6 dagen geleden verschenen
Het gesprek van een gelovige met zijn ziel
Een uitleg van Psalm 42:12 als gesprek tussen David en zijn ziel: waarom de ziel terneergeslagen en onrustig is, waarom ze op God moet hopen en hoe die hoop uitloopt…
13 dagen geleden verschenen
Het woord van Gods genade
Een uitleg van Handelingen 20:32: Paulus beveelt de oudsten van Efeze aan God en aan het woord van Zijn genade. Alleen dat woord, door de Geest toegepast, bouwt de ziel…
2 weken geleden verschenen
Schatten in de duisternis
Uitleg van Jesaja 45:2,3 voor Gods kinderen: de Heere gaat voor hen uit, maakt kromme wegen recht, verbreekt koperen deuren en ijzeren grendels, geeft verborgen schatten en leert hen zo…
Verkrijgen en verliezen
Naar Prediker 3:6: een levende ziel verkrijgt geestelijke dingen, van kennis van God en van zichzelf tot geloof en vergeving, maar verliest ook haar eigen gerechtigheid en kracht. De preek…
Het schudden van wat gemaakt is en de vastheid van wat gegeven is
Over Hebreeën 12:27,28: wat gemaakt is, wordt geschud en weggenomen, wat God geeft blijft. Het Koninkrijk dat niet bewogen kan worden wordt door geloof ontvangen, door genade vastgehouden en draagt…
Korenaren Uit De Volle Oogst
En dat gij uws zelfs niet zijt.
1 Korinthe 6:19
Deze woorden hebben een gezegende betekenis: „gij zijt uws zelfs niet”. Bedenk, gij moet iemand toebehoren. Indien God uw meester niet is, dan zal de duivel het zijn; indien de genade niet over u heerst, dan zal de zonde over u heersen; indien Christus niet is uw alles en allen, dan zal de wereld het zijn. Het is niet als konden wij overal volkomen vrij rondzwerven. Iemand wil ons hebben.
Wij moeten de een of andere meester hebben; en welke is de beste: een goedertieren Weldoener, zoals God Zich altijd betoond heeft te zijn; een genadig, liefhebbend en teder Vader; een liefderijk, vergevend Vriend; een teerhartig, medelijdend Verlosser, Die in staat is ons geheel te verlossen; of een wrede duivel, een ellendige wereld en een goddeloos, laag, verfoeilijk hart? Waaronder is het beter te leven: onder de zachte dwang van de stervende liefde eens dierbaren Verlossers; onder de invloed, de beginselen, de beloften en de bemoedigingen des Evangelies, of rond te wandelen in ingebeelde vrijheid, met de zonde in het hart, die daar heerschappij voert en ons in ketenen geboeid houdt tot de grote oordeelsdag?
Zelfs het leven hier beneden beschouwende, zo is er meer ware vreugde, voldoening en geluk in een half uur met God, in zoete vereniging en gemeenschap met de Heere van leven en heerlijkheid, in het lezen van Zijn Woord met een gelovig hart, in het vinden van toegang tot Zijn tegenwoordigheid, in iets te verstaan van het nederdroppelen Zijner gunst en genade; er is meer degelijk geluk in een half uur dus in de ware dienst van God doorgebracht, dan in al de geneugten der zonde, al de lusten des vleses, al de grootheid des levens en al de vermaken die de wereld ooit bedacht heeft om de tijd te doden, zichzelf te bedriegen, denkende eindelijk door een sterfbedberouw de duivel te bedriegen.
Geef, Heer, de goeden Uwe zegen,
doe wèl aan ’t vroom gemoed.
Maar hem, die onrecht doet
en die zich neigt tot kromme wegen,
zal God verdoen, doch Isrel leven
en vrede geven.
Ps. 125:4
Aan de lezer…
Wie is uw meester, lezer? Het is een ernstige vraag, want vrij zijn wij niet. Indien de genade niet over ons heerst, dan heerst de zonde; indien Christus niet ons alles is, dan is het de wereld. Misschien voelt u met smart hoeveel uw eigen hart nog naar die oude meesters trekt, en hoe gauw u zich laat meeslepen. Ik verzwijg die strijd niet.
Maar zie dan Wie Hij is aan Wie u mag toebehoren: een goedertieren Weldoener, een teder Vader, een vergevend Vriend, een medelijdend Verlosser, Die in staat is geheel te verlossen. Is niet een half uur in Zijn nabijheid, in het lezen van Zijn Woord met een gelovig hart, meer waard dan al de vermaken die de wereld ooit bedacht heeft? Zegen het dan, dat u uws zelfs niet bent. Onder de zachte dwang van Zijn liefde is de ware vrijheid.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
En dat gij uws zelfs niet zijt.
1 Korinthe 6:19
Deze woorden hebben een gezegende betekenis: „gij zijt uws zelfs niet”. Bedenk dat u aan iemand moet toebehoren. Als God uw meester niet is, dan zal de duivel het zijn. Als de genade niet over u heerst, dan zal de zonde over u heersen. Als Christus niet uw alles en in allen is, dan zal de wereld het zijn. Het is niet zo dat wij overal volkomen vrij kunnen rondzwerven; iemand wil ons hebben.
Wij moeten een of andere meester hebben. Welke is dan de beste? Een goedertieren Weldoener, zoals God Zich altijd betoond heeft; een genadig, liefhebbend en teder Vader; een liefdevolle, vergevende Vriend; een teerhartige, medelijdende Verlosser, Die in staat is ons volkomen te verlossen? Of een wrede duivel, een ellendige wereld en een goddeloos, laag en verfoeilijk hart? Waaronder is het beter te leven? Onder de zachte dwang van de stervende liefde van een dierbare Verlosser, onder de invloed, de beginselen, de beloften en de bemoedigingen van het Evangelie? Of rondwandelen in ingebeelde vrijheid, met de zonde in het hart, die daar heerschappij voert en ons in ketenen geboeid houdt tot de grote oordeelsdag?
Ook als wij alleen naar het leven hier beneden kijken, is er meer ware vreugde, voldoening en geluk in een half uur met God: in zoete vereniging en gemeenschap met de Heere van leven en heerlijkheid, in het lezen van Zijn Woord met een gelovig hart, in het vinden van toegang tot Zijn tegenwoordigheid, in het verstaan van iets van het neerdruppelen van Zijn gunst en genade. Er is meer degelijk geluk in een half uur dat zo in de ware dienst van God wordt doorgebracht, dan in alle geneugten van de zonde, alle lusten van het vlees, alle grootheid van het leven en alle vermaken die de wereld ooit bedacht heeft om de tijd te doden en zichzelf te bedriegen, in de gedachte dat men ten slotte de duivel wel zal bedriegen door berouw op het sterfbed.
Geef, Heer, de goeden Uwe zegen,
doe wèl aan ’t vroom gemoed.
Maar hem, die onrecht doet
en die zich neigt tot kromme wegen,
zal God verdoen, doch Isrel leven
en vrede geven.
Ps. 125:4
Aan de lezer…
Wie is uw meester, lezer? Het is een ernstige vraag, want vrij zijn wij niet. Als de genade niet over ons heerst, dan heerst de zonde; als Christus niet ons alles is, dan is het de wereld. Misschien voelt u met smart hoezeer uw eigen hart nog naar die oude meesters trekt, en hoe snel u zich laat meeslepen. Ik verzwijg die strijd niet.
Maar zie dan Wie Hij is aan Wie u mag toebehoren: een goedertieren Weldoener, een teder Vader, een vergevende Vriend, een medelijdende Verlosser, Die in staat is volkomen te verlossen. Is een half uur in Zijn nabijheid, in het lezen van Zijn Woord met een gelovig hart, niet meer waard dan alle vermaken die de wereld ooit bedacht heeft? Dank Hem er dan voor dat u niet van uzelf bent. Onder de zachte dwang van Zijn liefde ligt de ware vrijheid.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Ye are not your own.
1 Corinthians 6:19
There is a blessed sense in these words, “You are not your own.” Remember you must be someone’s. If God is not your master, the devil will be; if grace does not rule, sin will reign; if Christ is not your all in all, the world will be. It is not as though we could roam abroad in perfect liberty. Someone will have us. We must have a master of one kind or another; and which is best, a bounteous benevolent Benefactor such as God has ever shown Himself to be; a merciful, loving, and tender Parent; a kind, forgiving Father and Friend; and a tender-hearted, compassionate Redeemer, able to save us to the uttermost; or a cruel devil, a miserable world, and a wicked, vile, abominable heart?
Which is better, to live under the sweet constraints of the dying love of a dear Redeemer; under gospel influences, gospel principles, gospel promises, and gospel encouragements; or to walk in imagined liberty, with sin in our heart, exercising dominion and mastery there; and binding us in iron chains to the judgment of the great day?
Even taking the present life, there is more real pleasure, satisfaction, and happiness in half an hour with God, in sweet union and communion with the Lord of life and glory, in reading His Word with a believing heart, in finding access to His sacred presence, in knowing something of the droppings in of His favor and mercy–there is more solid happiness in half an hour thus spent in the real service of God, than in all the delights of sin, all the lusts of the flesh, all the pride of life, and all the amusements that the world has ever devised to kill time and cheat self, thinking, by a death-bed repentance, at last to cheat the devil.
To the reader…
Who is your master? It is a solemn question, for we are not free. If grace does not rule over us, sin rules; if Christ is not our all, the world is. Perhaps you feel with sorrow how much your own heart still pulls towards those old masters, and how quickly you let yourself be carried away. I do not keep silent about that conflict.
But see, then, who He is to whom you may belong: a bountiful Benefactor, a tender Father, a forgiving Friend, a compassionate Redeemer, Who is able to save to the uttermost. Is not half an hour in His presence, reading His Word with a believing heart, worth more than all the amusements the world has ever devised? Thank Him, then, that you are not your own. Under the sweet constraint of His love lies true liberty.
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
No sois vuestros.
1 Corintios 6:19
Hay un sentido bendito en estas palabras: “No sois vuestros”. Recuerde que usted ha de ser de alguien. Si Dios no es su señor, lo será el diablo; si la gracia no gobierna, reinará el pecado; si Cristo no es su todo en todo, lo será el mundo. No es como si pudiéramos andar por ahí en perfecta libertad. Alguien nos tendrá. Hemos de tener un señor de una clase o de otra; y ¿qué es mejor: un Bienhechor generoso y benévolo, como Dios siempre se ha mostrado; un Padre misericordioso, amoroso y tierno; un Padre y Amigo bondadoso y perdonador; y un Redentor de corazón tierno y compasivo, poderoso para salvarnos eternamente; o un diablo cruel, un mundo miserable y un corazón malvado, vil y abominable?
¿Qué es mejor: vivir bajo el dulce constreñimiento del amor moribundo de un Redentor amado, bajo influencias del evangelio, principios del evangelio, promesas del evangelio y alientos del evangelio; o andar en una libertad imaginaria, con el pecado en nuestro corazón ejerciendo allí dominio y señorío, y atándonos con cadenas de hierro para el juicio del gran día?
Aun tomando solo la vida presente, hay más verdadero placer, satisfacción y felicidad en media hora con Dios, en dulce unión y comunión con el Señor de la vida y de la gloria, en leer Su Palabra con un corazón creyente, en hallar acceso a Su sagrada presencia, en conocer algo de las gotas de Su favor y misericordia; hay más felicidad sólida en media hora así empleada en el verdadero servicio de Dios, que en todos los deleites del pecado, todos los deseos de la carne, toda la soberbia de la vida y todas las diversiones que el mundo jamás ha inventado para matar el tiempo y engañarse a sí mismo, pensando, con un arrepentimiento en el lecho de muerte, engañar al fin al diablo.
Al lector…
¿Quién es su señor? Es una pregunta solemne, porque no somos libres. Si la gracia no nos gobierna, gobierna el pecado; si Cristo no es nuestro todo, lo es el mundo. Quizá usted siente con tristeza cuánto su propio corazón tira todavía hacia aquellos viejos señores, y con qué rapidez se deja arrastrar. No callo ese conflicto.
Pero vea, entonces, quién es Aquel a Quien usted puede pertenecer: un Bienhechor generoso, un Padre tierno, un Amigo que perdona, un Redentor compasivo, Quien puede salvar eternamente. ¿No vale más media hora en Su presencia, leyendo Su Palabra con un corazón creyente, que todas las diversiones que el mundo jamás ha inventado? Dele gracias, pues, porque usted no es suyo. Bajo el dulce constreñimiento de Su amor está la verdadera libertad.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl
365 Dagen Met Philpot
Die overwint
En op de keursteen een nieuwe naam geschreven, welke niemand kent, dan die hem ontvangt.
Openbaring 2:17
Soms kan uw ziel zich in droeve duisternis bevinden. U gaat naar de troon der genade; u smeekt bij de Heere; u vraagt Hem iets tot u te zeggen. Maar er komt geen antwoord, geen openbaring, geen zoet gefluister, geen openbaring van Jezus aan uw ziel. U bent er slechter aan toe als u weggaat dan toen u kwam.
Of u wordt tot een zonde verleid; een strik is voor uw voeten gezet; een belegering houdt u in zijn greep; u bent verscheurd door schuldgevoel en verontrust in uw geest. „O ellendig mens die ik ben!” roept u voortdurend uit. Maar u kunt de strik niet losmaken, kunt uw eigen ziel niet bevrijden, kunt de belegering niet doorbreken die zo krachtig in uw zinnelijke geest werkzaam is.
Onder deze gevoelens ontvangt u geen gemeenschap met God, geen zoet getuigenis, geen antwoord op het gebed, geen goddelijk licht noch verlossing, niets om u te sterken, niets om u te troosten, niets om uw ziel te bemoedigen; duisternis, schuld, dienstbaarheid grijpen u en duwen u naar beneden de diepe en donkere kerker in. Welnu, in deze tijd is er geen nieuwe naam. Als u bidt, gaat dit met gezucht en gekreun gepaard; als u leest, vindt u alleen maar zaken die u veroordelen; als u luistert, hecht uw geweten zich aan alles waarin huichelende belijders worden beschreven, maar u kunt niets aannemen dat de zwakke handen kan versterken en de wankele knieën kan verstevigen. In deze tijd is er de oude zonde, een beschuldigend schuldig geweten, een verontruste geest, een verlokkende duivel, maar helaas, geen „witte steen”, geen „nieuwe naam”.
Maar na enige tijd, als de Heere u, een wenende zondaar, naar het kruis leidt, u als een arme schuldige misdadiger overeind helpt, en dan in uw ziel redding bekendmaakt door middel van het bloed van het Lam, en het Woord van Zijn getuigenis met kracht aan uw hart begint toe te passen, dan wordt, zodra de „witte steen” wordt gegeven, ook de „nieuwe naam” gegeven, „die niemand kent dan degene die hem ontvangt”. Er volgen nieuwe gewaarwordingen, nieuwe gevoelens, nieuwe keuzes, nieuwe gedachten, nieuwe verlangens, en alles wordt nieuw gemaakt in de ziel van een mens.
Lezen: Jesaja 62
Aan de lezer…
Vermoeide ziel, gaat u soms slechter van de troon der genade weg dan u gekomen bent? U smeekte, maar er kwam geen antwoord; u laast, maar vond slechts wat u veroordeelde; u hoordet, maar alles leek op huichelaars te slaan, en uzelf rekendet u daaronder. Dan is het donker in de kerker, en er schijnt geen witte steen en geen nieuwe naam voor u te zijn.
Wees eerlijk over die duisternis, maar wanhoop er niet in. De Heere leidt de wenende zondaar na enige tijd naar het kruis, helpt de arme schuldige overeind en maakt redding bekend door het bloed van het Lam. Dan komen de witte steen en de nieuwe naam tegelijk, en alles wordt nieuw in de ziel. U kunt de strik niet zelf losmaken, maar Hij kan het wel. Blijf dan zuchten tot Hem; Hij hoort ook het gekreun.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
En op de keursteen een nieuwe naam geschreven, welke niemand kent, dan die hem ontvangt.
Openbaring 2:17
Soms kan uw ziel in droeve duisternis verkeren. U gaat naar de troon van de genade; u smeekt de Heere; u vraagt Hem iets tot u te zeggen. Maar er komt geen antwoord, geen openbaring, geen zoet gefluister, geen openbaring van Jezus aan uw ziel. U gaat er slechter aan toe weg dan u kwam.
Of u wordt tot een zonde verleid; er is een strik voor uw voeten gezet; een belegering houdt u in haar greep; u bent verscheurd door schuldgevoel en verontrust in uw geest. „O ellendig mens die ik ben!” roept u voortdurend uit. Maar u kunt de strik niet losmaken, u kunt uw eigen ziel niet bevrijden, u kunt de belegering niet doorbreken die zo krachtig in uw zinnelijke geest werkt.
Onder deze gevoelens ontvangt u geen gemeenschap met God, geen zoet getuigenis, geen antwoord op het gebed, geen goddelijk licht of verlossing, niets om u te sterken, niets om u te troosten, niets om uw ziel te bemoedigen. Duisternis, schuld en dienstbaarheid grijpen u en duwen u naar beneden, de diepe en donkere kerker in. Welnu, in zo’n tijd is er geen nieuwe naam. Als u bidt, gaat dat gepaard met gezucht en gekreun; als u leest, vindt u alleen maar dingen die u veroordelen. Als u luistert, hecht uw geweten zich aan alles wat over huichelachtige belijders wordt gezegd, maar u kunt niets aannemen wat de zwakke handen kan versterken en de wankele knieën kan verstevigen. In zo’n tijd is er de oude zonde, een beschuldigend, schuldig geweten, een verontruste geest, een verlokkende duivel, maar helaas: geen „witte steen”, geen „nieuwe naam”.
Maar na enige tijd leidt de Heere u als een wenende zondaar naar het kruis, helpt Hij u als een arme, schuldige misdadiger overeind, maakt Hij in uw ziel redding bekend door het bloed van het Lam, en begint Hij het Woord van Zijn getuigenis met kracht aan uw hart toe te passen. Zodra dan de „witte steen” wordt gegeven, wordt ook de „nieuwe naam” gegeven, „die niemand kent dan degene die hem ontvangt”. Er volgen nieuwe gewaarwordingen, nieuwe gevoelens, nieuwe keuzes, nieuwe gedachten, nieuwe verlangens, en alles wordt nieuw gemaakt in de ziel van een mens.
Lezen: Jesaja 62
Aan de lezer…
Vermoeide ziel, gaat u soms slechter van de troon van de genade weg dan u gekomen bent? U smeekte, maar er kwam geen antwoord; u las, maar vond alleen wat u veroordeelde; u luisterde, maar alles leek op huichelaars te slaan, en uzelf rekende u daaronder. Dan is het donker in de kerker, en er lijkt geen witte steen en geen nieuwe naam voor u te zijn.
Wees eerlijk over die duisternis, maar wanhoop er niet in. De Heere leidt de wenende zondaar na enige tijd naar het kruis, helpt de arme schuldige overeind en maakt redding bekend door het bloed van het Lam. Dan komen de witte steen en de nieuwe naam tegelijk, en alles wordt nieuw in de ziel. U kunt de strik niet zelf losmaken, maar Hij kan het wel. Blijf dan tot Hem zuchten; Hij hoort ook het gekreun.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
And in the stone a new name written, which no man knoweth saving he that receiveth it.
Revelation 2:17
Sometimes your soul may be in sad darkness. You go to the throne of grace; you entreat the Lord; you ask Him to speak something to you. But there comes no answer, no revelation, no sweet whisper, no manifestation of Jesus to your soul. You go away worse than you came.
Or you are tempted to some sin; a snare is laid for your feet; a siege holds you in its grip; you are torn with guilt and troubled in your mind. “O wretched man that I am!” you are continually crying out. But you cannot loose the snare, you cannot deliver your own soul, you cannot break through the siege that works so powerfully in your carnal mind.
Under these feelings you receive no communion with God, no sweet testimony, no answer to prayer, no divine light or deliverance, nothing to strengthen you, nothing to comfort you, nothing to encourage your soul. Darkness, guilt and bondage seize you and thrust you down into the deep and dark dungeon. Well, at such a time there is no new name. If you pray, it is with sighs and groans; if you read, you find only things that condemn you.
If you listen, your conscience fastens upon everything that is said about hypocritical professors, but you can take hold of nothing that might strengthen the weak hands and confirm the feeble knees. At such a time there is the old sin, an accusing, guilty conscience, a troubled mind, an enticing devil, but alas: no “white stone,” no “new name.”
But after a while the Lord leads you as a weeping sinner to the cross, lifts you up as a poor, guilty criminal, makes known salvation in your soul through the blood of the Lamb, and begins to apply the Word of His testimony with power to your heart. As soon as the “white stone” is given, the “new name” is given too, “which no man knoweth saving he that receiveth it.” Then follow new sensations, new feelings, new choices, new thoughts, new desires, and all things are made new in the soul of a man.
Reading: Isaiah 62
To the reader…
Weary soul, do you sometimes go away from the throne of grace worse than you came? You pleaded, but no answer came; you read, but found only what condemned you; you listened, but everything seemed aimed at hypocrites, and you counted yourself among them. Then it is dark in the dungeon, and there seems to be no white stone and no new name for you.
Be honest about that darkness, but do not despair in it. After a while the Lord leads the weeping sinner to the cross, lifts up the poor guilty one and makes known salvation through the blood of the Lamb. Then the white stone and the new name come together, and all things become new in the soul. You cannot loose the snare yourself, but He can. Keep sighing to Him, then; He hears the groaning too.
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
Y en la piedrecita un nombre nuevo escrito, el cual ninguno conoce sino aquel que lo recibe.
Apocalipsis 2:17
A veces su alma puede estar en triste oscuridad. Va usted al trono de la gracia; suplica al Señor; le pide que le hable algo. Pero no viene respuesta, ni revelación, ni dulce susurro, ni manifestación de Jesús a su alma. Se va peor de lo que vino.
O es tentado a algún pecado; se tiende un lazo a sus pies; un asedio le tiene en su puño; está desgarrado por la culpa y turbado en su mente. “¡Miserable hombre de mí!”, clama usted continuamente. Pero no puede soltar el lazo, no puede librar su propia alma, no puede romper el asedio que obra tan poderosamente en su mente carnal.
Bajo estos sentimientos no recibe comunión con Dios, ni dulce testimonio, ni respuesta a la oración, ni luz o liberación divina, nada que le fortalezca, nada que le consuele, nada que aliente su alma. La oscuridad, la culpa y la servidumbre se apoderan de usted y le arrojan al profundo y oscuro calabozo. Pues bien, en tal tiempo no hay nombre nuevo. Si ora, es con suspiros y gemidos; si lee, solo halla cosas que le condenan.
Si escucha, su conciencia se aferra a todo lo que se dice acerca de los profesantes hipócritas, pero no puede asir nada que pudiera confortar las manos cansadas y robustecer las rodillas vacilantes. En tal tiempo está el viejo pecado, una conciencia acusadora y culpable, una mente turbada, un diablo que seduce, pero, ¡ay!, ninguna “piedrecita blanca”, ningún “nombre nuevo”.
Pero al cabo de un tiempo el Señor le lleva como pecador lloroso a la cruz, le levanta como pobre criminal culpable, da a conocer la salvación en su alma por la sangre del Cordero, y comienza a aplicar con poder a su corazón la Palabra de Su testimonio. Tan pronto como se da la “piedrecita blanca”, se da también el “nombre nuevo”, “el cual ninguno conoce sino aquel que lo recibe”. Entonces siguen nuevas sensaciones, nuevos sentimientos, nuevas elecciones, nuevos pensamientos, nuevos deseos, y todas las cosas son hechas nuevas en el alma del hombre.
Lectura: Isaías 62
Al lector…
Alma cansada, ¿se va usted a veces del trono de la gracia peor de lo que vino? Suplicó, pero no vino respuesta; leyó, pero solo halló lo que le condenaba; escuchó, pero todo parecía dirigido a los hipócritas, y usted se contaba entre ellos. Entonces está oscuro en el calabozo, y parece que no hay para usted ninguna piedrecita blanca ni ningún nombre nuevo.
Sea sincero acerca de esa oscuridad, pero no desespere en ella. Al cabo de un tiempo el Señor lleva al pecador lloroso a la cruz, levanta al pobre culpable y da a conocer la salvación por la sangre del Cordero. Entonces la piedrecita blanca y el nombre nuevo vienen juntos, y todas las cosas se hacen nuevas en el alma. Usted no puede soltar el lazo por sí mismo, pero Él sí. Siga, pues, suspirando a Él; Él oye también el gemido.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl
Door Baca's Vallei
Verhef Gij over ons het licht Uws aanschijns, o Heere.
Psalm 4:7
De uitroep der kerk is te allen tijde geweest: „Verhef Gij over ons het licht Uws aanschijns, o Heere!” Het kan menigmaal in uw gewaarwording zijn alsof gij in de schaduw des doods verkeert, zodat gij met Heman zeggen moet: „Ik ben gerekend met degenen, die in de kuil nederdalen; ik ben als een man, die krachteloos is” (Psalm 88:5). Maar deze gewaarwording des doods, deze koudheid des harten, dit koude zweet op uw voorhoofd doet u uitzien naar de verschijning van Hem, Die de Opstanding en het Leven is. Hij kan in een ogenblik u toefluisteren: „Vrees niet; Ik leef tot in alle eeuwigheid en Ik heb de sleutelen der hel en des doods.”
Gij kunt bij tijden terneergedrukt worden door de kracht des ongeloofs en denken en zeggen: Er was nooit een hart als het mijne, zo diep onbekwaam om te geloven en iedere stap betwijfelend. Maar deze diepe overtuiging van uw ellendig ongeloof, hetgeen des Geestes werk is, Joh. 16:9, doet u slechts verlangen naar het levendige geloof, waarvan Christus Zelf niet alleen het Voorwerp is, maar ook de Auteur en Voleinder. Gij moogt bij tijden in moedeloosheid als verzonken zijn, wat betreft zowel uw tegenwoordige staat als uw toekomende, doch dit doet u te meer verlangen naar een goede hoop door genade, als een anker der ziel, dat zeker en vast is. Gij kunt somtijds schuld gevoelen, en niet alleen schuld, maar ook de vreselijke kracht en het overwicht der zonde, doch dit doet u te meer en ernstiger verlangen naar de openbaring van vergeving en vrede, en dat geen zonde de heerschappij over u hebben moge.
„De mond des Heeren heeft het gesproken”, Die vroeger of later u de nodige zegen zal schenken. De dalen waarin gij nu verkeert, zullen verhoogd worden, en de bergen en heuvelen zullen tot een vlak veld gemaakt, het kromme zal recht en het oneffen tot een effen veld gemaakt worden, en uw ogen zullen de heerlijkheid des Heeren zien. Christus zal dierbaar in uw ogen zijn. Hij zal vroeger of later uw ziel bezoeken, en tot u komende, zal Hij Zich openbaren als uw Heere en uw God. Zo zult gij afhangen van Hem en hopen en uitzien, totdat Hij verschijnt, want op de bodem uwer ziel blijft het liggen: niemand dan Jezus kan hulpeloze zondaren vergenoegen!
Aan de lezer…
Het kan zijn dat u zich soms voelt als Heman, gerekend met degenen die in de kuil nederdalen: koud van hart, terneergedrukt door ongeloof, bezwaard door schuld en de kracht der zonde, alsof er nooit een hart als het uwe was. Het wordt hier eerlijk uitgesproken: zulke tijden komen. Maar zie wat zij werken. Juist die gewaarwording des doods doet u uitzien naar Hem Die de Opstanding en het Leven is, en die diepe overtuiging van ongeloof is het werk van de Geest.
Hef dan uw roep op met de kerk van alle tijden: „Verhef Gij over ons het licht Uws aanschijns, o Heere.” Hij kan in een ogenblik tot u fluisteren: „Vrees niet; Ik leef tot in alle eeuwigheid.” De dalen waarin u nu verkeert, zullen verhoogd worden, en het kromme zal recht gemaakt worden. Vroeg of laat zal Hij uw ziel bezoeken. Wacht dan op Hem, want op de bodem van uw ziel weet u het: niemand dan Jezus kan hulpeloze zondaren vergenoegen.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
Verhef Gij over ons het licht Uws aanschijns, o Heere.
Psalm 4:7
De roep van de kerk is altijd geweest: „Verhef Gij over ons het licht Uws aanschijns, o Heere!” Het kan u vaak voorkomen alsof u in de schaduw van de dood verkeert, zodat u met Heman moet zeggen: „Ik ben gerekend met degenen, die in de kuil nederdalen; ik ben als een man, die krachteloos is” (Psalm 88:5). Maar dit besef van de dood, deze koudheid van het hart, dit koude zweet op uw voorhoofd doet u uitzien naar de verschijning van Hem Die de Opstanding en het Leven is. Hij kan u in een ogenblik toefluisteren: „Vrees niet; Ik leef tot in alle eeuwigheid en Ik heb de sleutelen der hel en des doods.”
Soms kunt u neergedrukt worden door de kracht van het ongeloof en denken en zeggen: Er was nooit een hart als het mijne, zo diep onbekwaam om te geloven en bij iedere stap twijfelend. Maar deze diepe overtuiging van uw ellendig ongeloof, die het werk van de Geest is (Joh. 16:9), doet u alleen maar verlangen naar het levende geloof, waarvan Christus Zelf niet alleen het Voorwerp is, maar ook de Auteur en Voleinder. U kunt soms als verzonken zijn in moedeloosheid, zowel over uw tegenwoordige als over uw toekomstige staat, maar dit doet u des te meer verlangen naar een goede hoop door genade, als een anker van de ziel, dat zeker en vast is. U kunt soms schuld voelen, en niet alleen schuld, maar ook de vreselijke kracht en overmacht van de zonde. Maar dit doet u des te meer en ernstiger verlangen naar de openbaring van vergeving en vrede, en dat geen zonde heerschappij over u mag hebben.
„De mond des Heeren heeft het gesproken”, en vroeg of laat zal Hij u de zegen schenken die u nodig hebt. De dalen waarin u nu verkeert, zullen verhoogd worden, en de bergen en heuvels zullen tot een vlak veld gemaakt worden. Het kromme zal recht en het oneffen tot een effen veld gemaakt worden, en uw ogen zullen de heerlijkheid van de Heere zien. Christus zal dierbaar zijn in uw ogen. Hij zal vroeg of laat uw ziel bezoeken, en wanneer Hij tot u komt, zal Hij Zich openbaren als uw Heere en uw God. Zo zult u van Hem afhankelijk zijn, en hopen en uitzien totdat Hij verschijnt, want op de bodem van uw ziel blijft dit liggen: niemand dan Jezus kan hulpeloze zondaren tevredenstellen!
Aan de lezer…
Het kan zijn dat u zich soms voelt als Heman, gerekend met degenen die in de kuil neerdalen: koud van hart, neergedrukt door ongeloof, bezwaard door schuld en door de kracht van de zonde, alsof er nooit een hart als het uwe was. Het wordt hier eerlijk uitgesproken: zulke tijden komen. Maar zie wat zij werken. Juist dat besef van de dood doet u uitzien naar Hem Die de Opstanding en het Leven is, en die diepe overtuiging van ongeloof is het werk van de Geest.
Laat dan uw roep opgaan met de kerk van alle tijden: „Verhef Gij over ons het licht Uws aanschijns, o Heere.” Hij kan in een ogenblik tot u fluisteren: „Vrees niet; Ik leef tot in alle eeuwigheid.” De dalen waarin u nu verkeert, zullen verhoogd worden, en het kromme zal recht gemaakt worden. Vroeg of laat zal Hij uw ziel bezoeken. Wacht dan op Hem, want op de bodem van uw ziel weet u het: niemand dan Jezus kan hulpeloze zondaren tevredenstellen.
Met een hartelijke groet,
De samenstellers van jcphilpot.nl
LORD, lift Thou up the light of Thy countenance upon us.
Psalm 4:6
The cry of the Church has always been, “Lord, lift up the light of Your countenance upon us.” You may often feel as if immersed in the very shadow of death, and say with Heman, “I am counted with those who go down into the pit; I am as a man that has no strength” (Psalm 88:4); but the very feelings of death, the chill at your heart, and the cold sweat upon your brow, make you long for the appearance of Him Who is the Resurrection and the Life; and Who can in one moment whisper, “Fear not; I am alive for evermore, and have the keys of hell and of death.”
You may be pressed down at times with the power of unbelief, and think and say there never was a heart like yours, so unable to believe, so doubting at every step; but this deep conviction of your wretched unbelief, which is the Spirit’s work to show (John 16:9), only makes you long for that living faith of which Christ Himself is not only the Object, but the Author and Finisher. You may be sunk at times in despondency, as to both your present and future state; but that makes you the more desire to have a good hope through grace, as an anchor of the soul, both sure and steadfast. You may feel at times the guilt, and not only the guilt, but the dreadful power and prevalence of sin; but that only makes you long the more earnestly for manifestations of pardon and peace, and that no sin may have dominion over you.
“The mouth of the Lord has spoken it,” that sooner or later you shall have every needful blessing. The valley you now feel to be in shall be exalted; the mountain and hill shall be made low; the crooked shall be made straight, and the rough places plain, and your eye shall see the glory of the Lord; Christ shall be made precious to your heart; He will come sooner or later into your soul; and then when He comes He will manifest Himself as your Lord and your God. And so you keep hanging, and hoping, and looking up until He appears; for your heart is still ever saying, “None but Jesus, can do helpless sinners good.”
To the reader…
It may be that at times you feel like Heman, counted with them that go down into the pit: cold of heart, pressed down by unbelief, burdened by guilt and by the power of sin, as if there never was a heart like yours. It is said honestly here: such times do come. But see what they work. That very sense of death makes you look out for Him Who is the Resurrection and the Life, and that deep conviction of unbelief is the work of the Spirit.
Let your cry, then, go up with the Church of all ages: “LORD, lift Thou up the light of Thy countenance upon us.” In a moment He can whisper to you: “Fear not; I am alive for evermore.” The valleys you are in now shall be exalted, and the crooked shall be made straight. Sooner or later He will visit your soul. Wait for Him, then, for in the depths of your soul you know it: none but Jesus can do helpless sinners good.
With warm regards,
The compilers of jcphilpot.nl
Alza sobre nosotros, oh Jehová, la luz de Tu rostro.
Salmo 4:6
El clamor de la Iglesia ha sido siempre: “Señor, alza sobre nosotros la luz de Tu rostro.” Puede que a menudo se sienta usted como sumergido en la misma sombra de muerte, y diga con Hemán: “Soy contado con los que descienden al hoyo, soy como hombre sin fuerza” (Salmo 88:4); pero los mismos sentimientos de muerte, el frío en el corazón y el sudor frío en la frente, le hacen anhelar la aparición de Aquel que es la Resurrección y la Vida, y que en un momento puede susurrar: “No temas; he aquí que vivo por siglos de siglos, y tengo las llaves del infierno y de la muerte.”
Puede que a veces se vea oprimido por el poder de la incredulidad, y piense y diga que nunca hubo un corazón como el suyo, tan incapaz de creer, tan dudoso a cada paso; pero esta profunda convicción de su miserable incredulidad, que es obra del Espíritu mostrar (Juan 16:9), solo le hace anhelar esa fe viva de la cual Cristo mismo no es solo el Objeto, sino el Autor y Consumador. Puede que a veces esté hundido en el desaliento en cuanto a su estado presente y futuro; pero eso le hace desear tanto más tener una buena esperanza por gracia, como ancla del alma, segura y firme. Puede que a veces sienta la culpa, y no solo la culpa, sino el terrible poder y predominio del pecado; pero eso solo le hace anhelar con más fervor manifestaciones de perdón y de paz, y que ningún pecado se enseñoree de usted.
“La boca de Jehová ha hablado” que tarde o temprano tendrá usted toda bendición necesaria. El valle en que ahora se siente será alzado; el monte y el collado serán bajados; lo torcido se enderezará y lo áspero se allanará, y su ojo verá la gloria del Señor; Cristo será hecho precioso a su corazón; Él vendrá tarde o temprano a su alma; y entonces, cuando venga, Se manifestará como su Señor y su Dios. Y así sigue usted asido, esperando y mirando a lo alto hasta que Él aparezca; porque su corazón sigue diciendo siempre: “Nadie sino Jesús puede hacer bien a los pecadores desvalidos.”
Al lector…
Puede que a veces se sienta usted como Hemán, contado con los que descienden al hoyo: frío de corazón, oprimido por la incredulidad, cargado por la culpa y por el poder del pecado, como si nunca hubiera habido un corazón como el suyo. Aquí se dice con sinceridad: tales tiempos llegan. Pero vea lo que obran. Ese mismo sentir de muerte le hace buscar con la mirada a Aquel que es la Resurrección y la Vida, y esa profunda convicción de incredulidad es obra del Espíritu.
Deje, pues, que su clamor suba con la Iglesia de todos los siglos: “Alza sobre nosotros, oh Jehová, la luz de Tu rostro.” En un momento Él puede susurrarle: “No temas; he aquí que vivo por siglos de siglos.” Los valles en que ahora está serán alzados, y lo torcido se enderezará. Tarde o temprano Él visitará su alma. Espérele, pues, porque en lo profundo de su alma usted lo sabe: nadie sino Jesús puede hacer bien a los pecadores desvalidos.
Con un cordial saludo,
Los compiladores de jcphilpot.nl