve, it never can destroy. It has lost its substance, though it casts its gloomy shadow.
To the reader…
These words about those who sit in the shadow of death may well fit you too. Is your prayer dry, your reading cold, and do you feel little in your heart but a lump of deadness? Then perhaps the enemy will whisper that there is no life in you. But do not listen to him, and write no bitter things against yourself. It is the very life in your soul that makes you feel this deadness so painfully.
A dead soul does not feel its death; but you sigh over it, you hate it, and you grieve over it. That is a mark of life, wrought in you by the Spirit of God. The shadow may be dark, but it is only a shadow; the substance of death has been destroyed by the death and resurrection of the Lord Jesus. This deadness will not destroy you. Take courage, then, poor tempted child of God, and look to Him Who has overcome death.
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
Los que moraban en tinieblas y sombra de muerte.
Salmo 107:10
Aquí no se representa al pueblo de Dios como morando en la muerte; si moraran allí, estarían enteramente muertos; sino que moran en la sombra de muerte. Observe que la muerte ha perdido para ellos su realidad; ahora solo puede proyectar una sombra, a menudo una sombra lúgubre, sobre sus almas; pero no hay sustancia en ella. La vivificación del Espíritu de Dios en ellos ha destruido espiritualmente la sustancia de la muerte; y la muerte y resurrección de Jesús han destruido físicamente la sustancia de la muerte.
Sin embargo, aunque el monstruo lúgubre, la muerte del alma, y aquel espantoso rey de los espantos, la muerte del cuerpo, han sido desarmados y destruidos por “Emmanuel, Dios con nosotros”, aun así cada uno de ellos proyecta a veces una sombra lúgubre y oscura sobre las almas de los que temen a Dios. ¿No es ejercitada su alma, pobre hijo de Dios, de tiempo en tiempo con esta muerte interior? ¿Muerte en la oración, muerte al leer la palabra, muerte al oír la verdad, muerte en los deseos hacia el Señor, muerte para todo lo santo, espiritual, celestial y divino? ¡Cómo entumece y paraliza todo aliento de nuestra alma hacia Dios! Y sin embargo, no es más que una sombra.
No escriba amarguras contra sí mismo, pobre hijo de Dios tentado y ejercitado, porque siente de tiempo en tiempo tal mortandad y frialdad en su corazón. No le destruirá; no, es la vida en su alma la que hace que se sienta; y cuanto más se ha sentido la vida de Dios en su conciencia, tanto más dolorosamente se experimenta la mortandad de su mente carnal.
¿Espera usted que su ‘mente carnal’ llegue jamás a estar viva en las cosas de Dios? ¿Qué es sino un bulto de muerte, una enorme masa de impiedad que, como algún Behemot, levanta continuamente sus anchos costados en el corazón? Sin embargo, el pueblo de Dios se ve muy a menudo turbado en su mente por la lúgubre sombra que esta muerte proyecta sobre sus almas. Pero esta turbación es una marca de vida. Si yo estuviera muerto, ¿podría sentirla? El peor síntoma de los muertos en el pecado es que no lo sienten. Pero mientras la sentimos, mientras suspiramos a causa de ella, mientras la aborrecemos y nos aborrecemos a nosotros mismos a causa de ella, aunque pueda doler y entristecer, nunca puede destruir. Ha perdido su sustancia, aunque proyecte su lúgubre sombra.
Al lector…
Estas palabras acerca de los que moran en sombra de muerte bien pueden aplicarse también a usted. ¿Es seca su oración, fría su lectura, y siente en su corazón poco más que un bulto de muerte? Entonces quizá el enemigo le susurre que no hay vida en usted. Pero no le escuche, y no escriba amarguras contra sí mismo. Es precisamente la vida en su alma la que le hace sentir tan dolorosamente esta mortandad.
Un alma muerta no siente su muerte; pero usted suspira por ella, la aborrece y se aflige por ella. Esa es una marca de vida, obrada en usted por el Espíritu de Dios. La sombra puede ser oscura, pero no es más que una sombra; la sustancia de la muerte ha sido destruida por la muerte y resurrección del Señor Jesús. Esta mortandad no le destruirá. Cobre ánimo, pues, pobre hijo de Dios tentado, y mire a Aquel que ha vencido a la muerte.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl
365 Dagen Met Philpot
Paulus’ afscheidswens
En nu, broeders, ik beveel u Gode, en het Woord Zijner genade, Die machtig is u op te bouwen, en u een erfdeel te geven onder al de geheiligden.
Handelingen 20:32
Het woord van Gods genade is machtig Gods kinderen op te bouwen. Hebt u verzoekingen ondervonden en bent u eruit bevrijd? Het was „het woord van Gods genade” dat u heeft opgebouwd. Hebt u ernstige beproevingen doorstaan, en heeft de Heere u erin gezegend en u eruit weggevoerd? Het was „het woord van Gods genade” dat u heeft opgebouwd. Hebt u verstrengeld gezeten in een dwaling, en heeft de Heere u uit die dwaling getrokken door een gedeelte van Zijn waarheid aan uw ziel toe te passen? Het was „het woord van Gods genade” dat u heeft opgebouwd. Bent u verstrengeld geweest in de begeerte van het vlees, terneergeslagen door een strik van de duivel, en heeft de Heere u eruit bevrijd? Het was „het woord van Gods genade” dat u heeft opgebouwd.
We worden niet opgebouwd door vleselijke heiligheid, door stoffelijke vroomheid, door lange en luide gebeden, door de daden en plichten van het vlees; nee, zelfs niet door krachtige leerstellingen die in ons hoofd ronddolen; maar door „het woord van Gods genade” dat met goddelijke kracht aan het hart toegepast wordt. Maar juist dat „woord van genade” is doorgaans alleen geschikt gemaakt voor onze ziel als we in die omstandigheden terechtkomen waarbij het aansluit. Is genade geen vrije gunst, en is „het woord van Gods genade” niet het instrument waarmee deze vrije gunst wordt geopenbaard? Kan ik dus de hoogten, de diepten, de rijke voorraden, de vrijheid, de heerschappij, de enorme kracht van de genade leren, behalve dan in die omstandigheden waarvoor zij geschikt is?
Moet ik me geen schuldige zondaar voelen voordat de genade zoet kan zijn? Moet ik de overvloed aan innerlijke zonde niet kennen voordat de grote overvloed van Gods genade dierbaar kan zijn? Moet ik niet iets weten van die fontein van het kwaad die ik in me draag, en mijn borst laten blootleggen met haar verborgen gruwelen, voordat ik de genade kan kennen die bedekt, vergeeft en heelt? En deze genade kan ik alleen kennen door „het woord van Gods genade”; met andere woorden, door de zoete openbaring, zalvende toepassing en goddelijke openbaring van het evangelie van Gods genade.
Lezen: Psalm 119:33-48
Aan de lezer…
U die zich een schuldige zondaar voelt, en in uw eigen hart een fontein van kwaad ziet die u liever niet zou kennen, denk niet dat de Heere u daarom heeft verlaten. Het is juist in zulke omstandigheden dat het woord van Zijn genade past en zoet wordt. Wie zijn zonde niet kent, weet niet wat het is dat genade bedekt, vergeeft en heelt.
Zie dan terug op de weg die u gegaan bent. Werd u uit een verzoeking bevrijd, uit een dwaling getrokken, of in een zware beproeving gezegend? Dan was het niet uw eigen vroomheid of uw luide gebeden, maar het woord van Gods genade dat u heeft opgebouwd. En wat Hij gedaan heeft, kan Hij weer doen. Zoek uw kracht niet in de daden van het vlees, maar wacht op dat woord, met goddelijke kracht aan uw hart toegepast.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
En nu, broeders, ik beveel u Gode, en het Woord Zijner genade, Die machtig is u op te bouwen, en u een erfdeel te geven onder al de geheiligden.
Handelingen 20:32
Het woord van Gods genade is machtig Gods kinderen op te bouwen. Hebt u verzoekingen gekend en bent u daaruit verlost? Het was „het woord van Gods genade” dat u heeft opgebouwd. Hebt u zware beproevingen doorstaan, en heeft de Heere u daarin gezegend en u eruit geleid? Het was „het woord van Gods genade” dat u heeft opgebouwd. Zat u verstrikt in een dwaling, en heeft de Heere u daaruit getrokken door een deel van Zijn waarheid aan uw ziel toe te passen? Het was „het woord van Gods genade” dat u heeft opgebouwd. Was u verstrikt in de begeerte van het vlees, neergeslagen door een strik van de duivel, en heeft de Heere u daaruit verlost? Het was „het woord van Gods genade” dat u heeft opgebouwd.
We worden niet opgebouwd door vleselijke heiligheid, door uiterlijke vroomheid, door lange en luide gebeden, of door de daden en plichten van het vlees. Nee, zelfs niet door krachtige leerstellingen die in ons hoofd rondzweven, maar door „het woord van Gods genade” dat met goddelijke kracht aan het hart wordt toegepast. Maar juist dat „woord van genade” wordt doorgaans pas geschikt voor onze ziel als we in de omstandigheden terechtkomen waarbij het past. Is genade geen vrije gunst, en is „het woord van Gods genade” niet het middel waardoor die vrije gunst wordt geopenbaard? Hoe kan ik dan de hoogten, de diepten, de rijke voorraden, de vrijheid, de heerschappij en de enorme kracht van de genade leren kennen, anders dan in de omstandigheden waarvoor zij geschikt is?
Moet ik mij niet eerst een schuldige zondaar voelen voordat de genade zoet kan zijn? Moet ik de overvloed van de innerlijke zonde niet kennen voordat de grote overvloed van Gods genade dierbaar kan zijn? Moet ik niet iets weten van die fontein van kwaad die ik in mij draag, en mijn binnenste met zijn verborgen gruwelen laten blootleggen, voordat ik de genade kan kennen die bedekt, vergeeft en geneest? En deze genade kan ik alleen kennen door „het woord van Gods genade”, met andere woorden door de zoete openbaring, de zalvende toepassing en de goddelijke ontdekking van het evangelie van Gods genade.
Lezen: Psalm 119:33-48
Aan de lezer…
U die zich een schuldige zondaar voelt, en in uw eigen hart een fontein van kwaad ziet die u liever niet zou kennen: denk niet dat de Heere u daarom heeft verlaten. Juist in zulke omstandigheden past het woord van Zijn genade en wordt het zoet. Wie zijn zonde niet kent, weet niet wat het is dat genade bedekt, vergeeft en geneest.
Kijk dan terug op de weg die u gegaan bent. Werd u uit een verzoeking verlost, uit een dwaling getrokken, of in een zware beproeving gezegend? Dan was het niet uw eigen vroomheid of uw luide gebeden, maar het woord van Gods genade dat u heeft opgebouwd. En wat Hij gedaan heeft, kan Hij opnieuw doen. Zoek uw kracht niet in de daden van het vlees, maar wacht op dat woord, met goddelijke kracht aan uw hart toegepast.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
And now, brethren, I commend you to God, and to the word of His grace, which is able to build you up, and to give you an inheritance among all them which are sanctified.
Acts 20:32
The word of God’s grace is able to build up God’s children. Have you known temptations and been delivered out of them? It was “the word of God’s grace” that built you up. Have you passed through heavy trials, and has the Lord blessed you in them and brought you out of them? It was “the word of God’s grace” that built you up. Were you entangled in some error, and has the Lord drawn you out of it by applying a portion of His truth to your soul? It was “the word of God’s grace” that built you up. Were you entangled in the lust of the flesh, cast down by a snare of the devil, and has the Lord delivered you out of it? It was “the word of God’s grace” that built you up.
We are not built up by fleshly holiness, by outward piety, by long and loud prayers, or by the doings and duties of the flesh. No, not even by powerful doctrines floating about in our heads, but by “the word of God’s grace” applied with divine power to the heart. But that very “word of grace” usually becomes suitable to our soul only when we come into the circumstances to which it is fitted. Is not grace free favour, and is not “the word of God’s grace” the means by which that free favour is revealed? How then can I learn the heights, the depths, the rich supplies, the freeness, the sovereignty and the mighty power of grace, except in the circumstances for which it is suited?
Must I not first feel myself a guilty sinner before grace can be sweet? Must I not know the abounding of inward sin before the superabounding of God’s grace can be precious? Must I not know something of that fountain of evil that I carry within me, and have my inmost being laid bare with its hidden abominations, before I can know the grace that covers, pardons and heals? And this grace I can know only by “the word of God’s grace,” in other words, by the sweet revelation, the unctuous application and the divine discovery of the Gospel of the grace of God.
Reading: Psalm 119:33-48
To the reader…
You who feel yourself a guilty sinner, and see in your own heart a fountain of evil that you would rather not know: do not think that the Lord has forsaken you because of it. It is just in such circumstances that the word of His grace fits and becomes sweet. Whoever does not know his sin does not know what it is that grace covers, pardons and heals.
Look back, then, on the way you have come. Were you delivered from a temptation, drawn out of an error, or blessed in a heavy trial? Then it was not your own piety or your loud prayers, but the word of God’s grace that built you up. And what He has done, He can do again. Do not seek your strength in the doings of the flesh, but wait for that word, applied with divine power to your heart.
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
Y ahora, hermanos, os encomiendo a Dios, y a la palabra de Su gracia: el cual es poderoso para sobreedificar, y daros heredad con todos los santificados.
Hechos 20:32
La palabra de la gracia de Dios es poderosa para edificar a los hijos de Dios. ¿Ha conocido usted tentaciones y ha sido librado de ellas? Fue “la palabra de la gracia de Dios” la que le edificó. ¿Ha pasado por pruebas pesadas, y le ha bendecido el Señor en ellas y le ha sacado de ellas? Fue “la palabra de la gracia de Dios” la que le edificó. ¿Estaba enredado en algún error, y le ha sacado el Señor de él aplicando a su alma una porción de Su verdad? Fue “la palabra de la gracia de Dios” la que le edificó. ¿Estaba enredado en la concupiscencia de la carne, derribado por un lazo del diablo, y le ha librado el Señor de ello? Fue “la palabra de la gracia de Dios” la que le edificó.
No somos edificados por una santidad carnal, por una piedad exterior, por oraciones largas y ruidosas, ni por los hechos y deberes de la carne. No, ni siquiera por doctrinas poderosas que flotan en nuestra cabeza, sino por “la palabra de la gracia de Dios” aplicada con poder divino al corazón. Pero esa misma “palabra de gracia” por lo general solo llega a ser adecuada para nuestra alma cuando entramos en las circunstancias a las que se ajusta. ¿No es la gracia favor gratuito, y no es “la palabra de la gracia de Dios” el medio por el cual ese favor gratuito es revelado? ¿Cómo puedo, pues, aprender las alturas, las profundidades, las ricas provisiones, la gratuidad, la soberanía y el gran poder de la gracia, sino en las circunstancias para las que es adecuada?
¿No tengo que sentirme primero un pecador culpable antes de que la gracia pueda ser dulce? ¿No tengo que conocer la abundancia del pecado interior antes de que la sobreabundancia de la gracia de Dios pueda ser preciosa? ¿No tengo que conocer algo de esa fuente de mal que llevo dentro de mí, y tener mi ser más íntimo puesto al descubierto con sus abominaciones ocultas, antes de poder conocer la gracia que cubre, perdona y sana? Y esta gracia solo puedo conocerla por “la palabra de la gracia de Dios”, en otras palabras, por la dulce revelación, la aplicación llena de unción y el descubrimiento divino del Evangelio de la gracia de Dios.
Lectura: Salmo 119:33-48
Al lector…
Usted que se siente un pecador culpable, y ve en su propio corazón una fuente de mal que preferiría no conocer: no piense que el Señor le ha abandonado por eso. Es justamente en tales circunstancias donde la palabra de Su gracia se ajusta y se vuelve dulce. Quien no conoce su pecado no sabe qué es lo que la gracia cubre, perdona y sana.
Mire, pues, hacia atrás el camino que ha recorrido. ¿Fue librado de una tentación, sacado de un error, o bendecido en una prueba pesada? Entonces no fue su propia piedad ni sus oraciones ruidosas, sino la palabra de la gracia de Dios la que le edificó. Y lo que Él ha hecho, puede hacerlo de nuevo. No busque su fuerza en los hechos de la carne, sino espere esa palabra, aplicada con poder divino a su corazón.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl
Door Baca's Vallei
Gezegend zij de God en Vader onzes Heeren Jezus Christus, Die ons gezegend heeft met alle geestelijke zegeningen in de hemel in Christus.
Efeze 1:3
Indien gij gezegend zijt met alle geestelijke zegeningen, het is alleen „in Christus” dat gij zo gezegend zijt. Indien gij zijt uitverkoren van vóór de grondlegging der wereld, het was alleen in Christus dat gij verkoren zijt. Hij is ons Verbondshoofd. Hetgeen wij zijn, dat zijn wij in Hem. Er is niets in ons, geen vastigheid. Alles is wankel hier beneden, alles ten opzichte van de mens is onzeker. Bij God is zekerheid, en de vastigheid van Gods oogmerken is onze hoogste en enige ondersteuning.
Dus de leerstelling der uitverkiezing, met het hart aangenomen, verspreidt een heilige zegen over de gehele waarheid van God, want zij geeft daaraan vastigheid. Het is geen droge leerstelling die men van hand tot hand werpt, gelijk een tennisbal; het is geen geloofsartikel dat in kerkartikelen is opgenomen, of een theorie die door godgeleerden naar voren is gebracht. Ook is het niet een bloot onsamenhangend, onzeker denkbeeld, verzameld uit enige duistere en twijfelachtige gedeelten van het Woord van God. Het is geen meteoor, geen schijnsel van een luchtverheveling dat zich beweegt over moerassen en poelen. Het is een vast licht, door de hand Gods in de Schrift geplaatst, gelijk Hij van ouds de lichten in het firmament plaatste om de aarde te verlichten.
Het werpt derhalve zijn stralen over de gehele waarheid van God. Want het is „in Christus” dat Zijn volk is uitverkoren, en daar de uitverkiezing in Christus is, wordt zij beschenen door al de stralen van de Zon der gerechtigheid in bijna iedere Evangeliewaarheid. Er is geen enkele Evangeliewaarheid en geen enkele geestelijke zegen, of de dierbaarheid daarvan is afgeleid uit het verband met de Persoon en het werk van God; en wat bovenal waarheid is, is dat de zaligheid der uitverkiezing vloeit uit het feit dat zij in Christus is.
Maar, zullen enigen zeggen, deze dingen zijn hard om te geloven. Zij zijn zeer hard om te geloven, want ons ongelovig hart vindt het moeilijk iets te geloven dat ons ten goede komt. Wij kunnen de leugens van de duivel met ijver aannemen, wij kunnen een open, gewillig oor lenen aan alles wat ons boze hart ons ingeeft. Maar om de waarheid Gods te geloven en de hand te leggen op haar schoonheid en voortreffelijkheid, haar levendmakende kracht te ondervinden en te leven onder haar opwekkende, versterkende invloed, is een andere zaak. Doch waar blijft het leven van onze godsdienst als deze zaken eruit worden weggenomen?
Neem, zo gij kunt — God zij geloofd, het is boven het bereik van des mensen hand — neem maar weg het kostelijke feit dat God de kerk gezegend heeft met alle geestelijke zegeningen in de hemel in Christus Jezus; waar zou er plaats zijn voor enige zegen om met onze ziel daarop te rusten? Wel, elke zoete belofte die in uw gemoed komt, elke verheffing van Gods vriendelijk aangezicht in tijden van duisternis en wederwaardigheid, elke vrijheid in het gebed, elk opzien tot en ontvangen uit de volheid van Christus, al deze dingen gronden zich op dit doorluchtig feit, namelijk de zegening waarmede God ons gezegend heeft in Christus Jezus. Zodat alles wat wij moeten betrachten, en wij hebben veel te doen, God alleen ons kan bekwamen tot het doen, dat is tot het aannemen van hetgeen God behaagd heeft zo barmhartiglijk te geven. En Hij heeft ons met alle geestelijke zegeningen gezegend in de hemel in Christus Jezus, om de kracht daarvan te ondervinden, de zoetheid te genieten en om voor onszelf, door de verzegeling des Geestes, te weten dat Hij ons gezegend heeft, ja ons, en dat met het leven tot in alle eeuwigheid.
Aan de lezer…
Wanneer u het hard vindt om te geloven dat God u wil zegenen, kijk dan eerlijk naar uw eigen hart. Uw hart neemt de leugens van de vijand zo gretig aan, en houdt de waarheid Gods zo krampachtig op afstand. U bent daarin niet alleen; ons ongelovig hart vindt het altijd moeilijk iets te geloven dat ons ten goede komt. Maar zie dan niet op de wankelheid in uzelf, want hier beneden is alles onzeker. Bij God is zekerheid.
Alles wat een arme ziel aan zegen ontvangt, ligt „in Christus”. Daar is het vaste licht dat niet wegtrekt als een dwaallicht over de moerassen. Elke zoete belofte die in uw gemoed kwam, elke vrijheid in het gebed, elk opzien tot Zijn volheid, rust op die ene grond. Bid dan om de verzegeling des Geestes, opdat u voor uzelf mag weten dat Hij ook u gezegend heeft, ja u, en dat tot in alle eeuwigheid.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Gezegend zij de God en Vader onzes Heeren Jezus Christus, Die ons gezegend heeft met alle geestelijke zegeningen in de hemel in Christus.
Efeze 1:3
Als u gezegend bent met alle geestelijke zegeningen, dan bent u alleen „in Christus” zo gezegend. Als u uitverkoren bent van vóór de grondlegging van de wereld, dan bent u alleen in Christus verkoren. Hij is ons Verbondshoofd. Wat wij zijn, dat zijn wij in Hem. Er is niets in ons, geen vastigheid. Alles is wankel hier beneden; alles wat de mens betreft is onzeker. Bij God is zekerheid, en de vastheid van Gods voornemens is onze hoogste en enige steun.
Daarom verspreidt de leer van de uitverkiezing, als zij met het hart wordt aangenomen, een heilige zegen over heel de waarheid van God, want zij geeft daaraan vastheid. Het is geen droge leerstelling die men van hand tot hand gooit, zoals een tennisbal. Het is geen geloofspunt dat alleen in kerkelijke artikelen is opgenomen, of een theorie die door godgeleerden naar voren is gebracht. Het is ook niet zomaar een losse, onzekere gedachte, bijeengeraapt uit enkele duistere en twijfelachtige gedeelten van het Woord van God. Het is geen meteoor, geen dwaallicht dat zweeft boven moerassen en poelen. Het is een vast licht, door de hand van God in de Schrift geplaatst, zoals Hij vanouds de lichten aan het firmament plaatste om de aarde te verlichten.
Daarom werpt het zijn stralen over heel de waarheid van God. Want Zijn volk is „in Christus” uitverkoren, en omdat de uitverkiezing in Christus is, wordt zij in bijna iedere evangeliewaarheid beschenen door alle stralen van de Zon der gerechtigheid. Er is geen enkele evangeliewaarheid en geen enkele geestelijke zegen waarvan de dierbaarheid niet voortkomt uit het verband met de Persoon en het werk van God. En wat bovenal waar is: de zaligheid van de uitverkiezing vloeit voort uit het feit dat zij in Christus is.
Maar, zullen sommigen zeggen, deze dingen zijn moeilijk te geloven. Ze zijn inderdaad heel moeilijk te geloven, want ons ongelovig hart vindt het moeilijk iets te geloven wat ons ten goede komt. Wij kunnen de leugens van de duivel gretig aannemen; wij kunnen een open, gewillig oor lenen aan alles wat ons boze hart ons ingeeft. Maar de waarheid van God geloven en haar schoonheid en voortreffelijkheid aangrijpen, haar levendmakende kracht ervaren en leven onder haar opwekkende, versterkende invloed, is iets anders. Maar waar blijft het leven van onze godsdienst als deze dingen eruit worden weggenomen?
Neem, als u kunt — God zij geloofd, het ligt buiten het bereik van de hand van een mens — neem maar het kostbare feit weg dat God de kerk gezegend heeft met alle geestelijke zegeningen in de hemel in Christus Jezus. Waar zou er dan nog plaats zijn voor enige zegen waarop onze ziel kan rusten? Elke zoete belofte die in uw gemoed komt, elke keer dat God Zijn vriendelijk aangezicht doet lichten in tijden van duisternis en tegenspoed, elke vrijheid in het gebed, elk opzien tot en ontvangen uit de volheid van Christus: al deze dingen rusten op dit luisterrijke feit, namelijk de zegen waarmee God ons gezegend heeft in Christus Jezus.
Zo kan alleen God ons bekwaam maken voor alles wat wij moeten betrachten — en wij hebben veel te doen —, dat wil zeggen: om aan te nemen wat het God behaagd heeft zo barmhartig te geven. En Hij heeft ons met alle geestelijke zegeningen gezegend in de hemel in Christus Jezus, opdat wij de kracht daarvan ervaren, de zoetheid ervan genieten en voor onszelf, door de verzegeling van de Geest, weten dat Hij ons gezegend heeft, ja ons, en dat met het leven tot in alle eeuwigheid.
Aan de lezer…
Wanneer u het moeilijk vindt om te geloven dat God u wil zegenen, kijk dan eerlijk naar uw eigen hart. Uw hart neemt de leugens van de vijand zo gretig aan, en houdt de waarheid van God zo krampachtig op afstand. U bent daarin niet alleen; ons ongelovig hart vindt het altijd moeilijk iets te geloven wat ons ten goede komt. Maar zie dan niet op de wankelheid in uzelf, want hier beneden is alles onzeker. Bij God is zekerheid.
Alles wat een arme ziel aan zegen ontvangt, ligt „in Christus”. Daar is het vaste licht dat niet wegtrekt als een dwaallicht boven de moerassen. Elke zoete belofte die in uw gemoed kwam, elke vrijheid in het gebed, elk opzien tot Zijn volheid, rust op die ene grond. Bid dan om de verzegeling van de Geest, zodat u voor uzelf mag weten dat Hij ook u gezegend heeft, ja u, en dat tot in alle eeuwigheid.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Blessed be the God and Father of our Lord Jesus Christ, Who hath blessed us with all spiritual blessings in heavenly places in Christ.
Ephesians 1:3
If you are blessed with all spiritual blessings, it is only “in Christ” you are so blessed. If you were chosen before the foundation of the world, it was only “in Christ” that you were chosen. He is our covenant Head. What we are we are only in Him. There is nothing in SELF; no fixedness there. All is fluctuating here below; all is uncertain as regards man. Certainty is with God; and the fixedness of God’s purposes is our grand, our only support.
Thus the doctrine of election received into the heart diffuses a sacred blessedness over the whole truth of God, for it gives stability to it. It is not a dry doctrine which men may toss about from hand to hand like a tennis ball; it is not an article of a creed written down in church articles, or a theory to be argued by divines. Nor is it a mere loose, floating idea gathered from a few dim and doubtful passages of God’s Word. It is no meteor light dancing over morasses and swamps. It is a steady light set by the hand of God in the Scriptures, as He set of old lights in the skies of the heavens to give light upon the earth. It therefore diffuses its rays over the whole of God’s truth.
For it is “in Christ” His people were chosen, and therefore election being in Christ, it is reflected with all the beams of the Sun of righteousness upon every gospel truth. There is not a single gospel truth, or a single spiritual blessing, which does not derive its blessedness from its connection with the Person and work of the Son of God; and what is true of all, is true of this, that the blessedness of election is because it is “in Christ.”
But some may say, “These things are hard to believe.” They are very hard to believe, for our unbelieving heart finds it very hard to believe anything that is for our good. We can believe Satan’s lies with great readiness; we can give an open, willing ear to anything which our evil heart suggests. But to believe God’s truths so as to enter into their beauty and blessedness, to feel their quickening power, and live under their cheering, invigorating influence, this is another matter.
But where is the life of our religion when these things are taken away from it? Take, if you could take—God be praised it is beyond the reach of human hand!—but take away that solemn fact, that God has blessed the Church with all spiritual blessings in heavenly places in Christ Jesus, where would there be room for any blessing to rest upon our soul? Why, any sweet promise that comes rolling into your breast, any lifting up of the light of God’s countenance in seasons of darkness and adversity, any liberty in prayer, any looking up and receiving out of Christ’s fullness; all hang upon this grand point, the blessings with which God has already blessed us in Christ Jesus. So that all we have to do—and it is a great thing to do—God alone can enable us to do it—is to receive what God has been pleased so mercifully to give; and as He has blessed us with all spiritual blessings in heavenly places in Christ Jesus, to feel their power, to enjoy their sweetness, and to know for ourselves by the sealing of the Spirit that He has blessed us, even us, and that with life for evermore.
To the reader…
When you find it hard to believe that God will bless you, look honestly at your own heart. It so eagerly takes in the enemy’s lies, and keeps the truth of God so stubbornly at a distance. You are not alone in this; our unbelieving heart always finds it hard to believe anything that is for our good. But do not look at the unsteadiness in yourself, for all is uncertain here below. Certainty is with God.
Every blessing a poor soul receives lies “in Christ.” There is the steady light that does not drift away like a will-o’-the-wisp over the marshes. Every sweet promise that came into your heart, every liberty in prayer, every looking up to His fullness, rests on that one foundation. Pray, then, for the sealing of the Spirit, so that you may know for yourself that He has blessed you too, yes, even you, and that for evermore.
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
Bendito el Dios y Padre del Señor nuestro Jesucristo, el cual nos bendijo con toda bendición espiritual en lugares celestiales en Cristo.
Efesios 1:3
Si usted es bendecido con toda bendición espiritual, es solo “en Cristo” que lo es. Si fue escogido antes de la fundación del mundo, fue solo “en Cristo” que fue escogido. Él es nuestra Cabeza del pacto. Lo que somos, lo somos solo en Él. No hay nada en el YO; no hay firmeza allí. Todo es fluctuante aquí abajo; todo es incierto en lo que toca al hombre. La certeza está en Dios; y la firmeza de los propósitos de Dios es nuestro gran, nuestro único sostén.
Así, la doctrina de la elección, recibida en el corazón, difunde una sagrada bienaventuranza sobre toda la verdad de Dios, porque le da estabilidad. No es una doctrina seca que los hombres puedan lanzarse de mano en mano como una pelota de tenis; no es un artículo de un credo escrito en los artículos de una iglesia, ni una teoría para que la discutan los teólogos. Ni es una idea suelta y flotante sacada de unos pocos pasajes oscuros y dudosos de la Palabra de Dios. No es un fuego fatuo que danza sobre ciénagas y pantanos. Es una luz firme puesta por la mano de Dios en las Escrituras, así como antiguamente puso lumbreras en la expansión de los cielos para alumbrar sobre la tierra. Por eso difunde sus rayos sobre toda la verdad de Dios.
Porque fue “en Cristo” que Su pueblo fue escogido, y por tanto, estando la elección en Cristo, se refleja con todos los rayos del Sol de justicia sobre cada verdad del evangelio. No hay una sola verdad del evangelio, ni una sola bendición espiritual, que no derive su bienaventuranza de su relación con la Persona y la obra del Hijo de Dios; y lo que es verdad de todas, es verdad de esta: que la bienaventuranza de la elección se debe a que es “en Cristo”.
Pero algunos dirán: “Estas cosas son difíciles de creer”. Son muy difíciles de creer, porque a nuestro corazón incrédulo le resulta muy difícil creer cualquier cosa que sea para nuestro bien. Podemos creer las mentiras de Satanás con gran prontitud; podemos prestar oído abierto y dispuesto a cualquier cosa que nos sugiera nuestro mal corazón. Pero creer las verdades de Dios de modo que entremos en su belleza y bienaventuranza, sintamos su poder vivificante y vivamos bajo su influencia alentadora y vigorizante, esto es otra cosa.
Pero ¿dónde está la vida de nuestra religión cuando se le quitan estas cosas? Quite usted, si pudiera quitarlo —¡alabado sea Dios, está fuera del alcance de la mano humana!—, pero quite aquel hecho solemne de que Dios ha bendecido a la Iglesia con toda bendición espiritual en lugares celestiales en Cristo Jesús, ¿dónde habría lugar para que alguna bendición reposara sobre nuestra alma? Pues toda dulce promesa que entra rodando en su pecho, todo alzamiento de la luz del rostro de Dios en tiempos de tinieblas y adversidad, toda libertad en la oración, todo mirar hacia arriba y recibir de la plenitud de Cristo, todo depende de este gran punto: las bendiciones con que Dios ya nos ha bendecido en Cristo Jesús. De modo que todo lo que tenemos que hacer —y es gran cosa hacerlo; solo Dios puede capacitarnos para ello— es recibir lo que a Dios le ha placido dar tan misericordiosamente; y, ya que nos ha bendecido con toda bendición espiritual en lugares celestiales en Cristo Jesús, sentir su poder, gozar de su dulzura y saber por nosotros mismos, mediante el sello del Espíritu, que Él nos ha bendecido, sí, a nosotros, y eso con vida para siempre.
Al lector…
Cuando le cuesta creer que Dios quiera bendecirle, mire con sinceridad su propio corazón. Con qué avidez acoge las mentiras del enemigo, y con qué obstinación mantiene a distancia la verdad de Dios. No está usted solo en esto; a nuestro corazón incrédulo siempre le cuesta creer lo que es para nuestro bien. Pero no mire la inestabilidad que hay en usted, porque todo es incierto aquí abajo. La certeza está en Dios.
Toda bendición que recibe un alma pobre está “en Cristo”. Allí está la luz firme que no se desvía como un fuego fatuo sobre las ciénagas. Toda dulce promesa que entró en su corazón, toda libertad en la oración, todo mirar hacia arriba a Su plenitud, descansa sobre ese único fundamento. Pida, pues, el sello del Espíritu, para que sepa por sí mismo que Él le ha bendecido también a usted, sí, a usted, y eso para siempre.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl