6 dagen geleden verschenen
Het gesprek van een gelovige met zijn ziel
Een uitleg van Psalm 42:12 als gesprek tussen David en zijn ziel: waarom de ziel terneergeslagen en onrustig is, waarom ze op God moet hopen en hoe die hoop uitloopt…
13 dagen geleden verschenen
Het woord van Gods genade
Een uitleg van Handelingen 20:32: Paulus beveelt de oudsten van Efeze aan God en aan het woord van Zijn genade. Alleen dat woord, door de Geest toegepast, bouwt de ziel…
2 weken geleden verschenen
Schatten in de duisternis
Uitleg van Jesaja 45:2,3 voor Gods kinderen: de Heere gaat voor hen uit, maakt kromme wegen recht, verbreekt koperen deuren en ijzeren grendels, geeft verborgen schatten en leert hen zo…
Verkrijgen en verliezen
Naar Prediker 3:6: een levende ziel verkrijgt geestelijke dingen, van kennis van God en van zichzelf tot geloof en vergeving, maar verliest ook haar eigen gerechtigheid en kracht. De preek…
Het schudden van wat gemaakt is en de vastheid van wat gegeven is
Over Hebreeën 12:27,28: wat gemaakt is, wordt geschud en weggenomen, wat God geeft blijft. Het Koninkrijk dat niet bewogen kan worden wordt door geloof ontvangen, door genade vastgehouden en draagt…
Korenaren Uit De Volle Oogst
Wendt u naar Mij toe, en wordt behouden, alle gij einden der aarde: want Ik ben God en niemand meer.
Jesaja 45:22
Voordat wij het in de ziel gevoelen dat wij aan „de einden der aarde” zijn, hebben wij geen ogen om te zien, geen oren om te horen, geen harten om te gevoelen welk een verheerlijkte Middelaar er zit aan de rechterhand des Vaders. En hoe meer wij gevoelen aan „de einden der aarde” te zijn, des te meer hebben wij behoefte aan Hem; en als de Geest ons de verborgenheid ontvouwt van de glorierijke Persoon van Christus en Zijn schoonheid openbaart, des te meer wordt Hij het voorwerp van bewondering en aanbidding onzer ziel. En welk een Middelaar wordt daar aan het levend geloof in het Woord der Waarheid voorgesteld! Welk een voorwerp voor het geestelijk geloof om aan te staren, voor een levende hoop om het anker in uit te werpen, en voor de liefde Gods om te omvatten!
Dat de Zone Gods, van alle eeuwigheid in de schoot des Vaders, met de Vader en de Heilige Geest gelijk, de tweede Persoon in de heerlijke Drie-eenheid, Zich zo vernederde dat Hij onze natuur aannam, opdat Hij zou kunnen zuchten, lijden, bloeden en sterven voor schuldige zondaren, die, als het hun was vergund, duizend malen op één dag hun ziel in het verderf zouden hebben gestort — welk een wonder der wonderen! Maar wij kunnen in deze verborgenheid niet indringen, noch haar kracht gevoelen, voordat wij tot zulk een toestand gebracht zijn dat niemand dan zulk een Zaligmaker onze zielen kan behouden.
Kunnen wij iets doen om onszelf te behouden? Dan hebben wij geen hulp nodig van die Machtige, in Wie God hulp gelegd heeft; en wij verwerpen Hem in het geheim. Kunnen wij onszelf genezen? Dan hebben wij de goede Geneesheer niet van node. Maar als onze ogen geopend zijn om ons eigen verderf en onze volslagen hulpeloosheid te zien, en de verheerlijkte Persoon van Gods Zoon te aanschouwen, dan wordt het geloof gedrongen naar dat heerlijk Voorwerp te vluchten en zich op Hem te verlaten.
Gij zijt alleen — wat zou ik vrezen? —
mijn rots, mijn burg, o Heer!
Ja, uwe naam ter eer
zult Gij mij tot een herder wezen.
Ps. 31:3
Aan de lezer…
Kent u dat? U voelt zich als aan de einden der aarde, ver weg, uitgeput, zonder hulp in uzelf. Het is een bange plaats, maar het is juist de plaats waar deze roepstem klinkt: „Wendt u naar Mij toe, en wordt behouden.” Zolang wij menen iets te kunnen doen om onszelf te behouden, verwerpen wij in het geheim die Machtige in Wie God hulp gelegd heeft. Maar wie zijn eigen verderf en volslagen hulpeloosheid ziet, krijgt ogen voor de verheerlijkte Middelaar.
Zie dan op Hem. De Zone Gods heeft Zich zo vernederd dat Hij onze natuur aannam, om te zuchten, te lijden, te bloeden en te sterven voor schuldige zondaren. Dat is een wonder der wonderen, en het is voor u, die niets meer hebt. Laat uw geloof, hoe zwak ook, naar dat heerlijk Voorwerp vluchten en zich op Hem verlaten, want Hij is God en niemand meer.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Wendt u naar Mij toe, en wordt behouden, alle gij einden der aarde: want Ik ben God en niemand meer.
Jesaja 45:22
Voordat we in onze ziel voelen dat we aan „de einden der aarde” zijn, hebben we geen ogen om te zien, geen oren om te horen en geen hart om te voelen wat een verheerlijkte Middelaar er aan de rechterhand van de Vader zit. Hoe meer we voelen dat we aan „de einden der aarde” zijn, des te meer hebben we Hem nodig. En wanneer de Geest ons de verborgenheid van de glorierijke Persoon van Christus ontvouwt en Zijn schoonheid openbaart, wordt Hij des te meer het voorwerp van bewondering en aanbidding van onze ziel. En wat een Middelaar wordt daar aan het levende geloof voorgesteld in het Woord van de Waarheid! Wat een voorwerp voor het geestelijke geloof om naar te blijven kijken, voor een levende hoop om het anker in uit te werpen, en voor de liefde van God om te omvatten!
De Zoon van God was van alle eeuwigheid in de schoot van de Vader, gelijk aan de Vader en de Heilige Geest, de tweede Persoon in de heerlijke Drie-eenheid. Dat Hij Zich zo vernederde dat Hij onze natuur aannam, om te kunnen zuchten, lijden, bloeden en sterven voor schuldige zondaars, die, als het hun was toegestaan, duizend keer op één dag hun ziel in het verderf zouden hebben gestort: wat een wonder der wonderen! Maar we kunnen niet in deze verborgenheid doordringen of haar kracht voelen, voordat we in zo’n toestand gebracht zijn dat niemand anders dan zo’n Zaligmaker onze zielen kan behouden.
Kunnen we iets doen om onszelf te behouden? Dan hebben we geen hulp nodig van die Machtige bij Wie God hulp gelegd heeft, en dan verwerpen we Hem in het geheim. Kunnen we onszelf genezen? Dan hebben we de goede Geneesheer niet nodig. Maar wanneer onze ogen geopend zijn om ons eigen verderf en onze volslagen hulpeloosheid te zien, en de verheerlijkte Persoon van Gods Zoon te aanschouwen, dan wordt het geloof gedrongen naar dat heerlijke Voorwerp te vluchten en zich op Hem te verlaten.
Gij zijt alleen — wat zou ik vrezen? —
mijn rots, mijn burg, o Heer!
Ja, uwe naam ter eer
zult Gij mij tot een herder wezen.
Ps. 31:3
Aan de lezer…
Kent u dat? U voelt zich als aan de einden der aarde: ver weg, uitgeput, zonder hulp in uzelf. Het is een bange plaats, maar het is juist de plaats waar deze roepstem klinkt: „Wendt u naar Mij toe, en wordt behouden.” Zolang we menen iets te kunnen doen om onszelf te behouden, verwerpen we in het geheim die Machtige bij Wie God hulp gelegd heeft. Maar wie zijn eigen verderf en volslagen hulpeloosheid ziet, krijgt ogen voor de verheerlijkte Middelaar.
Zie dan op Hem. De Zoon van God heeft Zich zo vernederd dat Hij onze natuur aannam, om te zuchten, te lijden, te bloeden en te sterven voor schuldige zondaars. Dat is een wonder der wonderen, en het is voor u, die niets meer hebt. Laat uw geloof, hoe zwak ook, naar dat heerlijke Voorwerp vluchten en zich op Hem verlaten, want Hij is God en niemand meer.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Look unto Me, and be ye saved, all the ends of the earth: for I am God, and there is none else.
Isaiah 45:22
Until in soul feeling, we are at “the ends of the earth,” we have no eyes to see, no ears to hear, no hearts to feel what a glorious Mediator there is at the right hand of the Father. And the more we feel to be at “the ends of the earth,” the deeper is our need of Him; and as the Spirit unfolds the mystery of the glorious Person of Christ, and reveals His beauty, the more does He become the object of the soul’s admiration and adoration. And O what a Mediator is held out in the word of truth to living faith! What a subject for spiritual faith to look to, for a lively hope to anchor in, and for divine love to embrace!
That the Son of God, Who lay in the bosom of the Father from all eternity, equal with the Father and the Holy Spirit, the second Person in the glorious Trinity, should condescend to take upon Him our nature, that He might groan, suffer, bleed, and die for guilty wretches, who, if permitted, would have ruined their souls a thousand times a day—what a wonder of wonders!
But we cannot enter into, nor feel the power of this mystery until we are reduced to such circumstances, that none but such a Saviour can save our souls. Can we do anything to save ourselves? Then we need no help from that mighty One on Whom God has laid help; and we secretly reject Him. Can we heal ourselves? Then we do not need the good Physician. But when our eyes are opened to see our own thorough ruin and helplessness, and to view the glorious Person of the Son of God, faith is drawn out to flee to and rest upon that glorious Object.
To the reader…
Do you know this? You feel as if you were at the ends of the earth: far away, worn out, without help in yourself. It is a fearful place, but it is precisely the place where this call sounds: “Look unto Me, and be ye saved.” As long as we think we can do something to save ourselves, we secretly reject that mighty One on Whom God has laid help. But whoever sees his own ruin and utter helplessness is given eyes for the glorious Mediator.
Look, then, to Him. The Son of God humbled Himself so far as to take our nature upon Him, to groan, suffer, bleed and die for guilty sinners. That is a wonder of wonders, and it is for you, who have nothing left. Let your faith, however weak, flee to that glorious Object and rest upon Him, for He is God, and there is none else.
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
Mirad a Mí, y sed salvos, todos los términos de la tierra: porque Yo soy Dios, y no hay más.
Isaías 45:22
Hasta que, en el sentir del alma, estamos en “los términos de la tierra”, no tenemos ojos para ver, ni oídos para oír, ni corazón para sentir qué glorioso Mediador hay a la diestra del Padre. Y cuanto más sentimos que estamos en “los términos de la tierra”, más profunda es nuestra necesidad de Él; y a medida que el Espíritu despliega el misterio de la gloriosa Persona de Cristo y revela Su hermosura, tanto más llega Él a ser el objeto de la admiración y adoración del alma. ¡Y oh, qué Mediador es presentado en la palabra de verdad a la fe viva! ¡Qué objeto para que la fe espiritual mire a Él, para que una esperanza viva se ancle en Él, y para que el amor divino le abrace!
Que el Hijo de Dios, que estaba en el seno del Padre desde toda la eternidad, igual al Padre y al Espíritu Santo, la segunda Persona de la gloriosa Trinidad, se dignara tomar sobre Sí nuestra naturaleza, para gemir, padecer, sangrar y morir por miserables culpables que, si se les permitiera, habrían arruinado sus almas mil veces al día: ¡qué maravilla de maravillas!
Pero no podemos entrar en este misterio ni sentir su poder hasta que somos reducidos a tales circunstancias que nadie sino un Salvador así puede salvar nuestras almas. ¿Podemos hacer algo para salvarnos a nosotros mismos? Entonces no necesitamos ayuda de aquel Valiente sobre quien Dios ha puesto el socorro; y en secreto le rechazamos. ¿Podemos sanarnos a nosotros mismos? Entonces no necesitamos al buen Médico. Pero cuando nuestros ojos son abiertos para ver nuestra propia ruina e impotencia completas, y para contemplar la gloriosa Persona del Hijo de Dios, la fe es movida a huir a ese glorioso Objeto y a descansar en Él.
Al lector…
¿Conoce usted esto? Se siente como si estuviera en los términos de la tierra: lejos, agotado, sin ayuda en sí mismo. Es un lugar temible, pero es precisamente el lugar donde resuena este llamamiento: “Mirad a Mí, y sed salvos”. Mientras pensamos que podemos hacer algo para salvarnos, rechazamos en secreto a aquel Valiente sobre quien Dios ha puesto el socorro. Pero a quien ve su propia ruina y su completa impotencia se le dan ojos para el glorioso Mediador.
Mire, pues, a Él. El Hijo de Dios se humilló hasta tomar sobre Sí nuestra naturaleza, para gemir, padecer, sangrar y morir por pecadores culpables. Es una maravilla de maravillas, y es para usted, que ya no tiene nada. Que su fe, por débil que sea, huya a ese glorioso Objeto y descanse en Él, porque Él es Dios, y no hay más.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl
365 Dagen Met Philpot
Bevinding
Gaat in door de enge poort.
Mattheüs 7:13
Er moet een bepaalde norm zijn gesteld voor een goddelijk werk aan de ziel, want hoe kunnen we anders de kinderen van God onderscheiden van de kinderen van de duivel? Hoe kunnen we de kenmerken van de genade ontdekken in de levende Kerk, en aangeven wat de ware kentekenen van goddelijk onderricht zijn, zowel om hen aan te moedigen en te onderrichten, als om anderen te waarschuwen of te overtuigen? Onze gezegende Heere zegt bijvoorbeeld: „Tenzij dat iemand wederom geboren worde, hij kan het Koninkrijk Gods niet zien” (Joh. 3:3); „Indien gij u niet bekeert, zo zult gij allen desgelijks vergaan” (Luk. 13:3); „Indien gij niet gelooft, dat Ik Die ben, gij zult in uw zonden sterven” (Joh. 8:24); „Die geloofd zal hebben, en gedoopt zal zijn, zal zalig worden; maar die niet zal geloofd hebben, zal verdoemd worden” (Mark. 16:16). Is dat geen norm, gesteld door onze gezegende Heere, voor de nieuwe geboorte, het berouw en het geloof?
„Strijdt om in te gaan door de enge poort; want de poort is eng, en de weg is nauw, die tot het leven leidt, en weinigen zijn er, die dezelve vinden” (Luk. 13:24; Matth. 7:14). Is dit geen norm? „Die zijn kruis niet op zich neemt, en Mij navolgt, is Mijns niet waardig” (Matth. 10:38). Is dit geen norm? „Gaat uit het midden van hen, en scheidt u af, en raakt niet aan hetgeen onrein is, en Ik zal ulieden aannemen. En Ik zal u tot een Vader zijn, en gij zult Mij tot zonen en dochteren zijn, zegt de Heere, de Almachtige” (2 Kor. 6:17-18). Is dit geen norm? „Iedere boom wordt uit zijn eigen vrucht gekend: alle boom dan, die geen goede vrucht voortbrengt, wordt uitgehouwen” (Matth. 3:10). Is dit dan geen norm?
En dus zien we dat er wel een norm in het Woord Gods is gesteld. Alleen wordt niet vermeld dat men zich zoveel weken aan de wet moet houden, dat men moet afzakken naar dood, hel en wanhoop alvorens de verlossing komt, of dat het geloof op een bepaalde manier en op een bepaald moment tot u moet komen. Het Woord Gods maakt niet alle christelijke ervaring vlak en recht, of schaaft en draait ieder onderdeel ervan precies op maat om ervoor te zorgen dat het geheel zo precies past en zo goed werkt als een zuiger van een locomotief of de kleppen van een stoommachine. Dus, ofschoon het Woord Gods een norm aangeeft, en bovendien een erg ware, nauwkeurige en lastige, staat er niet die starre, precieze en ijzeren norm in die sommigen geneigd zijn toe te passen. Zij brengen alles in verband met en meten alles af aan hun eigen ervaring, en hakken iedereen aan stukken die het niet precies met hen eens is.
Lezen: Mattheüs 7:1-14
Aan de lezer…
Hoe licht schrikt een ziel van de enge poort en de nauwe weg! Leest u: „Tenzij dat iemand wederom geboren worde”, en „Indien gij niet gelooft”, en vraagt u beschaamd of er in u iets van de nieuwe geboorte, het berouw en het geloof te vinden is? Het is goed dat u uzelf aan de norm van het Woord beproeft, want het Woord heeft een ware en nauwkeurige norm gesteld. Weinigen zijn er die de poort vinden; strijd dan om in te gaan.
Maar laat u niet aan stukken hakken door een starre, ijzeren norm die mensen aan hun eigen ervaring afmeten. De Heere schrijft u niet voor hoeveel weken u onder de wet moet liggen, of op welk moment en op welke wijze het geloof tot u moet komen. Hij leidt niet ieder kind langs precies dezelfde lijn. Vraag niet in de eerste plaats of uw weg gelijk is aan die van een ander, maar of u met al uw armoede door die enge poort tot Hem gekomen bent.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Gaat in door de enge poort.
Mattheüs 7:13
Er moet een bepaalde norm gesteld zijn voor een goddelijk werk aan de ziel. Hoe zouden we anders de kinderen van God kunnen onderscheiden van de kinderen van de duivel? Hoe zouden we anders de kenmerken van de genade in de levende Kerk kunnen ontdekken en aangeven wat de ware kentekenen van goddelijk onderwijs zijn, zowel om hen te bemoedigen en te onderwijzen als om anderen te waarschuwen of te overtuigen? Onze gezegende Heere zegt bijvoorbeeld: „Tenzij dat iemand wederom geboren worde, hij kan het Koninkrijk Gods niet zien” (Joh. 3:3); „Indien gij u niet bekeert, zo zult gij allen desgelijks vergaan” (Luk. 13:3); „Indien gij niet gelooft, dat Ik Die ben, gij zult in uw zonden sterven” (Joh. 8:24); „Die geloofd zal hebben, en gedoopt zal zijn, zal zalig worden; maar die niet zal geloofd hebben, zal verdoemd worden” (Mark. 16:16). Is dat geen norm, door onze gezegende Heere gesteld, voor de nieuwe geboorte, het berouw en het geloof?
„Strijdt om in te gaan door de enge poort; want de poort is eng, en de weg is nauw, die tot het leven leidt, en weinigen zijn er, die dezelve vinden” (Luk. 13:24; Matth. 7:14). Is dit geen norm? „Die zijn kruis niet op zich neemt, en Mij navolgt, is Mijns niet waardig” (Matth. 10:38). Is dit geen norm? „Gaat uit het midden van hen, en scheidt u af, en raakt niet aan hetgeen onrein is, en Ik zal ulieden aannemen. En Ik zal u tot een Vader zijn, en gij zult Mij tot zonen en dochteren zijn, zegt de Heere, de Almachtige” (2 Kor. 6:17-18). Is dit geen norm? „Iedere boom wordt uit zijn eigen vrucht gekend: alle boom dan, die geen goede vrucht voortbrengt, wordt uitgehouwen” (Matth. 3:10). Is dit dan geen norm?
We zien dus dat er wel degelijk een norm in het Woord van God gesteld is. Alleen staat er niet dat men zich zoveel weken aan de wet moet houden, dat men moet wegzakken in dood, hel en wanhoop voordat de verlossing komt, of dat het geloof op een bepaalde manier en op een bepaald moment tot u moet komen. Het Woord van God maakt niet alle christelijke ervaring vlak en recht. Het schaaft en draait niet ieder onderdeel ervan precies op maat, zodat het geheel zo precies past en zo goed werkt als de zuiger van een locomotief of de kleppen van een stoommachine.
Het Woord van God geeft dus wel een norm aan, en bovendien een heel ware, nauwkeurige en moeilijke. Maar er staat niet die starre, precieze en ijzeren norm in die sommigen geneigd zijn toe te passen. Zij brengen alles in verband met hun eigen ervaring en meten alles daaraan af, en wie het niet precies met hen eens is, hakken zij aan stukken.
Lezen: Mattheüs 7:1-14
Aan de lezer…
Hoe snel schrikt een ziel van de enge poort en de nauwe weg! Leest u: „Tenzij dat iemand wederom geboren worde”, en „Indien gij niet gelooft”, en vraagt u zich beschaamd af of er in u iets van de nieuwe geboorte, het berouw en het geloof te vinden is? Het is goed dat u uzelf aan de norm van het Woord toetst, want het Woord heeft een ware en nauwkeurige norm gesteld. Weinigen zijn er die de poort vinden; strijd dan om in te gaan.
Maar laat u niet aan stukken hakken door een starre, ijzeren norm die mensen aan hun eigen ervaring afmeten. De Heere schrijft u niet voor hoeveel weken u onder de wet moet liggen, of op welk moment en op welke manier het geloof tot u moet komen. Hij leidt niet ieder kind langs precies dezelfde lijn. Vraag dus niet in de eerste plaats of uw weg gelijk is aan die van een ander, maar of u met al uw armoede door die enge poort tot Hem gekomen bent.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Enter ye in at the strait gate.
Matthew 7:13
There must be some standard set up for a divine work upon the soul. How else could we distinguish the children of God from the children of the devil? How else could we trace out the marks of grace in the living Church and point out what are the true evidences of divine teaching, both to encourage and instruct them and to warn or convince others? Our blessed Lord says, for instance, “Except a man be born again, he cannot see the kingdom of God” (John 3:3); “Except ye repent, ye shall all likewise perish” (Luke 13:3); “If ye believe not that I am He, ye shall die in your sins” (John 8:24); “He that believeth and is baptized shall be saved; but he that believeth not shall be damned” (Mark 16:16). Is not that a standard, set up by our blessed Lord, for the new birth, for repentance and for faith?
“Strive to enter in at the strait gate: because strait is the gate, and narrow is the way, which leadeth unto life, and few there be that find it” (Luke 13:24; Matthew 7:14). Is not this a standard? “He that taketh not his cross, and followeth after Me, is not worthy of Me” (Matthew 10:38). Is not this a standard? “Come out from among them, and be ye separate, saith the Lord, and touch not the unclean thing; and I will receive you, and will be a Father unto you, and ye shall be My sons and daughters, saith the Lord Almighty” (2 Corinthians 6:17-18). Is not this a standard? “Every tree is known by his own fruit: every tree therefore which bringeth not forth good fruit is hewn down” (Matthew 3:10). Is not this, then, a standard?
We see, then, that there is indeed a standard set up in the Word of God. Only it does not say that a man must be kept so many weeks under the law, that he must sink into death, hell and despair before deliverance comes, or that faith must come to you in a certain way and at a certain moment. The Word of God does not make all Christian experience level and straight. It does not plane and turn every part of it exactly to measure, so that the whole fits as precisely and works as smoothly as the piston of a locomotive or the valves of a steam engine.
The Word of God, then, does lay down a standard, and that a very true, exact and difficult one. But it does not contain that rigid, precise and iron standard which some are disposed to apply. They bring everything into connection with their own experience and measure everything by it, and whoever does not agree exactly with them they cut to pieces.
Reading: Matthew 7:1-14
To the reader…
How quickly a soul is alarmed at the strait gate and the narrow way! Do you read, “Except a man be born again,” and “If ye believe not,” and do you ask yourself with shame whether anything of the new birth, of repentance and of faith is to be found in you? It is good that you test yourself by the standard of the Word, for the Word has set up a true and exact standard. Few there be that find the gate; strive, then, to enter in.
But do not let yourself be cut to pieces by a rigid, iron standard that men measure by their own experience. The Lord does not prescribe how many weeks you must lie under the law, or at what moment and in what way faith must come to you. He does not lead every child along exactly the same line. Do not ask first of all, then, whether your way is the same as another’s, but whether you have come to Him through that strait gate with all your poverty.
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
Entrad por la puerta estrecha.
Mateo 7:13
Debe haber alguna norma establecida para una obra divina en el alma. ¿De qué otro modo podríamos distinguir a los hijos de Dios de los hijos del diablo? ¿De qué otro modo podríamos rastrear las señales de la gracia en la Iglesia viviente y señalar cuáles son las verdaderas evidencias de la enseñanza divina, tanto para animarlos e instruirlos como para advertir o convencer a otros? Nuestro bendito Señor dice, por ejemplo: “El que no naciere otra vez, no puede ver el reino de Dios” (Juan 3:3); “Si no os enmendareis, todos pereceréis igualmente” (Lucas 13:3); “Si no creyereis que Yo soy, en vuestros pecados moriréis” (Juan 8:24); “El que creyere y fuere bautizado, será salvo; mas el que no creyere, será condenado” (Marcos 16:16). ¿No es esta una norma, establecida por nuestro bendito Señor, para el nuevo nacimiento, para el arrepentimiento y para la fe?
“Porfiad a entrar por la puerta angosta: porque estrecha es la puerta, y angosto el camino que lleva a la vida, y pocos son los que la hallan” (Lucas 13:24; Mateo 7:14). ¿No es esta una norma? “El que no toma su cruz y sigue en pos de Mí, no es digno de Mí” (Mateo 10:38). ¿No es esta una norma? “Salid de en medio de ellos, y apartaos, dice el Señor, y no toquéis lo inmundo; y Yo os recibiré, y seré a vosotros Padre, y vosotros me seréis a Mí hijos e hijas, dice el Señor Todopoderoso” (2 Corintios 6:17-18). ¿No es esta una norma? “Cada árbol por su fruto es conocido: todo árbol, pues, que no hace buen fruto, es cortado” (Mateo 3:10). ¿No es esta, pues, una norma?
Vemos, pues, que en verdad hay una norma establecida en la Palabra de Dios. Solo que no dice que un hombre deba ser retenido tantas semanas bajo la ley, que deba hundirse en la muerte, el infierno y la desesperación antes de que venga la liberación, o que la fe deba venirle de cierta manera y en cierto momento. La Palabra de Dios no hace toda experiencia cristiana llana y recta. No cepilla ni tornea cada parte de ella exactamente a medida, de modo que el conjunto encaje con tanta precisión y funcione con tanta suavidad como el pistón de una locomotora o las válvulas de una máquina de vapor.
La Palabra de Dios, pues, sí establece una norma, y una muy verdadera, exacta y difícil. Pero no contiene esa norma rígida, precisa y férrea que algunos están dispuestos a aplicar. Ellos lo relacionan todo con su propia experiencia y lo miden todo por ella, y a quien no concuerda exactamente con ellos lo hacen pedazos.
Lectura: Mateo 7:1-14
Al lector…
¡Qué pronto se alarma un alma ante la puerta estrecha y el camino angosto! ¿Lee usted: “El que no naciere otra vez” y “Si no creyereis”, y se pregunta con vergüenza si se halla en usted algo del nuevo nacimiento, del arrepentimiento y de la fe? Es bueno que se examine por la norma de la Palabra, porque la Palabra ha establecido una norma verdadera y exacta. Pocos son los que hallan la puerta; porfíe, pues, por entrar.
Pero no se deje hacer pedazos por una norma rígida y férrea que los hombres miden por su propia experiencia. El Señor no prescribe cuántas semanas debe usted estar bajo la ley, ni en qué momento ni de qué manera debe venirle la fe. Él no conduce a cada hijo exactamente por la misma línea. No pregunte, pues, ante todo si su camino es el mismo que el de otro, sino si ha venido a Él por esa puerta estrecha con toda su pobreza.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl
Door Baca's Vallei
Maar geliefden, bouwt gij uzelf op in uw allerheiligst geloof, biddende in de Heilige Geest.
Judas 20
Onder de woorden „allerheiligst geloof” kunnen wij hoofdzakelijk de grote waarheden van het eeuwigdurend Evangelie verstaan, die geopenbaard worden aan en omhelsd worden door het geloof. En zij worden het allerheiligst geloof genoemd, omdat ze vervuld zijn met de heiligheid van God, en niet alleen daarom, maar ook omdat zij in gelovige harten worden ontvangen en daaraan heiligheid mededelen; want zij hebben een vrijmakende, heiligende kracht en werking. Het woord „opbouwen” geeft te kennen dat er een fundament gelegd is. Christus is dit fundament, hetwelk God in Sion gelegd heeft, een hoeksteen, uitverkoren en dierbaar. En waar Christus door Goddelijke genade aan de ziel wordt geopenbaard, daar wordt een fundament in het hart gelegd, waarop elke opvolgende waarheid gebouwd wordt.
De grote zaak waarom het ons gaan moet, is of Christus als fundament in onze ziel gelegd is of niet; en zo ja, dan zijn wij van alle andere fundamenten afgedreven en kunnen geen rust of vrede vinden dan alleen in Hem. Is Hij door almachtige genade ooit aan onze zielen geopenbaard, dan hebben wij gezien en gevoeld dat in Hem een fundament is waarop wij ons kunnen gronden, en dat voor een eeuwigheid. Als de Zoon des Vaders in waarheid en liefde is Hij gekomen om het werk uit te voeren hetwelk de Vader Hem te doen gegeven had. Door Zijns Zelfs offerande heeft Hij de zonde tenietgedaan en heeft Hij een eeuwigdurende gerechtigheid aangebracht, waarin wij als gerechtvaardigd kunnen staan. Het is een fundament waarop een arme, schuldige ziel rusten mag. Wanneer dit fundament nabij gebracht wordt en wij door de kracht van de genade Gods daarop mogen rusten, dan kunnen wij zeggen:
Wat sterk een fundament, gij heiligen, hoort,
Is voor uw geloof gelegd in Zijn Woord.
„Want niemand kan een ander fundament leggen dan hetgeen gelegd is, hetwelk is Jezus Christus,” 1 Cor. 3:11.
Aan de lezer…
Lezer, waarop bouwt u? Dat is de grote zaak waarom het ons gaan moet: is Christus als fundament in uw ziel gelegd, of niet? Misschien voelt u vooral hoe alle andere fundamenten onder u wegzakken, hoe u geen rust of vrede vindt in uw eigen vroomheid, uw voornemens of uw gevoelens. Wees daar niet al te bang voor. Zo drijft de Heere de ziel van alle andere gronden af, opdat zij alleen in Hem zou rusten.
Hij heeft het werk volbracht dat de Vader Hem te doen gegeven had; door Zijns Zelfs offerande heeft Hij de zonde tenietgedaan. Daarom is Hij een fundament waarop een arme, schuldige ziel rusten mag, en dat voor een eeuwigheid. Smeek dan dat dit fundament u nabij gebracht wordt, en bouw u daarop op in het allerheiligst geloof, biddende in de Heilige Geest. Niemand kan een ander fundament leggen.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Maar geliefden, bouwt gij uzelf op in uw allerheiligst geloof, biddende in de Heilige Geest.
Judas 20
Onder de woorden „allerheiligst geloof” kunnen wij vooral de grote waarheden van het eeuwigdurend Evangelie verstaan, die aan het geloof geopenbaard en door het geloof omhelsd worden. Zij worden het allerheiligst geloof genoemd omdat ze vervuld zijn van de heiligheid van God. En niet alleen daarom, maar ook omdat zij in gelovige harten worden ontvangen en daaraan heiligheid meedelen, want zij hebben een vrijmakende, heiligende kracht en werking. Het woord „opbouwen” geeft te kennen dat er een fundament gelegd is. Christus is dit fundament, dat God in Sion gelegd heeft, een hoeksteen, uitverkoren en dierbaar. En waar Christus door Goddelijke genade aan de ziel wordt geopenbaard, daar wordt een fundament in het hart gelegd, waarop elke volgende waarheid gebouwd wordt.
De grote zaak waar het ons om moet gaan, is of Christus als fundament in onze ziel gelegd is of niet. Als dat zo is, dan zijn wij van alle andere fundamenten afgedreven en kunnen wij nergens rust of vrede vinden dan alleen in Hem. Is Hij door almachtige genade ooit aan onze zielen geopenbaard, dan hebben wij gezien en gevoeld dat in Hem een fundament is waarop wij ons kunnen gronden, en dat voor een eeuwigheid. Als de Zoon van de Vader in waarheid en liefde is Hij gekomen om het werk uit te voeren dat de Vader Hem te doen gegeven had. Door de offerande van Zichzelf heeft Hij de zonde tenietgedaan en een eeuwigdurende gerechtigheid aangebracht, waarin wij gerechtvaardigd kunnen staan. Het is een fundament waarop een arme, schuldige ziel mag rusten. Wanneer dit fundament dichtbij gebracht wordt en wij door de kracht van Gods genade daarop mogen rusten, dan kunnen wij zeggen:
Wat sterk een fundament, gij heiligen, hoort,
Is voor uw geloof gelegd in Zijn Woord.
„Want niemand kan een ander fundament leggen dan hetgeen gelegd is, hetwelk is Jezus Christus,” 1 Cor. 3:11.
Aan de lezer…
Lezer, waarop bouwt u? Dat is de grote zaak waar het ons om moet gaan: is Christus als fundament in uw ziel gelegd, of niet? Misschien voelt u vooral hoe alle andere fundamenten onder u wegzakken, hoe u geen rust of vrede vindt in uw eigen vroomheid, uw voornemens of uw gevoelens. Wees daar niet al te bang voor. Zo drijft de Heere de ziel van alle andere gronden af, zodat zij alleen in Hem zou rusten.
Hij heeft het werk volbracht dat de Vader Hem te doen gegeven had; door de offerande van Zichzelf heeft Hij de zonde tenietgedaan. Daarom is Hij een fundament waarop een arme, schuldige ziel mag rusten, en dat voor een eeuwigheid. Smeek dan of dit fundament u dichtbij gebracht mag worden, en bouw uzelf daarop op in het allerheiligst geloof, biddend in de Heilige Geest. Niemand kan een ander fundament leggen.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
“But ye, beloved, building up yourselves on your most holy faith, praying in the Holy Ghost.”
Jude 20
By the words “most holy faith,” we may understand chiefly the grand truths of the everlasting gospel which are revealed unto and embraced by faith. And they are called “our most holy faith,” because they are imbued with all the holiness of God; and not only so, but as they are received into believing hearts, communicate sanctification, because they have a liberating, sanctifying efficacy. The words “build up” assume that there is a foundation laid. Christ is that foundation which God has laid in Zion, a chief corner-stone, elect, precious; and where Christ is revealed to the soul by a divine power, a foundation is laid in the heart on which every subsequent truth is to be built up.
The grand thing to be clear of in our own experience is, whether Christ has been laid as a foundation in our souls or not, and if He has, we have been driven from every other as finding no rest or peace but in Him. If ever He has been revealed to our souls by the mighty power of God, then we have seen and felt that in Him there is a foundation on which we can stand, and that for eternity. As the Son of the Father in truth and love; having come to finish the work which the Father gave Him to do; having put away sin by the sacrifice of Himself, and brought in an everlasting righteousness in which we may stand justified, there is a foundation on which a poor, guilty soul may rest. When this foundation is brought near, and we, by the power of God’s grace, are lifted up to rest upon it, we can say, “How firm a foundation, you saints of the Lord, is laid for your faith in His excellent Word.”
“Other foundation can no man lay than that is laid, which is Jesus Christ” (1 Cor. 3:11).
To the reader…
Reader, on what are you building? That is the great matter that must concern us: has Christ been laid as a foundation in your soul, or not? Perhaps you feel above all how every other foundation gives way beneath you, how you find no rest or peace in your own piety, your resolutions, or your feelings. Do not be too afraid of that. This is how the Lord drives the soul away from every other ground, so that it may rest in Him alone.
He has finished the work which the Father gave Him to do; by the sacrifice of Himself He has put away sin. Therefore He is a foundation on which a poor, guilty soul may rest, and that for eternity. Plead, then, that this foundation may be brought near to you, and build yourself up on it in your most holy faith, praying in the Holy Ghost. Other foundation can no man lay.
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
“Mas vosotros, oh amados, edificándoos sobre vuestra santísima fe, orando por el Espíritu Santo.”
Judas 20
Por las palabras “santísima fe” podemos entender principalmente las grandes verdades del evangelio eterno que son reveladas a la fe y abrazadas por ella. Y se llaman “nuestra santísima fe” porque están impregnadas de toda la santidad de Dios; y no solo eso, sino que, al ser recibidas en corazones creyentes, comunican santificación, porque tienen una eficacia libertadora y santificadora. Las palabras “edificándoos” suponen que hay un fundamento puesto. Cristo es ese fundamento que Dios ha puesto en Sión, piedra del ángulo, escogida, preciosa; y donde Cristo es revelado al alma por un poder divino, se pone en el corazón un fundamento sobre el cual ha de edificarse toda verdad posterior.
Lo principal en que hemos de tener claridad en nuestra propia experiencia es si Cristo ha sido puesto o no como fundamento en nuestras almas; y si lo ha sido, hemos sido echados de todo otro, al no hallar descanso ni paz sino en Él. Si alguna vez Él ha sido revelado a nuestras almas por el gran poder de Dios, entonces hemos visto y sentido que en Él hay un fundamento sobre el cual podemos estar firmes, y eso para la eternidad. Como el Hijo del Padre en verdad y amor; habiendo venido a acabar la obra que el Padre Le dio que hiciese; habiendo quitado el pecado por el sacrificio de Sí mismo, y traído una justicia eterna en la cual podemos estar justificados, hay un fundamento sobre el cual una pobre alma culpable puede descansar. Cuando este fundamento se acerca, y nosotros, por el poder de la gracia de Dios, somos levantados para descansar en él, podemos decir: “¡Qué firme fundamento, oh santos del Señor, se ha puesto para vuestra fe en Su excelente Palabra!”
“Nadie puede poner otro fundamento que el que está puesto, el cual es Jesucristo” (1 Cor. 3:11).
Al lector…
Lector, ¿sobre qué está edificando? Esa es la gran cuestión que debe ocuparnos: ¿ha sido puesto Cristo como fundamento en su alma, o no? Quizá siente sobre todo cómo todo otro fundamento cede bajo sus pies, cómo no halla descanso ni paz en su propia piedad, en sus propósitos o en sus sentimientos. No tema demasiado por ello. Así echa el Señor al alma de todo otro suelo, para que descanse solo en Él.
Él ha acabado la obra que el Padre Le dio que hiciese; por el sacrificio de Sí mismo ha quitado el pecado. Por eso Él es un fundamento sobre el cual una pobre alma culpable puede descansar, y eso para la eternidad. Ruegue, pues, que este fundamento le sea acercado, y edifíquese sobre él en su santísima fe, orando por el Espíritu Santo. Nadie puede poner otro fundamento.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl